woensdag 28 november 2007

De geest in de worst (Over Tom Lanoye)



Vergeet alsjeblieft de blauwvoet, de IJzertoren en de Vlaamse leeuw. Van alle mogelijke Vlaamse symbolen heeft de worst de grootste potentie. De worst. Weinig ontdekkingen hebben zo’n bepalende invloed gehad op onze samenleving. Het wiel, het internet, fovoltaïsche zonnepanelen of de strijkdienst om de hoek maken ons leven makkelijker, maar de worst geeft onze aardse beslommeringen zin. Alles kan namelijk in de worst worden gedraaid. Zolang smaak en vorm maar voldoen aan de verwachtingen. Dit edele worstprincipe, door tegenstanders gebrandmerkt als toegepaste plantrekkerij, vormde tot voor kort de kern van onze volksaard. Sinds we echter goed bestuurd worden heeft de worst aan belang ingeboet. En nu ook blijkt dat worst slecht is voor de volksgezondheid (‘Eten van worst en ham verhoogt de kans op darmkanker’, zie De Morgen van 31 oktober), kunnen we ons verwachten aan het ergste.

Al wie de beenhouwers een warm hart toedraagt, heeft het recht om zich te verzetten tegen een spijtige wending van de geschiedenis. Gelukkig blijft de geest in de worst gespaard. Daarom is de vleessnijmachine uit de ouderlijke beenhouwerij van Tom Lanoye een van de belangrijkste objecten uit het museum van de hedendaagse literatuur. Meer nog, het is een monument van de verwerkende nijverheid. Net zoals er een verdrag is ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water, moet er een regeling worden verzonnen om het rijke verleden van de fijne vleeswaren te beschermen, te valoriseren, te ontsluiten.

De bewuste vleessnijmachine is een groot en lomp ding dat op het eerste zicht doet denken aan een installatie van een woeste beeldhouwer, genre Roel D’Haese. Maar als je die metalen snijplank echt van een citaat uit de kunstgeschiedenis wil voorzien, haal je er best popartpaus Andy Warhol of Marcel Duchamp bij. In plaats van de artistieke conventies te lijf te gaan met een pissijn of een fietswiel had die laatste vrolijke Frans met evenveel succes voor de fijne vleeswaren kunnen kiezen. Die techniek van Duchamps readymade, een alledaags voorwerp als een kunstobject voorstellen, vormt een van de bedrijfsgeheimen van de firma NV Lanoye.

Van Marcel Duchamp naar Urbain Vandeurzen is slechts een kleine stap. Vandeurzen heeft dit jaar als voorzitter van het VOKA (Vlaams Netwerk van Ondernemingen) een succesformule voor innovatie gelanceerd: E = ti2. Excellent zijn is, volgens Vandeurzen, aandacht hebben voor Talentontwikkeling, Internationaal ondernemen en Innovatie. Het maakt helemaal niet uit wat je doet of wat je verkoopt, zolang het resultaat maar past in de formule. Kortom, E = ti2 is een wat overspannen versie van het edele worstprincipe en van de revolutie van Duchamp. Daar kan niemand tegen zijn, toch? En zeker geen Vlaamse schrijver die als succesvol literair ondernemer grossiert in bestsellers, en theaterteksten levert voor de grote schouwburgen van Europa?

De flandrocratie die zo welluidend wordt vertolkt door het VOKA en andere ondernemingslievende verenigingen is al zeer lang een van Lanoyes geliefde thema’s. Enerzijds kruipt Lanoye telkenmale met volle overgave in zijn rol van kleine middenstander. Anderzijds is er geen groter criticus van de naar autarkie en zelfoverschatting neigende kruideniersmentaliteit. Die dubbelheid maakt hem als debater onweerstaanbaar. De teksten waarin hij hedendaagse vermommingen van bekrompenheid heeft beschreven, vormen een hoogtepunt in de Vlaamse literatuur.

Het schaduwgevecht in de coulissen van de Wetstraat heeft de afgelopen maanden haast iedereen op een hellend vlak gezet. Niet zelden werd tijdens die glijpartij de befaamde radicalisering van de publieke opinie ingeroepen als excuus voor scheldpartijen en afrekeningen. Ook Lanoye is enkele keren over de hekel gehaald als een toonbeeld van literaire wereldvreemdheid. Tijdens de hysterische dieptepunten van het formatiecircus was de archetypische ‘niet-separatistische linkse intellectueel’ even verwerpelijk als de PS-afdeling van Charleroi. Met hernieuwde ijver werd er geschoten op de linkse intellectueel die in zijn verdwazing de gerechtvaardigde vooruitgang van zijn volk zou verhinderen. Net op het moment dat Khieu Samphan, de ‘broeder nr.3’ van de Rode Khmer, voor het Cambodjaanse gerecht wordt gebracht, lijkt de erfenis van Pol Pot bezig aan een opmerkelijke remonte. Die terugkeer van het maoïsme in Vlaanderen wordt gek genoeg vooral gepredikt door onze lokale neocons.

Volgend jaar is het alweer tien jaar geleden dat Lanoye met zijn meesterlijke monoloog Gespleten en bescheten volle zalen trok tot in de uithoeken van onze deelstaat. Tijdens dat decennium is de wereld gekanteld. Maar Lanoye heeft zijn trouw aan het edele worstprincipe gestand gedaan. Oké, Lanoye viert graag zijn gulzigheid bot door bijzonder uiteenlopende dingen te doen, maar hij zal nooit zichzelf verloochenen. Kwatongen beweren dan dat Lanoye worsten draait en zich bekwaamt in het braderen. Dat is en blijft een zeer kwaadaardige interpretatie van Lanoyes streven om net als in The Factory van Warhol een artistiek perpetuum mobile op gang te brengen, een totaaloffensief in beeld, klank en druk. Ook dat is de geest in de worst. Maken en verkopen. In Vendu! Apologie van een handelsreiziger (1989) schreef Lanoye: ‘Ik ben dat [een verkoper] door mijn temperament, en, gezien mijn afkomst uit de kleine middenstand, ook uit voorbestemdheid.’

Heeft Lanoye eigenlijk ooit een slechte tekst geschreven? Elk oeuvre bevat wel enkele opzichtige rotzinnen en uitschuivers, bastaardpersonages en vermaledijde schrijfopdrachten, maar bij Lanoye krijgt de wisselvalligheid weinig kans. Zijn essays leveren het strafste bewijs van die prestatie. Als je vandaag Doen! leest, een bundeling columns en essays uit 1992, dan kan je struikelen over enkele gedateerde thema’s, maar niet over de stijl en de vorm. Lanoye laat geen enkel verhaal, performance, optreden of mening aan het toeval over. Het is een schrijver met een enorme discipline en een eerder uitzonderlijke actieradius. Dat valt het meest op in zijn korte stukken, waar het lijkt alsof hij alles aankan, elk onderwerp, elk tijdvak, elke grap. Die wendbaarheid heeft Lanoye in de loop der jaren tot de perfectie gevoerd. Zo staat er vooraan in Schermutseling, zijn nieuwe bundel, een zeer genuanceerd doch treffend portret van Theo van Gogh, een man die ook aan dwarsigheid leed, wat hem niet altijd tot eer strekte. Lanoye kan dat zeggen. Hij overtuigt je er eenvoudigweg van. Met dank aan de geest in de worst.

Harold Polis

(Verschenen in De Morgen van 28 november 2007.)

Het ministerie van Intellectuele Zakken (Over André Malraux)




Helaas zal het federale ministerie van Intellectuele Zakken nooit bestaan. Het is nochtans een noodzakelijke uitbreiding van de uitvoerende macht. De kabinetsmedewerkers zullen meer belang hechten aan de idee achter een beleid dan aan het beleid zelf. Ze zullen genadeloos jacht maken op populisten en zich niet laten leiden door het sektarische gelul over persoonsgebonden materies. Als voorbeeld zal het ministerie van Intellectuele Zakken het fictieve Musée d’Art Moderne van Marcel Broodthaers nemen. In dit museum heeft Broodthaers begin jaren zeventig het beroemde Département des Aigles ondergebracht, een willekeurig samengestelde collectie afbeeldingen van adelaars. De grap verborg een zware boodschap: een aanklacht tegen het door geld gecorrumpeerde machtsdenken en tegen de economische waarde van de signatuur van de kunstenaar. Je kan de mensen stront in pakjes verkopen, zolang het maar stront is van een merk dat vertrouwen inboezemt.

Het ministerie van Intellectuele Zakken zou de bevolking aansporen tot democratische waakzaamheid, permanente dialoog en een ruimhartige appreciatie van kunst, literatuur en muziek. Er is voor ons, aangeklede mensapen, geen enkele reden om niet in opstand te komen tegen het Gesundes Volksemfinden. De terreur van de collectivistische platvloersheid kan wel degelijk worden bestreden, desnoods met de vlammenwerper. En ja, we kunnen ons bevrijden van het juk van meervoudig gediplomeerde Farizeeën die, niet zelden op kosten van de gemeenschap, ons klein houden door domheid te prediken. Om zo’n strijd te winnen, moeten we moed tonen en hebben we nood aan intellectuele zakken: vrijwilligers die geen risico’s meer hoeven te nemen, maar toch hun leven of reputatie op het spel zetten voor een ideaal. Zoals de beschrijving doet vermoeden is het intellectuele zakkendom niet weggelegd voor tweeverdieners met kinderen, alleenstaande moeders of medeburgers die toiletten kuisen langs de E17. Historisch onderzoek wijst uit dat het zeer vaak schrijvers zijn die doorstoten tot het intellectuele zakkendom. Voltaire is de bekendste oerzak. Op latere leeftijd voert de succesvolle schrijver actie om Jean Calas, een ter dood veroordeelde protestant, in ere te laten herstellen. Calas wordt postuum onschuldig verklaard en Voltaire begint een carrière als militant van de rechtvaardigheid.

Vandaag zouden we Voltaire rekenen tot la gauche caviar, gegoede burgers die zich aan de kant van het plebs scharen en een edel doel nastreven dat indruist tegen de eigen kleinburgerlijke belangen. In het zeer onderhoudende Histoire de la gauche caviar (2006) beschrijft de Franse journalist Laurent Joffrin hoe groot de invloed is geweest van al die aristocratische filantropen, van Voltaire tot John F. Kennedy. De geëngageerde kaviaareters vormen overigens een internationaal fenomeen. In Duitsland noemen ze hen de Toskaner Fraktion (omdat sociaal bewogen mensen vaak hun vakantie in een Toscaanse villa doorbrengen). In Groot-Brittannië heten ze de Champagne Left. En in Amerika is er sprake van de 5th Avenue Liberals, omdat deze straat die langs Central Park leidt alle rijkdom, elegantie en creativiteit van de stad samenbrengt. Over een Vlaams synoniem beschikken we niet echt, maar voel je vrij om een willekeurig scheldwoord te verbinden met Sint-Martens-Latem, Dansaertstraat of Zurenborg. Intellectuele zak kan ook. Daarmee kom je al een heel eind. Voor de volledigheid: de rechtse antipode van la gauche caviar is la droite boudin (bloedworstrechts).

Een intellectuele zak als John Maynard Keynes heeft met zijn economische theorie over staatsinterventies en het stimuleren van de economische vraag een stempel op de vorige eeuw gedrukt. Samen met onder meer Virginia Woolf en Bertrand Russell maakte Keynes deel uit van de mythische Bloomsburygroep, een Britse avant-garde van kunstenaars en intellectuelen. Voor Laurent Joffrin is Keynes een voorbeeld van de manier waarop la gauche caviar in het verleden belangrijke sociaal-democratische veranderingen mogelijk heeft gemaakt. Verleden tijd dus. De huidige generatie linkse kaviaareters staat echter zo ver af van de werkelijke maatschappelijke problemen, dat ze niet meer in staat is om in dienst van het volk te treden. De interpretatie van Joffrin heeft vooral betrekking op Frankrijk, waar de PS sinds het verkiezingsdebacle van Lionel Jospin in 2002 rondzwalkt. De recente nederlaag van Ségolène Royal kwam er ook niet meteen ondanks de ideologische overtuigingskracht van haar verhaal. In vergelijking met de megalomane campagne voor de Franse presidentsverkiezingen vestigen de Belgische federale verkiezingen een nationaal record in nietszeggendheid. Om die wraakroepende stilte te verantwoorden wordt de Franse campagne afgedaan als een mediaspektakel. Toch kunnen les présidentielles ook de bevestiging vormen van een tendens die voor heel West-Europa en dus ook voor België geldt: linkse partijen zijn idealistisch geworden en claimen het morele gelijk dat ooit het privilege van rechts was. Marcel Gauchet, hoofdredacteur van het Franse tijdschrift Le Débat, ging in Le nouvel Observateur nog een stap verder: ‘In cultureel opzicht heeft links allang gewonnen. Tegelijkertijd biedt links geen alternatief meer voor de liberale en kapitalistische oplossingen. Die confrontatie doet ons allen voelen dat we zowel links als rechts denken. We willen allemaal dat het goed draait, maar dan wel zonder brutaliteit en onmenselijkheid.’ Nu is datzelfde blad, Le nouvel Observateur, zowat het postadres van la gauche caviar. Overigens wordt de redactie ervan geleid door een zekere Laurent Joffrin.

Omdat la gauche caviar vergrijst en geen rol van betekenis meer speelt, tenzij als doelgroep van Louis Vuitton en Dela Uitvaartverzekeringen, zal het ministerie van Intellectuele Zakken onderdak bieden aan zowel linkse als rechtse intellectuelen. Bovendien is het een imaginair ministerie en mogen we ook dode schrijvers aanstellen. De enige ernstige kandidaat-minister is uiteraard André Malraux, romancier, fantast, humanist, ex-oplichter, ex-communist, ex-Gaullist, acht keer minister in Franse naoorlogse regeringen, uitvinder van het concept ‘minister van cultuur’. Hij is een compromisfiguur, mede omdat hij Vlaamse roots heeft – in zijn Antimémoires beschrijft Malraux zijn grootvader Alphonse, een half verfranste Franse Vlaming. Malraux, zijn piekfijne pakken, zijn eeuwige sigaret, zijn diepe blik. De man die in 1932 uitriep ‘s’il y la guerre, notre place est dans les rangs de l’Armée Rouge’, die met La condition humaine de eerste communistische misdaadroman schreef (opgedragen aan zijn vriend Du Perron), en die voldoende morele wendbaarheid bezat om zijn extreemlinkse overtuiging even heftig af te zweren. Kortom, een intellectuele zak zoals ze niet meer worden gemaakt. Dit wordt ongetwijfeld een breekpunt tijdens de regeringsonderhandelingen.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen.)

maandag 26 november 2007

De mythe van de naakte vrouw (Louis Paul Boon)





Het klopt wat de christendemocratische ideoloog Wouter Beke afgelopen week in deze krant schreef: mensen ontlenen hun betekenis aan de groep waartoe ze behoren. Gepensioneerden steunen op elkaars roestige schouders omdat het gemiddelde pensioen zelfs niet volstaat om een deftige rollator te kopen. Marokkanen/Walen (schrappen wat niet past) zijn dieven. Vlamingen zijn zo intens op elkaar gesteld dat ze gedeelde genen verzinnen: blauwe ogen, een verpletterend arbeidsethos, een hyperpositief zelfvertrouwen, innovatieve en competitieve overkill, en een alom geroemde volgzaamheid. Met de vrouwen gaat het niet anders. Ze putten hun eer uit het lidmaatschap van de roedel, de orde van de kousenband en de samenzwering van de pashokjes. Het is een groot raadsel waarom Beke zich in zijn boek De mythe van het vrije ik niet beroept op de Fenomenale Feminateek van Louis Paul Boon. Met zijn Feminateek, ‘een haast wetenschappelijk werk’, stelde Boon een typologie van de vrouw op met als doel het eeuwig vrouwelijke te openbaren. De vrouw midden de vrouwen dus. Misschien was Boontje in het diepst van zijn gedachten wel een tjeef. Misschien was niet het samenstellen van de Fenomenale Feminateek, maar wel het schrijven van Het Geuzenboek een daad van subordinerende humor. Misschien verdient Boontje het wel om een tweede keer postuum op een verkiezingslijst te staan, dit keer die van CD&V.

De Fenomenale Feminateek blijft het allergrootste fetisjistische meesterwerk uit de Nederlandstalige literatuur. Ja, je hebt Multatuli (het pak van Sjaalman), Jacob van Maerlant (Der Naturen Bloeme) en J.J. Voskuil (Het bureau). Maar alleen Boon heeft zo’n grondige taxonomie aangelegd: 144 delen met in totaal ruim 22.000 foto’s en knipsels, op papier gekleefd en voorzien van commentaar. In de jaren vijftig begon Boon, op dat moment redacteur van Vooruit, een verzameling naaktportretten, pin-ups en starlets aan te leggen. Het was de periode van de heropbouw. De in wetten vastgelegde economische expansie moest ervoor zorgen dat iedereen brave volgelingen van het taylorisme werd. Het maatschappelijke en economische leven werd in gelijke delen gehakt die elk een andere efficiënte bestemming en inrichting kregen. Een op de noden van de moderne tijd toegespitste strategie die iedereen in staat stelde om zich een ijskast, auto, tv-toestel en ingebouwde keuken aan te schaffen. De productielijnen van het geluk draaiden op volle toeren. Het ontbolsterende verlangen van de hardwerkende burger was niet te stillen. Als professioneel seismograaf registreerde Boon hoe zijn tijdgenoten de race naar het geluk aanvatten en als mascotte een beeldschone vrouw van al dan niet bedenkelijke zeden namen. De begeerte naar beelden van diep uitgesneden décolletés, wijkende bikinilijnen, Medusakapsels, naakte achterwerken en borsten, extatische gelaatsuitdrukkingen en uitnodigende poses bereikte een zeldzaam hoogtepunt. Boon moest steeds sneller knippen om al dat moois bij te houden.

Het Bruto Nationaal Geluk was een eerder nieuw fenomeen dat weinig impact had toen mensen het moesten stellen met ajuinsaus. Eens de overvloed toesloeg, werden arbeiders en bedienden echter aangespoord om te dromen van het verloren paradijs. ‘Stilaan, en elk jaar wat méér, veroverde het naakt de straat. Men zag het op het toneel, in de film, in kabarets, in de stripteasebars… Waarom zou het dan niet gewoon op straat mogen?’ schrijft Boon in de Feminateek. De cultus van de schoonheid gaf mannen de illusie dat ze via de afgebeelde vrouw het paradijs konden bereiken. In tegenstelling tot de zoon van God beloofde Marilyn Monroe een verlossing die snel en bij herhaling kon worden bereikt. En Boon, die knipte driftig door en zocht al verzamelend de betekenis van zijn verzameling.

‘De waarheden die we zo ver weg gaan zoeken, zijn alleen van waarde als we er het slijk afspoelen,’ schreef Boons tijdgenoot Claude Lévi-Strauss in Tristes tropiques – nog steeds een ontregelend boek. Diep in de Braziliaanse wouden onderzocht etnoloog Lévi-Strauss de handel en wandel van stammen als de Caduveo, de Bororo, de Nambikwara en de Tupi-Karahib. De beschrijving van al die bizarre rituelen, overgangsrites, peniskokers en door het neusbeen geprikte bamboescheuten gaf Lévi-Strauss een scherper besef van wat beschaving is: een evenwichtsoefening tussen aanbidding en destructie. Het in 1955 verschenen Tristes tropiques staat niet zo ver af van wat Boon deed in Europese Koninginnen met Kronen van Karton (een onderdeel van de Fenomenale Feminateek). Ook Boon schetst de contouren van een verloren gegane beschaving: ‘Uit 28 Europese landen zijn ze hier, in woord en beeld. Ze streken ontzaglijk veel dollars op, maar met eerst het stijgen en daarna het zakken hunner tieten, steeg en daalde daarna ook hun roem. De tijd dezer koninginnen is voorbij. Ze worden een massaproduct, net als al het andere in onze zogenaamde welvaart- en wegwerpmaatschappij, reeds ingeblikt of in diepvries verkrijgbaar is.’

Wat Boon de ‘kutterele revolutie’ noemde, bleek niet meer dan een tijdelijke opstoot in de productie van starlets. Mei ’68 en het massale ontbloten der tieten leverden het bewijs dat moraal niet eeuwig, universeel en van God gegeven is, maar een sociale constructie die door individuen wordt gevormd. In de roman De meisjes van Jesses reconstrueerde Boon de omstandigheden waarin Charles Manson en zijn hippieaanhangers door het lint gingen. Manson, die als een nieuwe heiland een waanzinnige openbaring predikte, staat in De meisjes van Jesses symbool voor de inwisselbaarheid van de moraal. Het is uiteraard geruststellender om naar prentjes van blote vrouwen te loeren.

Van de Tupi-Karahib in het regenwoud tot de afdeling Perzische vrouwen in de Fenomenale Feminateek is een kleine stap. De Perzische vrouwen zijn zelfs, volgens meneerke Boîn (het alter ego van Boon dat Europese Koninginnen met Kronen van Karton schreef), nog schaarser bedekt dan hun zusters in de jungle. Of ze dezelfde normen en waarden delen, is echter een andere vraag, die in de mythe van de naakte vrouw geen rol speelt. De vrouwen uit de Feminateek zijn ontdaan van al hun attributen, behalve van hun weelderige vormen. De mythe leeft verder. Nadat de borsten van Scarlett Johansson door het Amerikaanse roddelblad Touch Magazine werden bekroond als de mooiste ter wereld, viel de actrice ook met haar achterwerk in de prijzen. Esquire riep haar uit tot ‘the sexiest woman alive’. ‘Er zijn meisjes met een veel mooiere kont dan de mijne,’ zei Johansson. ‘Waarom bekronen ze mijn hersenen niet? Of mijn nieren? Of neen, waarom niet mijn galblaas.’ Als Boontje vandaag nog zou knippen, zou Johansson meteen een prominente plaats krijgen in de afdeling ‘Wat vind je van mijn kont?’ En als ze heel lief naar Wouter Beke lacht, krijgt ze vast een gratis CD&V-lidkaart.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder begin 2007 in de krant De Morgen. Afbeelding uit de Feminateek, copyright Meulenhoff/Manteau en erven Boon.)

Het lied der Vlaamse zonen (Albrecht Rodenbach)




Het beroemdste beest van de Vlaamsnationalistische mythologie is noch leeuw, noch rat, noch de geit Trudy. Het vliegt en luistert naar de naam blauwvoet. Sommigen menen dat het om een Jan van Gent gaat. Anderen spreken van een visarend. Jakob Grimm dacht dat de blauwvoet een vos was, naar analogie met de Reinaertsage. En in Roeselare houdt de bronzen versie van Albrecht Rodenbach een wat groot uitgevallen zeemeeuw vast. De Vlaamse beweging grossiert in blauwvoeten, maar het was Hendrik Conscience die ze zag vliegen.

In het wonderjaar 1875 beleefde het Franstalige Klein Seminarie van Roeselare een fait divers dat een enorme impact op de Vlaamse beweging zou hebben: ‘De Groote Stooringhe’. Enkele Vlaamsgezinde leerlingen vatten het plan op om tijdens een jaarlijkse feestviering geen Franse liedjes te zingen. Rodenbach schreef als provocatie ‘Het lied der dichters’ en ‘Het lied der Vlaamsche zonen’. Nadien drong de jeugdige opstandigheid ook door in andere Vlaamse colleges. De blauwvoeterij was geboren.

‘Ei! het lied der Vlaamsche zonen, // met zijn wilde Noordertonen, // met het oude Vlaamsch Hoezee: // Vliegt de Blauwvoet – storm op zee!’ Toen Albrecht Rodenbach in september 1875 de tekst van ‘De Blauwvoet’ schreef, baseerde hij zich op Consciences De Kerels van Vlaanderen. Historische tafereelen uit de XIIe eeuw (1870). In die roman vertelt Conscience de strijd tussen de Kerels, een zeemansvolk dat zich ook Blauwvoeten noemt, en de Isengrims, een bende indringers. Wijlen Bob de Moor zou het verhaal in 1952 verstrippen voor het weekblad Kuifje. De heldere lijn van De Moor is eloquenter dan het krukkige Vlaams van Conscience. Heldhaftigheid laat zich nu eenmaal beter tekenen dan beschrijven: wapperende haren, glimmende maliënkolders, verbeten gelaatstrekken. De kwintessens van het verhaal is de bereidheid om ertegenaan te gaan: ‘Vliegt de Blauwvoet – storm op zee!’

De jonge Rodenbach kon niet weten dat Conscience zich op zijn beurt had gebaseerd op het zesdelige Histoire de Flandre van Joseph Kervyn de Lettenhove, een befaamde Vlaamsgezinde katholieke historicus en politicus. Kervyn de Lettenhove verwees naar een waargebeurde ruzie in het twaalfde-eeuws Veurne die de families Blauvoet en Ingrekin aan het vechten bracht. De jongensheroïek van Rodenbach had echter geen boodschap aan feiten. August Vermeylen herkende in zijn gedichten ‘een verpersoonlijking van het ruim-menschelijk gevoel’. Rodenbach werd dus wie hij was door zijn Vlaamse roots te belijden. Maar als die roots teruggaan op een interpretatiefout, wie was Rodenbach dan echt?

De grootste flaminganten uit onze geschiedenis waren niet zelden perfect tweetalig. De allergrootste onder hen, Albrecht Rodenbach, bekloeg zich zelfs dat hij sterker was “in het fransch dan in het vlaamsch”. Als symbool zou Rodenbach een hoofdrol krijgen in de Vlaamse beweging. In het echte leven was hij vooral een kind van de woelige negentiende eeuw. Zijn oom Pierre ‘Pedro’ Rodenbach vocht achtereenvolgens met Napoleon tegen de Russen, met Willem van Oranje tegen Napoleon en met ‘Belgische’ vrijwilligers tegen de Hollandse bezetter. Twee andere ooms, Constantin en Alexander, werden in 1830 verkozen als lid van het Nationaal Congres, de eerste wetgevende vergadering van het onafhankelijke België. Met zo’n stamboom hoeft het niet te verbazen dat Rodenbach niet hoog opliep met “de hollansche pedanten [die] onze tale vermooscht hebben”. In Vlaanderen Vlaams nam hij dus letterlijk. Alleen de volkstaal was geschikt om de heropstanding van het Vlaamse volk mogelijk te maken. Bovendien aanvaardde het protestantse Nederland het gezag van de bisschop van Rome niet.

‘Weg de bastaards, weg de lauwaards! // Ons behoort het noorderstrand, // ons, den Kerels, // ons, den Klauwaards. // Leve God en Vlaanderland!’ Tijdens zijn korte leven was Albrecht Rodenbach in elk geval ultrakatholiek en flamingant. Maar ook bijzonder schwärmerig en liberaal – in Rodenbachs teksten is de vrijheid even belangrijk als het roemrijke Vlaamse verleden. In de context van de negentiende eeuw is de consensus tussen al die haast tegenstrijdige houdingen typisch Belgisch. Rodenbachs blauwvoeterij was een strijd voor de Vlaamse taal en tegen de Vlaamsgezinde vrijzinnigheid.

De Belgische bisschoppen ijverden in de tweede helft van de negentiende eeuw voor een staat binnen de staat. Ze gebruikten de Belgische natie om hun macht te beschermen tegen de gevaren van de moderniteit. De gelovigen moesten nu ook weer niet al te slim worden. Het dialect kwam hierbij goed van pas. Het Nederlands dat Willem II tijdens de Nederlandse bezetting had laten onderwijzen, was een vreemde taal. Haast elk Vlaams dorp had een dialect. De volkstaal leek meer op een Babelse spraakverwarring. Katholieke taalparticularisten à la Rodenbach wilden die toestand handhaven, omwille van het pure en edele karakter van de dialecten. Vele Vlamingen kwamen om van de honger, maar hun doodsreutel was ten minste in het koeterwaals.

Er waren ook Vlamingen die hun leven gaven voor de paus. In het Klein Seminarie trad de Rodenbach toe tot het pauselijke zoeavenkorps, een ultrakatholieke paramilitaire organisatie. Tussen 1860 en 1870 hadden zich ruim tienduizend katholieke jongemannen gemeld om de pauselijke bezittingen in Midden-Italië te verdedigen tegen de nationalisten van Garibaldi. Er waren 1634 Belgen bij. De strijd was vergeefs. Hoewel het zoeavenleger na de nederlaag werd ontbonden, bleef het vuur smeulen in katholieke elitescholen. Ook dat was Rodenbach: een jonge zeloot die zich zijn hooggestemde idealen kon permitteren omdat zijn familie tot de gegoede burgerij behoorde. Toen hij in 1876 naar Leuven trok om rechten te studeren, was hij een van de honderdveertig eerstejaars. Zo’n geprivilegieerd man kan zich de luxe van het dialect veroorloven.

Geschiedenisvervalsing is een populair tijdverdrijf bij nationalisten. Ook Rodenbach moest eraan geloven. Romain Vanlandschoot toont in zijn recente biografie van de ‘wonderknape’ welke proporties de Rodenbachcultus heeft aangenomen. Decennialang is Rodenbach opgevoerd als een geniale supervlaming, een dichtende heiland, een medium dat ons in contact zou brengen met het roemrijke verleden. En uiteraard werd ook Rodenbach meegesleurd in de collaboratie. Zo stelde Cyriel Verschaeve in de toespraak ‘Rodenbach’s droom’ uit 1941 diens strijdbaarheid op een lijn met het militaire engagement voor nazi-Duitsland. Dat komt ervan als je te jong sterft. Toen de hyperactieve Rodenbach in juni 1880 door een longontsteking werd geveld, was hij amper vierentwintig. Om het even wie kon hem om het even wat toedichten. Vele generaties Vlamingen hebben dat met overgave gedaan.

Harold Polis

(Het copyright van de afbeelding van het handschrift van Albrecht Rodenbach berust bij het AMVC-Letterenhuis. Deze tekst verscheen eerder in De Morgen.)

maandag 12 november 2007

De gelukkige lezer



Na de gelukkige huisvrouw is er nu ook de gelukkige lezer, een specimen dat volstrekt happy is bij de aankoop van enkele riemen bedrukt papier, al dan niet met wikkel en leeslint. In de krant De Morgen staat elke beursdag een portret van zo'n gelukkige lezer. Stuk voor stuk gemotiveerde kopers die los gaan op de beurs. Nu diezelfde krant meldt dat de inflatie terug is van weggeweest, kan de gelukkige lezer ook weer het prijsargument onder het stof vandaan halen. Want boeken, dames en heren, zijn toch zo gruwelijk duur! Calculatiegevoelige mensen (zoals het deel van de bevolking dat bij uitgeverijen werkt) weet dat die perceptie niet op feiten berust. Alles heeft nu eenmaal een prijs, zeker ook een boek.

Als je voor de gelegenheid de blik zou verengen tot de literatuur, dan kan je niet anders dan vaststellen dat een roman goedkoop is. Zo'n roman is uniek (of doet alsof) en is het resultaat van een aantal inspanningen waarvan de belangrijkste (het schrijven) in de meeste gevallen niet naar waarde kan worden geschat. In een samenleving die tuk is op kwantificeren blijft de literaire inspanning een onmeetbare uitzondering. Soms zelfs een mateloze uitzondering, als zo'n boek het resultaat is van een creatieve doolage die ver voorbij de grenzen van de beschikbare tijd en energie leidt. In het verlengde daarvan ligt de inspanning van de uitgever die zich tijdelijk gedraagt als een culturele instelling. Al die contradicties maken het boekenvak moeilijk leesbaar voor buitenstaanders.

Deze week heb ik twee memorabele gesprekken achter de rug met beursbezoekers die hun beklag deden over de prijs van het boek. Uiteraard vonden ze hun boeken te duur en wilden ze l'argent et l'argent du beurre. Ik heb hen proberen uit te leggen hoe relatief die 20 euro is. Je klinkt al gauw als iemand die honger in de wereld ontkent. Van de weeromstuit hoor je jezelf ook een oproep lanceren voor een ruim bemeten consumptiepatroon. Maar het ergste van al is dat je tijdens zo'n discussie beseft als uitgever dat er mensen zijn die voluit mogen lezen wat ze willen en daar nog tijd voor hebben ook. Ja, kijk, dan stelt die 20 euro niets voor.

Harold Polis

dinsdag 6 november 2007

Afgebeursd

Reeds 148 dagen is een aantal vrouwen en mannen druk in de weer met de onderhandelingen voor een nieuwe federale Belgische regering. Een Belgisch record dat ver uit de buurt van Europese topprestaties blijft: het duurde in 1977 welgeteld 208 dagen om de eerste regering Van Agt te vormen. (Zie hierover de zeer goede blog van Trends-Tendances-journalist Jean Yves Huwart http://www.jeanyveshuwart.be/)

Vergeleken bij die slopende maraton is de beurs eerder een gezondheidswandeling. Toch ziet ook de harde kern beursgangers er na ruim een week onder de spots behoorlijk afgebeursd uit. Nu volgen er gelukkig enkele relatief kalme dagen en vanaf donderdag gaat het in een strak tempo en vol enthousiasme naar de finish. In andere omstandigheden zou men die toestand omschrijven als het Stockholmsyndroom, waarbij gegijzelden sympathie ontwikkelen voor de gijzelnemers. Uitgevers hebben echter een alibi: ze maken promotie voor het boek.

Ikzelf maak van de gelegenheid gebruik om zoveel mogelijk te observeren, te luisteren en te vragen. Wat lezen mensen graag en waarom? Het is een oefening in psychologie van de koude grond, maar uitgeven is dan ook geen exacte wetenschap. Ik ken geen enkel tevredenheidsonderzoek bij pakweg romanlezers.

En in tegenstelling tot andere media kan het boekenvak zich niet verlaten op meetinstrumenten die het lezersbereik in kaart brengen. In België wordt het bereik van de pers gemeten door het CIM (Centrum voor Informatie over de Media), op basis van steekproeven. Dat is uiteraard voor een boek niet haalbaar. Vast staat dat er veel meer wordt gekocht dan dat er wordt gelezen. Dat is zowel in economisch als cultureel opzicht een goede zaak.

Ontlezing is erg, maar ontkoping zou een ramp zijn. Als mensen hun koopgedrag zouden afstemmen op hun werkelijke behoefte, dan zijn we snel rond. Een uitgeverij is gelukkig geen nutsvoorziening. En de Boekenbeurs al helemaal niet. Mensen willen boeken kopen, maar hoeven het niet te doen. Het kan in dat opzicht geen kwaad om De infantiele consument van Samuel Barber te lezen. Het vrijetijdsaanbod is geëxplodeerd, waardoor consumptie veel meer dan vroeger op gang wordt gebracht door aantrekkelijkheid, zeker bij boeken.

Harold Polis

zaterdag 3 november 2007

Boekenbeurs 2020

Al die tieners die naar de beurs komen om hun boeken te kopen, tonen dat er ook leven is naast second life. Gelukkig voor mij. Want als uitgever ben ik misschien helemaal mee, maar als mens ben ik uiteraard een goed geconserveerde negentiende-eeuwer. De stroomtrein is vertrokken en heeft me vergeten mee te nemen. Het voorbereiden van een lezing over de toekomst van het boek heeft me geconfronteerd met mijn eigen technologische inertie. Ik herinner me zeer scherp het moment, midden jaren negentig, waarop ik heb afgehaakt: de dag dat ik met een bevriende vormgever een nummer van ons toenmalige tijdschrift moest klaarmaken, in Quark. Na een half uur kreeg ik zin om het beeldscherm uit het raam te keilen. Omdat ik heb geleerd dat keuzes maken goed voor je is, heb ik toen besloten de weg van het potlood te kiezen. Geen geklooi meer met hardware en software. Alleen het strikt noodzakelijke. En het potlood doet de rest.

Er is niets zo ergs als de combinatie van onvermogen en lafheid. Digibeten specialiseren zich in die afwijking. Of nog erger: ze bellen hun secretaresse en beginnen te bevelen.

Helaas ben ik mijn eigen secretaresse. En helaas breng ik steeds meer tijd voor een beeldscherm door. Ik raak nauwelijks nog een potlood aan. Terwijl ik dus die ontwikkeling onder woorden trachtte te brengen voor mijn Nottebohmlezing (http://stadsbibliotheek.antwerpen.be/tekst/Nieuws/nieuwsmain.htm), heb ik het verzet tegen de technologie definitief opgegeven. Het is zelfs zo ver gekomen dat ik besloten heb om volgende week eindelijk mijn digitale camera in dienst te nemen. En nu maak ik het helemaal bont: ik ben op blogger een eigen blog begonnen. Straks laat ik ook onderhuids een chip aanbrengen, zodat ik via gps opspoorbaar ben voor collega's en auteurs. Dat wordt een primeur in het Nederlandstalige boekenvak.

De lezers van Boekblad maken het einde mee van mijn analoge zelf.

De enige reden waarom ik al die digitale flauwekul omarm, is het verlangen om nog efficiënter papier vuil te kunnen maken. Er gaat niets boven het gedrukte boek. Zelfs als breekt de Cybook, de Iliad of een andere drager door, dan nog zal de emotionele en symbolische waarde van het gedrukte boek veel langer dan iedereen nu denkt ongeëvenaard blijven. In 2020 verkopen we op de beurs ongetwijfeld veel downloads, maar ook nog steeds zeer veel gedrukte boeken. Er is voorlopig ook geen ander model om het allemaal rendabel te maken, laat staan om de Boekenbeurs te financieren.

vrijdag 2 november 2007

Buurthuis Boekenbeurs

1 november is een vakantiedag en dus stroomt het volk in dichte drommen de zalen van de boekenbeurs binnen. Overdag brengt de drukte het microklimaat in de beurszalen tot een kookpunt. Wanneer ik aankom voor de avondshift (de beurs sluit vandaag pas om 22.00 uur) is dat momentum als een soufflé in elkaar gezakt. De gezinnen met kinderen zijn vertrokken en de avondlijke bezoekers vormen geen overrompeling. In de marge van de beurs heb ik enkele discrete gesprekken. Die laatste zin is uiteraard een vorm van schromelijke zelfoverschatting, maar ik volg de Belgische regeringsonderhandelingen met grote aandacht en verslindt nog steeds elke snipper nieuws. Vandaar dat ik het Wetstraatjargon met plezier overneem. De bilaterale gesprekken leveren resultaat op. Volgende week bereik ik in enkele zaken zeker een akkoord.

Een beurs brengt een vreemde groepsdynamiek op gang. In de supermarkt bijvoorbeeld zijn mensen minder geneigd om elkaar te herkennen, omdat ze er na de werkuren bijlopen als pas vrijgelaten dwangarbeiders en omdat ze de inhoud van hun winkelwagentje moeten prijsgeven. Op een beurs geldt net het tegendeel. Omdat je weet dat je heel veel mensen zal ontmoeten, weiger je net om mensen niet te herkennen. Het gevolg is dat je ook gesprekken voert met de oom van de dochter van de vriend met wie je ooit een half uur tegen een bal hebt getrapt toen je tien was. Ook vanavond kom ik weer enkele oompjes tegen.

De schrijvers die zich vanavond aan het volk presenteren hebben zich aan de signeertafels gezet. De sfeer is goed. Er wordt gelachen en gezwansd. Eten en wijn worden onder de hongerigen en dorstigen verdeeld. Met Marc Reugebrink ontstaat er een geanimeerd gesprek over het omslag van zijn boek, of dat nu voor vrouwen of voor mannen is bedoeld - zijn prachtige roman Het grote uitstel toont een in gescheurde jeans gehulde vrouwelijke achterkant. David Van Reybrouck zit volop in de repetities van een door hem geschreven theatermonoloog. Even later dagen ook Peter Holvoet-Hanssen en zijn kapersvrouwe Noëlla Elpers op. Peter en David feliciteren Ruth Lasters uitgebreid met haar debuutprijs. Heeft iemand daar een foto van genomen? vraag ik achteraf. Holvoet-Hanssen, Van Reybrouck en Lasters hebben alledrie de debuutprijs gewonnen en improviseren een reünie.

Ook dat is Buurthuis Boekenbeurs.

Harold Polis