woensdag 12 december 2007

De vergrijzing in België




(Links een portret van de zwartgallige Britse econoom Thomas Malthus, bedenker van onder meer de 'Malthusiaanse catastrofe': de overbevolking regelt zichzelf door een toename van de sterftegevallen.)

Nee, lang niet alle fenomenen van onze postindustriële samenleving zijn beheersbaar. We zijn zo gesteld op het vermijden van risico’s dat onvoorziene omstandigheden tot blinde paniek leiden. In België is bijvoorbeeld sinds enkele maanden de aarde volop aan het opwarmen. Nu iedereen zich de boodschap uit Een ongemakkelijke waarheid van Al Gore heeft ingeprent, lijken zelfs de autoloze zondagen en de fietshappenings van vroeger op verraad. Om het broeikaseffect terug te dringen, worden de inspanningen groter, totaler en heroïscher. We móéten erin geloven.
Een smogalarm komt nooit alleen. Dezelfde onbestemde angst wordt opgewekt door de gevolgen van de vergrijzing, een fenomeen dat alle Europese lidstaten kwelt. Meer nog dan het ongebreidelde energieverbruik zou het kantelen van de demografische driehoek een hoofdstuk kunnen zijn in Barbara Tuchmanns The March of Folly. Een kind had kunnen voorspellen dat de dalende nataliteit tot weinig feestelijke resultaten zou leiden. En plots was het zover. Op 15 maart meldde Luc Coene, voorzitter van de afdeling Financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën, dat het federale België tot 2050 een strak begrotingsbeleid zou moeten voeren. Een halve eeuw lang besparen? Die bindende voorspelling heeft uiteraard politieke betekenis. Tijdens de laatste communautaire rondes hebben de gewesten en gemeenschappen meer extra geld dan bevoegdheden gekregen. Het budget van de federale staat daarentegen is gekrompen, terwijl zij de last van de vergrijzing voor het grootste deel torst. Er moet dus worden onderhandeld over een herverdeling van middelen en bevoegdheden. Net zoals de Chinezen leningen over meerdere generaties afsluiten, gaan wij bepalen hoe zuinig onze kleinkinderen moeten leven. De mondialisering ten top. De turbulentie en noodzakelijke compromissen die gepaard gingen met het Generatiepact hebben alvast duidelijk gemaakt dat de vergrijzing geen detail is dat met een nachtje onderhandelen wordt opgelost. We benaderen de zaak nog steeds veel te rooskleurig en voeren mede daardoor een politiek die het algemeen belang niet dient.
We voelen de zware adem van de geschiedenis in onze nek. De indruk wordt gewekt dat we niet veel tijd meer hebben om ons lot te bepalen. Onze beurt is over. Onze verzorgingsstaat lijkt uit te doven.

Ouderen grijpen de macht

Soms is de toekomst voorspellen makkelijk: ook 2007 wordt beheerst door het debat over de toekomst van onze welvaartsstaat. Een opvallend kenmerk is de vaak onoordeelkundige vermenging van technische feiten en maatschappelijke keuzes. Menigmaal wordt de toekomst van de welvaartstaat voorgesteld als een zuiver instrumentele (en voor sommigen communautaire) aangelegenheid: als we hier wat schrapen en daar wat plamuren, komt alles wel goed. Die schijnbaar objectieve aanpak houdt echter zelden rekening met de maatschappelijke impact van de ingrepen. De vele facetten van het debat komen helder aan de orde in twee boeken die vorig jaar verschenen: Red de welvaartsstaat, samengesteld door vier journalisten van het financieel-economische magazine Trends, en Naar grijsland van econoom Koen de Leus.
Er zijn meer ouderen, de groep hoogbejaarde ouderen neemt toe en door de dalende nataliteit zijn er minder jonge werkkrachten. Daarbij komt de te lage arbeidsparticipatiegraad: jongeren beginnen later te werken, oudere werknemers worden vroeg afgeschreven, te weinig werkende vrouwen, achterstelling van minderheden… De combinatie van vergrijzing en lage arbeidsparticipatie is weinig rooskleurig. In Red de welvaartsstaat wordt meermaals verwezen naar uitspraken van Jan Smets, voorzitter van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Hij stelt dat we vandaag de gevolgen van het dalende arbeidsaanbod schromelijk onderschatten, omdat er nog veel werklozen zijn en er dus een grote arbeidsreserve is. Na 2010, het jaar waarin de kanteling van de demografische driehoek zeer tastbaar wordt, is het uit met de pret.
2010 is uitgegroeid tot het symbooljaar van het Belgische vergrijzingsepos. Onterecht, want 2010 ontleent zijn symboliek aan statistieken die elk jaar veranderen. Dat blijkt ook uit verslagen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing die jaarlijks een ‘geactualiseerde evaluatie van de budgettaire kost van de vergrijzing’ berekent. De wet van de grote getallen is genadeloos, evengoed voor de kost van de vergrijzing en die van de zorg: een procent meer of minder brengt immense verschuivingen teweeg.
Het grote debat over de welvaartsstaat biedt echter één zekerheid: hoe objectief de cijfers ook lijken, uiteindelijk is er altijd een maatschappelijke keuze in het geding. Neem de stijgende kost van de (gezondheids)zorg. Die is grotendeels toe te schrijven aan de technologische vooruitgang. Moet je dan met een beperkt budget a) alle technologie voor iedereen betaalbaar maken, b) sommige technologie uit de sociale zekerheid halen, of c) technologische hoogstandjes voorbehouden aan wie er het meest nood aan heeft? Elke keuze zal ethische en politieke dilemma’s opleveren. Betaalt de patiënt of de samenleving de ingewikkelde hartoperatie van de tachtigplusser? En is die operatie belangrijker dan, bijvoorbeeld, de peperdure fertiliteitsbehandeling van twee dertigers die lang hebben gewacht om aan kinderen te beginnen? In dit opzicht is de mening van Etienne de Callataÿ het noteren waard. Deze hoofdeconoom bij Bank Degroof denkt dat de vergrijzing ook de politiek kan verzwakken. Omdat de stem van de ouderen zwaarder weegt, neemt de druk toe om geen ingrijpende keuzes te maken en de factuur van de vergrijzing door te schuiven naar de volgende generatie.

Meer vrije markt en deregulering

Bejaarden geven liever geld aan de verzorging voor hun hond dan aan een krantenabonnement of nieuwe kleren. Het is een van de vele nutteloze feiten die Koen de Leus aanhaalt om zijn punt te maken: de mens is een consument die zelf zijn toekomst bepaalt. Naar grijsland tracht zo concreet mogelijk te beschrijven wat de economische gevolgen van de vergrijzing kunnen zijn. De alsmaar toenemende kost van de gezondheidszorg is ook voor De Leus de grote boosdoener. Oudere mensen hebben meer medische kosten, maar ze beschikken ook over een groter persoonlijk budget voor gezondheidszorg. Het wordt dus moeilijker om te bepalen waar de medische noodzaak eindigt en de consumptie begint. De Leus pleit ervoor om de heilige huisjes niet te sparen: onze verzorgingsstaat moet grondig worden herdacht.
In zijn analyses toont De Leus durf en eruditie, én een te beperkte visie op welzijn. De maatschappelijke kost van de vergrijzing reikt nu eenmaal verder dan de aankoopprijs van een looprek. Door de mens, meer bepaald de gepensioneerde babyboomer, te reduceren tot een productie-eenheid met een spaarrekening wordt het verhaal van De Leus niet aannemelijker. En dat is onterecht. De grote verdienste van Naar grijsland is dat heel wat angstaanjagende concepten uit het vergrijzingsdebat tot de ware proporties worden teruggebracht. De theorie van de asset meltdown bijvoorbeeld: vandaag draait de economie nog behoorlijk omdat er flink wordt gespaard, maar zodra de vergrijzing echt toeslaat zullen steeds meer bejaarden hun spaargeld opeten, wat uiteindelijk leidt tot een economische ijstijd. Het grijze, verarmende Europa versus de jonge, boomende BRIC-landen. De Leus geeft echter goede argumenten waarom het niet zover hoeft te komen. België staat, net als de rest van Europa, voor een fundamentele keuze: hoe pas je de economie aan dat de welvaart bewaard blijft voor volgende generaties? De remedies die De Leus voorstelt zijn uitgesproken liberaal: meer vrije markt en deregulering. Zijn doelstelling is echter algemeen aanvaard: er moeten meer mensen aan het werk. De Leus pleit vurig voor een vrij verkeer van diensten en dus voor de verketterde Bolkestein-richtlijn. Als zelfs maar een deel van de immense veranderingen die De Leus beschrijft werkelijkheid wordt, dan kun je nu al geld inzetten op het heropenen van de Europese discussie over de dienstensector.
Nogmaals, deugdelijk bestuur is een voorwaarde om de vergrijzing het hoofd te bieden, maar begrijpen we de feiten goed genoeg om ook op de kleintjes te kunnen letten? Het is naïef en zelfs gevaarlijk te denken dat we de klus klaren door louter en alleen een nieuwe fiscaliteit in te voeren die arbeid fundamenteel minder belast. Bestaat er wel een gouden greep? Die vraag houdt de onderzoekers van Covive bezig (het antwoord is overigens negatief). Dit interuniversitaire consortium voert onderzoek naar de socio-economische impact van de vergrijzing in Vlaanderen en Europa. De reader Ouderen in Vlaanderen van 1975 tot 2005 is zonder meer een van de interessantste publicaties van het jaar. Covive slaagt er nog niet in het globale verhaal te vertellen, maar de deelonderzoeken hebben geen nood aan een groot gebaar. De cijfers spreken boekdelen. Uit dertig jaar socio-economische, demografische en beleidsmatige ontwikkelingen halen de onderzoekers drie grote vaststellingen: we moeten heel wat clichés ontkrachten, verkeerde inschattingen bijsturen en werken aan een integrale aanpak van de vergrijzing.

Verkeerde inschattingen

Wetenschappelijk onderzoek is alleen grappig als je onderzoeksresultaten confronteert met waarheden van gisteren. Vooral demografen blinken uit in die oefening. Uit hun tabellen blijkt bijvoorbeeld dat we eind jaren zeventig de verwachte geboortegraad stevig hebben overschat en de ontgroening onderschat. Volgens Johan Surkyn, een demograaf van de VUB, overschatten we de vruchtbaarheid zelfs systematisch. Dit betekent niet dat we optimistisch denken over de bevolkingsevolutie. Het is bon ton te jammeren over het lot van onze welvaartstaat. Door de toename van de levensverwachting en de daling van het aantal geboortes, zouden we welvaart moeten inleveren. Het vruchtbaarheidscijfer in België lag begin jaren zeventig nog rond het vervangingsniveau van 2,1 kind per moeder. Na de babyboom kwam echter de babybust. Ruim dertig jaar later schommelen we rond 1,6 kind per moeder. Het tekort aan kinderen, en dus aan toekomstige werkkrachten, levert het beste bewijs van onze ‘neergang’. Niet waar, zegt Surkyn. Zoals we het aantal geboortes hebben overschat, zo hebben we de positieve gevolgen van migratie onderschat. Migratie is dan wel geen remedie tegen vergrijzing, de instroom van hoofdzakelijk jonge mensen remt al vele jaren de dalende bevolkingstrend af. Bovendien hebben we een gekleurd en te negatief beeld van migratie. Op Vlaams niveau bijvoorbeeld komt ruim een derde van de migranten uit België zelf. Surkyn: ‘Het is dus vanuit menselijk standpunt, maar evenzeer in sociaal-economische zin, aangewezen ervoor te ijveren dat het human capital dat aanwezig is in de migrantenstroom ontwikkeld en gevaloriseerd wordt.’
Nog zo’n punt is onze angst voor sociale desintegratie. Leen Heylen (Universiteit Antwerpen) onderzoekt of en hoe de individualisering het sociale weefsel van ouderen aantast. Verrassend genoeg vindt Heylen weinig redenen tot paniek. Eenzaamheid blijft een maatschappelijk probleem, maar ouderen participeren wel degelijk, zij het anders dan vroeger. Hun contactpatroon bijvoorbeeld is divers, wat niet betekent dat er meer eenzaamheid ontstaat. De individualisering is er ook voor ouderen. Zij stellen eenvoudigweg hun verwachtingen bij. De belangrijkste conclusie uit dit onderzoek is wellicht dat je niet meer kan spreken over ‘de ouderen’. Bejaarden zijn een bijzonder heterogene groep geworden.

Clichés ontkrachten

De manier waarop gezinnen en families zich ontwikkelen, heeft een zware invloed op de ouderenzorg. Benedicte De Koker, Thérèse Jacobs en Edith Lodewijckx (Universiteit Antwerpen) onderzochten die invloed in de periode 1975-2005. We zijn ervan overtuigd dat onze maatschappij gebukt gaat onder een gebrek aan zorg en een overschot aan egoïsme. Het lijkt alsof steeds minder mensen willen zorgen voor zieke of familieleden. De cijfers uit het onderzoek spreken dit tegen. Hoewel de intensiteit van de mantelzorg daalt, zorgen we met meer liefde dan vroeger. Mantelzorg mag een minder vanzelfsprekende bezigheid worden, het gebeurt met een grote motivatie en dus is de zorgbelasting kleiner.
We zorgen niet meer omdat het moet, maar omdat we het graag doen. Ook het feit dat we steeds meer vinden dat respect in familieverband moet worden verdiend, speelt een rol. Kijk maar naar de beruchte onderhoudsplicht. Ruim 53% van de Vlamingen tussen twintig en vierenzestig wijst de huidige wettelijke regeling af. In de leeftijdsgroep tussen vijftig en vierenzestig loopt die afwijzing op tot 60%. De meeste ouderen, vooral die met kinderen, wijzen de gedwongen familiale solidariteit af. Uit de enquête Zorg in Vlaanderen van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie (CBGS) blijkt dan weer een zeer grote bereidheid om zorg te verlenen aan een niet-inwonend familielied. En uiteraard zijn het nog steeds voornamelijk de vrouwen die zorgtaken opnemen. De nieuwe man is nog niet voor morgen.
Dit lijkt enigszins geruststellend, maar in vele (stedelijke) gebieden vergrijst de bevolking zienderogen. Alles wijst erop dat ons zorgsysteem in zijn voegen kraakt. De bevolkingsevolutie heeft een situatie doen ontstaan van acute nood, een wachtlijstcultuur die steeds zwaarder drukt op het budget van de overheid. Of is dit voor een groot deel perceptie? Ignace Leus, directeur Afdeling Zorg van de Christelijke Mutualiteit, waarschuwde in een reactie op het onderzoek van De Koker, Jacobs en Lodewijckx voor zelfgenoegzaamheid, zeker wat de ouderenzorg betreft: ‘We mogen de ogen niet sluiten voor het feit dat de absolute aantallen exploderen. Tot 2010 beleven we een relatief stille periode, maar vanaf dat moment zullen we een explosie meemaken.’ Leus neemt dan zelfs het woord ‘verschrikkelijk’ in de mond. Hij pleit onomwonden voor een Marshallplan voor de opvang van bejaarden.

Is meer ook beter?

Meer levensjaren zijn alleszins niet noodzakelijk betere levensjaren, zo blijkt uit het onderzoek Demografie van de gezondheid in Vlaanderen van Patrick Deboosere (Vrije Universiteit Brussel). ‘Veel meer dan de puur demografische of economische afhankelijksheidsratio’s, zal de toekomst worden bepaald door de gezondheidsafhankelijkheidsratio,’ schrijft hij. Zullen we, met andere woorden, in staat zijn om voldoende zorg te mobiliseren wanneer er steeds meer oude zieke mensen bijkomen? Zelfs na een lange periode waarin onze levensverwachting elk jaar een seizoen won, zitten we niet aan de limiet. De gemiddelde leeftijd kan nog omhoog, maar brengt Deboosere ook tot enkele ontnuchterende vaststellingen. We komen in de problemen als de vergrijzing zou doorgaan zonder dat de geneeskunde zich verder ontwikkelt. Met steeds meer en steeds oudere bejaarden zal de ziekte van Alzheimer bijzonder zwaar wegen op het budget. Het belang van preventie neemt fors toe, maar ook dat van farmaceutische innovatie. Wellicht zal die ontwikkeling ook tot ethische dilemma’s leiden. Moet de maatschappij de verantwoordelijkheid nemen voor al onze gezondheidsrisico’s? Dure research die nog duurdere geneesmiddelen moet opleveren waarmee dure hoogbejaarde zieken nog langer in leven moeten worden gehouden? Het wordt geen eenvoudige discussie.
Hetzelfde geldt voor het ouderenzorgaanbod. Tussen 1975 en 2005 is het in Vlaanderen – zowel in de thuiszorg als in de residentiële zorg – verruimd en gedifferentieerd. De thuiszorg is in Vlaanderen beter uitgebouwd dan in Wallonië en Brussel. Maar Vlaanderen behoort niet meer tot de koplopers in Europa en het ouderenzorgaanbod in Vlaanderen blijft erg gefragmenteerd.
Bea Cantillon, coördinator van Covive, wil de feiten voor zich laten spreken. De realiteit is veel complexer dan schema’s en clichés, en ze is vatbaar voor verandering. Cantillon noemt de toestand niet hopeloos, wel zorgelijk. Onze verzorgingsstaat heeft een achterstand opgelopen in vergelijking met twintig jaar geleden. Het ziet er minder gunstig uit dan we zelf willen geloven. Die vaststelling staat ook in Postremus inter pares, een recent rapport van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (CSB) waarin de socio-economische prestaties van België worden vergeleken met andere Europese landen.
De zeer diverse onderzoeken die Covive voert, vormen de aanzet van een breed verhaal over onze nabije toekomst. Die integrale aanpak is broodnodig, want in de vergrijzing komen haast alle belangrijke maatschappelijke thema’s samen. Bovendien delen we de vergrijzing met onze buurlanden. In de onlangs verschenen Nederlandse essaybundel De vergrijzing leeft schrijft socioloog Kees Schuyt: ‘Vergrijzing is geen ramp. Een ramp komt onverwacht. De vergrijzing zagen we al jaren aankomen. De enige overeenkomst tussen een ramp en de vergrijzing is dat ook bij de vergrijzing overheidsinstanties langs elkaar heen werken. Maar er hoeven eigenlijk helemaal geen dramatische en draconische beslissingen te worden genomen, als we tenminste niet te lang wachten.’
Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Harold Polis

Dolf van den Brink en Frank Heemskerk, De vergrijzing leeft. Kansen en keuzen in een veranderende samenleving, Bert Bakker, Amsterdam, 2006, 19,95 euro. ISBN 90-351-3021-9.
Roeland Byl, e.a., Red de welvaartsstaat. [Met een voorwoord van Mark Eyskens], Roularta Books, Roeselare, 2005, 196 blz. ISBN 90-5466-697-8.
Koen de Leus, Naar grijsland. Uitvaart van onze welvaart. Met een voorwoord van Yves Leterme, Roularta Books, Roeselare, 2006, 328 blz., ISBN 90-5466-913-6.
De jaarverslagen van de Commissie voor de Vergrijzing staan op de website van het Federaal Planbureau: http://www.plan.be. Voor meer informatie over Covive, zie www.covive.be.
Het rapport Postremus inter pares kan je volledig downloaden.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van maart 2007.)

Geen opmerkingen: