dinsdag 18 december 2007

In memoriam God (over Gerard Walschap)


(1930: Gandhi tijdens de zoutmars.)

"Hebt gij dat geschreven? Gij? [...] En uw kinderen als ze dat later lezen: vader was nondedju ne smeerlap [...]. Uw boek Adelaïde, hoor Gerard, het ligt in mijn kachel te branden." Het is februari 1930. Mahatma Gandhi bereidt zich voor op zijn geweldloze zoutmars naar Dandi. Jef Geeraerts wordt geboren. En in Westrode maakt Jan Hammenecker zich vreselijk kwaad op Gerard Walschap. Hij zal niet de eerste en zeker niet de laatste zijn.

De jonge katholieke schrijver Walschap wil de stoffige kamers van de Vlaamse letteren luchten. Er kome levenslust. Er weze waarheidsliefde. Een beetje 'kopieerlust des dagelijkschen levens' kan geen kwaad, denkt Walschap. En dus schrijft hij een roman over de zinnelijkheid en het zondebesef van Adelaïde, een wankelmoedige notarisdochter die ten onder gaat aan waanbeelden en de verstikkende sociale druk van haar kleinburgerlijk milieu. Als Emma Bovary in Brabant had gewoond, dan had ze misschien wel Adelaïde geheten.

Uiteindelijk zullen Hammenecker en Walschap weer vrede sluiten, maar het gif is verspreid. Walschap is ne rare, een heiligschenner, een pornograaf. Andere katholieken roeren de grote trom. In de kranten verschijnt er een bericht dat 75.000 kajotters het werk van Walschap verachten - uiteraard zonder te weten wat er juist in Adelaïde staat. Zijn boeken worden 'onzedelijk' geacht door de katholieke bibliotheekdienst, die een grote invloed uitoefent op het leesgedrag van de kudde. Zelfs in de parochie van zijn gezin wordt Walschap tijdens de preek de levieten gelezen. De katholieke kerk is het noorden kwijt.

Nog tragischer is dat de zondaar zelf het niet zo bedoeld heeft. In het gezegende jaar 1969 vertelt Walschap aan zijn vriend Albert Westerlinck: "Ik wilde een door en door authentieke katholieke roman schrijven, die aansloot bij de werkelijkheid van dat ogenblik. Omstreeks de dertiger jaren leek mij de huwelijksmoraal wel het meest aangewezen thema, juist omdat geen twintig procent der gelovigen toen de kerk op dat punt nog volgde." En wij maar kakelen over de perceptie, onze bewustzijnsvernauwende welvaartskwaal. Het was vroeger krak hetzelfde. En wellicht gaat het vandaag stukken beter.

Walschap keerde het geloof de rug toe. Zijn imago was dat van een iconoclast, een virulente vrijzinnige. Een afgodenhater die, soms tot op het sterfbed, discussies met vrienden voerde over het Hogere Wezen, dat voor hem niet bestond en zelfs in een homeopathische dosis of op agnostische wijze onaanvaardbaar was. In werkelijkheid was hij iemand die al schrijvend en debatterend mensen uitdaagde om hun verstand te gebruiken. Walschap heeft als bevoorrechte getuige, slachtoffer en mededader het vertrek van God uit Vlaanderen meegemaakt. Een gebeurtenis die evenveel tragiek en gemis als opluchting en bevrijding heeft opgeleverd.

Die ene gehavende foto van pastoor Hammenecker en zijn poulain Gerard Walschap toont wat voor een lange weg we op honderd jaar hebben afgelegd. Het Vlaamse dorp Londerzeel omstreeks het jaar 1914: een jongen die voorbestemd is om God en Vlaanderen te dienen, wordt geportretteerd in het gezelschap van zijn mentor, een hooggestemde priester-dichter die hem de literatuur zal binnenleiden, tot de verlossing erop volgt. De geschiedenis heeft onderweg enkele scherpe bochten genomen en is op een andere bestemming aangekomen.

Vandaag is God een passant in de Vlaamse literatuur. De paasklokken en de liefde tot Maria zijn uit de verzen verdwenen. En de razende, niet zelden wanhopige discussies die Walschap zijn leven lang heeft gevoerd, lijken op scènes uit een tijdvak dat in musea wordt tentoongesteld. Hoe boeiend die periode ook is geweest, heimwee is ongepast, zowel voor gelovigen als ongelovigen. Decennialang heeft onze samenleving, en ook de literatuur, geworsteld met een levensbeschouwelijk conflict dat levens, tijd en energie heeft vernietigd. Niemand heeft het recht om die geest weer uit de fles te halen.

De ogenschijnlijke onverschilligheid tegenover het geloof is een vooruitgang. Binnen de begrenzingen van de grondwet staat het iedereen vrij te ijveren voor meer of minder God in de samenleving. De tijd is voorbij dat een levenbeschouwelijke strekking het monopolie heeft op de heilsverwachting, het schuldbesef of de morele normen. Nochtans gaan er in Europa stemmen op om het geloof weer een prominentere plaats te geven in de samenleving. Niet zelden, zoals bij de pluralistische bevlieging van Steve Stevaert, wordt het geloof geïnstrumentaliseerd. Zo zou het geloof een middel kunnen zijn om de maatschappelijke verzuring tegen te gaan.

Ook de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid komt in het rapport 'Geloven in het publieke domein' tot het besluit dat het opbouwen van sociaal kapitaal nauw samenhangt met kerkelijkheid. In zijn De mythe van het vrije ik. Pleidooi voor een menselijke vrijheid gaat CD&V-senator Wouter Beke nog een stap verder: de moderne mens heeft zich afgekeerd van het individualisme en hunkert naar een ordelijk bestaan, een gemeenschapsleven dat per definitie gestoeld is op de erfenis van de religieuze (christelijke) moraal. "Een grote groep van mensen voelt zich pas echt vrij wanneer anderen voor hen keuzes maken." Ongeveer hetzelfde standpunt wordt gehuldigd door de populaire Franse essayist Jean Sévillia in het pas verschenen Moralement correct. Recherche valeurs désespérément. "Les bouleversements qui, depuis trente ans, se sont produits dans les mentalités produisent des conséquences dont nous sommes les victimes. Tous."

Ondanks de eerlijke verontwaardiging die mensen als Stevaert, Beke of Sévillia bindt, lijken ze zich, elk op hun manier, te verbergen achter het geloof en de religieuze ethiek. God, religiositeit en verbondenheid worden als een excuus gebruikt om acute maatschappelijke problemen te bezweren met hocus pocus.

Het is absurd om te denken dat mensen, gelovig of niet, onvrij zouden willen zijn. Het is even bevreemdend om moralistische standpunten boven de werkelijkheid te verkiezen. Senator Beke beweert bijvoorbeeld dat ons sociaal kapitaal 'verdampt', wat een moralistische en geen realistische uitspraak is. Onder meer de recente onderzoeken van Covive, een interuniversitair consortium dat de sociaaleconomische impact van de vergrijzing onder loep neemt, bewijzen dat we nog steeds veel zorgen voor elkaar. Mensen stellen hun verwachtingen bij. Individualisme staat solidariteit niet in de weg. Zo blijkt dat zorgen voor elkaar veel meer dan vroeger een oprechte keuze is en geen invulling van een contractuele plicht. We doen wat mensen altijd hebben gedaan: zich aanpassen. En als we ons Gerard Walschap herinneren - wat voor ons, geschiedenisschuwe Vlamingen, af en toe geen kwaad kan - moeten we daaraan toevoegen: blijven nadenken.

God ziet u: hier gebruikt men ook zijn verstand.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 4 april 2007.)

Geen opmerkingen: