dinsdag 18 december 2007

De laatste katholiek


(Een van de ontwerpen die in 2004 meedeed aan een affichewedstrijd van het Brugse Grootseminarie.)

Ik kan heel goed twijfelen en toch gelovig zijn", zegt Ziauddin Sardar. Het is mij een raadsel hoe je die tegennatuurlijke combinatie volhoudt, maar Sardars Het paradijs wanhopig gezocht. Reizen naar het hart van de islam (Byblos, 2005) is wel een goed boek. Sardar beschrijft de spanning tussen islamitische orthodoxie en werkelijkheidszin. Hij reist de wereld rond, bezoekt lokale moslimgemeenschappen, spreekt met wijzen en wichelaars, voelt gewone gelovigen aan de tand. Zijn heftige autobiografie toont een man die tegen dogma's ingaat en weigert om zijn verstand op nul te zetten. Een grappige gelovige ook. "Als u moslim bent, waarom rijdt u dan niet op een kameel?" Spijtig genoeg is de ondertitel van het boek niet correct vertaald. Het origineel luidt: Journeys of a Sceptical Muslim. De bewering dat je naar het 'hart van de islam' zou kunnen reizen, klinkt zeer katholiek. In het Vaticaan is de Sint-Pietersbasiliek gebouwd op het graf van Petrus, de rots van de kerk. Op dezelfde plaats huist de Paus die als enige onfeilbare uitspraken in geloofs- en zedenkwesties kan doen. Voor een katholiek bestaat er weinig twijfel waar het 'hart van het katholicisme' zich bevindt. De islam is daarentegen een allesbehalve centralistisch geleide godsdienst.

Al wie last heeft van een gebrek aan kennis over de islam moet zich Het paradijs wanhopig gezocht aanschaffen. Om het echt boeiend te maken, kun je tegelijkertijd de memoires van Robert Fisk lezen, zodat je twee kanten van het verhaal krijgt. Fisk, westers sterjournalist en geëmotioneerd buitenstaander, toont de woestenij van oorlogsgebieden waar godsdienst zowel een bindmiddel als een splijtzwam is. Sardar, een Britse intellectueel uit de Punjab, vertelt hoe het is om op te groeien als aanhanger van de Moslimbroederschap, een belangrijke politieke factor in het Midden-Oosten van de afgelopen decennia.

Als Sardar, een behoorlijk wereldwijze Londense Pakistaan, zo'n straf boek over de islam kan schrijven, waar blijven dan de hippe katholieken met hun verhaal? Heel eenvoudig, die zijn allemaal dood of hebben zich als vrouw verkleed, zoals Maartje 't Hart. Een van de beste boeken over de Europese katholieke kerk is nog steeds Het kruisteken. Reizen door katholiek Europa (Atlas, 1995) van de Ier Colm Tóibín. De schrijfintentie van Tóibín is echter zeer typerend: hij wilde het geloof onderzoeken waar hij afstand van had gedaan. Katholiek zijn, betekent tegenwoordig: melancholisch naar de horizon staren, zich bezinnen over vervlogen tijden en vooral niet geloven. Zeer vermoeiend allemaal. De katholieke kerk lijkt wel een reservaat van bejaarden, getrouwde priesters, ex-gelovigen en charismatici. Sommige bronnen beweren dat tegen 2025 één op twee katholieken een charismatische overtuiging zal koesteren. Binnenkort zal slechts een minderheid van de katholieken niet in tongen spreken. Charismatici dopen immers in de Heilige Geest, wat een tweede zegening is, volgend op de wedergeboorte. Ze beoefenen ook de kunst van de glossolalie, een gewijde vorm van wat er zich in het cabaret voltaire afspeelde: flapperende onzin.

Geen enkel geloof lijkt tegenwoordig zo spannend als de islam. Stel je voor dat Hans Geybels, woordvoerder van kardinaal Danneels, via sms de gelovigen had opgeroepen tot een mars tegen de VRT. Redenen te over. Zowel bij de VRT-radio als -tv wordt er om het kwartier een doorbakken pastoorsmop verteld. Op kosten van de (katholieke) belastingbetaler! Daar kunnen ze bij VTM alleen van dromen. Na Geybels' oproep zou er een gewijde stilte neer zijn gedaald, maar de betogers waren ongetwijfeld thuisgebleven. Dat is dus niet gebeurd. Op het hoogtepunt van de cartoonhysterie kwam Geybels zuinigjes in TerZake verklaren dat het geloof met respect moest worden bejegend. Intussen had een overenthousiaste jonge Brusselaar een sms verstuurd, die, tot zijn grote verbazing, wel een massa op de been bracht. Moeders met kinderwagen, kleuters aan de hand van hun vader, oude mannen, snotapen: de beelden van de spontane moslimbetoging tegen de VRT toonden een zeer divers, doch zeer gemotiveerd publiek. Kom daar eens om in de kerk. Uiteraard zijn er zeer opvallende en evangelisch geïnspireerde acties, zoals het terechte pleidooi van de Sint-Egidiusgemeenschap voor een humane amnestie. Het succes is reëel, maar bescheiden. En vooral: ook Hilde Kieboom van de Sint-Egidiusgemeenschap zou het niet klaarspelen om via sms een spontane mars op het kabinet van Dewael uit te lokken, terwijl haar zaak absoluut meer dan één betoging waard is.

Katholieke marketeers zitten met de handen in het haar, althans in het ontkerstende Europa. Nog steeds is de katholieke kerk de terreur van de jeugdmis niet te boven gekomen: de morose sfeer van pubers die met een tamboerijn staan te schudden. Nee, daar zat geen muziek in. Niemand heeft blijkbaar een antwoord gevonden op die vormkwestie. "De rooms-katholieke priester is in Vlaanderen met uitsterven bedreigd", meldde Tertio onlangs. Nog twintig jaar geven ze hem. In een duister verleden heb ik er bijna dagelijks actie voor gevoerd. De leraar zei: "Laten wij nu bidden voor roepingen. Drie weesgegroeten en een onzevader." En hup, de handen op elkaar en prevelen maar. Voltaire schrijft dat niemand lacht wanneer er plechtig wordt opgeroepen God te aanbidden en rechtvaardig te zijn. Maar o wee als je beweert God alleen te kunnen behagen door krokodillen te offeren of door te sterven met een koeienstaart in de hand geklemd. Mijn gebeden zijn niet verhoord en aan krokodillen heb ik me nooit gewaagd. Een andere keer kwam er een broeder een diareeks tonen over de jaarlijkse paasretraite. Je kampeerde op een drassige wei in de provincie Luxemburg, ter voorbereiding van het seminarie. Bidden, spelen en patatten jassen voor God. We kregen antwoordkaartjes mee naar huis. Ik herinner me mijn medelijden met die broeder. Hij bedoelde het goed, maar op de dia's waren meer tenten dan kinderen te zien.

Die leegte is sindsdien in omvang toegenomen. In de losse verkoop doet de kerk het niet dramatisch slecht, maar abonnees zijn er haast niet meer. Oud-hoofdredacteur van Kerk+Leven Mark Van de Voorde beweert in Geloven is achterlijk, zeggen ze. Open brief aan kerkverlaters (Davidsfonds, 2006) dat de leegloop in belangrijke mate te wijten is aan de middelmatigheid van de geloofsbeleving en van de kerk. De feiten geven hem gelijk. Als je zijn verhaal met dat van Ziauddin Sardar vergelijkt, valt er nog iets anders op. Van de Voorde put zich uit in verontschuldigen voor zijn geloof, terwijl Sardar complexloos vertelt hoe hij zijn geloof beleeft. De laatste katholiek is niet voor morgen, maar de aantrekkingskracht van de kerk wordt er op die manier bepaald niet groter op.

Harold Polis

(Dit bericht verscheen eerder in De Morgen van 29 maart 2006.)

Het Sienjaal


(Reclame uit de jaren vijftig voor het programma De ondergang van de Westerse beschaving.)

De Vlaming heeft de afgelopen jaren zo'n massaal aantal signalen gegeven, dat geen meetinstrument ze nog registreren kan. Van de Vlaamse kiezer tot de Vlaamse verkozene: onze samenleving heeft zich werkelijk te pletter gesignaald. En nog houdt het signaleren niet op. Sinds 2004 organiseert Het Laatste Nieuws het grootste panelonderzoek in Vlaanderen: 'De stemmenkampioen'. Iedereen die zich registreert mag naar hartenlust zijn mening geven over tal van levensnoodzakelijke vragen. De eerste hoofdprijs bij de gemeenteraadsverkiezingen 2006 is een luxereis voor twee personen in een Egyptisch viersterrenhotel. "Een aanrader voor liefhebbers van zon en strand", zo meldt de website stemmenkampioen.hln.be. "Wedden dat je wilt blijven?"

Een panische angst zou zich meester van ons maken als we een dag zonder televoting, peiling, panelonderzoek of referendum beleefden. Stel je voor: een etmaal lang je mond houden. Blaise Pascal beweerde dat dit trage zwijgen gezond was en zinvol. Ook de methode Winston Churchill is prijzenswaard: "Keep buggering on". Niet zagen, KBO! Maar Pascal of Churchill kwamen duidelijk niet uit Antwerpen, Deinze of Beringen-Paal. De tweede en derde generatie ontvoogde Vlamingen schrikken elke ochtend dat zij een tong en stembanden hebben. Ze belijden hun verbazing door zich mondig op te stellen. En zo lijkt onze charmante deelstaat bij momenten op een immense klantendienst waar mensen zonder klachten staan te zieken uit gezelligheid. Kniesoren beweren dat Vlamingen achterbaks zijn en in het stemhokje op die ene partij stemmen die ze in het openbaar geen lippendienst durven te bewijzen. Maar dat is buiten de alomtegenwoordige signaalcultuur gerekend. Kunnen we nog zonder?

We zijn nu eenmaal gefascineerd door omwentelingen: onverwachte signalen die de loop van de geschiedenis veranderen en de indruk wekken dat we een boeiend leven leiden. Hannah Arendt beschrijft in de essaybundel Between Past and Present dat zo'n signaal ongrijpbaar en verslavend is. En voor je het weet, heb je er heimwee naar. Ze citeert ook de negentiende-eeuwse Franse politiek filosoof Alexis de Tocqueville: "Als het verleden de toekomst niet meer verlicht, waart de mens in de duisternis rond." De Tocqueville had het over de omstandigheden waarin de Amerikaanse democratie zich in zijn tijd ontwikkelde. De duisternis van de geschiedenisloze nieuwe wereld leek hem uitermate geschikt voor een revolutionaire samenleving. Omwille van zijn als reisverslag vermomde beschrijving van de moderne democratie - met de nadruk op voorwaarden en bedreigingen - wordt De Tocqueville nog steeds graag gelezen. Vooral door conservatieve filosofen, zoals de Nederlandse rechtsfilosoof Andreas Kinneging. In zijn vorig jaar verschenen boek Geografie van goed en kwaad probeert hij de problemen van onze tijd in kaart te brengen. Als een volleerd conservatief besluit Kinneging dat we ten onder gaan aan oppervlakkigheid en aan het milde despotisme van de massa. Ook wij waren in de duisternis rond, omdat we de bronnen van onze beschaving droog hebben gelegd. Als het tij keert en er komt een signaal, zouden we het nog wel herkennen, lijkt Kinneging zich af te vragen. Is het revolutionaire signaal dat Arendt en De Tocqueville beschreven nog wel mogelijk?

'De stemmenkampioen' staat intussen ter discussie wegens vermeende manipulatie - door Antwerpse stemmers uiteraard. Officieel wordt zowat elke politieke peiling stuk gerelativeerd. En zelfs de televoting van miss België bleek niet bestand tegen massale fraude. Al die kleine en grote nepsignalen bevestigen het teleurstellende besef dat we de werkelijkheid niet in de hand hebben. We moeten haar interpreteren, zoals tijdens de Koude Oorlog het nieuws uit het Oostblok werd geïnterpreteerd: de feiten zijn niet altijd te controleren en de berichtgeving kan propaganda bevatten. Die toestand wordt versterkt door de grote keuze van oncontroleerbare digitale nieuwsbronnen: e-mail, internet, livestream, sms. Flarden, kreten en citaten waarbij de context geen rol meer speelt. De technologie gaat even te snel voor ons.

Analoge signalen waren nu eenmaal eenvoudiger. Iedereen had een vast nummer en stond in het telefoonboek. Voltooid verleden tijd. Tussen maart vorig jaar en maart dit jaar deden 640.000 Nederlandse abonnees van KPN hun vaste toestel de deur uit. Het aantal afvallige Belgacomabonnees is niet bekend, maar ongetwijfeld zijn ze ook bijzonder talrijk. In de Volkskrant noemt de directeur van de Nederlandse telefoongids de neergang van het vaste toestel een paradox: "We hebben steeds meer communicatiemiddelen - e-mail, MSN messenger - maar zijn steeds minder bereikbaar." Met televisie gaat het in elk geval dezelfde kant op.

Nielsen Media Research gaat de kijkdichtheid van reclameboodschappen op de televisie meten. Een revolutie, want tot op heden worden alleen programma's gevolgd. Verwacht wordt dat de kijkdichtheid tegenvalt. Eerder dit jaar kondigde Unilever aan dat het budget voor televisiereclame fors is gedaald. Reclameconcepten staan op losse schroeven, reclame-inkomsten dalen fors en straks verdwijnt het gros van de programma's achter de decoder. De klassieke televisiezender is ten dode opgeschreven. We weten vandaag niet hoe de nieuwe digitale televisiecultuur er zal uitzien en wat die grap ons zal kosten. En om die omwenteling te bezegelen houden de openbare omroepen er een voor een mee op hun uitzendingen ook analoog aan te bieden. Het Nederlandse kabinet besliste eerder dit jaar om per 30 oktober te stoppen met de uitzending van analoge tv-signalen. De Vlaamse overheid houdt er tussen 2010 en 2012 mee op. Vaarwel dakantenne, vaarwel etherfrequenties 480 tot en met 870 MHz.

Het ene signaal is echter het andere niet. 'Het sienjaal' van Paul Van Ostaijen is een gedicht uit de gelijknamige uiterst romantische bundel waarin de dichter, met het wapengekletter van de Eerste Wereldoorlog op de achtergrond, de mensheid oproept tot samenhorigheid. "Dit is het sienjaal naar de heiligmakende Jordaan van ons geweten te gaan." In Van Ostaijens volstrekt analoge wereld was er nog ruimte voor massabewegingen, mede omdat de massa perfect kon worden bespeeld met behulp van eenduidige media. Dat is vandaag - gelukkig - steeds minder mogelijk. Adverteerders vinden hun doelpubliek niet meer. Politici zijn het spoor van hun kiezers bijster. Bedrijven willen koste wat het kost de indruk wekken dat ze uitsluitend met de vraag van de klant bezig zijn. We hebben met zijn allen heimwee naar een tijd dat je de wereld met één knop aan of af kon zetten en signalen betrouwbaarder leken.

Te midden van al die technische en maatschappelijke wanorde is er één medium dat min of meer ongehavend aan het derde millennium is begonnen: het gedrukte boek. Je hebt er geen analoge, digitale, geëxtrapoleerde of hysterische signalen voor nodig. De revolutie van DVB (digital video broadcasting) kan de toekomst van het boek niet schaden. Het boek blijft met voorsprong het makkelijkst beschikbare, betrouwbaarste en meest democratische medium.

U had allang aan het lezen moeten zijn.

Harold Polis

(Dit stuk is eerder verschenen in De Morgen van 26 juli 2007.)

Het gebed


(Johannes Paulus II, een van de meest verzengende bidders van de twintigste eeuw.)

Baat het niet, dan schaadt het niet. Af en toe de ogen sluiten en in opperste concentratie op zoek gaan naar de kern van het bestaan, het is weinigen gegeven. Na luttele seconden begint je maag te rommelen of gaat je gsm af. Wijlen Johannes Paulus II was de meest fotogenieke bidder van onze tijd. Zelfs toen hij nog in optima forma was, hing hij als een gewond dier over de leuning van een kerkstoel en peilde hij naar de luim van zijn God, afglijdend in een toestand die door satanist Joris-Karl Huysmans zou worden omschreven als "verzengend gebed". De huidige paus lijkt dan weer te piekeren in plaats van te bidden. Al te diepe gedachten zijn echter ongewenst in ons zelfopblaasbare universum. Bovendien zijn ze ook niet noodzakelijk katholiek. In het ware gebed wordt niet over God nagedacht, maar wordt God toegesproken. Gelovigen hebben overigens de keus tussen smeken, tieren, fezelen, zwijgen of uithalen. Zolang er maar aanbeden wordt. Naar verluidt doen we dat steeds minder.

Midden november maakte het bureau Compagnie de resultaten bekend van een enquête over het geloof in Vlaanderen. 55 procent van de ondervraagde Vlamingen gelooft in één enkele God. "Bij de meeste enquêtes hebben we veel respondenten die twijfelen of het niet weten, wat hier tot onze verbazing niet het geval was", verklaarde ene Ben Decock aan Gazet van Antwerpen. Het is al langer bekend dat marktonderzoekers aan een vorm van intelligentie lijden, maar bij het bureau Compagnie heeft het virus zich gemuteerd, met ongeneeslijk lijden tot gevolg. Volgens de enquête lopen er in Vlaanderen geen agnosten rond. Bovendien zijn de mensen die zichzelf wel als gelovig bestempelen, vrij van twijfel, terwijl al ruim twee millennia een cruciaal deel van de christelijke bronnen net wel handelt over het aanroepen van een God die niet antwoordt. Gedenk de woorden die Blaise Pascal in Gods mond legde: "Console-toi, tu ne me chercherais pas si tu m'avais trouvé." Je zou van minder beginnen twijfelen. Maar er is meer.

Volgens Jan Bax, de voorzitter van de Vereniging voor Promotie en Communicatie (VEPEC), bewijst het onderzoek dat de katholieke kerk dringend nood heeft aan een agressieve marketingstrategie om het imago bij te schaven. Een bewering die sympathie opwekt voor een instituut dat in eeuwen denkt, eerder dan in door jobstudenten uitgevoerde enquêtes. Ongetwijfeld zou het bureau Compagnie, op basis van bijkomend onderzoek, voorstellen om Jezus niet aan het kruis te laten sterven, Maria af te beelden als een actieve senior en de ondernemingszin van de Farizeeërs te roemen. Gebrek aan kennis - de befaamde 'catechese' - is voor de kerk een nog grotere bedreiging dan haar vaak tergende gezeur over ethische kwesties. Alleen afgestudeerde theologen kunnen het begrip transsubstantiatie nog uitleggen. Jezus en de veertig stokbroden? Jona op jacht naar de walvis? Echtscheiding in Kanaa? Het is voor vele medeburgers allemaal zo ver weg dat zelfs een kruisteken slaan een even cryptische daad lijkt als het offeren van een lam.

De unique selling proposition van de katholieke kerk is van bij het begin der tijden de verlossing geweest. God kunnen we niet kennen. Zijn zoon Jezus wel. Die zorgt ervoor dat gelovigen een vorm kunnen geven aan hun godsbesef, door te bidden bijvoorbeeld. In de evangeliën doet Jezus dienst als de uitvinder van het christelijke gebed om verlossing. Tijdens de doorwaakte nacht voor het eindspel op de berg Golgotha raakt Jezus bijna de pedalen kwijt voor hij berusting vindt in een gesprek met God. Matteüs 26,39: "Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze kelk aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt." Iedereen is ooit wel een keer bang voor de kelk. Van onderdanigheid hebben we echter wat minder last - dat hopen we althans. Het is de totale overgave aan God die een gebed onderscheidt van meditatie. Nogal wat mensen vermoeden religieuze gevoelens te beleven wanneer ze op een bergtop staan, een kind maken of naar Bach luisteren. Aan zinsbegoochelingen en sentimenteel terrorisme hebben we inderdaad geen gebrek. Het ware geloof draait echter niet om ethisch of ecologisch verantwoord zelfmedelijden, maar om gehoorzaamheid aan God. De doodstrijd van Jezus was daarom ook een gevecht van het gebed. "Uw wil geschiede." Kortom, alle ingrediënten zijn aanwezig om een agressieve mediacampagne te brouwen die de westerlingen prompt in de nevelen van het geloof lokt. Hou op met denken, onderwerp u! De massa's stromen al toe. Hou ze tegen.

In 2005, het jaar van het gebed, publiceerden de bisschoppen van België de brochure Heer, leer ons bidden. "Onze eenzijdige beklemtoning van de moraal", zo schrijven de bisschoppen, "zette een domper op de vreugde van het gebed dat eigenlijk een ontmoeting is." Voor een gelovige staat of valt alles met de persoonlijke relatie tot God, een relatie die wordt beleefd in een gemeenschap. Ons individualisme strookt echter allang niet meer met het klassieke gemeenschapsgevoel waarop de kerk een patent leek te hebben. Over dat verketterde individualisme bestaan tal van misverstanden die ook door de kerk niet scherp genoeg worden ingeschat - laat staan door de jobstudenten van het bureau Compagnie.

Uit een onderzoek van sociologe Leen Heylen (Universiteit Antwerpen) blijkt dat bijvoorbeeld de eenzaamheid bij ouderen de afgelopen twintig jaar niet significant is toegenomen. Ouderen stellen hun verwachtingen bij en streven zelf naar meer autonomie.

De individualisering is dus niet nood-zakelijk nefast voor de sociale cohesie. Uit ander onderzoek blijkt bovendien dat we als individualisten niet slechter voor elkaar zorgen omdat we, in tegenstelling tot vroeger, liefde de voorkeur geven boven verplichting. Als je die inzichten toepast op de kerk zouden bisschoppen blij moeten zijn dat gelovigen uit vrije wil bidden en niet omdat het moet. Hetzelfde fenomeen keert terug bij de discussie over de plaats van het geloof in maatschappij. Vroeger moest het, vandaag mag het. Voor ons is heterogeniteit de belangrijkste maatschappelijke waarde. Het succes van religieuze en vrijzinnige groepen zal dan ook in toenemende mate afhangen van de mate waarin ze heterogeniteit omarmen. Om dezelfde reden is het raadzaam om religie te bannen uit een deel van de openbare ruimte en de instellingen. Alleen op die manier kunnen de ontmoetingsplaatsen ontstaan die onze democratie zo hard nodig heeft.

Harold Polis

(Dit artikel verscheen eerder in De Morgen van 22 november 2006.)

Hoe Herman Brusselmans de wereld veranderde




(De man die werk vond: Bill Gates in 1985.)

In Shanghai Express (1932) wandelt Marlene Dietrich tijdens de openingsscène langs een trein op het perron. Het is een van de beroemdste travel shots uit de filmgeschiedenis. Aan Dietrichs wandeling komt maar geen einde. Het is alsof de beelden in een loop zitten. Uit elk treinraampje duikt er een Chinees op die naar de hooghartige vrouw met het kekke hoedje staart. "It took more than one man to change my name to Shanghai Lily", zegt Dietrich later in de film. Dat heb je dus na het magistrale openingsbeeld al beet. Ook de roman De man die werk vond (1985) van Herman Brusselmans lijdt aan onweerstaanbare genialiteit. Het hoofdpersonage Louis Tinner zit aan een bureau in een vergeten uithoek van een Brussels kantoorgebouw te wachten tot mensen een boek bij hem komen uitlenen. De mensenschuwe en angstige Tinner is bibliothecaris van beroep. Collega-ambtenaren moeten uitgerekend Tinner aanspreken om een boek te pakken te krijgen, terwijl hijzelf tot elke prijs met rust wil worden gelaten. Bladzijdenlang komen er bij het begin van het boek mensen het bureau van Tinner binnen. Een marteling die Tinner grinnikend, wanhopig en gelaten ondergaat. Een van de laatste zinnen van De man die werk vond luidt: "Verbanden zijn er niet, dacht hij, een tijdlang leef je, en dan ben je dood. De eerste dagen zijn de moeilijkste, later gaat het wel." Maar dat had je dus na de magistrale openingsscène al door.

De man die werk vond hoort thuis in de categorie onuitwisbare leeservaringen. De roman is zo goed dat je vele boeken heel slecht begint te vinden. Dat is althans mijn herinnering aan de eerste keer De man die werk vond, in 1987. Sindsdien heb ik de roman een aantal keer herlezen. Ik heb nog altijd geen enkele reden gevonden om mijn mening te herzien. Alles staat op zijn plaats in dit boek, wat een groot contrast vormt met de loden jaren tachtig, de rommelige periode waarmee Louis Tinner voor eeuwig verbonden zal blijven. Alles behalve de kopieer- en koffiemeisjes bij wie Louis' gepijnigde gedachten enige verpozing vinden - zij zijn ongetwijfeld verdwenen tijdens een sanering. En het motto met haarband van Mark Knopfler uiteraard. Ik heb nooit begrepen waarom die zoetsappige snarenplukker zijn naam achter heeft gelaten in dit prachtige boek.

Een nog groter raadsel blijft het cynisme dat Brusselmans ten laste werd gelegd - een attribuut dat wel op zijn plaats is vanaf de Ex-cyclus uit het begin van de jaren negentig. Een boek als De man die werk vond is veeleer het tegendeel van schaamteloos of ongevoelig. Louis Tinner zuigt de waanzin van de wereld op. Hij verdedigt zich door te incasseren, tot hij knakt. Op het eind valt hij neer op straat, geveld door verveling. Misschien was dit afgrondelijke lot er voor sommigen te veel aan. De immobiele eighties lieten weinig ruimte voor fantasie. Het ging niet goed, maar het zou beter gaan. Helden als de demonische bankier Gordon Gekko uit de film Wall Street (1987) - "greed is good" - beweerden dat de accumulatie van succes en rijkdom ons verlossen zou. Beklemmende braafheid was ook een optie. Het leek of de geschiedenis tot stilstand was gekomen. En aan het eind van de tunnel zou er licht schijnen. Eigenlijk gebeurde er geen reet. De romanfiguur Louis Tinner maakte dat pijnlijk duidelijk.

En dan is er nog het slappe gezeik van het fenomeen Herman Brusselmans. Vooral door voluit te ouwehoeren en sfeervol te bulshitten joeg hij zijn tegenstanders in de gordijnen. En die waren in de jaren tachtig talrijk. "Zijn literatuur is een kaakslag voor honderdduizenden jongeren die op een positieve manier willen werken, een gezin stichten, zich inzetten voor hun jeugdbeweging, voor hun parochie", zei toenmalig CVP-volksvertegenwoordiger Eric Van Rompuy in Humo van 7 september 1989. Van Rompuy had zich in tijdvak vergist. In diezelfde week demonstreerden tienduizenden DDR-burgers voor meer democratie. Een maand later was de muur gevallen en begon er een nieuw tijdperk. "Dat interview was niet mijn beste", verklaarde Van Rompuy vorig jaar in een gesprek met Filip Rogiers. Zoetwaterpessimisten als Van Rompuy hebben nooit begrepen dat Herman Brusselmans de belangrijkste moralist van Vlaanderen is.

Hoe dan ook, Brusselmans veroverde onze akkers en steden vermomd als Mooie Jonge God. In zijn hoedanigheid van lefgozer leek hij alomtegenwoordig. Boekwinkels, kelders, cafés, jeugdhuizen, bibliotheken, Kempense schuren: Brusselmans bracht overal het woord en entertainde het volk. Een affiche van een in oktober 1987 in Leuven door Behoud de Begeerte georganiseerd optreden vat die met volle overgave gevoerde campagne goed samen. Dit is geen aankondiging van een dia-avond over de stilte als metafoor in de Vlaamse literatuur. Hier wordt reclame gemaakt voor een langharige trapezeartiest of voor de reïncarnatie van John Bonham, de oerdrummer van Led Zeppelin. Enkele decennia na de uitvinding van de transistorradio, de vinylplaat en de wahwahpedaal had de popcultuur eindelijk het Vlaamse proza bereikt. Alweer een raadsel: waarom heeft Herman Brusselmans toen nooit een grote literaire prijs gekregen? Grappig, gevat, kwaad, belezen, talent zat, ambitieus en succesvol. Kan een schrijver nog meer doen om op handen gedragen te worden? Spijtig genoeg onderging hij dat gebrek aan 'officiële erkenning' niet zonder moeite, zo blijkt uit interviews die hij in die periode gaf. Nogal wat ernstige mensen hebben toen besloten dat hij geen echte literatuur schreef.

De poster van de Leuvense optredens is ook om andere redenen historisch. De Morgen staat vermeld als sponsor. Het was het eerste boekjaar van de NV De Nieuwe Morgen. Enkele weken na de optredens, op 28 oktober 1987, werd VTM opgericht. Brusselmans vermoedde toen nog niet dat hij jaren later tegen de commerciële omroep ten strijde zou trekken. Zijn Guggenheimer-trilogie is een hilarische aanklacht tegen de geïnstitutionaliseerde lelijkheid en tegen een systeem dat domheid voedt. De razernij in die legendarische boeken staat ver van de haast gestileerde angst in De man die werk vond.

"Het is niet denkbeeldig dat de succesformule die hij nu hanteert vlug dépassé zal zijn, misschien zelfs niet de jaren tachtig zal overleven", orakelde Luc Lannoy in 1998 in het bij het Davidsfonds verschenen boekje Geboekstaafd. Vlaamse prozaschrijvers na 1945. De feiten hebben hem ongelijk gegeven. In het najaar wordt Herman Brusselmans vijftig. De succesformule werkt nog steeds en hopelijk nog zeer lang.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 14 februari 2007.)

In memoriam God (over Gerard Walschap)


(1930: Gandhi tijdens de zoutmars.)

"Hebt gij dat geschreven? Gij? [...] En uw kinderen als ze dat later lezen: vader was nondedju ne smeerlap [...]. Uw boek Adelaïde, hoor Gerard, het ligt in mijn kachel te branden." Het is februari 1930. Mahatma Gandhi bereidt zich voor op zijn geweldloze zoutmars naar Dandi. Jef Geeraerts wordt geboren. En in Westrode maakt Jan Hammenecker zich vreselijk kwaad op Gerard Walschap. Hij zal niet de eerste en zeker niet de laatste zijn.

De jonge katholieke schrijver Walschap wil de stoffige kamers van de Vlaamse letteren luchten. Er kome levenslust. Er weze waarheidsliefde. Een beetje 'kopieerlust des dagelijkschen levens' kan geen kwaad, denkt Walschap. En dus schrijft hij een roman over de zinnelijkheid en het zondebesef van Adelaïde, een wankelmoedige notarisdochter die ten onder gaat aan waanbeelden en de verstikkende sociale druk van haar kleinburgerlijk milieu. Als Emma Bovary in Brabant had gewoond, dan had ze misschien wel Adelaïde geheten.

Uiteindelijk zullen Hammenecker en Walschap weer vrede sluiten, maar het gif is verspreid. Walschap is ne rare, een heiligschenner, een pornograaf. Andere katholieken roeren de grote trom. In de kranten verschijnt er een bericht dat 75.000 kajotters het werk van Walschap verachten - uiteraard zonder te weten wat er juist in Adelaïde staat. Zijn boeken worden 'onzedelijk' geacht door de katholieke bibliotheekdienst, die een grote invloed uitoefent op het leesgedrag van de kudde. Zelfs in de parochie van zijn gezin wordt Walschap tijdens de preek de levieten gelezen. De katholieke kerk is het noorden kwijt.

Nog tragischer is dat de zondaar zelf het niet zo bedoeld heeft. In het gezegende jaar 1969 vertelt Walschap aan zijn vriend Albert Westerlinck: "Ik wilde een door en door authentieke katholieke roman schrijven, die aansloot bij de werkelijkheid van dat ogenblik. Omstreeks de dertiger jaren leek mij de huwelijksmoraal wel het meest aangewezen thema, juist omdat geen twintig procent der gelovigen toen de kerk op dat punt nog volgde." En wij maar kakelen over de perceptie, onze bewustzijnsvernauwende welvaartskwaal. Het was vroeger krak hetzelfde. En wellicht gaat het vandaag stukken beter.

Walschap keerde het geloof de rug toe. Zijn imago was dat van een iconoclast, een virulente vrijzinnige. Een afgodenhater die, soms tot op het sterfbed, discussies met vrienden voerde over het Hogere Wezen, dat voor hem niet bestond en zelfs in een homeopathische dosis of op agnostische wijze onaanvaardbaar was. In werkelijkheid was hij iemand die al schrijvend en debatterend mensen uitdaagde om hun verstand te gebruiken. Walschap heeft als bevoorrechte getuige, slachtoffer en mededader het vertrek van God uit Vlaanderen meegemaakt. Een gebeurtenis die evenveel tragiek en gemis als opluchting en bevrijding heeft opgeleverd.

Die ene gehavende foto van pastoor Hammenecker en zijn poulain Gerard Walschap toont wat voor een lange weg we op honderd jaar hebben afgelegd. Het Vlaamse dorp Londerzeel omstreeks het jaar 1914: een jongen die voorbestemd is om God en Vlaanderen te dienen, wordt geportretteerd in het gezelschap van zijn mentor, een hooggestemde priester-dichter die hem de literatuur zal binnenleiden, tot de verlossing erop volgt. De geschiedenis heeft onderweg enkele scherpe bochten genomen en is op een andere bestemming aangekomen.

Vandaag is God een passant in de Vlaamse literatuur. De paasklokken en de liefde tot Maria zijn uit de verzen verdwenen. En de razende, niet zelden wanhopige discussies die Walschap zijn leven lang heeft gevoerd, lijken op scènes uit een tijdvak dat in musea wordt tentoongesteld. Hoe boeiend die periode ook is geweest, heimwee is ongepast, zowel voor gelovigen als ongelovigen. Decennialang heeft onze samenleving, en ook de literatuur, geworsteld met een levensbeschouwelijk conflict dat levens, tijd en energie heeft vernietigd. Niemand heeft het recht om die geest weer uit de fles te halen.

De ogenschijnlijke onverschilligheid tegenover het geloof is een vooruitgang. Binnen de begrenzingen van de grondwet staat het iedereen vrij te ijveren voor meer of minder God in de samenleving. De tijd is voorbij dat een levenbeschouwelijke strekking het monopolie heeft op de heilsverwachting, het schuldbesef of de morele normen. Nochtans gaan er in Europa stemmen op om het geloof weer een prominentere plaats te geven in de samenleving. Niet zelden, zoals bij de pluralistische bevlieging van Steve Stevaert, wordt het geloof geïnstrumentaliseerd. Zo zou het geloof een middel kunnen zijn om de maatschappelijke verzuring tegen te gaan.

Ook de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid komt in het rapport 'Geloven in het publieke domein' tot het besluit dat het opbouwen van sociaal kapitaal nauw samenhangt met kerkelijkheid. In zijn De mythe van het vrije ik. Pleidooi voor een menselijke vrijheid gaat CD&V-senator Wouter Beke nog een stap verder: de moderne mens heeft zich afgekeerd van het individualisme en hunkert naar een ordelijk bestaan, een gemeenschapsleven dat per definitie gestoeld is op de erfenis van de religieuze (christelijke) moraal. "Een grote groep van mensen voelt zich pas echt vrij wanneer anderen voor hen keuzes maken." Ongeveer hetzelfde standpunt wordt gehuldigd door de populaire Franse essayist Jean Sévillia in het pas verschenen Moralement correct. Recherche valeurs désespérément. "Les bouleversements qui, depuis trente ans, se sont produits dans les mentalités produisent des conséquences dont nous sommes les victimes. Tous."

Ondanks de eerlijke verontwaardiging die mensen als Stevaert, Beke of Sévillia bindt, lijken ze zich, elk op hun manier, te verbergen achter het geloof en de religieuze ethiek. God, religiositeit en verbondenheid worden als een excuus gebruikt om acute maatschappelijke problemen te bezweren met hocus pocus.

Het is absurd om te denken dat mensen, gelovig of niet, onvrij zouden willen zijn. Het is even bevreemdend om moralistische standpunten boven de werkelijkheid te verkiezen. Senator Beke beweert bijvoorbeeld dat ons sociaal kapitaal 'verdampt', wat een moralistische en geen realistische uitspraak is. Onder meer de recente onderzoeken van Covive, een interuniversitair consortium dat de sociaaleconomische impact van de vergrijzing onder loep neemt, bewijzen dat we nog steeds veel zorgen voor elkaar. Mensen stellen hun verwachtingen bij. Individualisme staat solidariteit niet in de weg. Zo blijkt dat zorgen voor elkaar veel meer dan vroeger een oprechte keuze is en geen invulling van een contractuele plicht. We doen wat mensen altijd hebben gedaan: zich aanpassen. En als we ons Gerard Walschap herinneren - wat voor ons, geschiedenisschuwe Vlamingen, af en toe geen kwaad kan - moeten we daaraan toevoegen: blijven nadenken.

God ziet u: hier gebruikt men ook zijn verstand.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 4 april 2007.)

De ark van het vrije woord


Een geschiedenis van de waarheid, dat zou nog eens een boek zijn. Iedereen in zijn gelijk bevestigd! Een van de storende conclusies van het te verschijnen meesterwerk luidt ongetwijfeld dat waarheid, met of zonder Kleenex, voor interpretatie vatbaar is. Neem nu de debuutroman Het Boek van Joachim van Babylon (1947) van Marnix Gijsen. Met die titel vestigde Gijsen zijn naam als 'beroemd schrijver'. In de periode rond de Tweede Wereldoorlog had Gijsen de deur van de kerk achter zich dichtgetrokken. Die apostasie zinderde door in de personages van zijn debuutroman, die bovendien de vrouwelijke deugdzaamheid ter discussie stelde. Met Het Boek van Joachim van Babylon zou Gijsen de Prijs voor Letterkunde van de Provincie Antwerpen hebben gewonnen, ware het niet dat de organiserende overheid in het zicht van de haven overstag ging en haar veto stelde. "De commissie is van oordeel dat het werk van Marnix Gijsen niet van die aard is om bekroond te worden aangezien het aanstoot geeft aan de gevoelens van het grootste gedeelte van de inwoners van de Provincie Antwerpen." Als je Het Boek van Joachim van Babylon herleest, kun je nauwelijks nog vermoeden waarom de tekst zoveel ophef heeft gemaakt. Het verhaal speelt zich eeuwen geleden af, op een veilige afstand van Europa. Bovendien heeft Gijsen nooit een maagd doen blozen, heeft hij van afstandelijkheid zijn handelsmerk gemaakt, en is hij als diplomaat een trouwe dienaar van het gezag geweest. Bij de decennialange strijd tussen het kerkelijke gezag en de vrijzinnigheid kreeg Gijsen echter een markante bijrol in het Vlaamse hoofdstuk. Vermaarde katholieke intellectuelen die overliepen naar de goddeloze kant gaven het instituut een lelijke knauw. En Gijsen was strijdbaar rooms geweest, een kind van het triomfalistische geloof, een adept van het katholieke renouveau van Jacques Maritain - de Franse filosoof die aan Igor Stravinsky, Jean Cocteau en Michel Seuphor de weg naar de kerk toonde. Het Boek van Joachim van Babylon deed dus pijn.

De kletterende ruzies uit de jaren vijftig zijn intussen gereduceerd tot achterhoedegevechten. Kenschetsend is de uitspraak van de vorig jaar overleden priester Eric Vanden Berghe, president van het Brugse Grootseminarie: "Onze haring braadt niet meer." De maatschappelijke reikwijdte van religie is voor sommige vrijzinnigen zo onbelangrijk geworden dat het hen zelfs niet meer uitmaakt of burgers in een neutrale omgeving religieuze symbolen dragen. Dat lag in de jaren vijftig toch net iets moeilijker. Na het incident met Het Boek van Joachim van Babylon bliezen de (vrijzinnige) intellectuelen verzamelen rond het Nieuw Vlaams Tijdschrift. In februari 1951 publiceerde dit blad een artikel van de eerbiedwaardige Herman Teirlinck, waarin hij de oprichting van de Ark van het Vrije Woord aankondigde: "De waarheid zoeken wij in óns, - in het licht van ons geweten, in een harmonische betrachting van rechten en plichten, in onze liefde voor alle mensen, in onze moedige aanvaarding van het leven. Een geboeide mens erkennen wij niet. Daarom zijn alle geknevelden en ontaarden onze vijand. Een vrij man is onze vriend." Ook die retorische kronkels klinken vijftig jaar later vreemd en hooggestemd. De verklaring ligt in de lange weg die we sinds de verzuilde stellingenoorlog hebben afgelegd. Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Arkprijs van het Vrije Woord werd in 2000 de feestbundel Een onberaamd verbond uitgebracht. De vele getuigenissen in dit boek tonen hoe de levensbeschouwelijke hanengevechten plaats hebben gemaakt voor maatschappelijke betrokkenheid en morele moed, grondstoffen die vandaag schaarser zijn dan het vrije woord. Dit jaar werd de naam van de Borgerhoutse vzw Roma in de sokkel van de door Jozef Cantré ontworpen Ark gegrift. Misschien hebben we geen voeling meer met de tragiek die achter het verhaal van de Ark schuilt. Het vrije woord is een excuus geworden voor mensen die hun mond niet kunnen houden, bromt de Britse arts en cultuurcriticus Theodore Dalrymple. Zelf chargeert hij zeer graag tegen het ontspoorde westerse denken dat collaboreert met de zelfkant en sentimentaliteit hoger acht dan diepgang. Volgens Dalrymple zijn dit symptomen van een samenleving met een acuut tekort aan verantwoordelijkheidszin. Als verdedigingswapen brengt hij zijn 'parler vrai' in stelling. Zelfverklaarde herauten van het vrije woord vallen voor Dalrymple en doen diens gewetensvolle woede meestal geweld aan. We zullen eens goed ons gedacht zeggen.

Niet alleen het gat in de ozonlaag wordt groter, ook onze openhartigheid bereikt een dimensie die de volksgezondheid in het gedrang brengt. Alle televisiesmoelwerken kenden we al van haver tot gort, concubines, bastaardkinderen en borstomtrek incluis. Niet zelden kunnen we op hen stemmen. Dankzij YouTube en andere poelen van user generated content weten we ook alles over smoelwerken zoals u en ik. Na lang en naarstig ontvoogden en democratiseren is de vrijheid van meningsuiting nog nooit zo absoluut geweest. We zijn veroordeeld tot de totale openbaarheid. Daarmee voeren we uit wat Jeremy Bentham al in de achttiende eeuw had bedacht: het panopticum. Om de massa te controleren ontwierp Bentham een constructie die het voor één bewaker mogelijk maakte om alle gevangenen in het oog te houden. Dankzij de technologie spelen we tegelijk bewaker en gevangene. Het houdt ons braaf en gedisciplineerd. We zijn in onze bewegingsvrijheid beperkt door een keurslijf van protocollen en formats, normen en waarden, met onze naasten als toezichthouders. Het vrije woord, die straathond, moet de stegen afschuimen en registreren wat verzwegen wordt, besnuffelen wat stinkt, afkluiven wat er van rijke tafels valt. Of het vrije woord de moed van de overtuiging vertolkt, zich laaft aan de gerede twijfel tegenover de goede bedoelingen van de medemens of conventionele wijsheden ontkracht, altijd bevat het een kern die ontsnapt aan de controle van het panopticum. En er is zoveel waaraan we vandaag moeten ontsnappen. In een land dat van zijn navel een afgod heeft gemaakt, kan het belang van de Ark van het Vrije Woord alleen toenemen.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 27 juni 2007.)

Geef ons heden ons dagelijks brood (over Stijn Streuvels)


Niemand is nog veilig voor de grote boze wereld. Zelfs Janssen Pharmaceutica, het zelfverklaarde postindustriële mirakel uit Beerse, gaat op de schop. Van mandenvlechters, klompensnijders en intellectuelen wisten we al langer dat het overbodige beroepen waren. Nu komen daar nog de farmaceutische ingenieurs bij, de herauten van de research & development, de pretoriaanse wacht van onze rijkdom. Hoe intens we de risico's van de globalisering ook bezweren, het haalt geen bal uit. Zelfs het verstand van Vlaanderen wordt de wacht aangezegd. En uiteraard staat er dan een idioot die een micro in het gezicht van een willekeurige ontslagkandidaat duwt: "En hoe is de sfeer binnen?" You're punk'd.

Is dat nu vooruitgang, vraagt een mens zich af? Honderd jaar geleden schreef Stijn Streuvels in zijn loodzware romans en novellen over het werkvolk dat gebukt ging onder de slagen van het lot. Het perspectief dat de schrijver aannam was dat van God, schepper van hemel en aarde. Streuvels toonde het werkvolk als kleine stipjes in een onmetelijk universum. En zo gedroeg het werkvolk zich ook. Het fatalisme van Streuvels' personages is niet geschikt voor jonge lezers. In zijn lievelingsroman Langs de wegen (1902) bijvoorbeeld blijft paardenknecht Jan Vindeveughel niets bespaard. Hij verliest zijn vrouw en zijn bezittingen. Zijn kinderen lachen hem in zijn gezicht uit. Bovendien moet Vindeveughel preutelen in het West-Vlaams. De arme man heeft het zwaarder dan Job. Een Bijbelse woestijnexpeditie heeft nog grandeur. De zon schijnt. Er wordt gevloekt in het Aramees. Maar Vindeveughels kloteverhaal speelt zich af in zompige dorpen waar de koeien te depressief zijn om melk te geven. De woorden vallen de personages uit de mond als stukken turf.

Van paardenknecht tot farmaceutisch ingenieur is een grote sprong voorwaarts. Zeker wat het maandloon betreft. Verder hoeft er in honderd jaar niet zoveel te veranderen. In de eeuw van Streuvels waren het de armen die de rijken hun kansen en centen wilden afpakken. Vandaag zijn het de rijken die met man en macht de armen ver weg van hun doening willen houden. En al die tijd joegen de wolken voorbij. "Een bleke straal brak wel door de nevels en vocht er zijn weg in, maar de eerde bleef zwart en somber een boogscheute ver in de ronde en gedoken in smoor." In die oudtestamentische verlatenheid zit de obscene kracht van Streuvels verborgen. Hedendaagse consumenten zouden het in zijn lege wereld geen vijf minuten uithouden. Er valt eenvoudigweg niets te kopen, te pimpen of te spinnen.

In 1890 had de Vlaamse milicien een gemiddelde lengte van 166 centimeter. De kleine man was letterlijk en figuurlijk gekrompen. Hij had "een IQ dat tijdgenoten toeliet hem met stomme lastdieren te vereenzelvigen", heeft Chris Vandenbroeke ooit genoteerd. Maar dat betekent niet dat Streuvels verplicht was om te schrijven over door inteelt verwoeste West-Vlaamse humanoïden. Balzac had enkele decennia eerder in de romans van zijn Comédie humaine aangetoond dat de moderne stedelijke werkelijkheid wel degelijk voer voor literatoren was. Helaas kregen bij zijn Vlaamse collega de wolken het laatste woord.

Als obsessief lezer kende Streuvels zijn klassieken. Hij wist hoe hard hij moest werken om een aanvaardbaar literair niveau te bereiken. "Hij zocht aansluiting bij de Europese literatuur", staat er dan in de literatuurgeschiedenis. Uit bewondering voor de Scandinavische schrijvers leerde Streuvels Noors. De grote Russen, zoals Gogol, Tolstoj of Toergenjev ontdekte hij via zijn vriend Octaaf Debeurme, die een abonnement op het zeer bijdetijdse blad Mercure de France had. West-Vlamingen en Russen hadden het patriarchale boerenleven gemeen. In tegenstelling tot het sarcasme waarmee een Gogol de Russische plattelandsnegorij tot leven wekte, koos Streuvels echter voor ernst en introspectie. Hij liet de wolken zo geheimzinnig voorbijschuiven dat mystieke frictie onvermijdelijk was.

Observatoren als Streuvels tonen ons hoe het er vroeger toeging. Zo lees je in de novelle Leven en dood in den ast hoe cichorei wordt gedroogd. Streuvels vertelt echter niet met evenveel oog voor detail hoe kinderen worden gemaakt. Het recht om die speelse natuurbeelden weer te geven heeft de Vlaamse literatuur stukje bij beetje veroverd. Dreigende wolken en turf brakende oerpersonages wijzen ook op een gebrek aan durf, op het gedogen van ongelijkheid. Het vergt moed om over de mens te schrijven.

Toch is Streuvels ons niet vreemd. In het openingsstuk van zijn nieuwe column 'The conscience of a liberal' in The New York Times verklaart econoom Paul Krugman de geschiedenis van Amerika aan de hand van de fluctuerende sociale ongelijkheid. Krugman zou de verwantschap van de West-Vlaamse paardenknecht en de farmaceutische ingenieur uit Beerse meteen herkennen. Ze zijn allebei het slachtoffer van het vermorzelende onrecht: het individu als speelbal van het lot. In de periode tussen Vindeveughel en Janssen Pharmaceutica heeft zich het wonder van de welvaartsstaat voltrokken, een verschijnsel waarvan het nakende verscheiden ons steeds angstiger stemt.

Voor Stijn Streuvels leek de wereld soms even plat als de houten plaat waarop hij zijn brood bakte. Rond 1890 was Streuvels bakker in Kortrijk, een beroep dat hij later zou beschrijven in Jantje Verdure. Die eenvoudige bakkersknecht kneedt brood en marsepein, terwijl de vlammen van de onrust aan zijn ziel likken. In de biografie Dag Streuvels. Ik ken den weg alleen beschrijft Hedwig Speliers de beginjaren van de man uit Heule op dezelfde dubbele manier. "Streuvels was kennelijk een kind van zijn tijd. Als bakker bleef hij een dorpeling maar als lezer werd hij een Europeaan." Hij, de grote mysticus, de adept van het fin-de-siècle ietsisme, de cartograaf van het onpeilbare zielsleven was de vleesgeworden ambachtelijkheid. Dat kwam goed van pas toen hij als broodschrijver vier decennia lang zijn jaarlijks boek bakte.

Hoe dreigend de natuur door Streuvels ook wordt beschreven, in zijn boeken klinkt vooral het verlangen naar de mythe van een zalvende authenticiteit. "Boeken waar ik geen spoor van een gedachte in kan ontdekken", zegt Hugo Claus in 1983. "Ze bevestigen alleen de heimwee naar een Vlaanderen van niks." Niets dan heimwee naar het dagelijks brood, eerlijk gemaakt en liefst biologisch. In onze grenzeloze wereld streeft iedereen zo intens naar een eigen plek dat die heimwee weer herkenbaar wordt - en voor velen onder ons een geloof is geworden. Hebben we onze plaatsgebondenheid onderschat?

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 26 september 2007.)

woensdag 12 december 2007

Een toekomst voor onze steden




(Was Gogol een Antwerpenaar geweest, hij had niet over de Nevski Prospekt geschreven, maar over de Abdijstraat op het Kiel.)


Soms komt de verlossing akelig dichtbij. Zoals na de overwinning van Patrick Janssens bij de Belgische gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober jongstleden. Het zegevierende deel van Antwerpen verzwond haast in een draaikolk van euforie. ‘Ze’ waren een halt toegeroepen. De internationale pers, belust op een overwinning van extreemrechts, moest zich tevreden stellen met goed nieuws. Aan de overwinning ging een on-Belgische campagne vooraf die, deels spontaan, deels subliem geregisseerd, de steun aan Janssens fors deed toenemen. De sfeer in Antwerpen was die van de laatste der dagen. Hoeveel rechtvaardigen woonden er nog in de stad? Voldoende zo bleek om Antwerpen van de voorspelde ondergang te redden.

De strijd om Antwerpen was een strijd om de openbare ruimte: houden we de poorten van de stad open of laten we Antwerpen aan de Antwerpenaren. Nergens in België heeft dit vaak cynische en van elk moreel besef gestripte gevecht zo intens gewoed. Nergens, behalve in Brussel. Maar over die stad, de enige echte metropool in onze contreien, weten steeds meer Vlamingen steeds minder. Wat de reikwijdte van het bestuur betreft, richt de Vlaamse Gemeenschap zich in Brussel op een imaginair publiek van 300.000 mensen. Het werkelijke aantal Vlamingen is uiteraard vele malen kleiner. Socioloog Philippe Van Parijs voorspelde in Brussel Deze Week dat de Vlaming en dus ook het Nederlands zou verdwijnen uit de hoofdstad. In hetzelfde weekblad schreef Steven van Garsse hierover op 20 september: ‘Er zijn proportioneel meer in het Nederlands geregistreerde overlijdens in Brussel dan geboorten. Cru gesteld: de Vlaming in Brussel is een uitstervende soort, al gaat dat proces heel langzaam.’ Het is een realiteit die aansluit bij de diepe onderstroom van Vlaamse angsten en zwarte gedachten. We worden verjaagd uit onze eigen straat door mensen die alles behalve schorseneren met witte saus eten, ons werk afpakken, een andere taal spreken en veel kinderen maken. Dit doemdenken heeft, samen met het onveiligheidsgevoel, het maatschappelijke klimaat in Vlaanderen de afgelopen twintig jaar verziekt. En Brussel lijkt reddeloos verloren. Stefaan Huysentruyt in De Tijd van 4 november: ‘Brussel kan de Vlaamse publieke opinie zo langzamerhand gestolen worden.’ In zo’n wereldbeeld begint het buitenland een steenworp voorbij Vilvoorde.

Sinds 1947 heeft de overheid in Brussel geen talentelling meer georganiseerd – gelukkig. De openbare en bestuurlijke ruimte is er grondwettelijk tweetalig. Elke poging om die toestand af te stemmen op het werkelijke taalgebruik blijft, zolang België bestaat, politieke zelfmoord. Veel erger dan de sektarische steekspelen zijn de oneindig grote maatschappelijke problemen in de hoofdstad: armoede, werkloosheid, huisvestingsdrama’s, een knarsend overheidsapparaat, een verouderende autochtone bevolking, een toename van achtergestelde allochtone Belgen. Begin er maar aan. Abdiceren is een dus een aanlokkelijke, zij het weinig realistische optie. Onder meer de ondertekenaars van het Manifest voor een Zelfstandig Vlaanderen in Europa willen Brussel onderbrengen in een sale-and-leasebackoperatie. Vlaanderen zelfstandig, Brussel weg en na ons de zondvloed. De openbare ruimte wordt botweg gesaneerd. De gevreesde Brusselitis is een uitvergroting van problemen die ook in andere Belgische steden spelen, Antwerpen op kop. Onze maatschappelijke en economische voorspoed zal in toenemende mate afhangen van de mate waarin we de effecten van migratie een positieve wending kunnen geven.

Het debat over de openbare ruimte is een dovemansgesprek tussen de profeten van de verloedering (‘we durven niet meer op straat komen’) en de samenlevingspositivo’s (‘laat ons een straatfeest organiseren’). Twintig jaar angst voor extreemrechts heeft Vlaanderen en België bepaald niet meteen weerbaarder gemaakt. Al te vaak staren we als konijnen – om de beeldspraak van De Morgen-journalist Filip Rogiers te gebruiken – in de lichtbak van het Vlaams Belang. Moeten we sociale segregatie aanvaarden? Moeten we vrijheden opgeven in ruil voor een sterkere controle? Moeten we van vrijheid een individueel recht maken dat, net als godsdienst, liefst achter gesloten deuren wordt geconsacreerd? Naarmate het sociale weefsel desintegreert en het individualisme toeneemt, lijken we een groter belang te hechten aan een zuivere, hypergecontroleerde en probleemloze openbare ruimte. Het werkelijk schokkende nieuws is echter dat er nog steeds sociale cohesie bestaat. Alleen is ze niet meer uitsluitend gebaseerd op de klassieke familiebanden. Antropologe Ruth Soenen schreef hierover een zo goed als revolutionair boek: Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad. Hierin beantwoordt ze de vraag waGt ‘de gemeenschap’ vandaag kan betekenen. Een bijzonder groot deel van onze relaties is efemeer en speelt zich af in de openbare ruimte. Vluchtige ontmoetingen nemen de rol over van bloedbanden en clangevoel. Soenen breekt een lans voor de vele tijdelijke gemeenschapsvormen die we meemaken. Ze plaatst die tegenover meer traditionele gemeenschapsvormen die erop gericht zijn om een collectieve identiteit te creëren. Het oude gemeenschapsideaal veronderstelt echter een homogene groepsvorming, die te vaak mensen uitsluit, of reduceert tot hun maatschappelijke of etnische identiteit. Diversiteit volstaat niet om dit te doen werken.

Het kleine ontmoeten is een opvallend concreet boek. Wetenschappelijk onderzoek vormt haast een aanleiding om een brede kijk op de wereld te krijgen. Ruth Soenen, medewerker van het aan de KULeuven verbonden Onderzoekscentrum voor Interculturalisme, Migratie en Minderheden (IMMRC), pleit voor een ‘ambivalente samenleving’. Ze bedoelt hiermee dat we pas goed kunnen samenleven als we bereid zijn om tegenstellingen en diversiteit te aanvaarden. En dit op alle niveaus. Het meest frappante voorbeeld van die visie geeft Soenen in het hoofdstuk over het café van de vestiging van de Hema op het Antwerpse Kiel. Als je de samenleving wil begrijpen, volstaat het niet om in socio-economische of etnografische doelgroepen te denken. Je moet kijken naar de samenstelling van het publiek dat het café van de Hema bezoekt. Wie zijn ze, wat zeggen ze, hoe gedragen ze zich tegenover elkaar? De kleine, want onvoorziene ontmoetingen in het café van de Hema bieden een uniek inzicht in het stedelijke relatienetwerk. Het gevaar van het denken in socio-economische doelgroepen is dat mensen worden opgesloten in die doelgroep, dat hun fijnmazige relatienetwerk en hun gelaagde identiteit niet meer aan bod komen.

De kritiek die Soenen uit is gegrond en allerminst ongenuanceerd. ‘Een gemeenschap kun je niet alleen met intimi vormen,’ zegt Ruth Soenen. ‘Je moet ambivalentie toelaten in de gemeenschapsvorming: hou rekening met tegenstellingen, andersdenkenden, onbekenden. Pas als je dit toelaat, kun je een efficiënt doelgroepenbeleid voeren.’ Alles begint bij het besef van diversiteit. Daarom noemt Soenen het café van de Hema een ‘spiegel van de samenleving’. Ook de Antwerpse Tram 12 krijgt een belangrijke plek in Soenens onderzoek. Ze beschrijft de tram als een rijdende proeftuin, gevuld met mensen van zeer diverse pluimage. Die tram maakt een ronde door de hele stad, door goede en slechte wijken, en is dus een perfecte metafoor voor de hedendaagse stedelijke samenleving. Veel meer dan een verzameling sociale tegenstellingen, doelgroepen en afgescheiden buurten vormt de stad voor Ruth Soenen een netwerk. En waar kun je dat netwerk beter observeren dan op een tram waar je onbekende en vertrouwde mensen ontmoet.

Als sociaal experiment is de tram een vrij confronterende ervaring, zeker in Het kleine ontmoeten. Dat weten we sinds Gerard van Westerloo begin jaren tachtig in Vrij Nederland enkele vernietigende reportages publiceerde over de Amsterdamse tramlijn 16. De door Van Westerloo geportretteerde trambestuurders stonden in de vuurlinie van een intens veranderende wereld. Omdat de politiek hun klachten negeerde, noemden ze hen schamper ‘de socialen’ – want dat waren die politici hoegenaamd niet, ze bleven blind voor de werkelijkheid. Ruth Soenen zet een stap verder. Ze gebruikt de tram als laboratorium. Het basiswerk dat Soenen verricht, berust op participerende observatie. Ze kijkt naar de tramreizigers alsof ze een onbekende stam in de Amazone gadeslaat. Als je leest hoe we op de tram met elkaar omgaan en welke gedragsvariaties we vertonen, kun je je niet anders dan betrapt voelen. Het resultaat van de onderzoeksmethode van Soenen is sterk journalistiek of zelfs literair getint, wat Het kleine ontmoeten even bevattelijk als meeslepend maakt. De Franse schrijver Georges Perec heeft ooit een vergelijkbaar project uitgewerkt. In zijn schitterende roman Het leven. Een gebruiksaanwijzing beschrijft hij de samenleving aan de hand van de inwoners van een Parijs appartementsgebouw.

Mensen zijn niet noodzakelijk geïnteresseerd in hooggestemde politieke projecten, stelt Ruth Soenen. Ze zien daarentegen wel allemaal wat er gebeurt op een tram. De relaties daar zijn concreet en tastbaar. Je moet dus als overheid een slimme ‘trampolitiek’ volgen. Mensen zijn er niet noodzakelijk aan gewend om samen in een kleine ruimte te staan of te zitten. Ouderen hebben andere verwachtingen bij een tramrit dan jongeren. Die botsing van culturen leid tot ruzies over luidruchtig of onbeleefd gedrag, bevestigt de polarisatie en de vooroordelen. In haar boek doet Soenen, op basis van haar onderzoek, zeer concrete voorstellen. Om veiligheid te verbeteren is een controleur bijvoorbeeld geschikter dan een lijnspotter. De controleur heeft een duidelijke functie. Het interieur van de tram, de tramhaltes en de metrostations moeten erop gericht zijn om problemen te vermijden. Vaak gaat het om kleine ingrepen die een enorme impact kunnen hebben op het welbevinden van de reiziger. Na de gewelddadige dood van NMBS-machinist Guido Demoor op bus 23 is Soenen gevraagd om mee te schrijven aan het nieuwe veiligheidsplan van De Lijn.

Ruth Soenen wil wetenschap bedrijven die in de sociale realiteit is geworteld. Dit engagement heeft als voordeel dat ze kritisch staat tegenover ideologieën. Gemeenschapsdenken versus individualisme bijvoorbeeld. Net daarom kun je Het kleine ontmoeten ook lezen als een oefening in gezond verstand. Haar vurige pleidooi voor ambivalentie kan nuttig zijn voor zeer uiteenlopende sectoren. Zo zal Ruth Soenen zich de komende jaren bezighouden met de publieke ruimte en hoopt ze als antropologe samen te werken met architecten. Een multidisciplinaire aanpak gaat niet zelden gebukt onder de ondraaglijke lichtheid van het bestaan, maar in dit geval is het tegendeel waar. Hoe onderbouwd Het kleine ontmoeten ook is, de kracht van het verhaal berust op een uiterst eenvoudige en gedegen methode: blijf kritisch denken. Om uitspraken te doen over de samenleving vindt Ruth Soenen het nodig om die samenleving goed te observeren. De klassieke socio-economische tegenstellingen volstaan niet meer om greep te krijgen op de snel veranderende samenleving. Je moet netwerken in kaart brengen.

De netwerken die Soenen onderzoekt, bevinden zich in de stad. Vlaanderen is steeds meer een breed uitgemeten geheel van steden en voorsteden. Afhankelijk van de manier waarop je die stedelijkheid meet, kun je maximaal 80% van Vlaanderen als stedelijk gebied beschouwen. Die ontwikkeling wordt uitgebreid behandeld in De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden (2003), het witboek van het Project Stedenbeleid van de Vlaamse Gemeenschap. Ook in het witboek luidt een van de vaststellingen dat je geen klassieke verklaringen meer kunt toepassen op de Vlaamse stedelijke werkelijkheid.

Als Vlaanderen een immer uitdijende stedelijke olievlek is, dan beïnvloedt dit ook de manier waarop we samenleven: veranderende gezinsstructuren, globalisering, migratie, vergrijzing. De verstedelijking versnelt die ontwikkelingen nog. De afgelopen jaren heeft de stad dan ook een hoofdrol gespeeld in het Vlaamse politieke en maatschappelijke leven. Onveiligheid is een bij uitstek stedelijk fenomeen. Je hebt een duidelijk en hedendaags stedenbeleid nodig om zowel de werkelijke als de gepercipieerde onveiligheid aan te pakken. Nadenken over de stad is dus pure noodzaak. Het kleine ontmoeten biedt een verfrissend nieuwe kijk om de stedelijke samenleving. En bovendien heeft Soenen een realistische, prikkelende en positieve boodschap. De wereld is veranderd en net de stedelijkheid kan helpen om ons aan te passen.

Nee, onze beschaving gaat niet ten onder. Het is bovendien maar zeer de vraag of het maatschappelijke debat uitsluitend moet gaan over de teloorgang van de publieke ruimte of de erosie van het sociale weefsel. De stelling die Soenen bewijst, is dat het afbrokkelen van de traditie allerminst betekent dat stadbewoners niet meer sociaal zouden zijn. Het kleine ontmoeten speelt een belangrijke rol. Ook de commercialisering van de stad (winkelstraten en –centra) biedt nieuwe mogelijkheden om mensen te ontmoeten. Het is fout om de stad uitsluitend te bekijken als een geheel van socio-economische groepen en ongelijkheden, waarbij mensen vooral worden bepaald door de groep(en) waartoe ze behoren. We moeten ook oog hebben voor het efemere, het voorbijgaande, schrijft Ruth Soenen. We moeten te weten komen hoe ons sociale leven in de publieke ruimte echt verloopt. Mensen gaan in de ambivalente stedelijke samenleving op een andere manier relaties aan. En die zijn niet slechter of beter dan vroeger. Ze zijn anders. Daarom hebben we steden op mensenmaat nodig.

Harold Polis

Ruth Soenen, Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad, Garant, 2006.
De reportage van Gerard van Westerloo is opgenomen in Niet spreken met de bestuurder, Bezige Bij, 2004.
Het witboek De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden kun je volledig downloaden.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van december 2006.)

Bezoek België voor het te laat is (deel 1)




(Woensdag 13 december 2006. Nietsvermoedende cafégangers praten rustig verder terwijl op het scherm achter hen Bye-bye Belgium in volle gang is.)

De vermeende ondergang van de Belgische natie is het grote politieke thema van de afgelopen jaren. Vooral na de federale verkiezingen van 2003 heeft de georganiseerde zelfkwelling aan belang gewonnen. De Belgische natie volgt een federale logica en werkt bij consensus, zodat de echte nationale wapenspreuk niet ‘eendracht maakt macht’ is, maar wel het ‘pantha rei’ van Herakleitos. De permanente onderhandeling wordt echter door een deel van de politiek afgewezen: Franstaligen ‘weigeren’ over de staatshervorming te praten en Nederlandstaligen ‘weigeren’ met Franstaligen te praten. De grote aandacht voor die olijke boksmatch verdoezelt enkele minder gekende feiten. De verkozenen des volks slagen er bijvoorbeeld niet meer in het gesprek met anderstalige collega’s aan te gaan. Naast alle hooggestemde verklaringen voor die verwijdering, rest de ontnuchterende vaststelling dat het land wordt bestuurd door de zwakste generatie naoorlogse politici.

De middelpuntvliedende krachten zijn in het Belgische model altijd sterk geweest, sterker dan in Europese natiestaten waar patriottisme wel een rol van betekenis speelt of waar communautaire tegenstellingen worden gedragen door meer dan twee opponenten. Het Belgische dispuut is sinds kort uitgebreid met twee ingrijpende attributen: domheid en lafheid. Hoewel het aantal mandaten stevig is toegenomen, rammelt het politieke systeem en is er nauwelijks nog een publieke arena die naam waardig. Na de Sint-Michielshervorming van 1993 werd duidelijk dat de federale logica niet alleen de instellingen, maar ook de omgangsvormen radicaal zou veranderen. In plaats van zich aan te passen, hebben politiek en media zich op een halve generatie tijd volledig teruggetrokken op het eigen erf. We hebben van de domheid een deugd gemaakt.

Het onvermogen om een hedendaagse visie op Vlaanderen en België te ontwikkelen heeft ertoe geleid dat we de opzichtige verkwisting van domheid heel wat vinden. Al doet iedereen of er niets verkwist wordt. Integendeel, nergens ter wereld is er zo’n hoge concentratie progressieven gemeten. Wat de fotosynthese betekent voor het leven op aarde, betekent de verandering voor de Belgische politiek: een voorwaarde. Onder het mom van verandering glijden delen van Wallonië weg in een moeras. Als politieke beweging heeft de PS zich in palliatieve zorgen bekwaamd en de halve Waalse bevolking mee in het ziekbed getrokken. Onder het mom van verandering kijken Vlaamse politici voortdurend over hun rechterschouder en bestuderen ze het verzameld werk van Filip Dewinter. Het lijk van de Vlaamse Beweging wordt aanbeden om gelijk welke idiotie te verantwoorden. Als Maagdenburgse halve bollen zitten de veranderingsdriftige deelstaten Vlaanderen en Wallonië aan elkaar vastgeklonken. Twee achtspannen van paarden mogen nog zo hard trekken, die twee helften krijgen ze nooit uit elkaar. Mateloze hervormingen als kenmerk van immobilisme. Van die Europese cursus vormen België en haar deelstaten de beste leerlingen.

De Vlaamse samenleving heeft amper het feit verteerd dat er ‘vreemdelingen’ op Vlaamse gewijde grond wonen – Franstalige Vlamingen bestaan uiteraard officieel niet – of daar duikt alweer een nieuwe zondebok op: de Walen. In het onvolprezen L’image du Flamand en Wallonie. Essai d’analyse sociale et politique (1830-1914) beschrijft historicus Yves Quairiaux hoe de Vlaming een eeuw geleden in het collectieve geheugen van de Waalse publieke opinie het etiket van een onbetrouwbare, vuile, ongemanierde en laffe stakingsbreker kreeg. De Waalse delfstoffenindustrie floreerde toen volop en genereerde de welvaart die van België een economische grootmacht maakte. Honderd jaar later zijn de rollen omgekeerd. Uitblinkers als GlaxoSmithKline in Genval, Hamon in Mont-St-Guibert of IBA in Louvain-la-Neuve kunnen weinig veranderen aan het slechte imago dat Wallonië en de Walen in Vlaanderen hebben. De Waal is achtereenvolgens ‘gréviculteur’, lui, profiteur en ‘pistonné’. De irrationaliteit en de etnische vooroordelen die hieraan ten grondslag liggen, kunnen nooit de basis vormen van een rechtvaardige democratie, laat staan dat ze een gesprek mogelijk maken.

De logica van de Belgische staatshervorming heeft ertoe geleid dat gemeenschappelijke belangen worden behandeld in het zogenaamde gesprek ‘van gemeenschap tot gemeenschap’. Een van de mogelijke onderwerpen van dat gesprek is de staatshervorming zelf, een proces dat in de loop van 2007 een nieuwe wending zal krijgen. Tal van bronnen bevestigen echter wat velen allang in stilte vreesden: de hoofdrolspelers die straks de onderhandelingen moeten voeren, kennen elkaar niet. Filip Rogiers tracht in het overzichtsartikel ‘Babel aan de Noordzee’ (in De Morgen van 30 december 2006) de praktische oorzaken te achterhalen van dit schisma. De politieke families trekken niet meer samen op. De politici van de twee taalrollen praten onderling nauwelijks met elkaar. Er wordt gecommuniceerd met behulp van ultimata en publieke beledigingen.

Gelukkig wordt er nog wel gezwansd. Op woensdagavond 13 december 2006 werd het programma Questions à la une van de RTBF onderbroken voor een ‘zonet binnengelopen bericht’: het Vlaamse parlement had eenzijdig de onafhankelijkheid van Vlaanderen uitgeroepen. Na deze revolutionaire boodschap volgde er een uitgebreide fake reportage die de kijkers van de RTBF in vertwijfeling achterliet. Het was een van de meest historische momenten uit de Belgische televisiegeschiedenis, alleen te vergelijken met grote emotioneel geladen live-uitzendingen, zoals de begrafenis van Koning Boudewijn, de barragewedstrijd Nederland-België in 1986 of de witte mars. De reacties lieten niet op zich wachten. Regisseur Philippe Dutilleul en de RTBF werden bijna unisono verketterd, zowel in Vlaanderen, Brussel als Wallonië.

Philippe Dutilleul is een van de belangrijkste Belgische reportagemakers van de afgelopen jaren. Hij verdiende zijn strepen bij het ongeëvenaarde programma Striptease dat van 1985 tot 2002 onder meer op de RTBF liep en bedacht ook de opvolger ervan: Tout ça (ne nous rendra pas le Congo). Striptease bracht reportages over het dagelijkse leven, zonder franjes of opdringerige regie-ingrepen. Die ‘cinéma du réel’ heeft een onuitwisbare stempel gedrukt op de Belgische film (de gebroeders Dardenne en gelijkgestemde regisseurs) en op het betere tv-reportagewerk in Vlaanderen en Wallonië. Dutilleul is dus allesbehalve de onnozelaar die sommige Vlaamse journalisten en politici van hem hebben willen maken. Alleen heeft hij, door de nieuwsverslaggeving tijdens primetime te kapen, feit door fictie vervangen. Zijn journalistieke fout heeft wellicht vooral te maken met de objectiviteit die aan het uitzenduur kleeft. De avond na de uitzending van Dutilleuls Bye-bye Belgium opende het Eén-programma Man bijt hond om 17,45 uur met een reportage over een groep Franstalige extremisten. Er werd getoond hoe een terrorist naar de vermeende villa van Yves Leterme reed om die op te blazen. Een andere acteur stond voor de deur van het Vlaams parlement met een vrij authentiek ogende bomgordel onder zijn regenjas. De suggestie van die, door het productiehuis Woestijnvis gemaakte, hoax was veel ernstiger dan de letterlijk misplaatste satire van Dutilleul. Toch kraaide er geen haan naar.

Ook in het gelijknamige boek, Opération BBB, beoefent Dutilleul zijn geliefde ‘cinéma du réel’, zij het dat het resultaat nogal scherp de zwakte van de tv-uitzending aan het licht brengt. In het ruim zeshonderd pagina’s dikke boek reist Dutilleul zijn onderwerp achterna, langs opiniemakers, politici en andere bekende Vlamingen, Brusselaars en Walen. Dutilleul geeft in het boek ruim baan aan een niet-representatief staal van Vlaamse cultuurpessimisten als Matthias Storme, Boudewijn Bouckaert of Marc Platel. Ook zoekt hij voortdurend naar de bevestiging van een stelling die op vooringenomenheid en domheid berust. Niet alle Vlamingen willen het einde van België. Bovendien stammen niet alle Vlamingen af van vaders die als lid van de Zwarte Brigade Limburgse dorpen hebben gebrandschat. Om nog maar te zwijgen van de compleet ridicule veronderstelling dat afstammelingen van leden van de Zwarte Brigade mee de schuld van hun voorouders zouden moeten dragen. Het feit dat er meer Walen dan Vlamingen aan het Oostfront zijn gesneuveld is blijkbaar nog steeds een taboe.

Dutilleul zou een half punt hebben gehad als hij met de bewijzen op tafel had aangetoond dat sommige Vlaamsnationalisten blijven koketteren met het debacle van de Tweede Wereldoorlog. In 2004 nog werd tijdens de rechtsradicale IJzerwake in Steenstrate de honderdtwintigste verjaardag van VNV-leider en antisemiet Staf De Clercq gevierd. De regie dat stichtelijke gebeuren was in handen van Luc Lemmens, een Antwerps N-VA-gemeenteraadslid. Tijdens die viering werd de veroordeling van het Vlaams Blok door het Hof van Beroep te Gent gelijkgeschakeld met de repressie na de Tweede Wereldoorlog. Ook nu er steeds minder getuigen van de Tweede Wereldoorlog resten, blijft zo’n met revanchisme opgesmukt eerbetoon aan Staf De Clercq een daad waarmee je jezelf volledig buitenspel zet. Maar moeten ‘de Vlamingen’ boeten voor het psychopathologische revisionisme van een groupuscule onnozelaars? Dutilleul gaat dus net als de door hem geviseerde foute Vlaming ten onder aan de hedendaagse Belgische ziekte: het elkaar bestoken met clichés. Zijn boek is dus niet meer dan een document en vooral interessant voor wie niet weet wat de Franstaligen denken en wie Vincent de Coorebyter of Luc Beyer de Rijcke zijn.

Als mensen elkaar zo slecht begrijpen, kunnen het alleen Belgen zijn. Aan slecht karakter ontbreekt het hen ook niet, want Dutilleuls Bye-bye Belgium was voor minister-president Yves Leterme een welkome aanleiding om de Franstaligen, en dan vooral de krant Le Soir, te beschuldigen van stemmingmakerij. De Franstalige PS zou een negatief klimaat creëren zodat de Vlaamse eisen bij de staatshervorming gestigmatiseerd worden als separatistisch. PS-boegbeeld Laurette Onkelinx noemde Leterme in april 2006 immers ‘un homme dangereux’, een belediging die de onzekere Leterme niet heeft verteerd. Samenwerken valt de Belgische politici dus zwaar. Die politieke kortsluiting is geen uitzondering in Europa.

De naakte eenvoud van de Belgische grondwet staat symbool voor de problemen van de moderne natiestaat. Het eerste artikel van de gecoördineerde grondwet van 17 februari 1994 luidt: ‘België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.’ Die ene zin bevat de complete geschiedenis van het land. Het is ook een zeer boude uitspraak, vooral omdat iedereen het federalisme anders invult. De flou artistique die hiermee gepaard gaat, zal altijd de instellingen verzwakken en een bron van inspiratie vormen voor politici die het civisme aan hun laars lappen. In de buurlanden is de staat er echter niet minder slecht aan toe, vooral in Nederland en Frankrijk.

Sinds de late jaren negentig leidt de Nederlandse politiek aan een levensbedreigende metafysische sclerose. Mede door dit ziektebeeld heeft de Nederlandse samenleving zeer lang kunnen spelen alsof er geen vuiltje aan de lucht was – Nederland, zo kreette Vrij Nederland, was af. Na Fortuyn en de politieke moorden is Nederland wanhopig naar zichzelf op zoek en is de politieke instabiliteit nog lang niet opgelost. De afgelopen maanden leek het Haagse Binnenhof meer op een exercitieterrein voor wereldvreemde regenten. Intussen mort dat volk. ‘Misschien’, zo schreef H.J. Schoo in de Volkskrant van 30 december 2006, ‘moet die Opstand der Burgers wel eerst nog heviger gaan woeden, wil de les ten volle doordingen. Machthebbers en hun paladijnen die van hun ongeduld met de kiezer getuigen, wijzen daar in elk geval op.’

Frankrijk glijdt dan weer af in somberte en onpeilbare apathie. Niet voor niets noteren er nergens op Europese beurzen meer rust- en verzorgingstehuizen dan op de Parijse CAC40. L’exception Française is vooral een excuus om reactionair gedrag te verkopen als een progressief programma. Het drama van de Franse politiek is dat zowat elke belangrijke Franse politicus van de afgelopen jaren verduiveld goed weet het Frankrijk aan schort. De voorlaatste in de rij is de door acute hoogmoed neergestorte Dominique de Villepin. In zijn Le cri de la Gargouille (2002) beschrijft hij zeer exact waar Frankrijk schrik voor heeft: actie. De analyse Nicolas Sarkozy maakt in Témoignage (2006) verschilt niet fundamenteel van die van zijn aartsvijand. Het Franse socio-economische immobilisme vernietigt welvaart en kapitaal, en institutionaliseert segregatie en ongelijkheid. Het pijnlijkste bewijs hiervan is het onvermogen van de Franse politiek om de vermaledijde vijfendertigurenweek te schrappen. Bovendien heeft de Franse staat altijd geleden onder te veel centralisme en te veel Parijs.

De kloof tussen burgers en politiek – een kloof die in het België van de jaren tachtig is uitgevonden – heeft in Frankrijk en Nederland de vorm van een ravijn aangenomen. De Belgische politiek heeft de fameuze kloof zo ontzettend intens gethematiseerd dat heel wat Vlaamse politici en Michel Daerden zich van de weeromstuit hebben omgeschoold tot labiele idioten in de hoop ‘het volk’ niet van zich te vervreemden. Het dieptepunt van die evolutie is ongetwijfeld de komst van de familie in de Belgische politiek. Niet eerder hebben politici hun partners en kinderen zo massaal ingezet op radio, tv en verkiezingsdrukwerk. Niet eerder hebben zovele politici hun carrière en hun emolumenten te danken partners en familieleden. Als je de ogen sluit lijkt de Franse revolutie een verzinsel en leven we nog steeds in de feodaliteit die bij Karel de Grote is begonnen.

Is het een voordeel dat politici zeldzaam dicht bij hun kiezers staan? Is nabijheid de belangrijkste factor van een westerse democratie? Bij gebrek aan Europees forum is het haast onmogelijk om deze toestand uit te klaren – wij allen zijn Europeanen bij benadering, een schimmige dubbele nationaliteit, een siertotem die uitsluitend op de Grote Momenten wordt gebruikt. In België, waar er in beide gemeenschappen een politiek van nabijheid wordt gevoerd, staan de gemeenschappen zelf met de rug naar elkaar. Dat is, zelfs los van de communautaire carrousel, een bedenkelijke situatie. Het gesprek tussen Vlamingen en Franstaligen moet hoe dan ook plaatsvinden, omdat zelfs zonder de Belgische federatie er zeer vele gedeelde verantwoordelijkheden zijn.

Harold Polis


Yves Quairiaux, L’image du Flamand en Wallonie. Essai d’analyse sociale et politique (1830-1914), Editions Labor, 2006.
Dominique de Villepin, Le cri de la Gargouille, Albin Michel, 2002.
Nicolas Sarkozy, Témoignage, Xo, 2006.
Emmanuel Gerard en Karel Van Nieuwenhuyse (red.), Scripta politica. Politieke geschiedenis van België in documenten, Acco, 2005.
Philippe Dutilleul, Opération BBB (Bye Bye Belgium). L’évènement télévisuel, Editions Labor, 2006.
Els Witte & Alain Meynen, De geschiedenis van België na 1945, Standaard Uitgeverij, 2006.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van februari 2007.)

De vergrijzing in België




(Links een portret van de zwartgallige Britse econoom Thomas Malthus, bedenker van onder meer de 'Malthusiaanse catastrofe': de overbevolking regelt zichzelf door een toename van de sterftegevallen.)

Nee, lang niet alle fenomenen van onze postindustriële samenleving zijn beheersbaar. We zijn zo gesteld op het vermijden van risico’s dat onvoorziene omstandigheden tot blinde paniek leiden. In België is bijvoorbeeld sinds enkele maanden de aarde volop aan het opwarmen. Nu iedereen zich de boodschap uit Een ongemakkelijke waarheid van Al Gore heeft ingeprent, lijken zelfs de autoloze zondagen en de fietshappenings van vroeger op verraad. Om het broeikaseffect terug te dringen, worden de inspanningen groter, totaler en heroïscher. We móéten erin geloven.
Een smogalarm komt nooit alleen. Dezelfde onbestemde angst wordt opgewekt door de gevolgen van de vergrijzing, een fenomeen dat alle Europese lidstaten kwelt. Meer nog dan het ongebreidelde energieverbruik zou het kantelen van de demografische driehoek een hoofdstuk kunnen zijn in Barbara Tuchmanns The March of Folly. Een kind had kunnen voorspellen dat de dalende nataliteit tot weinig feestelijke resultaten zou leiden. En plots was het zover. Op 15 maart meldde Luc Coene, voorzitter van de afdeling Financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën, dat het federale België tot 2050 een strak begrotingsbeleid zou moeten voeren. Een halve eeuw lang besparen? Die bindende voorspelling heeft uiteraard politieke betekenis. Tijdens de laatste communautaire rondes hebben de gewesten en gemeenschappen meer extra geld dan bevoegdheden gekregen. Het budget van de federale staat daarentegen is gekrompen, terwijl zij de last van de vergrijzing voor het grootste deel torst. Er moet dus worden onderhandeld over een herverdeling van middelen en bevoegdheden. Net zoals de Chinezen leningen over meerdere generaties afsluiten, gaan wij bepalen hoe zuinig onze kleinkinderen moeten leven. De mondialisering ten top. De turbulentie en noodzakelijke compromissen die gepaard gingen met het Generatiepact hebben alvast duidelijk gemaakt dat de vergrijzing geen detail is dat met een nachtje onderhandelen wordt opgelost. We benaderen de zaak nog steeds veel te rooskleurig en voeren mede daardoor een politiek die het algemeen belang niet dient.
We voelen de zware adem van de geschiedenis in onze nek. De indruk wordt gewekt dat we niet veel tijd meer hebben om ons lot te bepalen. Onze beurt is over. Onze verzorgingsstaat lijkt uit te doven.

Ouderen grijpen de macht

Soms is de toekomst voorspellen makkelijk: ook 2007 wordt beheerst door het debat over de toekomst van onze welvaartsstaat. Een opvallend kenmerk is de vaak onoordeelkundige vermenging van technische feiten en maatschappelijke keuzes. Menigmaal wordt de toekomst van de welvaartstaat voorgesteld als een zuiver instrumentele (en voor sommigen communautaire) aangelegenheid: als we hier wat schrapen en daar wat plamuren, komt alles wel goed. Die schijnbaar objectieve aanpak houdt echter zelden rekening met de maatschappelijke impact van de ingrepen. De vele facetten van het debat komen helder aan de orde in twee boeken die vorig jaar verschenen: Red de welvaartsstaat, samengesteld door vier journalisten van het financieel-economische magazine Trends, en Naar grijsland van econoom Koen de Leus.
Er zijn meer ouderen, de groep hoogbejaarde ouderen neemt toe en door de dalende nataliteit zijn er minder jonge werkkrachten. Daarbij komt de te lage arbeidsparticipatiegraad: jongeren beginnen later te werken, oudere werknemers worden vroeg afgeschreven, te weinig werkende vrouwen, achterstelling van minderheden… De combinatie van vergrijzing en lage arbeidsparticipatie is weinig rooskleurig. In Red de welvaartsstaat wordt meermaals verwezen naar uitspraken van Jan Smets, voorzitter van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Hij stelt dat we vandaag de gevolgen van het dalende arbeidsaanbod schromelijk onderschatten, omdat er nog veel werklozen zijn en er dus een grote arbeidsreserve is. Na 2010, het jaar waarin de kanteling van de demografische driehoek zeer tastbaar wordt, is het uit met de pret.
2010 is uitgegroeid tot het symbooljaar van het Belgische vergrijzingsepos. Onterecht, want 2010 ontleent zijn symboliek aan statistieken die elk jaar veranderen. Dat blijkt ook uit verslagen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing die jaarlijks een ‘geactualiseerde evaluatie van de budgettaire kost van de vergrijzing’ berekent. De wet van de grote getallen is genadeloos, evengoed voor de kost van de vergrijzing en die van de zorg: een procent meer of minder brengt immense verschuivingen teweeg.
Het grote debat over de welvaartsstaat biedt echter één zekerheid: hoe objectief de cijfers ook lijken, uiteindelijk is er altijd een maatschappelijke keuze in het geding. Neem de stijgende kost van de (gezondheids)zorg. Die is grotendeels toe te schrijven aan de technologische vooruitgang. Moet je dan met een beperkt budget a) alle technologie voor iedereen betaalbaar maken, b) sommige technologie uit de sociale zekerheid halen, of c) technologische hoogstandjes voorbehouden aan wie er het meest nood aan heeft? Elke keuze zal ethische en politieke dilemma’s opleveren. Betaalt de patiënt of de samenleving de ingewikkelde hartoperatie van de tachtigplusser? En is die operatie belangrijker dan, bijvoorbeeld, de peperdure fertiliteitsbehandeling van twee dertigers die lang hebben gewacht om aan kinderen te beginnen? In dit opzicht is de mening van Etienne de Callataÿ het noteren waard. Deze hoofdeconoom bij Bank Degroof denkt dat de vergrijzing ook de politiek kan verzwakken. Omdat de stem van de ouderen zwaarder weegt, neemt de druk toe om geen ingrijpende keuzes te maken en de factuur van de vergrijzing door te schuiven naar de volgende generatie.

Meer vrije markt en deregulering

Bejaarden geven liever geld aan de verzorging voor hun hond dan aan een krantenabonnement of nieuwe kleren. Het is een van de vele nutteloze feiten die Koen de Leus aanhaalt om zijn punt te maken: de mens is een consument die zelf zijn toekomst bepaalt. Naar grijsland tracht zo concreet mogelijk te beschrijven wat de economische gevolgen van de vergrijzing kunnen zijn. De alsmaar toenemende kost van de gezondheidszorg is ook voor De Leus de grote boosdoener. Oudere mensen hebben meer medische kosten, maar ze beschikken ook over een groter persoonlijk budget voor gezondheidszorg. Het wordt dus moeilijker om te bepalen waar de medische noodzaak eindigt en de consumptie begint. De Leus pleit ervoor om de heilige huisjes niet te sparen: onze verzorgingsstaat moet grondig worden herdacht.
In zijn analyses toont De Leus durf en eruditie, én een te beperkte visie op welzijn. De maatschappelijke kost van de vergrijzing reikt nu eenmaal verder dan de aankoopprijs van een looprek. Door de mens, meer bepaald de gepensioneerde babyboomer, te reduceren tot een productie-eenheid met een spaarrekening wordt het verhaal van De Leus niet aannemelijker. En dat is onterecht. De grote verdienste van Naar grijsland is dat heel wat angstaanjagende concepten uit het vergrijzingsdebat tot de ware proporties worden teruggebracht. De theorie van de asset meltdown bijvoorbeeld: vandaag draait de economie nog behoorlijk omdat er flink wordt gespaard, maar zodra de vergrijzing echt toeslaat zullen steeds meer bejaarden hun spaargeld opeten, wat uiteindelijk leidt tot een economische ijstijd. Het grijze, verarmende Europa versus de jonge, boomende BRIC-landen. De Leus geeft echter goede argumenten waarom het niet zover hoeft te komen. België staat, net als de rest van Europa, voor een fundamentele keuze: hoe pas je de economie aan dat de welvaart bewaard blijft voor volgende generaties? De remedies die De Leus voorstelt zijn uitgesproken liberaal: meer vrije markt en deregulering. Zijn doelstelling is echter algemeen aanvaard: er moeten meer mensen aan het werk. De Leus pleit vurig voor een vrij verkeer van diensten en dus voor de verketterde Bolkestein-richtlijn. Als zelfs maar een deel van de immense veranderingen die De Leus beschrijft werkelijkheid wordt, dan kun je nu al geld inzetten op het heropenen van de Europese discussie over de dienstensector.
Nogmaals, deugdelijk bestuur is een voorwaarde om de vergrijzing het hoofd te bieden, maar begrijpen we de feiten goed genoeg om ook op de kleintjes te kunnen letten? Het is naïef en zelfs gevaarlijk te denken dat we de klus klaren door louter en alleen een nieuwe fiscaliteit in te voeren die arbeid fundamenteel minder belast. Bestaat er wel een gouden greep? Die vraag houdt de onderzoekers van Covive bezig (het antwoord is overigens negatief). Dit interuniversitaire consortium voert onderzoek naar de socio-economische impact van de vergrijzing in Vlaanderen en Europa. De reader Ouderen in Vlaanderen van 1975 tot 2005 is zonder meer een van de interessantste publicaties van het jaar. Covive slaagt er nog niet in het globale verhaal te vertellen, maar de deelonderzoeken hebben geen nood aan een groot gebaar. De cijfers spreken boekdelen. Uit dertig jaar socio-economische, demografische en beleidsmatige ontwikkelingen halen de onderzoekers drie grote vaststellingen: we moeten heel wat clichés ontkrachten, verkeerde inschattingen bijsturen en werken aan een integrale aanpak van de vergrijzing.

Verkeerde inschattingen

Wetenschappelijk onderzoek is alleen grappig als je onderzoeksresultaten confronteert met waarheden van gisteren. Vooral demografen blinken uit in die oefening. Uit hun tabellen blijkt bijvoorbeeld dat we eind jaren zeventig de verwachte geboortegraad stevig hebben overschat en de ontgroening onderschat. Volgens Johan Surkyn, een demograaf van de VUB, overschatten we de vruchtbaarheid zelfs systematisch. Dit betekent niet dat we optimistisch denken over de bevolkingsevolutie. Het is bon ton te jammeren over het lot van onze welvaartstaat. Door de toename van de levensverwachting en de daling van het aantal geboortes, zouden we welvaart moeten inleveren. Het vruchtbaarheidscijfer in België lag begin jaren zeventig nog rond het vervangingsniveau van 2,1 kind per moeder. Na de babyboom kwam echter de babybust. Ruim dertig jaar later schommelen we rond 1,6 kind per moeder. Het tekort aan kinderen, en dus aan toekomstige werkkrachten, levert het beste bewijs van onze ‘neergang’. Niet waar, zegt Surkyn. Zoals we het aantal geboortes hebben overschat, zo hebben we de positieve gevolgen van migratie onderschat. Migratie is dan wel geen remedie tegen vergrijzing, de instroom van hoofdzakelijk jonge mensen remt al vele jaren de dalende bevolkingstrend af. Bovendien hebben we een gekleurd en te negatief beeld van migratie. Op Vlaams niveau bijvoorbeeld komt ruim een derde van de migranten uit België zelf. Surkyn: ‘Het is dus vanuit menselijk standpunt, maar evenzeer in sociaal-economische zin, aangewezen ervoor te ijveren dat het human capital dat aanwezig is in de migrantenstroom ontwikkeld en gevaloriseerd wordt.’
Nog zo’n punt is onze angst voor sociale desintegratie. Leen Heylen (Universiteit Antwerpen) onderzoekt of en hoe de individualisering het sociale weefsel van ouderen aantast. Verrassend genoeg vindt Heylen weinig redenen tot paniek. Eenzaamheid blijft een maatschappelijk probleem, maar ouderen participeren wel degelijk, zij het anders dan vroeger. Hun contactpatroon bijvoorbeeld is divers, wat niet betekent dat er meer eenzaamheid ontstaat. De individualisering is er ook voor ouderen. Zij stellen eenvoudigweg hun verwachtingen bij. De belangrijkste conclusie uit dit onderzoek is wellicht dat je niet meer kan spreken over ‘de ouderen’. Bejaarden zijn een bijzonder heterogene groep geworden.

Clichés ontkrachten

De manier waarop gezinnen en families zich ontwikkelen, heeft een zware invloed op de ouderenzorg. Benedicte De Koker, Thérèse Jacobs en Edith Lodewijckx (Universiteit Antwerpen) onderzochten die invloed in de periode 1975-2005. We zijn ervan overtuigd dat onze maatschappij gebukt gaat onder een gebrek aan zorg en een overschot aan egoïsme. Het lijkt alsof steeds minder mensen willen zorgen voor zieke of familieleden. De cijfers uit het onderzoek spreken dit tegen. Hoewel de intensiteit van de mantelzorg daalt, zorgen we met meer liefde dan vroeger. Mantelzorg mag een minder vanzelfsprekende bezigheid worden, het gebeurt met een grote motivatie en dus is de zorgbelasting kleiner.
We zorgen niet meer omdat het moet, maar omdat we het graag doen. Ook het feit dat we steeds meer vinden dat respect in familieverband moet worden verdiend, speelt een rol. Kijk maar naar de beruchte onderhoudsplicht. Ruim 53% van de Vlamingen tussen twintig en vierenzestig wijst de huidige wettelijke regeling af. In de leeftijdsgroep tussen vijftig en vierenzestig loopt die afwijzing op tot 60%. De meeste ouderen, vooral die met kinderen, wijzen de gedwongen familiale solidariteit af. Uit de enquête Zorg in Vlaanderen van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie (CBGS) blijkt dan weer een zeer grote bereidheid om zorg te verlenen aan een niet-inwonend familielied. En uiteraard zijn het nog steeds voornamelijk de vrouwen die zorgtaken opnemen. De nieuwe man is nog niet voor morgen.
Dit lijkt enigszins geruststellend, maar in vele (stedelijke) gebieden vergrijst de bevolking zienderogen. Alles wijst erop dat ons zorgsysteem in zijn voegen kraakt. De bevolkingsevolutie heeft een situatie doen ontstaan van acute nood, een wachtlijstcultuur die steeds zwaarder drukt op het budget van de overheid. Of is dit voor een groot deel perceptie? Ignace Leus, directeur Afdeling Zorg van de Christelijke Mutualiteit, waarschuwde in een reactie op het onderzoek van De Koker, Jacobs en Lodewijckx voor zelfgenoegzaamheid, zeker wat de ouderenzorg betreft: ‘We mogen de ogen niet sluiten voor het feit dat de absolute aantallen exploderen. Tot 2010 beleven we een relatief stille periode, maar vanaf dat moment zullen we een explosie meemaken.’ Leus neemt dan zelfs het woord ‘verschrikkelijk’ in de mond. Hij pleit onomwonden voor een Marshallplan voor de opvang van bejaarden.

Is meer ook beter?

Meer levensjaren zijn alleszins niet noodzakelijk betere levensjaren, zo blijkt uit het onderzoek Demografie van de gezondheid in Vlaanderen van Patrick Deboosere (Vrije Universiteit Brussel). ‘Veel meer dan de puur demografische of economische afhankelijksheidsratio’s, zal de toekomst worden bepaald door de gezondheidsafhankelijkheidsratio,’ schrijft hij. Zullen we, met andere woorden, in staat zijn om voldoende zorg te mobiliseren wanneer er steeds meer oude zieke mensen bijkomen? Zelfs na een lange periode waarin onze levensverwachting elk jaar een seizoen won, zitten we niet aan de limiet. De gemiddelde leeftijd kan nog omhoog, maar brengt Deboosere ook tot enkele ontnuchterende vaststellingen. We komen in de problemen als de vergrijzing zou doorgaan zonder dat de geneeskunde zich verder ontwikkelt. Met steeds meer en steeds oudere bejaarden zal de ziekte van Alzheimer bijzonder zwaar wegen op het budget. Het belang van preventie neemt fors toe, maar ook dat van farmaceutische innovatie. Wellicht zal die ontwikkeling ook tot ethische dilemma’s leiden. Moet de maatschappij de verantwoordelijkheid nemen voor al onze gezondheidsrisico’s? Dure research die nog duurdere geneesmiddelen moet opleveren waarmee dure hoogbejaarde zieken nog langer in leven moeten worden gehouden? Het wordt geen eenvoudige discussie.
Hetzelfde geldt voor het ouderenzorgaanbod. Tussen 1975 en 2005 is het in Vlaanderen – zowel in de thuiszorg als in de residentiële zorg – verruimd en gedifferentieerd. De thuiszorg is in Vlaanderen beter uitgebouwd dan in Wallonië en Brussel. Maar Vlaanderen behoort niet meer tot de koplopers in Europa en het ouderenzorgaanbod in Vlaanderen blijft erg gefragmenteerd.
Bea Cantillon, coördinator van Covive, wil de feiten voor zich laten spreken. De realiteit is veel complexer dan schema’s en clichés, en ze is vatbaar voor verandering. Cantillon noemt de toestand niet hopeloos, wel zorgelijk. Onze verzorgingsstaat heeft een achterstand opgelopen in vergelijking met twintig jaar geleden. Het ziet er minder gunstig uit dan we zelf willen geloven. Die vaststelling staat ook in Postremus inter pares, een recent rapport van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (CSB) waarin de socio-economische prestaties van België worden vergeleken met andere Europese landen.
De zeer diverse onderzoeken die Covive voert, vormen de aanzet van een breed verhaal over onze nabije toekomst. Die integrale aanpak is broodnodig, want in de vergrijzing komen haast alle belangrijke maatschappelijke thema’s samen. Bovendien delen we de vergrijzing met onze buurlanden. In de onlangs verschenen Nederlandse essaybundel De vergrijzing leeft schrijft socioloog Kees Schuyt: ‘Vergrijzing is geen ramp. Een ramp komt onverwacht. De vergrijzing zagen we al jaren aankomen. De enige overeenkomst tussen een ramp en de vergrijzing is dat ook bij de vergrijzing overheidsinstanties langs elkaar heen werken. Maar er hoeven eigenlijk helemaal geen dramatische en draconische beslissingen te worden genomen, als we tenminste niet te lang wachten.’
Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Harold Polis

Dolf van den Brink en Frank Heemskerk, De vergrijzing leeft. Kansen en keuzen in een veranderende samenleving, Bert Bakker, Amsterdam, 2006, 19,95 euro. ISBN 90-351-3021-9.
Roeland Byl, e.a., Red de welvaartsstaat. [Met een voorwoord van Mark Eyskens], Roularta Books, Roeselare, 2005, 196 blz. ISBN 90-5466-697-8.
Koen de Leus, Naar grijsland. Uitvaart van onze welvaart. Met een voorwoord van Yves Leterme, Roularta Books, Roeselare, 2006, 328 blz., ISBN 90-5466-913-6.
De jaarverslagen van de Commissie voor de Vergrijzing staan op de website van het Federaal Planbureau: http://www.plan.be. Voor meer informatie over Covive, zie www.covive.be.
Het rapport Postremus inter pares kan je volledig downloaden.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van maart 2007.)