woensdag 31 oktober 2007

Voor een paar duiten meer



Tijdens de officiële opening van de Boekenbeurs gaat het uiteraard over de dingen die er echt toe doen, met name: geld. Of liever, het gebrek eraan. De hoogwaardigheidsbekleders die het woord namen, voerden geen pleidooi voor mooiere zinnen, scherpere metaforen of wufte enjambementen. Nee, geld dus. Waarom en wie zoveel had gegeven. Waarom er niet rijkelijker met dukaten werd gestrooid. Ik moest spontaan aan die ene klassieker van wijlen John Kenneth Galbraith denken, Money, whence it came, where it went. Het is de schrijver Jean-Marie Berckmans die me dit standaardwerk over de geschiedenis van geld en inflatie heeft leren kennen. Berckmans zelf heeft geen geld. Hij heeft niets voor zichzelf geregeld. En nu heeft hij ook geen gezondheid meer.

Na afloop van de geldtoespraken barstte er op de Boekenbeurs een kolkende receptie los. Ter hoogte van hal 4, waar ik me bevond, hoorde ik enkele receptiegangers klagen over een tekort aan lucht. Ik noem dit het Dresdeneffect, een inferno dat alle zuurstof wegzuigt. Zodra er op de beurs mensen naar lucht happen, dan weet je: ça marche, de zaak draait. Dat deed het gisteren. Ik heb vijf uur aan een stuk gepraat, handen geschud, gezoend.

Even later moest ik om een andere reden naar lucht happen. Een collega vertelde me dat Berckmans in coma was gegaan en weer op intensieve zorgen lag. Twee weken geleden heb ik Berckmans nog in het ziekenhuis bezocht. Hij zag er toen slecht uit, broos en kwetsbaar. Maar ook opgewekt en scherpzinnig. Het gesprek kwam na enkele bochten bij Rusland en Alexander Litvinenko, die aan Poloniumvergiftiging ten onder is gegaan. Toen het woord Polonium viel, begon Jean-Marie spontaan de elementen van de tabel van Mendeljev op te sommen. Zo'n man dus. Iemand die op de meest onverwachte momenten uit Dante citeert (in het Italiaans) en nog steeds de boeken van Leonardo Sciascia koestert.

Ik hoop dat je je ook hier weer uit redt, Jean-Marie.

Het was de Vlaamse minister van cultuur Bert Anciaux die met beloftes kwam tijdens de geldtoespraken: "De verdomde plicht rust op mij om in deze legislatuur nog de aanzet te geven van een structurele oplossing voor topauteurs die niet op een normale wijze worden ondersteund. Het is niet mogelijk voor alle topauteurs een staatspensioen te voorzien, maar voor hen die in armoede leven, wil ik een oplossing zoeken." Uiteraard blokletterde de krant De Standaard: "Minister belooft geld aan armlastige auteurs".

Ik beloof een gratis exemplaar van Berckmans' prachtige boek Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel (longlist Gouden Uil Literatuurprijs 2007) aan de lezer van Boekblad die mij kan uitleggen wat minister Anciaux nu eigenlijk bedoelt met "zijn verdomde plicht". Uiteraard ben ik ook bijzonder benieuwd naar zijn interpretatie van het concept "topauteur".

Intussen is het leenrecht nog steeds niet in orde gebracht.

Harold Polis

dinsdag 30 oktober 2007

Scripta manent



Wie voorbij de zalen van de Boekenbeurs naar het centrum van Antwerpen rijdt langs de Jan Van Rijswijcklaan zal aan het Albertpark doeken zien met daarop de honderden gezichten van de gedeporteerden van Transport XX. Het is een indrukwekkend beeld. Op 19 april 1943 vertrekt uit de Dossinkazerne te Mechelen het fameuze Transport XX. Niet alle 1636 gedeporteerden zullen Auschwitz bereiken. In de buurt van het Brabantse gemeente Boortmeerbeek wordt Transport XX tegengehouden door drie jongens uit Brussel. Jean Franklemon, Robert Maistriau en Youra Livchitz zijn studenten van het Athenaeum van Ukkel. Gewapend met een looplamp en en revolver brengen ze het konvooi beestenwagens tot stilstand. In totaal ontsnappen er 232 mensen. Het is een unicum in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.

Het verhaal van Transport XX biedt nog het voordeel van de hoop. Dankzij de woeste heldendaad van drie tieners hebben enkele mensen hun hachje kunnen redden. Talloze anderen trokken echter aan het kortste eind. Ze werden opgepakt op straat, bij het avondeten of bij het afhalen van voedselbonnen. Ze werden van hun bed gelicht, niet zelden kregen ze slaag, werden ze bij hun haren door de straat gesleurd. In een stad als Antwerpen verdwenen op enkele maanden tijd duizenden mensen. Pas vandaag lukt het ons om die haast onuitsprekelijke omstandigheden grondig te beschrijven. Enkele jaren geleden bestelde de Belgische senaat bij het Brusselse SOMA-instituut een rapport over de betrokkenheid van de Belgische overheden bij de Jodenvervolging. Het resultaat hiervan is het boek Gewillig België. Overheid en Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het uitgeefrisico bij een wetenschappelijk werk van 1180 dichtbedrukte pagina's is niet gering. Bovendien bevat Gewillig België een pijnlijke waarheid: de Belgische overheden hebben actief meegewerkt aan de Jodenvervolging. Soms, zoals in Antwerpen, ging die medewerking veel verder dan 'het noodzakelijke'. Die feiten zijn zo ontzagwekkend erg dat het ruim zes decennia heeft geduurd om de volledige waarheid te kennen. Zes decennia. Omwille van die geschiedenis vonden we dat Gewillig België wél een boek was voor een breed publiek.

We hebben Gewillig België in mei van dit jaar gepubliceerd. Pas nu lijkt het debat over het boek op gang te komen. Het afgelopen weekend heeft de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens de conclusies van Gewillig België erkend en heeft hij de Joodse gemeenschap de excuses van het Antwerpse stadsbestuur aangeboden. Na ruim zes decennia. De NV-A (Nieuw-Vlaamse Alliantie) en haar voorman Bart De Wever maken deel uit van het stadsbestuur, maar weigeren zich achter de excuses te scharen. Gisteren heeft De Wever die excuses om onbegrijpelijke redenen zelfs 'gratuit' genoemd.

Walter Pauli schreef maandag in de krant De Morgen: 'Dat Patrick Janssens [excuses aanbiedt] aan de vooravond van de nog immer Antwerpse Boekenbeurs is een mooi signaal dat cultuur politiek kan verrijken. En een waardevolle les dat een politicus niet te beroerd moet zijn om zijn conclusies te trekken uit gaaf wetenschappelijk werk.'

Nog voor de opening van de Antwerpse Boekenbeurs vanavond is een van de belangrijkste boeken van de beurs gekend.

Harold Polis

zondag 28 oktober 2007

Een terugblik op een kwart eeuw armoedebeleid



De afgelopen jaren heeft het armoedebeleid aan belang gewonnen. Als je wat meer afstand neemt, vallen de verschillen tussen vroeger en nu op. Omdat het nooit kwaad kan het verleden beter te begrijpen, maakte Danielle Dierckx een doctoraat over het historische armoedebeleid. Haar onderzoek bevat ook opmerkelijke beleidsaanbevelingen.

Woorden of daden?

Als onderzoekster is Danielle Dierckx verbonden aan OASeS (Universiteit Antwerpen). De Onderzoeksgroep Armoede, Sociale Uitsluiting en de Stad is in Vlaanderen het kenniscentrum bij uitstek wat armoedebeleid betreft en geeft ook het jaarboek Armoede en sociale uitsluiting uit. Zelf probeert Dierckx theorie en praktijk samen te brengen. Ze is nauw betrokken bij een aantal welzijns- en armoedeverenigingen. Die terreinkennis kwam goed van pas bij het schrijven van haar zopas in boekvorm verschenen doctoraat: Tussen armoedebeleid en beleidsarmoede. Een retrospectieve en interventiegerichte analyse van de Vlaamse beleidspraktijk.

De persoonlijke motivatie om dit omvangrijke onderzoek uit te voeren is zeer concreet. Geconfronteerd met de alomtegenwoordigheid van containerbegrippen zoals ‘integraal beleid’, wilde Dierckx in kaart brengen hoe beleid tot stand komt en wat het betekent. Dit integraal beleid wordt voorgesteld als een oplossing omdat armoede een complex maatschappelijk probleem is. Het onderzoek van Dierckx bevat een nuchtere analyse van doelstellingen en middelen: hoe komt een beleidsthema op de agenda en worden er resultaten geboekt? Danielle Dierckx: “Ik stelde vast dat het armoedebeleid vaak vastliep. Er werden veel nieuwe woorden verzonnen. Maar de vereiste dat armoedebeleid integraal of inclusief moest zijn, veranderde niet veel aan de situatie. Iedereen vult die begrippen anders in. Bovendien hebben de verenigingen waar armen het woord nemen kritiek op de discrepantie tussen woorden en daden.”

Armoedebeleid is ook politiek. En dus bestaat er een verschil tussen gelijk hebben en gelijk krijgen. Een belangrijk deel van de aanbevelingen van Dierckx gaat daarover: het armoedebeleid kan beter ‘gepromoot’ worden. “Als het echt klopt dat het befaamde integrale armoedebeleid niet werkt, moet je er misschien mee ophouden,” zegt Dierckx. Uiteraard geeft ze in haar onderzoek aan hoe die integraliteit wel kan werken, onder meer door het armoedebeleid in handen te geven van een proactieve flexibele beleidsorganisatie. De klassieke categoriale, sectorale en territoriale strategieën moeten elkaar meer inspireren en versterken. Eigenlijk pleit Dierckx voor een armoedebeleid dat de werkelijkheid nauw volgt. En om dat te bereiken moet een hedendaagse beleidsorganisatie zich bekwamen in wendbaarheid.

Kantelmoment

Dierckx stelde zich ook vragen rond de participatie van armen. “Zonder de armen geen goed armoedebeleid”. Die eis wordt altijd gesteld, van lokaal tot Europees niveau. Maar wat betekent ze eigenlijk? En waarom lukt het niet om er altijd aan te voldoen?” Naast een diepgravende analyse van het armoedebeleid en de organisatie ervan, organiseerde Dierckx een enquête bij sterkhouders en betrokkenen. Op basis van die schat aan informatie slaagt Dierckx erin negen heldere beleidsaanbevelingen te formuleren, haar “negen statements voor de toekomst”. Zo wijst Dierckx op het grote belang van het leefwereldperspectief in het armoedebeleid en houdt ze een pleidooi voor “vakkundige pleitbezorgers”. Of het nu gaat om het aandacht vragen voor het thema armoede, om het wegen op de beleidsorganisatie of om de manier waarop er wordt bestuurd, je hebt mensen nodig die kansen creëren en daarvan gebruikmaken om het armoedebeleid te versterken. “Armoedebestrijding bereikt de beleidsagenda niet als niemand het ‘entrepreneurship’ op zich neemt,” schrijft Dierckx. Daarbij hoort ook het kiezen van het juiste moment, gunstige maatschappelijke gebeurtenissen en een voorspoedig politiek klimaat.

In de historische beschrijving die Dierckx geeft van het armoedebeleid is ‘zwarte zondag’ zo’n kantelmoment geweest. Anno 1991 ging dit succes van extreemrechts bij de federale verkiezingen gepaard met moeilijke economische omstandigheden. Analyses verwijzen vooral naar de situatie van inwoners van verpauperde wijken in de negentiende-eeuwse gordels van grote steden. Politici trachten die ontevredenheid op tal van manieren te bestrijden. Zo wordt er opdracht gegeven aan de doelgroepen van het armoedebeleid en aan de zorgsector om het Algemeen Verslag over de Armoede (1994) op te stellen. Op het Vlaamse regeerniveau worden bijvoorbeeld meer inspanningen geleverd voor sociale woningbouw, wordt er in 1995 een minister voor Stedelijk Beleid aangesteld en wordt het Sociaal Impulsfonds (SIF) opgericht. De levenskwaliteit in de achtergestelde buurten moet worden hersteld. De armoede en sociale uitsluiting moeten er worden bestreden. In het post-SIF-tijdperk staat het armoedebeleid echter niet meer centraal. Andere maatschappelijke thema’s, zoals veiligheid, integratie en de economische leefbaarheid van de steden, eisen ook aandacht en budgetten op.

SOS Armoede

Dierckx besluit dat armoede niet noodzakelijk hoog op de politieke agenda komt omdat er meer armen rondlopen. Het zijn eerder de maatschappelijke gebeurtenissen die de doorslag geven. De hoofdrol is volgens Dierckx weggelegd voor de ‘entrepreneurs’. Zij dragen een adequate mentaliteit uit waardoor het wordt voorkomen dat ‘inspraak’ en ‘participatie’ als excuus worden gebruikt voor een gebrek aan resultaten. Naarmate de oorzaken van armoede minder eenduidig worden, ontstaan er nieuwe kansen voor het armoedebeleid. “De komende jaren,” zo schrijft Dierckx, “vormt de verduidelijking van de armoededimensie in het etnisch-culturele debat een opportuniteit.” Eind vorig jaar nog bracht een tussentijds rapport van een OASeS-onderzoek aan het licht dat de helft van de Belgische allochtonen van Turkse en Marokkaanse afkomst onder de armoederisicogrens leeft. Toch richten de hulpverlening en het welzijnswerk zich nog hoofdzakelijk op autochtone Belgen. OASeS-onderzoekster Bea Van Robaeys pleitte toen in het weekblad MO* voor een ommezwaai in de hulpverlening: “In de eerste plaats moeten het armoedebeleid en het middenveld interculturaliseren. Laat allochtone armen mee bepalen wat armoede is en welke maatregelen er nodig zijn.” De voorspelling van Dierckx zou wel eens sneller dan verwacht kunnen uitkomen. Op dat moment moet de overheid er wel staan.

In haar algemene beoordeling van het armoedebeleid blijkt dat sommige beleidsinstrumenten, zoals coördinatiestructuren, onderbenut worden. Dierckx wijst er dan ook op dat beleid omkaderd en opgevolgd moet worden. Hetzelfde geldt voor de beleidsplanning. Vooruitdenken is onontbeerlijk. Het verschil tussen een beleid dat conform de planning loopt en de doorwerking van de planning in het beleid zit in het langetermijnperspectief. Dierckx: “De nood blijkt hoog om dit meer na te streven.”

Meten is geld waard

“In mijn onderzoek volg ik twee sporen,” vertelt Dierckx. “Enerzijds is er de toenemende complexiteit van de armoede. We moeten die nauwkeurig beschrijven, zodat we er rekening mee kunnen houden. Anderzijds pleit ik voor een overheid die zich blijft engageren in de strijd tegen de armoede. Maar om die strijd goed te voeren, moet de overheid zich wapenen tegen de complexiteit van armoede en sociale uitsluiting. Met dooddoeners red je het niet.” Er zit nog een duidelijke groeimarge in het armoedebeleid. Uiteraard kunnen Diercks’ negen statements voor beterschap zorgen, door het beleid sneller en meer efficiënt te voeren. Kennis kan ook een zeer praktisch geïnspireerde noodzaak zijn. “In de dagelijkse hulpverleningscontacten of aan de balie van een stadsdienst kan empathie geen kwaad. Je moet goed kunnen inschatten in welke situatie mensen in armoede leven. Uit mijn onderzoek is duidelijk geworden dat er een behoefte te bestaat om het leefwereldperspectief nadrukkelijker aan bod te laten komen in het beleid. Ervaringsdeskundigen volstaan niet. Het belang van de verenigingen waar armen het woord nemen is niet te onderschatten. Maar ook zij hebben niet de draagkracht om alle informatie over armoede te verschaffen. We hebben meerdere methodes nodig om kennis te vergaren over de leefwereld van de armen.”

In de historische beschrijving van het armoedebeleid die Dierckx maakt, valt het op hoezeer beleidsmakers verplicht zijn om trends te volgen en dus vaak beleid te maken dat (lang) na de feiten komt. Staat ons hetzelfde te wachten met de vergrijzing? Weten we vandaag al of het toegenomen armoederisico in de steeds groter wordende groep ouderen problemen zal opleveren? Danielle Dierckx bevestigt het bestaan van dit risico. Er speelt echter nog een ander tekort in ons nadeel. “Ik heb mijn onderzoek laten beginnen eind jaren zestig. In die gouden jaren was er behoorlijk wat aandacht voor de burgers aan wie de vooruitgang en de koopkrachtstijging voorbijging. Ze werden heel toepasselijk ‘de vergetenen’ genoemd. Armoede werd toen vooral geïnterpreteerd als inkomensprobleem. Die interpretatie is ook vandaag nog populair, terwijl ze volstrekt tekortschiet om de multiaspectuele dimensie van armoede te vatten. Mede daarom hebben we te weinig wetenschappelijke gegevens over bijvoorbeeld de manier waarop armoede wordt ervaren: het verband met huisvesting, vereenzaming, sociale relaties. En net die veelzijdige kennis zal nodig zijn om nieuwe armoederisico’s bij ouderen correct in te schatten.”

Ook de afgelopen maanden waren er weer tal van indicatoren die een toename van de inkomensarmoede meldden, wat spectaculaire berichten opleverde in de media. “Maar als je je blindstaart op die metingen mis je essentiële informatie,” zegt Danielle Dierckx. Ze schreef over dit fenomeen een artikel samen met Jan Vranken dat in Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2006 is gepubliceerd. Als je op basis van de Europese maatstaf de inkomensongelijkheid in België meet, krijg je de afgelopen vijftien jaar geen spectaculaire schommelingen. Er is niet meteen sprake van een toename van het aantal armen. En ook een vergelijking van het aantal steuntrekkers laat geen ‘schokkende conclusies’ toe. Wel stijgt de inkomensongelijkheid en is de nadruk op inkomen als bepalende armoedefactor verschoven naar arbeid. Al wie niet bijdraagt aan de samenleving wordt ‘geactiveerd’. Ook in die activeringsdrang is er redelijkheid te bespeuren. Dierckx: “In een integratiecontract dat je afsluit met een OCMW gelden taallessen bijvoorbeeld als activering. Het gaat niet meer uitsluitend om het aantal sollicitaties. Zo’n beslissing getuigt van realiteitszin.”


Harold Polis

Informatie:

Danielle Dierckx, Tussen armoedebeleid en beleidsarmoede. Een retrospectieve en interventiegerichte analyse van de Vlaamse beleidspraktijk, Acco, 2007, 512 p. ISBN 9789033465833

Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2006, Acco, 2006, 492 p. ISBN 9789033463129

(Deze tekst verscheen in het oktobernummer van Weliswaar.)

zaterdag 27 oktober 2007

Bezoek België voor het te laat is (deel 2)



‘België is een klein land
Ook wat zijn oppervlakte betreft
Het wordt elke dag kleiner steeds maar kleiner.
Bezoek België voor het te laat is.
België is kleiner dan je denkt.’
Paul Snoek

Na de Belgische federale verkiezingen van 10 juni werd onbestuurbaarheid als tijdelijke oplossing aanvaard door alle partijen. Oude communautaire pacificatietechnieken weigerden dienst. Hysterie kreeg ruim baan. ‘De Vlamingen’ stonden tegenover ‘de Walen’. Taal, cultuur en etnie vielen weer gezellig samen. En voor het eerst in ruim een halve eeuw werd de Kroonraad samengeroepen. Om alle schijnbewegingen, pokerspelletjes en scheldpartijen te kunnen doorgronden, was een diploma hogere Belgiëkunde nodig (en een telelens). Geen wonder dat sommige buitenlandse correspondenten de rol losten en nog slechts van één sensationele nieuwsflash droomden: België barst. Onder meer The Economist en Le Nouvel Observateur sloegen eind augustus de plank mis. Nadat De Telegraaf een dolkomische petitie had gelanceerd om Vlaanderen bij Nederland te krijgen en nadat de promotoren van ‘romp-België’ (het land minus het Vlaamse gewest) vruchteloos aanstuurden op een fusie met het groothertogdom Luxemburg (eerste minister Juncker kon zich hier niet snel genoeg van distantiëren), was het de beurt aan de rattachisten onder ons. In Le Figaro van 3 september legde Alexandre Adler een Franse claim op België. ‘Nos compatriotes d’outre-Quiévrain’, zoals het koosnaampje van Franstalige Belgen luidt, waren al van Frankrijk – al was het maar omdat ze niet Luik, maar het onooglijke Namen als hoofdstad hadden gekozen. Nu de Vlamingen nog. Volgens Adler had de Franse diplomatie er te lang naar gestreefd om Vlaanderen binnen België te houden, want een onafhankelijk Vlaanderen zal qua francofilie zijns gelijke niet kennen in Europa.

Te midden van al die onnozelheden is er één zekerheid: de Belgische federatie en haar inwoners zijn op zichzelf aangewezen. Het land heeft nood aan een hernieuwde federale solidariteit, een communautaire entente en een staatshervorming die de federale competenties voorgoed vastlegt. Hoewel de zetelverdeling in het parlement een afgetekende roomsblauwe meerderheid mogelijk maakte, verzandden de slecht voorbereide coalitiebesprekingen in communautair geknoei. Het kartel CD&V-NVA leverde met Leterme een winnaar met 800.000 Vlaamse voorkeurstemmen. Een verrassende toekomstvisie of een fundamentele herdenking van de financiering van de overheid lagen echter niet aan de grondslag van deze zege. CD&V-NVA heeft drie verkiezingen na elkaar geleerd te strijden voor de macht, onder meer door op uitmuntende wijze het paarse beleid zwart te maken. Het hoogtepunt was de beenveeg waarmee Leterme zijn opponent Verhofstadt tijdens het VTM-kopstukkendebat onderuithaalde: “Wie gelooft Guy Verhofstadt nog, wie gelooft de VLD nog?” De gretigheid en het krediet waarmee Leterme aan zijn rol van volkstribuun begon, volstonden echter niet om meteen gelijk te krijgen bij de coalitievorming.

Even opmerkelijk was de analyse die de SP.a van de eigen verkiezingsnederlaag maakte. Wat ging fout? werd geschreven door, onder anderen, Koen Pelleriaux, adviseur van Johan Vande Lanotte. Een eenduidige verklaring van de socialistische afstraffing geeft de analyse niet. In de beschrijving van de voor de SP.a ongunstige context klinkt wel de grondthese door die socioloog Pelleriaux vijf jaar tevoren verwoordde in Demotie en burgerschap. De culturele constructie van ongelijkheid in de kennismaatschappij: de oude sociaal-economische kloof is ethisch-cultureel geworden. Hoger- en lageropgeleiden verstaan elkaar niet meer. Niet de afkomst, maar de scholing bepaalt de ongelijkheid. Pelleriaux was ten tijde van Demotie en burgerschap eerder somber wat de uitkomst van dit nieuwe maatschappelijke conflict betrof. Vooral omdat de samenleving nog geen aangepast pacificatiemodel had gevonden. Wel zag hij voor de toenmalige SP kansen om de ethisch-culturele kloof te overbruggen, omdat het electoraat van de partij zich aan weerszijden van de nieuwe maatschappelijke breuklijn bevond. Wat ging fout? bevestigt het einde van die droom: “De maatschappelijke evoluties en de veranderende samenleving zetten socialistische partijen steeds meer onder druk. […] Het lijkt steeds moeilijker te worden om een brug te slaan tussen de verschillende kiezersgroepen.”

Het succes van CD&V/NVA en de opdoffer voor de SP.a zijn twee kanten van dezelfde medaille. De Britse socioloog Richard Sennett zou er een klassiek voorbeeld van ‘het politieke platform’ in herkennen, een concept dat hij uitwerkt in zijn zijn essaybundel De cultuur van het nieuwe kapitalisme. ‘Het VW-platform is een gewoon chassis waarvan kleine materiële verschillen in waarde worden opgeblazen tot merken,’ schrijft hij. ‘Moderne politiek heeft een vergelijkbare vorm, die we gewoonlijk consensuspolitiek noemen.’ De programma’s van democratische partijen in West-Europa komen in grote lijnen met elkaar overeen. Iedereen wil gunstige economische omstandigheden creëren zodat de thuismarkt aansluiting kan vinden bij de globalisering. In de rol van de staat ontdekt Sennett een veel belangrijker gemeenschappelijk kenmerk van de Westerse politieke bewegingen: ‘De staat blijft in sterke mate sturen en wordt bepaald niet zwakker.’ Macht en autoriteit groeien echter uit elkaar, wat voordelig is voor administraties die almaar krachtiger worden en steeds minder verantwoording dienen af te leggen aan de burgers. Die stille bureaucratische revolutie volgt de ontwikkelingen in het bedrijfsleven en in de haute finance, waar beslissingen tot stand komen volgens onschendbare protocollen die de maatschappelijke of ecologische kosten doorschuiven naar de individuele consument.

De recente Amerikaanse kredietcrisis is het meest cynische voorbeeld van de kloof tussen macht en autoriteit. In juli alleen al werden de huizen van ruim 180.000 Amerikaanse gezinnen in beslag genomen. De afgelopen jaren werd het geld zo goedkoop gemaakt dat zelfs insolvabele consumenten een lening kregen. Die risicovolle leningen werden herverpakt en verdeeld onder de spelers van het globale financiële conglomeraat. Dit zorgde ervoor dat eind augustus ook de liquiditeit van enkele Europese banken bijna was opgedroogd. Om de paniekreactie te bezweren maakten overheidsinstellingen zoals de Amerikaanse Federal Reserve en staatslui zoals de Franse president Sarkozy het publiek wijs dat monetaire interventies de crisis zouden oplossen. De Europese Centrale Bank oogt beïnvloedbaar door de politiek omdat er geen politieke unie bestaat en omdat de Europese federalistische idee is opgeborgen. Sarkozy, zelf een koele minnaar van het federalistische gedachtegoed, zag er dan ook geen graten in om te eisen dat de ECB de rente zou verlagen. Een hogere rente is immers een probleem voor landen die niet ascetisch budgetteren, met een moeilijke schuldbalans leven of electorale beloften moeten financieren. Frankrijk past zonder meer in die beschrijving, maar België nog meer.

Als er in Europa iets werkt, dan wel de markt en de munt. De stabiliteit die de euro ons biedt, heeft er mee voor gezorgd dat de coalitievorming van de federale regering kon worden opgefleurd met tijdverlies en communautair borstgeroffel. Zonder Europa was België de afgelopen zomer een speelbal van speculanten geweest. De euro nam de ‘moral hazard’ weg bij de onderhandelaars op Hertoginnedal, nota bene de plek waar in 1956 onderhandelingen werden gevoerd die tot de ondertekening van de Verdragen van Rome zouden leiden. Het gebrek aan urgentie verlaagde de inzet van de formatiegesprekken en maakte de behandelde thema’s allengs vluchtiger en meer symbolisch. De notariële methode die formateur Yves Leterme volgde tijdens de besprekingen paste eigenlijk perfect bij die wat morose manier van politiek bedrijven. In De kracht van de mensen/La force des gens brachten de formateur en zijn ploeg een aantal zeer terechte maatschappelijke en economische inzichten samen, die echter niet tot een plan leidden. Wie op voortschrijdend inzicht had gehoopt, kwam bedrogen uit. Begin augustus lekte er een nieuwe versie van de nota uit, een fors geredigeerd worddocument dat zo vol glossen stond dat het meer op een palimpsest leek dan op de blauwdruk van een regeerakkoord. Uiteraard is die veelstemmige chaos het wezen van elke onderhandeling, maar in dit ene geval bleek de onafheid van het document een symptoom van een schrikbarend ziektebeeld: de coalitiebespreking zat muurvast. De indruk ontstond dat er in het kasteel van Hertoginnedal bureaucraten zaten en geen politici die popelden om de kunst van het mogelijke te beoefenen.

Het toekomstige landsbestuur zit met forse dossiers: de vergrijzing, de financiering van de pensioenen en de noodzaak om de doelstellingen van het Generatiepact fors te overstijgen. Om van de pacificatie van maatschappelijke tegenstellingen nog te zwijgen. Het communautair herverkavelen van de macht volstaat niet als antwoord op die uitdagingen. Sociaal-economisch stond de oranjeblauwe partijen voldoende dicht bij elkaar. Het behoud van de welvaartstaat lag zowel MR, CD&V/NVA, Open VLD als CDH na aan het hart. In tegenstelling tot twintig jaar geleden heeft een Europese lidstaat echter minder mogelijkheden om de welvaart rechtstreeks te verdedigen of te bevorderen. Ooit vormden fiscale en monetaire maatregelen het geliefkoosde wapen. We hebben dat wapen ingeleverd bij de Europese Unie die een succesvolle vorm van grensoverschrijdend protectionisme organiseert. De EU heeft in ruil geen duidelijk afgelijnd politiek of maatschappelijk project te bieden, hoogstens een cultureel. Het gevolg hiervan is dat de door Richard Sennett beschreven kloof tussen macht en autoriteit enorme proporties aanneemt en de nationale politieke systemen verzwakt. Het delicate politieke evenwicht in België lijdt er in elk geval onder. Devaluatie van de nationale politiek? De federale reorganisatie getuigt vanaf de Sint-Michielsakkoorden van dezelfde vervreemdende improvisatie als de uitbreiding van de EU. In La libre Belgique (8 september) schreef socioloog Felice Dassetto (UCL) hierover: “Les fédéralistes qui souhaiteraient penser la Belgique autrement que comme un ‘.be’ d’indivision devraient aussi tenir compte du fait que le fédéralisme est une construction. Comme le sont toutes entités politiques, qu’elles soient flamande, wallonne, catalane, française, autrichienne ou autre encore. Toutes résultent d’une tension entre une réalité commune déjà-là et un projet à venir qui construit à son tour une réalité qui est là. Rien n’est donné comme naturel et rien ne s’invente de rien. Tout se construit.”

Nogal wat spelers geven een steile interpretatie aan de constructie van ‘de politieke gemeenschap’. Naar aanleiding van de federale verkiezingen hebben haast alle partijen radicalere communautaire standpunten ingenomen. Ook die ontwikkeling past in de diagnose van Richard Sennett. Naarmate de consensuspolitiek breder wordt verspreid, neemt de drang toe om symbolen op te blazen. Kiezers worden geprikkeld door verschillen. Dus trachten politieke partijen details te vergulden in de hoop de aandacht van het publiek te trekken. Die politieke marketing gaat volgens Sennett hand in hand met “de onstuitbare obsessie van pers en publiek met afzonderlijke eigenschappen van politici”. Die collectieve bewustzijnsvernauwing doet de mensen vergeten hoe alomtegenwoordig de consensuspolitiek wel niet is. In het opbod voor, tijdens en na de verkiezingscampagne zaten de politieke partijen van beide taalgroepen opgesloten in hun kamp. De enige manier om zich te onderscheiden was nog harder dan voordien roepen, een olympische beginselvastheid verkondigen of heel intens zichzelf zijn. Daarom wordt er geen ruzie gemaakt over de toenemende armoede in Brussel, maar wel over de splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, de ultieme prikkel in de Belgische conflictdynamiek. En het Vlaams parlement heeft zijn fameuze resoluties al in 1999 eenzijdig gestemd. Je moet echt in de buitenbaan lopen om nog op te vallen. Dialoog is een vies woord. Federalisme wordt gelijkgeschakeld met la Belgique de papa.

Over de Vlaamse sociaal-economische marsrichting is er bij zakennationalisten een consensus: eerst de Walen en Brusselaars afschrijven, en dan de Vlamingen harder, langer en met meer toegevoegde waarde laten werken om de groei veilig te stellen. Werkgeversorganisaties zoals Voka en Unizo stellen zich in deze discussie bijna corporatistisch op. Beide mannen verkiezen ook een staatshervorming boven het landsbestuur. Uit het gezamenlijke interview dat Philippe Muyters (gedelegeerd bestuurder van Vlaams Netwerk van Ondernemingen) en Karel Van Eetvelt (gedelegeerd bestuurder van de Unie van Zelfstandige Ondernemers) gaven aan Knack (12 september) blijkt een enorme heimwee naar de tijd dat drukkingsgroepen de macht van de verkozenen des volks overvleugelden.

Muyters geeft een voluntaristische invulling aan de staatshervorming: “Er moeten dringend maatregelen worden genomen. De werkgelegenheidsgraad bijvoorbeeld moet omhoog en de overheid moet efficiënter werken.” De achterliggende boodschap van die uitspraak is dat Brusselaars en Walen stilstand verkiezen en Vlaanderen afremmen. Het is maar hoe je het bekijkt. Iemand als Jean-Yves Huwart, journalist bij Trends/Tendances, gaat in zijn analyse van de malaise en de uitdagingen van Wallonië zeer ver. Huwart verdedigt zeer aannemelijke en genuanceerde inzichten in zijn boek Le second déclin de la Wallonie. Het is opzienbarend dat de Vlaamse publieke opinie haast kritiekloos het waanbeeld aanvaard dat Wallonië en Brussel uitsluitend worden bevolkt door cultuurimperialisten die elk jaar een gratis auto krijgen van een Vlaams gezin, op kosten van de ziekenkas leven en de natuurlijke ontplooiing van het Vlaamse volk in de weg staan. De potsierlijke escalatie van bitterheden en verwijten heeft er intussen voor gezorgd dat de al dan niet subtiele anti-Franstalige propaganda is overgenomen als een mainstream strandpunt. Huwart mag dus nog zo intelligent over de Waalse problemen schrijven, we hebben besloten doof te blijven voor verhalen die een bepaald Vlaamse gelijk niet klakkeloos bevestigen. En we doen alsof Brussel niet meer bestaat.

Regionalisten wijzen sinds mensenheugenis op de weldaden van het Europa van de regio’s. De waarheid is echter dat de Europese Unie na de dramatische referenda in Frankrijk en Nederland en na de overhaaste uitbreiding van de afgelopen jaren meer dan ooit dienst doet als slagveld van nationale belangen. Een onafhankelijk Vlaanderen zou in die constructie nog vele malen minder meetellen dan de Belgische federatie. De hardnekkigheid waarmee sommigen de splitsing van het land bepleiten heeft evenveel met kleinburgerlijk defaitisme te maken als met ideologische doelstellingen. Politiek kan nooit de individuele verantwoordelijkheden van de burgers opheffen en problemen oplossen die we zelf, ieder voor zich of in groep, moeten aanpakken. Het onvermogen om de tragische onvolmaaktheid van het leven in het reine te komen is echter net een van de hedendaagse West-Europese kwalen: migratie en globalisering halen elke zekerheid onderuit. Het ruim een eeuw geleden door Miguel De Unamuno beschreven ‘tragische levensgevoel’ blijft een van de bronnen van het nationalisme dat – en dit geldt zeker voor het Vlaams Belang en voor het ‘civiele nationalisme’ van de NVA – in de onafhankelijkheid de verlossing ziet van de aan het maatschappelijke leven inherente aporieën. Bij sommige Vlaamsnationalisten komt daar nog een diepe, irrationele haat tegen Belgische staat bij, haat die niet zelden wordt beleefd als een monumentale haatcultuur, met symbolen, rituelen en feestdagen. Een van de meer vindingrijke haters is Geert Bourgeois, de Izegemse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme. Hij presteert het bijvoorbeeld om de historische schuld van het kolonialisme ten laste te leggen van ‘de Franstalige elites’. Nederlandstaligen hebben, zo schrijft Bourgeois op zijn weblog, uitsluitend goede werken verricht in de voormalige kolonie, wat meteen de reden is waarom Congolozen nog steeds de Vlamingen verkiezen boven ‘het officiële België en andere Franstalige instanties’. Nog even en de ‘Nederlandstalige Midden-Afrikaanse culturele ruimte’ van pater Arthur Verthé herrijst na een halve eeuw uit haar as. Als ingenieur van de geest huldigt Bourgeois het gekende adagium dominer pour servir. Negers, Belgen, Franstaligen of onzuivere Vlamingen, het lijkt toch één pot nat. Nog even en de geest van Frantz Fanon wordt aanroepen. Peau flamand, masques belges…

Sennetts consensuspolitiek bestaat echt. Het zijn de richtinggevende thema’s zoals welvaart, groei, vergrijzing en migratie die ons allen bezighouden, los van moedertaal, afkomst of politieke gezindheid. De georganiseerde stammentwist die pas na de federale verkiezingen in volle hevigheid is losgebarsten toont alleszins aan hoe belangrijk het is om het individu niet op te sluiten in de homogene volksgemeenschap, een constructie die door discriminatie en sofismen wordt geschraagd. Alleen redelijkheid, respect en dialoog kunnen voor vrijheid en vooruitgang zorgen in een samenleving die op middellange termijn alleen maar veelkleuriger, complexer en meertaliger wordt. En wat de uitkomst van de richtinggevende thema’s van de consensuspolitiek betreft, daar zullen we net als de rest van Europa het hoofd op moeten breken. De wonderoplossing is tot op heden niet gevonden.

Harold Polis


Bibliografie

Richard Sennett, De cultuur van het nieuwe kapitalisme, J.M. Meulenhoff, Amsterdam, 2007.
Jean-Yves Huwart, Le second déclin de la Wallonie, Racine, 2007.
Wat ging fout? Analyserapport over het resultaat van sp.a-spirit op 10 juni 2007 kan je volledig downloaden.
Koen Pelleriaux, Demotie en burgerschap : de culturele constructie van ongelijkheid in de kennismaatschappij, Brussel, VUBpress, 2001.


(Deze tekst is afgesloten op 15 september en verscheen in het oktobernummer van het tijdschrift Streven.)

donderdag 25 oktober 2007

Deurwaarder van de duivel



JMH Berckmans en zijn verbeurdverklaringen

De beroemdste deurwaarder uit de Nederlandstalige literatuur is de genaamde Dreverhaven uit Karakter (1938) van F. Bordewijk. Geen groter bruut dan Dreverhaven. Hij laat zijn bastaardzoon Katadreuffe failliet gaan. De zoon zoekt de confrontatie met de vader, tot bloedens toe. Uiteindelijk pleegt de deurwaarder zelfmoord. Dreverhaven is het ruwe Rotterdam van het interbellum. ‘Hij leek een als mens verkleed monster, een vergrijsde gorilla.’ Als advocaat kreeg Bordewijk die verhalen uit eerste hand. Zijn beste werk is doordesemd van een misselijkmakende zakelijkheid die nog steeds tot diep ademhalen noopt. De moderne wereld die Bordewijk ensceneert, draait op mannen die vooruit willen. Melancholie is ingeruild voor plicht en drang. Wij doen het vandaag graag andersom. Mede daarom is plechtstatigheid van Bordewijk moeilijk leesbaar en speelt zijn werk zich af in een onherkenbaar verleden.

Gelukkig hebben we de Vlaamse schrijver JMH Berckmans, beoefenaar bij uitstek van de hedendaagse zakelijkheid die eerder neurotisch aandoet en, naar het woord van socioloog Zygmunt Bauman, ‘vloeibaar’ is. Het geruststellende centrum is verdwenen, de spelling, de verhaallijn, de carrière en de frietkoten. Met verlies als leidraad heeft Berckmans het personage van de deurwaarder nieuw leven in geblazen. In tegenstelling tot zijn Haagse collega is hij zelf het slachtoffer geweest van gerechtsdeurwaarders. Een van de bewijsstukken staat afgebeeld bij deze tekst: de aankondiging dat Berckmans’ inboedel is weggesleept en te koop wordt aangeboden in een roepzaal aan de Antwerpse Vrijdagmarkt. De genaamde Brackeva is en van de leden van het kantoor van gerechtdeurwaarders dat de transactie begeleid. Vader en zoon Brackeva kregen prompt een plaats in Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace (2000). ‘Sjmitten en brakevas komen onverwacht, vaak als pikkedieven in het holst van de nacht. Dan moet ge met een inoxydabele spekpan hun schedeldak vermorzelen en tot gruis vergruizelen, exit Sjmitten en brakevas.’

In ons juridische systeem is het de gerechtsdeurwaarder die de kwade mare brengt. Hij betekent de exploten en legt vonnissen ten uitvoer. Tot voor kort kwam hij tijdens de fameuze ‘echtscheiding op grond van fout’ vaststellen wie er naast je in bed lag om zes uur ’s ochtends. De rechter wikt en de gerechtsdeurwaarder beschikt. Zo is het ook gegaan bij JMH Berckmans die tijdens een periode van aanhoudende insolvabiliteit op menig bezoek van de heren Brackeva mocht rekenen. ‘Bij het begin van mijn schuldenberg moet je vanaf het begin voetje voor voetje, zo hoog is hij, bij het afdalen van de finansjele put die ik heb gedolven, heb je alle touwen nodig van het winkeltje aan de Mechelse poort.’ Er zijn weinig schrijvers die, ondanks hun schaarse middelen, zoveel over geld hebben geschreven als Berckmans. Hij is en blijft de in fiscaal opzicht meest beproefde Nederlandstalige schrijver van zijn generatie. Niemand is zo vaak beboet, bestraft, onderzocht en beoordeeld. En wellicht heeft zowat elke vaderlandse administratie de afgelopen jaren een vuistdik dossier ‘JMH Berckmans’ aangelegd.

Het romantische cliché van de corrumperende commercie wil dat de literatuur in onmin leeft het geld. Niets is minder waar, getuige het terechte pleidooi van Jeroen Brouwers om meer geld te krijgen bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren. Wel klopt het dat er altijd nog een groeimarge is voor fiscale optimalisatie en boekhoudkundige acribie. Niet iedereen kan zoals de Franse godenzoon Bernard-Henry Lévy beschikken over een familiepatrimonium van talrijke miljoenen. De vader van Lévy importeerde op grote schaal tropisch hardhout. Zijn vennootschap werd in 1997 overgenomen door de zakenmagnaat François Pinault – die via de groep Pinault-Printemps-Redoute ook Fnac controleert. Dat is dus in harde cash gemeten een heel eind verwijderd van de positie die JMH Berckmans bekleedt.
Nochtans heeft Berckmans in de loop der jaren een bijzonder accurate beschrijving gegeven van de economische wetmatigheden waaraan de moderne mens is onderworpen. Bijna alle teksten van Berckmans behandelen het overleven als een concept dat van opsmuk en onnodige beslommeringen is ontdaan. Na Ontbijt in het vilbeluik (1997) heeft de auteur zelfs enige tijd een hoogsteigen munteenheid gehanteerd om transacties te doen: de terneis. ‘Terneis en appelspijs doen denk ik de wereld draaien. […] Als ge geen Terneis hebt moet ge nolens volens naar de Aldi gaan en daar ligt het hele spullement natuurlijk vol maar het is vanzelfsprekend allemaal brol.’ Zoals er een bankier van God was, is er een deurwaarder van de duivel. In het ondermaanse is alles om niet. Bewegingen en beweringen maken deel uit van een zero sum game. Om greep te krijgen op de omstandigheden heeft het geen zin om psychologie te bedrijven en materialistische dromen te koesteren. Alleen noteren, inventariseren, bezweren helpt. Je hebt dus niet Roberto Calvi van de Banco Ambrosiano nodig, maar JMH Berckmans uit Leopoldsburg. Hij hanteert daarbij dezelfde methode waarmee gerechtsdeurwaarders zijn bezittingen verbeurd verklaren. Je hebt schrijvers die vertellen en schrijvers die zeggen. Berckmans zegt met grote stelligheid hoe zijn wereld in elkaar zit. Meer nog, hij betekent het exploot waarmee die wereld wordt geconfisceerd, verdeeld en verkocht. Dura lex, sed lex. Een gerechtsdeurwaarder kan overigens nooit een opdracht weigeren. Dat geldt ook voor JMH Berckmans. Het eeuwige schrijven. Berckmans stelt vast. Hij betrapt zijn personages op heterdaad. Niemand is in staat om zich een houding te geven of excuses te verzinnen. Vandaar ook dat Berckmans’ volstrekt unieke personages vaak associatieve bijnamen dragen. Je trekt de deur van een willekeurige huiskamer open en wat zie je dan: Camilla de Gorilla, Peternel Snottebel, Videozap, Baba Malade, Anakwaboe, Kromsky, Pafke, Kernwinkel, Sus Van Waltery, Thelonius Hond, Ilja Iljitsj Marikk’n, Paf de Pierennaaier, Maks Motseklet, Spannadra, Hannes Kolemainen, Oespeluitinkuip of Kapetoest. Berckmans komt daarmee dicht in de buurt van de naamfetisjist Bordewijk die boeken schreef over personages als Peert, Kiekertak, Bolmikolke, Klotterbooke, Taas Daamde, Whimpysinger, De Moraatz, Van der Karbargenbok, Surdie, Stroomkoning, Te George, Rentenstein, De Gankelaar, Glüschaint, Tannenhof, Tekalopte of Ypsilinti.
Er zijn nog verontrustende waarheden. Zoals het Vlaams parlement dat frauduleuze ministers feliciteert en toejuicht. De openbare omroep die ons op onze kosten toespreekt als halvegare onnozelaars. De steeds breder wordende kloof tussen arm en rijk. Vijf minuten politieke moed. En het feit dat een schrijver als JMH Berckmans nog nooit een literaire prijs van belang heeft gewonnen. Vele misstanden stemmen tot droefheid, maar die laatste toch zeker ook.

Harold Polis

(Verschenen in De Morgen van 17 oktober 2007.)

zaterdag 20 oktober 2007

België: het volgende hoofdstuk



Twintig jaar lang heeft Vlaanderen zich blindgestaard op het ‘vreemdelingenprobleem’. Een hele generatie heeft carrière gemaakt op kosten van een maatschappelijk thema. Het maakte weinig verschil of je nu vond dat het eigen volk eerst moest komen of dat je al dansend op N'ssi, N'ssi van Cheb Khaled een bijdrage dacht te leveren aan een verdraagzame samenleving. Het nettoresultaat van beide houdingen is van een ontnuchterende futiliteit. Vele Belgen van allochtone origine kampen, zeker ook in Vlaanderen, nog steeds met een onaanvaardbare economische en sociale achterstand. Van een rationele discussie over een toekomstgericht migratiebeleid is vandaag geen sprake. Als de grenzen op slot gaan en de grijze demografische vooruitzichten onveranderd blijven, dan komt België in 2050 ruim 984.000 arbeidskrachten te kort om de bezetting van de huidige arbeidsmarkt op peil te houden. 984.000. Dit homerische cijfer staat in Mind the gap, een recente studie over de toekomstige Europese arbeidsmarkt, die in opdracht van Randstad werd geschreven.
Noch de vergrijzing, noch het migratiebeleid, noch Europa kwamen aan bod tijdens de campagne voor de Belgische federale verkiezingen. Nochtans komt nu de federale regering van de laatste kans aan de macht. In 2010 scheurt de voorhang van de tempel, zo wordt het al jaren voorspeld, slaat de vergrijzing toe, en moeten we ons tevreden stellen met een blauwe kiel en aardappelen met ajuinsaus. Via een communautaire omweg kreeg de vergrijzing toch een plek: de splitsing van het werkgelegenheidsbeleid. De fameuze Lissabonnorm stelt dat Europese economieën tegen 2010 een activeringsgraad van 70% moeten halen. In Vlaanderen schommelt de activeringsgraad momenteel rond de 65%, in Wallonië rond de 58%. In de opgefokte communautaire sfeer klonk dit als: ‘We moeten van die Walen af!’ Waarop de verkramping onder de Franstaligen totaal was.
Vandaag hebben ‘de Walen’ de rol van ‘de allochtonen’ overgenomen in het Vlaamse populisme. ‘Federalist’ is een scheldwoord geworden, nog erger dan ‘Belg’. Separatisme en confederalisme gaan met opzet gehuld in een flou artistique. Populistische retoriek vierde dan ook hoogtij tijdens de campagne. In de loop van het voorjaar hadden Le Soir, De Morgen, De Standaard en La Libre Belgique in gemeenschappelijke artikelenreeksen en peilingen een ernstige poging ondernomen om het wederzijdse vijandbeeld tot ware proporties terug te brengen. Dat was hoopvol. De audiovisuele campagne ging echter ten onder aan eenzijdigheid. Als de rol van de pers die van tegenmacht is, dan heeft de staatsomroep gefaald. ‘Hervormen in deze is de scheiding voorbereiden,’ schreef campagneanker Siegfried Bracke in de laatste dagen van de campagne op de blog van de VRT-nieuwsdienst. ‘Erg? Vind ik niet, nee. Ook ik ben feitelijk separatist.’ Het was geen toeval dat er pas na 10 juni Franstaligen aan het woord kwamen bij de VRT. Nee, dan Didier Reynders. De MR-baas beschuldigde de RTBF ronduit van (socialistische) partijpolitieke spelletjes. Een verwijt dat ook luid weerklonk na de fake RTBF-reportage Bye bye Belgium.
Even opvallend was de agressie van de politieke sleutelfiguren. De MR enerzijds en de PS en CDH anderzijds gooiden met modder naar elkaar. De wederzijdse afkeer van Verhofstadt en Leterme maakt hen ongeschikt voor male bonding. ‘Ce qui me frappe le plus,’ zei Vincent de Coorebyter, directeur van het Crisp, in La Libre Belgique van 7 juni, ‘c’est la coexistence de cette virulence dans la campagne et d’une convergence, tout à fait inédite, des programmes.’ De uitslag van 10 juni leverde een zelden geziene versnippering van het politieke landschap op, met partijen die op inhoudelijk vlak vaak moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn.
Pas toen de tv-debatten begonnen, kreeg de federale campagne enig animo. Die laatste weken voor 10 juni waren vooral een oefening in mannetjesmakerij. De zendtijd die de staatszender vrijmaakte voor de campagne was indrukwekkend en stond niet in verhouding tot het resultaat. Wie naar tegensprekelijke debatten zocht, kreeg inspiratieloze overhoringen (zoals het met veel bombarie aangekondigde ‘groot debat’), halve scheldpartijen of gewoonweg onzin. Het dieptepunt viel tijdens de laatste campagneweek toen de dochter van Vera Dua (Groen!) minutenlang werd uitgehoord over de grootouderwens van haar moeder. De eer van het interessantste debat komt ironisch genoeg Kanaal Z toe. Op die nichezender voerden Johan Vande Lanotte, Guy Verhofstadt en Yves Leterme op 9 juni een technisch, maar revelerend debat over werk, financiën en sociale zekerheid. Ook de RTBF bood soelaas met politieke portretten van een preconciliaire lengte waarin antwoorden langer mochten zijn dan tien seconden.
De federale verkiezingen hebben een schok door de Belgische staat gejaagd. Nogal wat commentatoren ontdekten in de verkiezingsuitslag het bewijs dat de Vlaming een communautaire stem heeft uitgebracht. Partijen die zich geen uitsproken Vlaams profiel hebben aangemeten, zouden daarvoor zijn afgestraft. Volgens die redenering zou de SP.a/Spirit de zwakste score in jaren hebben neergezet omdat ex-voorzitter Johan Vande Lanotte bijvoorbeeld begin dit jaar heeft verklaard dat de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde een probleem van de Franstaligen is. Om aanspraak te maken op stemmenwinst had Vande Lanotte de mantra moeten afratelen dat die splitsing niet meer dan vijf minuten politieke moed vergde. Dat de Vlamingen de kieskring konden splitsen zonder overleg met de Franstalige landgenoten. In tegenstelling tot nogal wat van zijn collega’s vertolkte Vande Lanotte de ratio – of beter, de professorale ratio, het gelijk van de docent – en liet hij het niet na om erop te wijzen dat in België, net als in om het even welk geciviliseerd land, institutionele afspraken worden gemaakt met alle betrokken partners.
Bovendien heeft in België alles een prijs. Eenvoudige politieke waarheden bestaan hier niet. Uit een onderzoek van VUB-professor Jo Buelens dat enkele dagen na de verkiezingen openbaar werd gemaakt, bleek dat het aantal Vlaamse zetels zou dalen bij een splitsing van de huidige kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. In Brussel zou er geen enkele Vlaamse kandidaat zijn verkozen. De simulatie van Buelens stuitte op heftige kritiek van de burgemeester van Gooik, Michel Doomst (CD&V). Nochtans hadden vier Vlaamse éminences grises van de Brusselse politiek eind april gewezen op het gevaar van een ‘verticale’ splitsing met aparte lijsten voor Brussel en Vlaams-Brabant. Hugo Weckx, Annemie Neyts, Lydia Deveen en Vic Anciaux waarschuwden in hun Brusselnota voor ondoordachte institutionele beslissingen.
Brussel-Halle-Vilvoorde, BHV voor de vrienden, is uitgegroeid tot een symbooldossier dat moeiteloos de vergelijking kan doorstaan met het Voerense circus uit de jaren tachtig. Er wordt veel geroepen, gevlagd en geklauwd in BHV, maar vooralsnog blijft een definitieve oplossing uit. Naar aanleiding van de regionale verkiezingen van juni 2004 gaf het kartel CD&V/N-VA de splitsing een prominente plek in haar programma. Het kartel zou niet in een Vlaamse regering stappen die de splitsing van BHV niet ‘onverwijld’ tot stand zou brengen. De vermaledijde onverwijlde splitsing werd opgenomen in het Vlaamse regeerakkoord, terwijl de beslissing niet op Vlaams, maar op federaal niveau moet worden genomen. In een veeleer wanhopige poging trachtte de federale regering de splitsing – die dus niet in het federale regeerakkoord stond – met biechtstoelprocedures, onderhandelingen en gesoebat te regelen. Op 10 mei 2005 was er een akkoord dat de verkiezing van de volksvertegenwoordigers splitste, in ruil voor bijkomende bevoegdheden van de Franse Gemeenschap in de Vlaamse rand. Spirit trok er echter te elfder ure de handen van af. Het akkoord viel in het water. De details van de deal waren een ‘kaakslag’. De hyperbolen van Vlaamse verontwaardiging gaven een buitenstaander de indruk dat de Belgen elkaar met zelfmoordaanslagen zouden bedreigen.
Spirit werd als beloning voor die principiële houding zo goed als vernietigd door de kiezer. Op federaal niveau houdt de splinterpartij van de voormalige Volksunie twee senatoren over. Het trieste lot van Spirit toont dat de ‘communautaire stem’ van de Vlaming tijdens de federale verkiezingen veeleer relatief is. Slechts een kleine minderheid van de bevolking begrijpt waar het byzantijnse BHV-dossier echt over gaat en beseft hoe precair de situatie van de Brusselse Vlamingen kan worden. Vandaag genieten ze nog van de 300.000-regel: de Vlaamse Gemeenschap organiseert in Brussel diensten voor een doelpubliek van 300.000 mensen. Maar die grootheden staan uiteraard niet in verhouding tot het nominale gewicht van de Brusselse Vlamingen. En als er straks tijdens een of andere nachtelijke marathononderhandeling een pizza te veel of te weinig wordt besteld, zouden de ketten wel eens geofferd kunnen worden tot nut van het algemeen. Separatisten hebben in elk geval nog nooit zelfs maar het begin van een realistische oplossing aangedragen voor Brussel. Wie een overzicht wil van al die geschifte, onmogelijk en zelfs onmenselijke ‘noodoplossingen’ voor Brussel, moet zeker het artikel ‘Brussels, do you speak-a my language?’ van Dirk Jacobs in de bundel Waar België voor staat lezen.
In Belgique où vas-tu, een interview in boekvorm afgenomen door La Libre Belgique-journalist Christian Laporte, schetst Pierre-Yves Monette de omvang van het BHV-debacle. Ook voor de Franstaligen is de situatie verre van ideaal. Monette ziet drie voorwaarden om uit de huidige communautaire crisis te raken: een waarachtig en herijkt federalisme, federale loyaliteit en een rechtvaardig verdeelde beveiliging van de minderheden in de federatie. Dat laatste punt veronderstelt uiteraard een evenwichtige oplossing voor BHV, ‘le véritable talon d’Achille de la Belgique’. Sommige Vlaamse media hebben zich gespecialiseerd in de karikaturale voorstelling van BHV, waarmee ze vaak kritiekloos extremistische standpunten overnemen. Belgique où vas-tu vormt een ernstig afgewogen standpunt dat een even belangrijke plaats in het debat zou moeten krijgen. Overigens vertrouwt Monette op ieders gezond verstand: ‘C’est précisément parce que les enjeux sont immenses que je pense que la sagesse en l’imagination finiront par s’imposer.’
Monette maakt op omstandige wijze duidelijk wat de grote institutionele uitdaging voor de Franstalige Belgen inhoudt. Walen en Brusselaars moeten voor eens en voor altijd gewest en gemeenschap samenbrengen en een beleidsniveau ontwerpen dat krachtdadig kan besturen. In tegenstelling tot Vlaanderen is het bestuur in Franstalig België uitgesmeerd over het Brusselse Gewest, de Franstalige Gemeenschap en het Waalse Gewest. Drie parlementen, drie machtscentra, drie coalities die gevoed moeten worden, betaald, gehuisvest en voorzien van zinvolle activiteiten. Bijzonder veel Franstaligen zijn dit circus meer dan beu, omdat het systeem volstrekt vierkant draait. Dit zijn de institutionele besognes die ook door Didier Reynders naar voren worden geschoven als ‘primordiaal’. In het door Hervé Hasquin geschreven rapport Vlaanderen. Is er nog een toekomst voor België? vormt die Franstalige institutionele hervorming een belangrijk punt. Deze tekst van het Centre Jean Gol, die enkele weken vóór de verkiezingen in het Frans én in het Nederlands op het net werd gezet, bevat een interpretatie van de Waalse, Brusselse en Belgische politiek die ten enenmale slecht gekend is door de Vlamingen en die, alleszins in de audiovisuele mediadebatten, niet aan bod is gekomen. Ook Franstaligen willen vooruit en ontwaren in de hervorming van hun beleidsniveaus een belangrijke hefboom. Toen Reynders meteen na 10 juni de urgentie van een staatshervorming naar Vlaams model (met overheveling van bevoegdheden naar de gewesten) minder belangrijk achtte, was dat vooral omdat de federatie in dat scenario meer macht zou geven aan de PS. Dit zou het onder meer moeilijker maken om de Franstalige beleidsniveaus te hervormen. Reynders had dus zeker een punt, ware het niet dat hij als meestercynicus de hele kwestie ook ten dienste stelde van het communautaire spel.
11 september was ook voor de Belgische politiek een keerpunt, beweerde Walter Pauli op 9 juni in De Morgen. De aanslagen braken het elan van paars en brachten een grondstroom in beweging die, net als in de rest van de wereld, dreef op angst, onzekerheid en protectionisme. Bovendien beleefde de Belgische politiek na 11 september een aantal ingrijpende schandalen. In 2004 moest oud MR-voorzitter Daniel Ducarme, op dat moment minister-president van het Brusselse Gewest, aftreden wegens belastingfraude. In 2003 werd er een onderzoek in gesteld naar valsheid in geschrifte en het privégebruik van Visakaarten bij de top van de Antwerpse politie. Die Visacrisis breidde zich uit tot de hele stedelijke administratie en verplichtte het Antwerpse schepencollege ontslag te nemen. En tot slot brak in 2005 in Charleroi het schandaal van de huisvestigingsmaatschappij La Carolorégienne los. Terwijl de Visacrisis voor een belangrijk deel (de aangeklaagde schepenen) gevoed werd door desinformatie, massahysterie en poujadisme, blijft het schandaal in Charleroi tot op vandaag met recht en reden de gemoederen beroeren. De almacht van de PS in Wallonië wordt afgebroken net op de plek waar het dienstbetoon, cliëntelisme en sociale misère het sterkst zijn. De rotte plekken van Wallonië saneren, het economische weefsel weer tot leven wekken, ernstig besturen: allemaal uitdagingen die volgens de MR en Reynders alleen mogelijk zijn als de ‘stalinistische macht’ van de PS wordt gebroken. Uiteindelijk wilde ook PS-voorzitter Di Rupo niets anders dan de ‘parvenus’ verwijderen uit zijn partij en goed besturen. Toen hij er echter niet in slaagde die veranderingen snel genoeg door te voeren, werd hij zelf een deel van het probleem. Reynders liet de verkiezingscampagne escaleren tot een scheldpartij tegen de PS en hield daarbij het kompas gericht op de Franse présidentielles waarin zijn zelfgekozen zielsverwant Nicolas Sarkozy de republiek veroverde door ‘le changement’ te prediken – en dat thema van Di Rupo te stelen. De sclerose van de Franse PS heeft wellicht meer te maken met een onevenwichtig programma en een aanzienlijk intern slagveld, maar ook in de door te veel macht verlamde Franstalige Belgische PS zit een grote groep die een doctrinair immobilisme nastreeft en doet alsof Bad Godesberg niet heeft bestaan.
De overwinning van Reynders is eclatant, compenseert het verlies van Open VLD en biedt ook op federaal niveau mogelijkheden, al was het maar omdat liberalen en christendemocraten in sociaaleconomische dossiers toch overeenstemming kunnen bereiken. Zonder de socialisten dus, die op een roomsrode samenwerking hadden gehoopt. Zij moeten de kelk tot de bodem ledigen en het tweede grote partijschandaal op twintig jaar tijd verteren. Nog niet zo heel lang geleden verbaasde iedereen er zich over dat extreemrechts in Franstalig België geen voet aan de grond kreeg. Er leek geen sociologisch plafond te bestaan voor het Vlaams Blok en er was geen enkele politieke opponent die de twijfelachtige erfgenamen van Staf De Clercq de pas kon afsnijden. De PS daarentegen had de Luikse extremisten rond de clan Happart in de partij gebracht en de voedingsbodem voor extreemrechts weggenomen. Bovendien beheerde de PS de sociaaleconomische ellende als een goede huisvader, met als typevoorbeeld de zonder meer heroïsche oud-PS-burgemeester van La Louvière, Willy Taminiaux, iemand die in zeer moeilijke omstandigheden ook op de kleintjes lette. De ‘politique de proximité’ volstaat vandaag niet meer, zeker niet in een klimaat waarin de weerzin tegen de PS, zeker in Vlaanderen, psychotische trekken vertoont.
In Marchienne de Vie, een ontroerende reportage van Olivier Richard uit 1995, is er een memorabele scène waarin Jean-Claude Van Cauwenberghe, de keizer van Charleroi, een volksvergadering voorzit. Hij doet dat met nauwelijks verholen minachting voor de aanwezigen. Ruim tien jaar later, op 11 juni 2007, plaatst Elio Di Rupo de PS-afdeling van Charleroi, en dus Van Cauwenberghe, onder curatele – too little, too late. Op het radionieuws van La Première komt die middag Van Cauwenberghe aan het woord die zich met veel aplomb akkoord verklaart met ‘de beslissing van Brussel’. Later zal ongetwijfeld blijken dat de haast surrealistische hoogmoed van Van Cauwenberghe een van de motorische momenten is geweest van de huidige politieke crisis. ‘Tout homme va toujours au bout de son pouvoir,’ zei François Mitterrand. Van Cau is er ver over gegaan.
De eer komt Yves Leterme toe om de Belgische politiek weer te herleiden tot de kern: de strijd om de macht. Leterme heeft zijn overwinning van 10 juni lang en goed voorbereid, onder meer door de communautaire tegenstellingen meesterlijk te bespelen. Uiteraard heeft hij vorig jaar in La Liberation beweert dat de Franstaligen in de rand niet slim genoeg zijn om Nederlands te leren, maar meestal liet hij het vuile werk over aan de N-VA. Voorzitter Bart De Wever ontpopte zich tot een botte debater die elke ochtend een Franstalige tussen zijn boterham legt en de sentimentaliteit, bijvoorbeeld in zijn publieke relatie met Jean-Marie Dedecker, niet schuwt. Maar zoals Sarkozy ooit verklaarde: ‘La fidelité c’est pour les sentiments, l’efficacité pour le gouvernement.’ Het is zeer de vraag of het neothomistische verstandshuwelijk van de CD&V en de N-VA standhoudt, en of communautaire maagdelijkheid van Bart De Wever bewaard blijft in een langgerekte regeringsonderhandeling. Straks moeten ook De Wever en Leterme de krachtmeting aangaan met BHV, een gebied dat qua symbolische afgrondelijkheid alleen te vergelijken valt met de Hindu Kush in Afghanistan, het gebergte waar zowel de Britse koloniale legers als de Amerikaanse coalitietroepen zich te pletter hebben gelopen. Welke regeling er straks ook getroffen wordt, een gefaseerde staatshervorming of een sociaaleconomisch programma met een institutioneel zoenoffer, niemand zal zijn politieke zuiverheid kunnen handhaven.

Harold Polis

(Dit stuk werd afgesloten op 18 juni.)


Geert Buelens, Jan Goossens en David Van Reybrouck (red.), Waar België voor staat. Een toekomstvisie, Meulenhoff/Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2007.
Pierre-Yves Monette, Belgique où vas-tu. Entretiens avec Christian Laporte, Mardaga, Waver, 2007.
Vlaanderen. Is er nog een toekomst voor België?, Centre Jean Gol, 2007. Te downloaden op http://www.mr.be/Le-Mouvement/Centre-Jean-Gol/index.php
Rudy Aernoudt, Brussel. Het kind van de rekening, Roularta Books, Roeselare, 2007.
De Brusselnota kun je downloaden op
Piet Emmer, Ernst Berkhout en Christan Dustmann, Mind the gap. International Database on Employment, 2007. Te downloaden op: http://www.seo.nl/binaries/publicaties/rapporten/2007/968.pdf