dinsdag 18 december 2007

De ark van het vrije woord


Een geschiedenis van de waarheid, dat zou nog eens een boek zijn. Iedereen in zijn gelijk bevestigd! Een van de storende conclusies van het te verschijnen meesterwerk luidt ongetwijfeld dat waarheid, met of zonder Kleenex, voor interpretatie vatbaar is. Neem nu de debuutroman Het Boek van Joachim van Babylon (1947) van Marnix Gijsen. Met die titel vestigde Gijsen zijn naam als 'beroemd schrijver'. In de periode rond de Tweede Wereldoorlog had Gijsen de deur van de kerk achter zich dichtgetrokken. Die apostasie zinderde door in de personages van zijn debuutroman, die bovendien de vrouwelijke deugdzaamheid ter discussie stelde. Met Het Boek van Joachim van Babylon zou Gijsen de Prijs voor Letterkunde van de Provincie Antwerpen hebben gewonnen, ware het niet dat de organiserende overheid in het zicht van de haven overstag ging en haar veto stelde. "De commissie is van oordeel dat het werk van Marnix Gijsen niet van die aard is om bekroond te worden aangezien het aanstoot geeft aan de gevoelens van het grootste gedeelte van de inwoners van de Provincie Antwerpen." Als je Het Boek van Joachim van Babylon herleest, kun je nauwelijks nog vermoeden waarom de tekst zoveel ophef heeft gemaakt. Het verhaal speelt zich eeuwen geleden af, op een veilige afstand van Europa. Bovendien heeft Gijsen nooit een maagd doen blozen, heeft hij van afstandelijkheid zijn handelsmerk gemaakt, en is hij als diplomaat een trouwe dienaar van het gezag geweest. Bij de decennialange strijd tussen het kerkelijke gezag en de vrijzinnigheid kreeg Gijsen echter een markante bijrol in het Vlaamse hoofdstuk. Vermaarde katholieke intellectuelen die overliepen naar de goddeloze kant gaven het instituut een lelijke knauw. En Gijsen was strijdbaar rooms geweest, een kind van het triomfalistische geloof, een adept van het katholieke renouveau van Jacques Maritain - de Franse filosoof die aan Igor Stravinsky, Jean Cocteau en Michel Seuphor de weg naar de kerk toonde. Het Boek van Joachim van Babylon deed dus pijn.

De kletterende ruzies uit de jaren vijftig zijn intussen gereduceerd tot achterhoedegevechten. Kenschetsend is de uitspraak van de vorig jaar overleden priester Eric Vanden Berghe, president van het Brugse Grootseminarie: "Onze haring braadt niet meer." De maatschappelijke reikwijdte van religie is voor sommige vrijzinnigen zo onbelangrijk geworden dat het hen zelfs niet meer uitmaakt of burgers in een neutrale omgeving religieuze symbolen dragen. Dat lag in de jaren vijftig toch net iets moeilijker. Na het incident met Het Boek van Joachim van Babylon bliezen de (vrijzinnige) intellectuelen verzamelen rond het Nieuw Vlaams Tijdschrift. In februari 1951 publiceerde dit blad een artikel van de eerbiedwaardige Herman Teirlinck, waarin hij de oprichting van de Ark van het Vrije Woord aankondigde: "De waarheid zoeken wij in óns, - in het licht van ons geweten, in een harmonische betrachting van rechten en plichten, in onze liefde voor alle mensen, in onze moedige aanvaarding van het leven. Een geboeide mens erkennen wij niet. Daarom zijn alle geknevelden en ontaarden onze vijand. Een vrij man is onze vriend." Ook die retorische kronkels klinken vijftig jaar later vreemd en hooggestemd. De verklaring ligt in de lange weg die we sinds de verzuilde stellingenoorlog hebben afgelegd. Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Arkprijs van het Vrije Woord werd in 2000 de feestbundel Een onberaamd verbond uitgebracht. De vele getuigenissen in dit boek tonen hoe de levensbeschouwelijke hanengevechten plaats hebben gemaakt voor maatschappelijke betrokkenheid en morele moed, grondstoffen die vandaag schaarser zijn dan het vrije woord. Dit jaar werd de naam van de Borgerhoutse vzw Roma in de sokkel van de door Jozef Cantré ontworpen Ark gegrift. Misschien hebben we geen voeling meer met de tragiek die achter het verhaal van de Ark schuilt. Het vrije woord is een excuus geworden voor mensen die hun mond niet kunnen houden, bromt de Britse arts en cultuurcriticus Theodore Dalrymple. Zelf chargeert hij zeer graag tegen het ontspoorde westerse denken dat collaboreert met de zelfkant en sentimentaliteit hoger acht dan diepgang. Volgens Dalrymple zijn dit symptomen van een samenleving met een acuut tekort aan verantwoordelijkheidszin. Als verdedigingswapen brengt hij zijn 'parler vrai' in stelling. Zelfverklaarde herauten van het vrije woord vallen voor Dalrymple en doen diens gewetensvolle woede meestal geweld aan. We zullen eens goed ons gedacht zeggen.

Niet alleen het gat in de ozonlaag wordt groter, ook onze openhartigheid bereikt een dimensie die de volksgezondheid in het gedrang brengt. Alle televisiesmoelwerken kenden we al van haver tot gort, concubines, bastaardkinderen en borstomtrek incluis. Niet zelden kunnen we op hen stemmen. Dankzij YouTube en andere poelen van user generated content weten we ook alles over smoelwerken zoals u en ik. Na lang en naarstig ontvoogden en democratiseren is de vrijheid van meningsuiting nog nooit zo absoluut geweest. We zijn veroordeeld tot de totale openbaarheid. Daarmee voeren we uit wat Jeremy Bentham al in de achttiende eeuw had bedacht: het panopticum. Om de massa te controleren ontwierp Bentham een constructie die het voor één bewaker mogelijk maakte om alle gevangenen in het oog te houden. Dankzij de technologie spelen we tegelijk bewaker en gevangene. Het houdt ons braaf en gedisciplineerd. We zijn in onze bewegingsvrijheid beperkt door een keurslijf van protocollen en formats, normen en waarden, met onze naasten als toezichthouders. Het vrije woord, die straathond, moet de stegen afschuimen en registreren wat verzwegen wordt, besnuffelen wat stinkt, afkluiven wat er van rijke tafels valt. Of het vrije woord de moed van de overtuiging vertolkt, zich laaft aan de gerede twijfel tegenover de goede bedoelingen van de medemens of conventionele wijsheden ontkracht, altijd bevat het een kern die ontsnapt aan de controle van het panopticum. En er is zoveel waaraan we vandaag moeten ontsnappen. In een land dat van zijn navel een afgod heeft gemaakt, kan het belang van de Ark van het Vrije Woord alleen toenemen.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 27 juni 2007.)

Geen opmerkingen: