dinsdag 18 december 2007

Geef ons heden ons dagelijks brood (over Stijn Streuvels)


Niemand is nog veilig voor de grote boze wereld. Zelfs Janssen Pharmaceutica, het zelfverklaarde postindustriële mirakel uit Beerse, gaat op de schop. Van mandenvlechters, klompensnijders en intellectuelen wisten we al langer dat het overbodige beroepen waren. Nu komen daar nog de farmaceutische ingenieurs bij, de herauten van de research & development, de pretoriaanse wacht van onze rijkdom. Hoe intens we de risico's van de globalisering ook bezweren, het haalt geen bal uit. Zelfs het verstand van Vlaanderen wordt de wacht aangezegd. En uiteraard staat er dan een idioot die een micro in het gezicht van een willekeurige ontslagkandidaat duwt: "En hoe is de sfeer binnen?" You're punk'd.

Is dat nu vooruitgang, vraagt een mens zich af? Honderd jaar geleden schreef Stijn Streuvels in zijn loodzware romans en novellen over het werkvolk dat gebukt ging onder de slagen van het lot. Het perspectief dat de schrijver aannam was dat van God, schepper van hemel en aarde. Streuvels toonde het werkvolk als kleine stipjes in een onmetelijk universum. En zo gedroeg het werkvolk zich ook. Het fatalisme van Streuvels' personages is niet geschikt voor jonge lezers. In zijn lievelingsroman Langs de wegen (1902) bijvoorbeeld blijft paardenknecht Jan Vindeveughel niets bespaard. Hij verliest zijn vrouw en zijn bezittingen. Zijn kinderen lachen hem in zijn gezicht uit. Bovendien moet Vindeveughel preutelen in het West-Vlaams. De arme man heeft het zwaarder dan Job. Een Bijbelse woestijnexpeditie heeft nog grandeur. De zon schijnt. Er wordt gevloekt in het Aramees. Maar Vindeveughels kloteverhaal speelt zich af in zompige dorpen waar de koeien te depressief zijn om melk te geven. De woorden vallen de personages uit de mond als stukken turf.

Van paardenknecht tot farmaceutisch ingenieur is een grote sprong voorwaarts. Zeker wat het maandloon betreft. Verder hoeft er in honderd jaar niet zoveel te veranderen. In de eeuw van Streuvels waren het de armen die de rijken hun kansen en centen wilden afpakken. Vandaag zijn het de rijken die met man en macht de armen ver weg van hun doening willen houden. En al die tijd joegen de wolken voorbij. "Een bleke straal brak wel door de nevels en vocht er zijn weg in, maar de eerde bleef zwart en somber een boogscheute ver in de ronde en gedoken in smoor." In die oudtestamentische verlatenheid zit de obscene kracht van Streuvels verborgen. Hedendaagse consumenten zouden het in zijn lege wereld geen vijf minuten uithouden. Er valt eenvoudigweg niets te kopen, te pimpen of te spinnen.

In 1890 had de Vlaamse milicien een gemiddelde lengte van 166 centimeter. De kleine man was letterlijk en figuurlijk gekrompen. Hij had "een IQ dat tijdgenoten toeliet hem met stomme lastdieren te vereenzelvigen", heeft Chris Vandenbroeke ooit genoteerd. Maar dat betekent niet dat Streuvels verplicht was om te schrijven over door inteelt verwoeste West-Vlaamse humanoïden. Balzac had enkele decennia eerder in de romans van zijn Comédie humaine aangetoond dat de moderne stedelijke werkelijkheid wel degelijk voer voor literatoren was. Helaas kregen bij zijn Vlaamse collega de wolken het laatste woord.

Als obsessief lezer kende Streuvels zijn klassieken. Hij wist hoe hard hij moest werken om een aanvaardbaar literair niveau te bereiken. "Hij zocht aansluiting bij de Europese literatuur", staat er dan in de literatuurgeschiedenis. Uit bewondering voor de Scandinavische schrijvers leerde Streuvels Noors. De grote Russen, zoals Gogol, Tolstoj of Toergenjev ontdekte hij via zijn vriend Octaaf Debeurme, die een abonnement op het zeer bijdetijdse blad Mercure de France had. West-Vlamingen en Russen hadden het patriarchale boerenleven gemeen. In tegenstelling tot het sarcasme waarmee een Gogol de Russische plattelandsnegorij tot leven wekte, koos Streuvels echter voor ernst en introspectie. Hij liet de wolken zo geheimzinnig voorbijschuiven dat mystieke frictie onvermijdelijk was.

Observatoren als Streuvels tonen ons hoe het er vroeger toeging. Zo lees je in de novelle Leven en dood in den ast hoe cichorei wordt gedroogd. Streuvels vertelt echter niet met evenveel oog voor detail hoe kinderen worden gemaakt. Het recht om die speelse natuurbeelden weer te geven heeft de Vlaamse literatuur stukje bij beetje veroverd. Dreigende wolken en turf brakende oerpersonages wijzen ook op een gebrek aan durf, op het gedogen van ongelijkheid. Het vergt moed om over de mens te schrijven.

Toch is Streuvels ons niet vreemd. In het openingsstuk van zijn nieuwe column 'The conscience of a liberal' in The New York Times verklaart econoom Paul Krugman de geschiedenis van Amerika aan de hand van de fluctuerende sociale ongelijkheid. Krugman zou de verwantschap van de West-Vlaamse paardenknecht en de farmaceutische ingenieur uit Beerse meteen herkennen. Ze zijn allebei het slachtoffer van het vermorzelende onrecht: het individu als speelbal van het lot. In de periode tussen Vindeveughel en Janssen Pharmaceutica heeft zich het wonder van de welvaartsstaat voltrokken, een verschijnsel waarvan het nakende verscheiden ons steeds angstiger stemt.

Voor Stijn Streuvels leek de wereld soms even plat als de houten plaat waarop hij zijn brood bakte. Rond 1890 was Streuvels bakker in Kortrijk, een beroep dat hij later zou beschrijven in Jantje Verdure. Die eenvoudige bakkersknecht kneedt brood en marsepein, terwijl de vlammen van de onrust aan zijn ziel likken. In de biografie Dag Streuvels. Ik ken den weg alleen beschrijft Hedwig Speliers de beginjaren van de man uit Heule op dezelfde dubbele manier. "Streuvels was kennelijk een kind van zijn tijd. Als bakker bleef hij een dorpeling maar als lezer werd hij een Europeaan." Hij, de grote mysticus, de adept van het fin-de-siècle ietsisme, de cartograaf van het onpeilbare zielsleven was de vleesgeworden ambachtelijkheid. Dat kwam goed van pas toen hij als broodschrijver vier decennia lang zijn jaarlijks boek bakte.

Hoe dreigend de natuur door Streuvels ook wordt beschreven, in zijn boeken klinkt vooral het verlangen naar de mythe van een zalvende authenticiteit. "Boeken waar ik geen spoor van een gedachte in kan ontdekken", zegt Hugo Claus in 1983. "Ze bevestigen alleen de heimwee naar een Vlaanderen van niks." Niets dan heimwee naar het dagelijks brood, eerlijk gemaakt en liefst biologisch. In onze grenzeloze wereld streeft iedereen zo intens naar een eigen plek dat die heimwee weer herkenbaar wordt - en voor velen onder ons een geloof is geworden. Hebben we onze plaatsgebondenheid onderschat?

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 26 september 2007.)

Geen opmerkingen: