woensdag 12 december 2007

Bezoek België voor het te laat is (deel 1)




(Woensdag 13 december 2006. Nietsvermoedende cafégangers praten rustig verder terwijl op het scherm achter hen Bye-bye Belgium in volle gang is.)

De vermeende ondergang van de Belgische natie is het grote politieke thema van de afgelopen jaren. Vooral na de federale verkiezingen van 2003 heeft de georganiseerde zelfkwelling aan belang gewonnen. De Belgische natie volgt een federale logica en werkt bij consensus, zodat de echte nationale wapenspreuk niet ‘eendracht maakt macht’ is, maar wel het ‘pantha rei’ van Herakleitos. De permanente onderhandeling wordt echter door een deel van de politiek afgewezen: Franstaligen ‘weigeren’ over de staatshervorming te praten en Nederlandstaligen ‘weigeren’ met Franstaligen te praten. De grote aandacht voor die olijke boksmatch verdoezelt enkele minder gekende feiten. De verkozenen des volks slagen er bijvoorbeeld niet meer in het gesprek met anderstalige collega’s aan te gaan. Naast alle hooggestemde verklaringen voor die verwijdering, rest de ontnuchterende vaststelling dat het land wordt bestuurd door de zwakste generatie naoorlogse politici.

De middelpuntvliedende krachten zijn in het Belgische model altijd sterk geweest, sterker dan in Europese natiestaten waar patriottisme wel een rol van betekenis speelt of waar communautaire tegenstellingen worden gedragen door meer dan twee opponenten. Het Belgische dispuut is sinds kort uitgebreid met twee ingrijpende attributen: domheid en lafheid. Hoewel het aantal mandaten stevig is toegenomen, rammelt het politieke systeem en is er nauwelijks nog een publieke arena die naam waardig. Na de Sint-Michielshervorming van 1993 werd duidelijk dat de federale logica niet alleen de instellingen, maar ook de omgangsvormen radicaal zou veranderen. In plaats van zich aan te passen, hebben politiek en media zich op een halve generatie tijd volledig teruggetrokken op het eigen erf. We hebben van de domheid een deugd gemaakt.

Het onvermogen om een hedendaagse visie op Vlaanderen en België te ontwikkelen heeft ertoe geleid dat we de opzichtige verkwisting van domheid heel wat vinden. Al doet iedereen of er niets verkwist wordt. Integendeel, nergens ter wereld is er zo’n hoge concentratie progressieven gemeten. Wat de fotosynthese betekent voor het leven op aarde, betekent de verandering voor de Belgische politiek: een voorwaarde. Onder het mom van verandering glijden delen van Wallonië weg in een moeras. Als politieke beweging heeft de PS zich in palliatieve zorgen bekwaamd en de halve Waalse bevolking mee in het ziekbed getrokken. Onder het mom van verandering kijken Vlaamse politici voortdurend over hun rechterschouder en bestuderen ze het verzameld werk van Filip Dewinter. Het lijk van de Vlaamse Beweging wordt aanbeden om gelijk welke idiotie te verantwoorden. Als Maagdenburgse halve bollen zitten de veranderingsdriftige deelstaten Vlaanderen en Wallonië aan elkaar vastgeklonken. Twee achtspannen van paarden mogen nog zo hard trekken, die twee helften krijgen ze nooit uit elkaar. Mateloze hervormingen als kenmerk van immobilisme. Van die Europese cursus vormen België en haar deelstaten de beste leerlingen.

De Vlaamse samenleving heeft amper het feit verteerd dat er ‘vreemdelingen’ op Vlaamse gewijde grond wonen – Franstalige Vlamingen bestaan uiteraard officieel niet – of daar duikt alweer een nieuwe zondebok op: de Walen. In het onvolprezen L’image du Flamand en Wallonie. Essai d’analyse sociale et politique (1830-1914) beschrijft historicus Yves Quairiaux hoe de Vlaming een eeuw geleden in het collectieve geheugen van de Waalse publieke opinie het etiket van een onbetrouwbare, vuile, ongemanierde en laffe stakingsbreker kreeg. De Waalse delfstoffenindustrie floreerde toen volop en genereerde de welvaart die van België een economische grootmacht maakte. Honderd jaar later zijn de rollen omgekeerd. Uitblinkers als GlaxoSmithKline in Genval, Hamon in Mont-St-Guibert of IBA in Louvain-la-Neuve kunnen weinig veranderen aan het slechte imago dat Wallonië en de Walen in Vlaanderen hebben. De Waal is achtereenvolgens ‘gréviculteur’, lui, profiteur en ‘pistonné’. De irrationaliteit en de etnische vooroordelen die hieraan ten grondslag liggen, kunnen nooit de basis vormen van een rechtvaardige democratie, laat staan dat ze een gesprek mogelijk maken.

De logica van de Belgische staatshervorming heeft ertoe geleid dat gemeenschappelijke belangen worden behandeld in het zogenaamde gesprek ‘van gemeenschap tot gemeenschap’. Een van de mogelijke onderwerpen van dat gesprek is de staatshervorming zelf, een proces dat in de loop van 2007 een nieuwe wending zal krijgen. Tal van bronnen bevestigen echter wat velen allang in stilte vreesden: de hoofdrolspelers die straks de onderhandelingen moeten voeren, kennen elkaar niet. Filip Rogiers tracht in het overzichtsartikel ‘Babel aan de Noordzee’ (in De Morgen van 30 december 2006) de praktische oorzaken te achterhalen van dit schisma. De politieke families trekken niet meer samen op. De politici van de twee taalrollen praten onderling nauwelijks met elkaar. Er wordt gecommuniceerd met behulp van ultimata en publieke beledigingen.

Gelukkig wordt er nog wel gezwansd. Op woensdagavond 13 december 2006 werd het programma Questions à la une van de RTBF onderbroken voor een ‘zonet binnengelopen bericht’: het Vlaamse parlement had eenzijdig de onafhankelijkheid van Vlaanderen uitgeroepen. Na deze revolutionaire boodschap volgde er een uitgebreide fake reportage die de kijkers van de RTBF in vertwijfeling achterliet. Het was een van de meest historische momenten uit de Belgische televisiegeschiedenis, alleen te vergelijken met grote emotioneel geladen live-uitzendingen, zoals de begrafenis van Koning Boudewijn, de barragewedstrijd Nederland-België in 1986 of de witte mars. De reacties lieten niet op zich wachten. Regisseur Philippe Dutilleul en de RTBF werden bijna unisono verketterd, zowel in Vlaanderen, Brussel als Wallonië.

Philippe Dutilleul is een van de belangrijkste Belgische reportagemakers van de afgelopen jaren. Hij verdiende zijn strepen bij het ongeëvenaarde programma Striptease dat van 1985 tot 2002 onder meer op de RTBF liep en bedacht ook de opvolger ervan: Tout ça (ne nous rendra pas le Congo). Striptease bracht reportages over het dagelijkse leven, zonder franjes of opdringerige regie-ingrepen. Die ‘cinéma du réel’ heeft een onuitwisbare stempel gedrukt op de Belgische film (de gebroeders Dardenne en gelijkgestemde regisseurs) en op het betere tv-reportagewerk in Vlaanderen en Wallonië. Dutilleul is dus allesbehalve de onnozelaar die sommige Vlaamse journalisten en politici van hem hebben willen maken. Alleen heeft hij, door de nieuwsverslaggeving tijdens primetime te kapen, feit door fictie vervangen. Zijn journalistieke fout heeft wellicht vooral te maken met de objectiviteit die aan het uitzenduur kleeft. De avond na de uitzending van Dutilleuls Bye-bye Belgium opende het Eén-programma Man bijt hond om 17,45 uur met een reportage over een groep Franstalige extremisten. Er werd getoond hoe een terrorist naar de vermeende villa van Yves Leterme reed om die op te blazen. Een andere acteur stond voor de deur van het Vlaams parlement met een vrij authentiek ogende bomgordel onder zijn regenjas. De suggestie van die, door het productiehuis Woestijnvis gemaakte, hoax was veel ernstiger dan de letterlijk misplaatste satire van Dutilleul. Toch kraaide er geen haan naar.

Ook in het gelijknamige boek, Opération BBB, beoefent Dutilleul zijn geliefde ‘cinéma du réel’, zij het dat het resultaat nogal scherp de zwakte van de tv-uitzending aan het licht brengt. In het ruim zeshonderd pagina’s dikke boek reist Dutilleul zijn onderwerp achterna, langs opiniemakers, politici en andere bekende Vlamingen, Brusselaars en Walen. Dutilleul geeft in het boek ruim baan aan een niet-representatief staal van Vlaamse cultuurpessimisten als Matthias Storme, Boudewijn Bouckaert of Marc Platel. Ook zoekt hij voortdurend naar de bevestiging van een stelling die op vooringenomenheid en domheid berust. Niet alle Vlamingen willen het einde van België. Bovendien stammen niet alle Vlamingen af van vaders die als lid van de Zwarte Brigade Limburgse dorpen hebben gebrandschat. Om nog maar te zwijgen van de compleet ridicule veronderstelling dat afstammelingen van leden van de Zwarte Brigade mee de schuld van hun voorouders zouden moeten dragen. Het feit dat er meer Walen dan Vlamingen aan het Oostfront zijn gesneuveld is blijkbaar nog steeds een taboe.

Dutilleul zou een half punt hebben gehad als hij met de bewijzen op tafel had aangetoond dat sommige Vlaamsnationalisten blijven koketteren met het debacle van de Tweede Wereldoorlog. In 2004 nog werd tijdens de rechtsradicale IJzerwake in Steenstrate de honderdtwintigste verjaardag van VNV-leider en antisemiet Staf De Clercq gevierd. De regie dat stichtelijke gebeuren was in handen van Luc Lemmens, een Antwerps N-VA-gemeenteraadslid. Tijdens die viering werd de veroordeling van het Vlaams Blok door het Hof van Beroep te Gent gelijkgeschakeld met de repressie na de Tweede Wereldoorlog. Ook nu er steeds minder getuigen van de Tweede Wereldoorlog resten, blijft zo’n met revanchisme opgesmukt eerbetoon aan Staf De Clercq een daad waarmee je jezelf volledig buitenspel zet. Maar moeten ‘de Vlamingen’ boeten voor het psychopathologische revisionisme van een groupuscule onnozelaars? Dutilleul gaat dus net als de door hem geviseerde foute Vlaming ten onder aan de hedendaagse Belgische ziekte: het elkaar bestoken met clichés. Zijn boek is dus niet meer dan een document en vooral interessant voor wie niet weet wat de Franstaligen denken en wie Vincent de Coorebyter of Luc Beyer de Rijcke zijn.

Als mensen elkaar zo slecht begrijpen, kunnen het alleen Belgen zijn. Aan slecht karakter ontbreekt het hen ook niet, want Dutilleuls Bye-bye Belgium was voor minister-president Yves Leterme een welkome aanleiding om de Franstaligen, en dan vooral de krant Le Soir, te beschuldigen van stemmingmakerij. De Franstalige PS zou een negatief klimaat creëren zodat de Vlaamse eisen bij de staatshervorming gestigmatiseerd worden als separatistisch. PS-boegbeeld Laurette Onkelinx noemde Leterme in april 2006 immers ‘un homme dangereux’, een belediging die de onzekere Leterme niet heeft verteerd. Samenwerken valt de Belgische politici dus zwaar. Die politieke kortsluiting is geen uitzondering in Europa.

De naakte eenvoud van de Belgische grondwet staat symbool voor de problemen van de moderne natiestaat. Het eerste artikel van de gecoördineerde grondwet van 17 februari 1994 luidt: ‘België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.’ Die ene zin bevat de complete geschiedenis van het land. Het is ook een zeer boude uitspraak, vooral omdat iedereen het federalisme anders invult. De flou artistique die hiermee gepaard gaat, zal altijd de instellingen verzwakken en een bron van inspiratie vormen voor politici die het civisme aan hun laars lappen. In de buurlanden is de staat er echter niet minder slecht aan toe, vooral in Nederland en Frankrijk.

Sinds de late jaren negentig leidt de Nederlandse politiek aan een levensbedreigende metafysische sclerose. Mede door dit ziektebeeld heeft de Nederlandse samenleving zeer lang kunnen spelen alsof er geen vuiltje aan de lucht was – Nederland, zo kreette Vrij Nederland, was af. Na Fortuyn en de politieke moorden is Nederland wanhopig naar zichzelf op zoek en is de politieke instabiliteit nog lang niet opgelost. De afgelopen maanden leek het Haagse Binnenhof meer op een exercitieterrein voor wereldvreemde regenten. Intussen mort dat volk. ‘Misschien’, zo schreef H.J. Schoo in de Volkskrant van 30 december 2006, ‘moet die Opstand der Burgers wel eerst nog heviger gaan woeden, wil de les ten volle doordingen. Machthebbers en hun paladijnen die van hun ongeduld met de kiezer getuigen, wijzen daar in elk geval op.’

Frankrijk glijdt dan weer af in somberte en onpeilbare apathie. Niet voor niets noteren er nergens op Europese beurzen meer rust- en verzorgingstehuizen dan op de Parijse CAC40. L’exception Française is vooral een excuus om reactionair gedrag te verkopen als een progressief programma. Het drama van de Franse politiek is dat zowat elke belangrijke Franse politicus van de afgelopen jaren verduiveld goed weet het Frankrijk aan schort. De voorlaatste in de rij is de door acute hoogmoed neergestorte Dominique de Villepin. In zijn Le cri de la Gargouille (2002) beschrijft hij zeer exact waar Frankrijk schrik voor heeft: actie. De analyse Nicolas Sarkozy maakt in Témoignage (2006) verschilt niet fundamenteel van die van zijn aartsvijand. Het Franse socio-economische immobilisme vernietigt welvaart en kapitaal, en institutionaliseert segregatie en ongelijkheid. Het pijnlijkste bewijs hiervan is het onvermogen van de Franse politiek om de vermaledijde vijfendertigurenweek te schrappen. Bovendien heeft de Franse staat altijd geleden onder te veel centralisme en te veel Parijs.

De kloof tussen burgers en politiek – een kloof die in het België van de jaren tachtig is uitgevonden – heeft in Frankrijk en Nederland de vorm van een ravijn aangenomen. De Belgische politiek heeft de fameuze kloof zo ontzettend intens gethematiseerd dat heel wat Vlaamse politici en Michel Daerden zich van de weeromstuit hebben omgeschoold tot labiele idioten in de hoop ‘het volk’ niet van zich te vervreemden. Het dieptepunt van die evolutie is ongetwijfeld de komst van de familie in de Belgische politiek. Niet eerder hebben politici hun partners en kinderen zo massaal ingezet op radio, tv en verkiezingsdrukwerk. Niet eerder hebben zovele politici hun carrière en hun emolumenten te danken partners en familieleden. Als je de ogen sluit lijkt de Franse revolutie een verzinsel en leven we nog steeds in de feodaliteit die bij Karel de Grote is begonnen.

Is het een voordeel dat politici zeldzaam dicht bij hun kiezers staan? Is nabijheid de belangrijkste factor van een westerse democratie? Bij gebrek aan Europees forum is het haast onmogelijk om deze toestand uit te klaren – wij allen zijn Europeanen bij benadering, een schimmige dubbele nationaliteit, een siertotem die uitsluitend op de Grote Momenten wordt gebruikt. In België, waar er in beide gemeenschappen een politiek van nabijheid wordt gevoerd, staan de gemeenschappen zelf met de rug naar elkaar. Dat is, zelfs los van de communautaire carrousel, een bedenkelijke situatie. Het gesprek tussen Vlamingen en Franstaligen moet hoe dan ook plaatsvinden, omdat zelfs zonder de Belgische federatie er zeer vele gedeelde verantwoordelijkheden zijn.

Harold Polis


Yves Quairiaux, L’image du Flamand en Wallonie. Essai d’analyse sociale et politique (1830-1914), Editions Labor, 2006.
Dominique de Villepin, Le cri de la Gargouille, Albin Michel, 2002.
Nicolas Sarkozy, Témoignage, Xo, 2006.
Emmanuel Gerard en Karel Van Nieuwenhuyse (red.), Scripta politica. Politieke geschiedenis van België in documenten, Acco, 2005.
Philippe Dutilleul, Opération BBB (Bye Bye Belgium). L’évènement télévisuel, Editions Labor, 2006.
Els Witte & Alain Meynen, De geschiedenis van België na 1945, Standaard Uitgeverij, 2006.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van februari 2007.)

Geen opmerkingen: