woensdag 12 december 2007

Een toekomst voor onze steden




(Was Gogol een Antwerpenaar geweest, hij had niet over de Nevski Prospekt geschreven, maar over de Abdijstraat op het Kiel.)


Soms komt de verlossing akelig dichtbij. Zoals na de overwinning van Patrick Janssens bij de Belgische gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober jongstleden. Het zegevierende deel van Antwerpen verzwond haast in een draaikolk van euforie. ‘Ze’ waren een halt toegeroepen. De internationale pers, belust op een overwinning van extreemrechts, moest zich tevreden stellen met goed nieuws. Aan de overwinning ging een on-Belgische campagne vooraf die, deels spontaan, deels subliem geregisseerd, de steun aan Janssens fors deed toenemen. De sfeer in Antwerpen was die van de laatste der dagen. Hoeveel rechtvaardigen woonden er nog in de stad? Voldoende zo bleek om Antwerpen van de voorspelde ondergang te redden.

De strijd om Antwerpen was een strijd om de openbare ruimte: houden we de poorten van de stad open of laten we Antwerpen aan de Antwerpenaren. Nergens in België heeft dit vaak cynische en van elk moreel besef gestripte gevecht zo intens gewoed. Nergens, behalve in Brussel. Maar over die stad, de enige echte metropool in onze contreien, weten steeds meer Vlamingen steeds minder. Wat de reikwijdte van het bestuur betreft, richt de Vlaamse Gemeenschap zich in Brussel op een imaginair publiek van 300.000 mensen. Het werkelijke aantal Vlamingen is uiteraard vele malen kleiner. Socioloog Philippe Van Parijs voorspelde in Brussel Deze Week dat de Vlaming en dus ook het Nederlands zou verdwijnen uit de hoofdstad. In hetzelfde weekblad schreef Steven van Garsse hierover op 20 september: ‘Er zijn proportioneel meer in het Nederlands geregistreerde overlijdens in Brussel dan geboorten. Cru gesteld: de Vlaming in Brussel is een uitstervende soort, al gaat dat proces heel langzaam.’ Het is een realiteit die aansluit bij de diepe onderstroom van Vlaamse angsten en zwarte gedachten. We worden verjaagd uit onze eigen straat door mensen die alles behalve schorseneren met witte saus eten, ons werk afpakken, een andere taal spreken en veel kinderen maken. Dit doemdenken heeft, samen met het onveiligheidsgevoel, het maatschappelijke klimaat in Vlaanderen de afgelopen twintig jaar verziekt. En Brussel lijkt reddeloos verloren. Stefaan Huysentruyt in De Tijd van 4 november: ‘Brussel kan de Vlaamse publieke opinie zo langzamerhand gestolen worden.’ In zo’n wereldbeeld begint het buitenland een steenworp voorbij Vilvoorde.

Sinds 1947 heeft de overheid in Brussel geen talentelling meer georganiseerd – gelukkig. De openbare en bestuurlijke ruimte is er grondwettelijk tweetalig. Elke poging om die toestand af te stemmen op het werkelijke taalgebruik blijft, zolang België bestaat, politieke zelfmoord. Veel erger dan de sektarische steekspelen zijn de oneindig grote maatschappelijke problemen in de hoofdstad: armoede, werkloosheid, huisvestingsdrama’s, een knarsend overheidsapparaat, een verouderende autochtone bevolking, een toename van achtergestelde allochtone Belgen. Begin er maar aan. Abdiceren is een dus een aanlokkelijke, zij het weinig realistische optie. Onder meer de ondertekenaars van het Manifest voor een Zelfstandig Vlaanderen in Europa willen Brussel onderbrengen in een sale-and-leasebackoperatie. Vlaanderen zelfstandig, Brussel weg en na ons de zondvloed. De openbare ruimte wordt botweg gesaneerd. De gevreesde Brusselitis is een uitvergroting van problemen die ook in andere Belgische steden spelen, Antwerpen op kop. Onze maatschappelijke en economische voorspoed zal in toenemende mate afhangen van de mate waarin we de effecten van migratie een positieve wending kunnen geven.

Het debat over de openbare ruimte is een dovemansgesprek tussen de profeten van de verloedering (‘we durven niet meer op straat komen’) en de samenlevingspositivo’s (‘laat ons een straatfeest organiseren’). Twintig jaar angst voor extreemrechts heeft Vlaanderen en België bepaald niet meteen weerbaarder gemaakt. Al te vaak staren we als konijnen – om de beeldspraak van De Morgen-journalist Filip Rogiers te gebruiken – in de lichtbak van het Vlaams Belang. Moeten we sociale segregatie aanvaarden? Moeten we vrijheden opgeven in ruil voor een sterkere controle? Moeten we van vrijheid een individueel recht maken dat, net als godsdienst, liefst achter gesloten deuren wordt geconsacreerd? Naarmate het sociale weefsel desintegreert en het individualisme toeneemt, lijken we een groter belang te hechten aan een zuivere, hypergecontroleerde en probleemloze openbare ruimte. Het werkelijk schokkende nieuws is echter dat er nog steeds sociale cohesie bestaat. Alleen is ze niet meer uitsluitend gebaseerd op de klassieke familiebanden. Antropologe Ruth Soenen schreef hierover een zo goed als revolutionair boek: Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad. Hierin beantwoordt ze de vraag waGt ‘de gemeenschap’ vandaag kan betekenen. Een bijzonder groot deel van onze relaties is efemeer en speelt zich af in de openbare ruimte. Vluchtige ontmoetingen nemen de rol over van bloedbanden en clangevoel. Soenen breekt een lans voor de vele tijdelijke gemeenschapsvormen die we meemaken. Ze plaatst die tegenover meer traditionele gemeenschapsvormen die erop gericht zijn om een collectieve identiteit te creëren. Het oude gemeenschapsideaal veronderstelt echter een homogene groepsvorming, die te vaak mensen uitsluit, of reduceert tot hun maatschappelijke of etnische identiteit. Diversiteit volstaat niet om dit te doen werken.

Het kleine ontmoeten is een opvallend concreet boek. Wetenschappelijk onderzoek vormt haast een aanleiding om een brede kijk op de wereld te krijgen. Ruth Soenen, medewerker van het aan de KULeuven verbonden Onderzoekscentrum voor Interculturalisme, Migratie en Minderheden (IMMRC), pleit voor een ‘ambivalente samenleving’. Ze bedoelt hiermee dat we pas goed kunnen samenleven als we bereid zijn om tegenstellingen en diversiteit te aanvaarden. En dit op alle niveaus. Het meest frappante voorbeeld van die visie geeft Soenen in het hoofdstuk over het café van de vestiging van de Hema op het Antwerpse Kiel. Als je de samenleving wil begrijpen, volstaat het niet om in socio-economische of etnografische doelgroepen te denken. Je moet kijken naar de samenstelling van het publiek dat het café van de Hema bezoekt. Wie zijn ze, wat zeggen ze, hoe gedragen ze zich tegenover elkaar? De kleine, want onvoorziene ontmoetingen in het café van de Hema bieden een uniek inzicht in het stedelijke relatienetwerk. Het gevaar van het denken in socio-economische doelgroepen is dat mensen worden opgesloten in die doelgroep, dat hun fijnmazige relatienetwerk en hun gelaagde identiteit niet meer aan bod komen.

De kritiek die Soenen uit is gegrond en allerminst ongenuanceerd. ‘Een gemeenschap kun je niet alleen met intimi vormen,’ zegt Ruth Soenen. ‘Je moet ambivalentie toelaten in de gemeenschapsvorming: hou rekening met tegenstellingen, andersdenkenden, onbekenden. Pas als je dit toelaat, kun je een efficiënt doelgroepenbeleid voeren.’ Alles begint bij het besef van diversiteit. Daarom noemt Soenen het café van de Hema een ‘spiegel van de samenleving’. Ook de Antwerpse Tram 12 krijgt een belangrijke plek in Soenens onderzoek. Ze beschrijft de tram als een rijdende proeftuin, gevuld met mensen van zeer diverse pluimage. Die tram maakt een ronde door de hele stad, door goede en slechte wijken, en is dus een perfecte metafoor voor de hedendaagse stedelijke samenleving. Veel meer dan een verzameling sociale tegenstellingen, doelgroepen en afgescheiden buurten vormt de stad voor Ruth Soenen een netwerk. En waar kun je dat netwerk beter observeren dan op een tram waar je onbekende en vertrouwde mensen ontmoet.

Als sociaal experiment is de tram een vrij confronterende ervaring, zeker in Het kleine ontmoeten. Dat weten we sinds Gerard van Westerloo begin jaren tachtig in Vrij Nederland enkele vernietigende reportages publiceerde over de Amsterdamse tramlijn 16. De door Van Westerloo geportretteerde trambestuurders stonden in de vuurlinie van een intens veranderende wereld. Omdat de politiek hun klachten negeerde, noemden ze hen schamper ‘de socialen’ – want dat waren die politici hoegenaamd niet, ze bleven blind voor de werkelijkheid. Ruth Soenen zet een stap verder. Ze gebruikt de tram als laboratorium. Het basiswerk dat Soenen verricht, berust op participerende observatie. Ze kijkt naar de tramreizigers alsof ze een onbekende stam in de Amazone gadeslaat. Als je leest hoe we op de tram met elkaar omgaan en welke gedragsvariaties we vertonen, kun je je niet anders dan betrapt voelen. Het resultaat van de onderzoeksmethode van Soenen is sterk journalistiek of zelfs literair getint, wat Het kleine ontmoeten even bevattelijk als meeslepend maakt. De Franse schrijver Georges Perec heeft ooit een vergelijkbaar project uitgewerkt. In zijn schitterende roman Het leven. Een gebruiksaanwijzing beschrijft hij de samenleving aan de hand van de inwoners van een Parijs appartementsgebouw.

Mensen zijn niet noodzakelijk geïnteresseerd in hooggestemde politieke projecten, stelt Ruth Soenen. Ze zien daarentegen wel allemaal wat er gebeurt op een tram. De relaties daar zijn concreet en tastbaar. Je moet dus als overheid een slimme ‘trampolitiek’ volgen. Mensen zijn er niet noodzakelijk aan gewend om samen in een kleine ruimte te staan of te zitten. Ouderen hebben andere verwachtingen bij een tramrit dan jongeren. Die botsing van culturen leid tot ruzies over luidruchtig of onbeleefd gedrag, bevestigt de polarisatie en de vooroordelen. In haar boek doet Soenen, op basis van haar onderzoek, zeer concrete voorstellen. Om veiligheid te verbeteren is een controleur bijvoorbeeld geschikter dan een lijnspotter. De controleur heeft een duidelijke functie. Het interieur van de tram, de tramhaltes en de metrostations moeten erop gericht zijn om problemen te vermijden. Vaak gaat het om kleine ingrepen die een enorme impact kunnen hebben op het welbevinden van de reiziger. Na de gewelddadige dood van NMBS-machinist Guido Demoor op bus 23 is Soenen gevraagd om mee te schrijven aan het nieuwe veiligheidsplan van De Lijn.

Ruth Soenen wil wetenschap bedrijven die in de sociale realiteit is geworteld. Dit engagement heeft als voordeel dat ze kritisch staat tegenover ideologieën. Gemeenschapsdenken versus individualisme bijvoorbeeld. Net daarom kun je Het kleine ontmoeten ook lezen als een oefening in gezond verstand. Haar vurige pleidooi voor ambivalentie kan nuttig zijn voor zeer uiteenlopende sectoren. Zo zal Ruth Soenen zich de komende jaren bezighouden met de publieke ruimte en hoopt ze als antropologe samen te werken met architecten. Een multidisciplinaire aanpak gaat niet zelden gebukt onder de ondraaglijke lichtheid van het bestaan, maar in dit geval is het tegendeel waar. Hoe onderbouwd Het kleine ontmoeten ook is, de kracht van het verhaal berust op een uiterst eenvoudige en gedegen methode: blijf kritisch denken. Om uitspraken te doen over de samenleving vindt Ruth Soenen het nodig om die samenleving goed te observeren. De klassieke socio-economische tegenstellingen volstaan niet meer om greep te krijgen op de snel veranderende samenleving. Je moet netwerken in kaart brengen.

De netwerken die Soenen onderzoekt, bevinden zich in de stad. Vlaanderen is steeds meer een breed uitgemeten geheel van steden en voorsteden. Afhankelijk van de manier waarop je die stedelijkheid meet, kun je maximaal 80% van Vlaanderen als stedelijk gebied beschouwen. Die ontwikkeling wordt uitgebreid behandeld in De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden (2003), het witboek van het Project Stedenbeleid van de Vlaamse Gemeenschap. Ook in het witboek luidt een van de vaststellingen dat je geen klassieke verklaringen meer kunt toepassen op de Vlaamse stedelijke werkelijkheid.

Als Vlaanderen een immer uitdijende stedelijke olievlek is, dan beïnvloedt dit ook de manier waarop we samenleven: veranderende gezinsstructuren, globalisering, migratie, vergrijzing. De verstedelijking versnelt die ontwikkelingen nog. De afgelopen jaren heeft de stad dan ook een hoofdrol gespeeld in het Vlaamse politieke en maatschappelijke leven. Onveiligheid is een bij uitstek stedelijk fenomeen. Je hebt een duidelijk en hedendaags stedenbeleid nodig om zowel de werkelijke als de gepercipieerde onveiligheid aan te pakken. Nadenken over de stad is dus pure noodzaak. Het kleine ontmoeten biedt een verfrissend nieuwe kijk om de stedelijke samenleving. En bovendien heeft Soenen een realistische, prikkelende en positieve boodschap. De wereld is veranderd en net de stedelijkheid kan helpen om ons aan te passen.

Nee, onze beschaving gaat niet ten onder. Het is bovendien maar zeer de vraag of het maatschappelijke debat uitsluitend moet gaan over de teloorgang van de publieke ruimte of de erosie van het sociale weefsel. De stelling die Soenen bewijst, is dat het afbrokkelen van de traditie allerminst betekent dat stadbewoners niet meer sociaal zouden zijn. Het kleine ontmoeten speelt een belangrijke rol. Ook de commercialisering van de stad (winkelstraten en –centra) biedt nieuwe mogelijkheden om mensen te ontmoeten. Het is fout om de stad uitsluitend te bekijken als een geheel van socio-economische groepen en ongelijkheden, waarbij mensen vooral worden bepaald door de groep(en) waartoe ze behoren. We moeten ook oog hebben voor het efemere, het voorbijgaande, schrijft Ruth Soenen. We moeten te weten komen hoe ons sociale leven in de publieke ruimte echt verloopt. Mensen gaan in de ambivalente stedelijke samenleving op een andere manier relaties aan. En die zijn niet slechter of beter dan vroeger. Ze zijn anders. Daarom hebben we steden op mensenmaat nodig.

Harold Polis

Ruth Soenen, Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad, Garant, 2006.
De reportage van Gerard van Westerloo is opgenomen in Niet spreken met de bestuurder, Bezige Bij, 2004.
Het witboek De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden kun je volledig downloaden.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van december 2006.)

Geen opmerkingen: