zaterdag 27 oktober 2007

Bezoek België voor het te laat is (deel 2)



‘België is een klein land
Ook wat zijn oppervlakte betreft
Het wordt elke dag kleiner steeds maar kleiner.
Bezoek België voor het te laat is.
België is kleiner dan je denkt.’
Paul Snoek

Na de Belgische federale verkiezingen van 10 juni werd onbestuurbaarheid als tijdelijke oplossing aanvaard door alle partijen. Oude communautaire pacificatietechnieken weigerden dienst. Hysterie kreeg ruim baan. ‘De Vlamingen’ stonden tegenover ‘de Walen’. Taal, cultuur en etnie vielen weer gezellig samen. En voor het eerst in ruim een halve eeuw werd de Kroonraad samengeroepen. Om alle schijnbewegingen, pokerspelletjes en scheldpartijen te kunnen doorgronden, was een diploma hogere Belgiëkunde nodig (en een telelens). Geen wonder dat sommige buitenlandse correspondenten de rol losten en nog slechts van één sensationele nieuwsflash droomden: België barst. Onder meer The Economist en Le Nouvel Observateur sloegen eind augustus de plank mis. Nadat De Telegraaf een dolkomische petitie had gelanceerd om Vlaanderen bij Nederland te krijgen en nadat de promotoren van ‘romp-België’ (het land minus het Vlaamse gewest) vruchteloos aanstuurden op een fusie met het groothertogdom Luxemburg (eerste minister Juncker kon zich hier niet snel genoeg van distantiëren), was het de beurt aan de rattachisten onder ons. In Le Figaro van 3 september legde Alexandre Adler een Franse claim op België. ‘Nos compatriotes d’outre-Quiévrain’, zoals het koosnaampje van Franstalige Belgen luidt, waren al van Frankrijk – al was het maar omdat ze niet Luik, maar het onooglijke Namen als hoofdstad hadden gekozen. Nu de Vlamingen nog. Volgens Adler had de Franse diplomatie er te lang naar gestreefd om Vlaanderen binnen België te houden, want een onafhankelijk Vlaanderen zal qua francofilie zijns gelijke niet kennen in Europa.

Te midden van al die onnozelheden is er één zekerheid: de Belgische federatie en haar inwoners zijn op zichzelf aangewezen. Het land heeft nood aan een hernieuwde federale solidariteit, een communautaire entente en een staatshervorming die de federale competenties voorgoed vastlegt. Hoewel de zetelverdeling in het parlement een afgetekende roomsblauwe meerderheid mogelijk maakte, verzandden de slecht voorbereide coalitiebesprekingen in communautair geknoei. Het kartel CD&V-NVA leverde met Leterme een winnaar met 800.000 Vlaamse voorkeurstemmen. Een verrassende toekomstvisie of een fundamentele herdenking van de financiering van de overheid lagen echter niet aan de grondslag van deze zege. CD&V-NVA heeft drie verkiezingen na elkaar geleerd te strijden voor de macht, onder meer door op uitmuntende wijze het paarse beleid zwart te maken. Het hoogtepunt was de beenveeg waarmee Leterme zijn opponent Verhofstadt tijdens het VTM-kopstukkendebat onderuithaalde: “Wie gelooft Guy Verhofstadt nog, wie gelooft de VLD nog?” De gretigheid en het krediet waarmee Leterme aan zijn rol van volkstribuun begon, volstonden echter niet om meteen gelijk te krijgen bij de coalitievorming.

Even opmerkelijk was de analyse die de SP.a van de eigen verkiezingsnederlaag maakte. Wat ging fout? werd geschreven door, onder anderen, Koen Pelleriaux, adviseur van Johan Vande Lanotte. Een eenduidige verklaring van de socialistische afstraffing geeft de analyse niet. In de beschrijving van de voor de SP.a ongunstige context klinkt wel de grondthese door die socioloog Pelleriaux vijf jaar tevoren verwoordde in Demotie en burgerschap. De culturele constructie van ongelijkheid in de kennismaatschappij: de oude sociaal-economische kloof is ethisch-cultureel geworden. Hoger- en lageropgeleiden verstaan elkaar niet meer. Niet de afkomst, maar de scholing bepaalt de ongelijkheid. Pelleriaux was ten tijde van Demotie en burgerschap eerder somber wat de uitkomst van dit nieuwe maatschappelijke conflict betrof. Vooral omdat de samenleving nog geen aangepast pacificatiemodel had gevonden. Wel zag hij voor de toenmalige SP kansen om de ethisch-culturele kloof te overbruggen, omdat het electoraat van de partij zich aan weerszijden van de nieuwe maatschappelijke breuklijn bevond. Wat ging fout? bevestigt het einde van die droom: “De maatschappelijke evoluties en de veranderende samenleving zetten socialistische partijen steeds meer onder druk. […] Het lijkt steeds moeilijker te worden om een brug te slaan tussen de verschillende kiezersgroepen.”

Het succes van CD&V/NVA en de opdoffer voor de SP.a zijn twee kanten van dezelfde medaille. De Britse socioloog Richard Sennett zou er een klassiek voorbeeld van ‘het politieke platform’ in herkennen, een concept dat hij uitwerkt in zijn zijn essaybundel De cultuur van het nieuwe kapitalisme. ‘Het VW-platform is een gewoon chassis waarvan kleine materiële verschillen in waarde worden opgeblazen tot merken,’ schrijft hij. ‘Moderne politiek heeft een vergelijkbare vorm, die we gewoonlijk consensuspolitiek noemen.’ De programma’s van democratische partijen in West-Europa komen in grote lijnen met elkaar overeen. Iedereen wil gunstige economische omstandigheden creëren zodat de thuismarkt aansluiting kan vinden bij de globalisering. In de rol van de staat ontdekt Sennett een veel belangrijker gemeenschappelijk kenmerk van de Westerse politieke bewegingen: ‘De staat blijft in sterke mate sturen en wordt bepaald niet zwakker.’ Macht en autoriteit groeien echter uit elkaar, wat voordelig is voor administraties die almaar krachtiger worden en steeds minder verantwoording dienen af te leggen aan de burgers. Die stille bureaucratische revolutie volgt de ontwikkelingen in het bedrijfsleven en in de haute finance, waar beslissingen tot stand komen volgens onschendbare protocollen die de maatschappelijke of ecologische kosten doorschuiven naar de individuele consument.

De recente Amerikaanse kredietcrisis is het meest cynische voorbeeld van de kloof tussen macht en autoriteit. In juli alleen al werden de huizen van ruim 180.000 Amerikaanse gezinnen in beslag genomen. De afgelopen jaren werd het geld zo goedkoop gemaakt dat zelfs insolvabele consumenten een lening kregen. Die risicovolle leningen werden herverpakt en verdeeld onder de spelers van het globale financiële conglomeraat. Dit zorgde ervoor dat eind augustus ook de liquiditeit van enkele Europese banken bijna was opgedroogd. Om de paniekreactie te bezweren maakten overheidsinstellingen zoals de Amerikaanse Federal Reserve en staatslui zoals de Franse president Sarkozy het publiek wijs dat monetaire interventies de crisis zouden oplossen. De Europese Centrale Bank oogt beïnvloedbaar door de politiek omdat er geen politieke unie bestaat en omdat de Europese federalistische idee is opgeborgen. Sarkozy, zelf een koele minnaar van het federalistische gedachtegoed, zag er dan ook geen graten in om te eisen dat de ECB de rente zou verlagen. Een hogere rente is immers een probleem voor landen die niet ascetisch budgetteren, met een moeilijke schuldbalans leven of electorale beloften moeten financieren. Frankrijk past zonder meer in die beschrijving, maar België nog meer.

Als er in Europa iets werkt, dan wel de markt en de munt. De stabiliteit die de euro ons biedt, heeft er mee voor gezorgd dat de coalitievorming van de federale regering kon worden opgefleurd met tijdverlies en communautair borstgeroffel. Zonder Europa was België de afgelopen zomer een speelbal van speculanten geweest. De euro nam de ‘moral hazard’ weg bij de onderhandelaars op Hertoginnedal, nota bene de plek waar in 1956 onderhandelingen werden gevoerd die tot de ondertekening van de Verdragen van Rome zouden leiden. Het gebrek aan urgentie verlaagde de inzet van de formatiegesprekken en maakte de behandelde thema’s allengs vluchtiger en meer symbolisch. De notariële methode die formateur Yves Leterme volgde tijdens de besprekingen paste eigenlijk perfect bij die wat morose manier van politiek bedrijven. In De kracht van de mensen/La force des gens brachten de formateur en zijn ploeg een aantal zeer terechte maatschappelijke en economische inzichten samen, die echter niet tot een plan leidden. Wie op voortschrijdend inzicht had gehoopt, kwam bedrogen uit. Begin augustus lekte er een nieuwe versie van de nota uit, een fors geredigeerd worddocument dat zo vol glossen stond dat het meer op een palimpsest leek dan op de blauwdruk van een regeerakkoord. Uiteraard is die veelstemmige chaos het wezen van elke onderhandeling, maar in dit ene geval bleek de onafheid van het document een symptoom van een schrikbarend ziektebeeld: de coalitiebespreking zat muurvast. De indruk ontstond dat er in het kasteel van Hertoginnedal bureaucraten zaten en geen politici die popelden om de kunst van het mogelijke te beoefenen.

Het toekomstige landsbestuur zit met forse dossiers: de vergrijzing, de financiering van de pensioenen en de noodzaak om de doelstellingen van het Generatiepact fors te overstijgen. Om van de pacificatie van maatschappelijke tegenstellingen nog te zwijgen. Het communautair herverkavelen van de macht volstaat niet als antwoord op die uitdagingen. Sociaal-economisch stond de oranjeblauwe partijen voldoende dicht bij elkaar. Het behoud van de welvaartstaat lag zowel MR, CD&V/NVA, Open VLD als CDH na aan het hart. In tegenstelling tot twintig jaar geleden heeft een Europese lidstaat echter minder mogelijkheden om de welvaart rechtstreeks te verdedigen of te bevorderen. Ooit vormden fiscale en monetaire maatregelen het geliefkoosde wapen. We hebben dat wapen ingeleverd bij de Europese Unie die een succesvolle vorm van grensoverschrijdend protectionisme organiseert. De EU heeft in ruil geen duidelijk afgelijnd politiek of maatschappelijk project te bieden, hoogstens een cultureel. Het gevolg hiervan is dat de door Richard Sennett beschreven kloof tussen macht en autoriteit enorme proporties aanneemt en de nationale politieke systemen verzwakt. Het delicate politieke evenwicht in België lijdt er in elk geval onder. Devaluatie van de nationale politiek? De federale reorganisatie getuigt vanaf de Sint-Michielsakkoorden van dezelfde vervreemdende improvisatie als de uitbreiding van de EU. In La libre Belgique (8 september) schreef socioloog Felice Dassetto (UCL) hierover: “Les fédéralistes qui souhaiteraient penser la Belgique autrement que comme un ‘.be’ d’indivision devraient aussi tenir compte du fait que le fédéralisme est une construction. Comme le sont toutes entités politiques, qu’elles soient flamande, wallonne, catalane, française, autrichienne ou autre encore. Toutes résultent d’une tension entre une réalité commune déjà-là et un projet à venir qui construit à son tour une réalité qui est là. Rien n’est donné comme naturel et rien ne s’invente de rien. Tout se construit.”

Nogal wat spelers geven een steile interpretatie aan de constructie van ‘de politieke gemeenschap’. Naar aanleiding van de federale verkiezingen hebben haast alle partijen radicalere communautaire standpunten ingenomen. Ook die ontwikkeling past in de diagnose van Richard Sennett. Naarmate de consensuspolitiek breder wordt verspreid, neemt de drang toe om symbolen op te blazen. Kiezers worden geprikkeld door verschillen. Dus trachten politieke partijen details te vergulden in de hoop de aandacht van het publiek te trekken. Die politieke marketing gaat volgens Sennett hand in hand met “de onstuitbare obsessie van pers en publiek met afzonderlijke eigenschappen van politici”. Die collectieve bewustzijnsvernauwing doet de mensen vergeten hoe alomtegenwoordig de consensuspolitiek wel niet is. In het opbod voor, tijdens en na de verkiezingscampagne zaten de politieke partijen van beide taalgroepen opgesloten in hun kamp. De enige manier om zich te onderscheiden was nog harder dan voordien roepen, een olympische beginselvastheid verkondigen of heel intens zichzelf zijn. Daarom wordt er geen ruzie gemaakt over de toenemende armoede in Brussel, maar wel over de splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, de ultieme prikkel in de Belgische conflictdynamiek. En het Vlaams parlement heeft zijn fameuze resoluties al in 1999 eenzijdig gestemd. Je moet echt in de buitenbaan lopen om nog op te vallen. Dialoog is een vies woord. Federalisme wordt gelijkgeschakeld met la Belgique de papa.

Over de Vlaamse sociaal-economische marsrichting is er bij zakennationalisten een consensus: eerst de Walen en Brusselaars afschrijven, en dan de Vlamingen harder, langer en met meer toegevoegde waarde laten werken om de groei veilig te stellen. Werkgeversorganisaties zoals Voka en Unizo stellen zich in deze discussie bijna corporatistisch op. Beide mannen verkiezen ook een staatshervorming boven het landsbestuur. Uit het gezamenlijke interview dat Philippe Muyters (gedelegeerd bestuurder van Vlaams Netwerk van Ondernemingen) en Karel Van Eetvelt (gedelegeerd bestuurder van de Unie van Zelfstandige Ondernemers) gaven aan Knack (12 september) blijkt een enorme heimwee naar de tijd dat drukkingsgroepen de macht van de verkozenen des volks overvleugelden.

Muyters geeft een voluntaristische invulling aan de staatshervorming: “Er moeten dringend maatregelen worden genomen. De werkgelegenheidsgraad bijvoorbeeld moet omhoog en de overheid moet efficiënter werken.” De achterliggende boodschap van die uitspraak is dat Brusselaars en Walen stilstand verkiezen en Vlaanderen afremmen. Het is maar hoe je het bekijkt. Iemand als Jean-Yves Huwart, journalist bij Trends/Tendances, gaat in zijn analyse van de malaise en de uitdagingen van Wallonië zeer ver. Huwart verdedigt zeer aannemelijke en genuanceerde inzichten in zijn boek Le second déclin de la Wallonie. Het is opzienbarend dat de Vlaamse publieke opinie haast kritiekloos het waanbeeld aanvaard dat Wallonië en Brussel uitsluitend worden bevolkt door cultuurimperialisten die elk jaar een gratis auto krijgen van een Vlaams gezin, op kosten van de ziekenkas leven en de natuurlijke ontplooiing van het Vlaamse volk in de weg staan. De potsierlijke escalatie van bitterheden en verwijten heeft er intussen voor gezorgd dat de al dan niet subtiele anti-Franstalige propaganda is overgenomen als een mainstream strandpunt. Huwart mag dus nog zo intelligent over de Waalse problemen schrijven, we hebben besloten doof te blijven voor verhalen die een bepaald Vlaamse gelijk niet klakkeloos bevestigen. En we doen alsof Brussel niet meer bestaat.

Regionalisten wijzen sinds mensenheugenis op de weldaden van het Europa van de regio’s. De waarheid is echter dat de Europese Unie na de dramatische referenda in Frankrijk en Nederland en na de overhaaste uitbreiding van de afgelopen jaren meer dan ooit dienst doet als slagveld van nationale belangen. Een onafhankelijk Vlaanderen zou in die constructie nog vele malen minder meetellen dan de Belgische federatie. De hardnekkigheid waarmee sommigen de splitsing van het land bepleiten heeft evenveel met kleinburgerlijk defaitisme te maken als met ideologische doelstellingen. Politiek kan nooit de individuele verantwoordelijkheden van de burgers opheffen en problemen oplossen die we zelf, ieder voor zich of in groep, moeten aanpakken. Het onvermogen om de tragische onvolmaaktheid van het leven in het reine te komen is echter net een van de hedendaagse West-Europese kwalen: migratie en globalisering halen elke zekerheid onderuit. Het ruim een eeuw geleden door Miguel De Unamuno beschreven ‘tragische levensgevoel’ blijft een van de bronnen van het nationalisme dat – en dit geldt zeker voor het Vlaams Belang en voor het ‘civiele nationalisme’ van de NVA – in de onafhankelijkheid de verlossing ziet van de aan het maatschappelijke leven inherente aporieën. Bij sommige Vlaamsnationalisten komt daar nog een diepe, irrationele haat tegen Belgische staat bij, haat die niet zelden wordt beleefd als een monumentale haatcultuur, met symbolen, rituelen en feestdagen. Een van de meer vindingrijke haters is Geert Bourgeois, de Izegemse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme. Hij presteert het bijvoorbeeld om de historische schuld van het kolonialisme ten laste te leggen van ‘de Franstalige elites’. Nederlandstaligen hebben, zo schrijft Bourgeois op zijn weblog, uitsluitend goede werken verricht in de voormalige kolonie, wat meteen de reden is waarom Congolozen nog steeds de Vlamingen verkiezen boven ‘het officiële België en andere Franstalige instanties’. Nog even en de ‘Nederlandstalige Midden-Afrikaanse culturele ruimte’ van pater Arthur Verthé herrijst na een halve eeuw uit haar as. Als ingenieur van de geest huldigt Bourgeois het gekende adagium dominer pour servir. Negers, Belgen, Franstaligen of onzuivere Vlamingen, het lijkt toch één pot nat. Nog even en de geest van Frantz Fanon wordt aanroepen. Peau flamand, masques belges…

Sennetts consensuspolitiek bestaat echt. Het zijn de richtinggevende thema’s zoals welvaart, groei, vergrijzing en migratie die ons allen bezighouden, los van moedertaal, afkomst of politieke gezindheid. De georganiseerde stammentwist die pas na de federale verkiezingen in volle hevigheid is losgebarsten toont alleszins aan hoe belangrijk het is om het individu niet op te sluiten in de homogene volksgemeenschap, een constructie die door discriminatie en sofismen wordt geschraagd. Alleen redelijkheid, respect en dialoog kunnen voor vrijheid en vooruitgang zorgen in een samenleving die op middellange termijn alleen maar veelkleuriger, complexer en meertaliger wordt. En wat de uitkomst van de richtinggevende thema’s van de consensuspolitiek betreft, daar zullen we net als de rest van Europa het hoofd op moeten breken. De wonderoplossing is tot op heden niet gevonden.

Harold Polis


Bibliografie

Richard Sennett, De cultuur van het nieuwe kapitalisme, J.M. Meulenhoff, Amsterdam, 2007.
Jean-Yves Huwart, Le second déclin de la Wallonie, Racine, 2007.
Wat ging fout? Analyserapport over het resultaat van sp.a-spirit op 10 juni 2007 kan je volledig downloaden.
Koen Pelleriaux, Demotie en burgerschap : de culturele constructie van ongelijkheid in de kennismaatschappij, Brussel, VUBpress, 2001.


(Deze tekst is afgesloten op 15 september en verscheen in het oktobernummer van het tijdschrift Streven.)

Geen opmerkingen: