zondag 13 januari 2008

Het onveiligheidsgevoel in België

Weinig maatschappelijke thema’s hebben het afgelopen decennium zo’n bepalende rol gespeeld als het onveiligheidsgevoel. Zowel de politiek, de publieke ruimte als ons individuele bestaan zijn er grondig door veranderd. Na al die jaren blijft nog steeds de vraag waar de reële onveiligheid eindigt en het onveiligheidsgevoel begint. Voor velen is veiligheid een wens. Voor Yves Leterme was het tijdens de verkiezingsavond van juni 2007 een belofte: meer zekerheid, meer veiligheid en een moderne staatshervorming.
Veiligheid is een amorf begrip. Anders dan de temperatuur of het waterpeil is het moeilijk meetbaar en altijd onderhevig aan interpretaties. Uiteraard zijn er de criminaliteitsstatistieken waarin de federale politie de geregistreerde feiten samenbrengt, maar zelfs die statistieken vormen vaak het onderwerp van discussie. En er is altijd een dark number. Niet alle gepleegde feiten worden aangegeven. Die lijsten van aangedaan leed maken alleszins duidelijk dat misdaad, agressie, overlast en geweld een onvervreemdbaar deel vormen van de mens, en dus van onze samenleving.
In de weken nadat Joe Van Holsbeeck op 12 april 2006 in het Centraal Station van Brussel was doodgestoken, hebben jongeren tussen vijftien en vierentwintig zich onveiliger gevoeld. Na enkele weken verdween dat acute gevoel. Een maand later, op 11 mei 2006, werden de racistische moorden in Antwerpen gepleegd. Die tragische feiten hadden dan weer geen invloed op het onveiligheidsgevoel van de burgers. Sommige geweldsfeiten waarover uitgebreid wordt bericht in de media, kunnen het onveiligheidsgevoel bij een specifieke bevolkingsgroep tijdelijk beïnvloeden – maar niet altijd. Die vaststelling kun je maken op basis van de Veiligheidsmonitor die sinds 1997 om de twee jaar wordt opgesteld in opdracht van de federale minister van Binnenlandse Zaken. Het is een van de weinige tastbare meetinstrumenten van het onveiligheidsgevoel. Het rapport is het resultaat van een telefonische enquête bij Belgen ouder dan vijftien. Voor de aflevering van 2006 werden ruim 43.000 mensen uitgebreid ondervraagd naar hun ervaringen over veiligheid en het functioneren van de politie. Een constante in de periode 1997-2006 is dat Vlamingen zich veiliger voelen dan Walen of Brusselaars. Vijfenzestigplussers, vrouwen en laaggeschoolden voelen zich dan weer bij elke meting opmerkelijk onveiliger dan andere bevolkingsgroepen. Dat is een paradox, want statistisch gezien lopen bejaarden en vrouwen minder veiligheidsrisico’s.

Maatschappelijke fractuur

Toen in de lente van 1999 de dioxinecrisis uitbrak, besefte het hele land plots hoe kwetsbaar de voedselketen was. De angstpsychose die erop volgde, beïnvloedde zelfs de uitslag van de federale verkiezingen in juni van dat jaar. Eerder dan een uitzondering was dit massaal beleefde onveiligheidsgevoel een bizar hoogtepunt van een decennium dat door onveiligheidsgevoelens werd gedomineerd. Een van de vele lessen uit de dioxinecrisis is dat onveiligheid bijlange na niet alleen met criminaliteit of slachtofferschap te maken heeft. Bovendien heeft het weinig zin te spreken over kleine of grote, over reële of ingebeelde onveiligheid.
Hetzelfde geldt voor de onveiligheidsgevoelens die de voedingsbodem van ‘zwarte zondag’ vormden. De electorale doorbraak van het toenmalige Vlaams Blok op 23 november 1991 bracht een breuk in de samenleving aan het licht. Bijna een half miljoen kiezers stemden op politici die de schuld voor heel wat samenlevingsproblemen bij ‘de allochtonen’ legden. Over de betekenis van onveiligheidsgevoelens is sindsdien bijzonder veel inkt gevloeid. Onder meer het werk van socioloog Mark Elchardus is hierbij richtinggevend geweest. Met zijn onderzoeksgroep TOR (VUB) onderzoekt hij hoe Vlamingen reageren op maatschappelijke ontwikkelingen. Een rode draad in zijn publicaties is het onveiligheidsgevoel als maatschappelijk probleem. Onze maatschappij kiest de criminaliteit als verklaring voor het gevoel van kwetsbaarheid en bedreiging. Dit complexe systeem van angsten vat Elchardus samen met het begrip ‘onbehagen’. Criminaliteit is slechts een van de vele aanleidingen om zich kwetsbaar te voelen. De buurt waarin je woont, speelt een bepalende rol. Als een buurt wordt gekenmerkt door overlast, verloedering en etnische heterogeniteit is het onveiligheidsgevoel van de bewoners groter. Ook de mate waarin je sociaal geïntegreerd bent, bepaalt of je je veilig voelt. Financiële onzekerheid en negatieve toekomstverwachtingen zijn evenmin bevorderlijk voor het veiligheidsgevoel. Resultaat: volgens de metingen van Elchardus voelt de gemiddelde Vlaming zich behoorlijk angstig.
Een treffende illustratie van die verschillende vormen van onbehagen wordt gegeven in Luisteren naar mensen over onveiligheid, een omvangrijk rapport van de Koning Boudewijnstichting. De Stichting laat hierin gewone mensen aan het woord en geeft vijf ‘krachtlijnen voor meer veiligheid voor iedereen’. Het onveiligheidsgevoel moet ernstig worden genomen. Onveiligheid neemt vaak andere vormen aan. Een ongelijke geografische spreiding vraagt om een aanpak op maat. Onveiligheid treft iedereen, maar het is ook ieders verantwoordelijkheid. En veiligheid is een fundamenteel recht.
Luisteren naar mensen over onveiligheid toont aan hoe veiligheid binnen enkele jaren tijd van een stroef ideologisch thema is veranderd in een uiterst belangrijk maatschappelijk strijdpunt. Terwijl de bevolking vergrijst, de globalisering onze economie dooreenschudt, de kennisrevolutie nieuwe ongelijkheden schept en diversiteit kleur aan de samenleving geeft, hebben we er alle baat bij om de boel bij elkaar te houden. Bij het wegnemen en begeleiden van onzekerheid, kwetsbaarheid en onveiligheid krijgt de zorgsector een hoofdrol toebedeeld. Soms staat de zorg ten dienste van een gewapend bestuur dat overijverig is om de burgers te beschermen. Welzijnsbeleid wordt dan een verlengde van het veiligheidsbeleid. Het straathoekwerk is een berucht voorbeeld. Het sociale resultaat dat de straathoekwerker behaalt, wordt ook geïnterpreteerd als het inperken van overlast. De straathoekwerker als politieagent in burger heeft echter weinig kans op slagen. Welzijnswerk is en blijft het uitgangspunt. Zowat alle sectoren spelen hierbij een rol, zeker ook de penitentiaire sector. Het Gesundes Volksempfinden eist strengere straffen en meer gevangeniscellen. Maar in de praktijk blijkt het de gevangenis zelf te zijn die hulp nodig heeft. Voorstanders van een betere begeleiding van gevangenen, zoals strafpleiter Walter Van Steenbrugge, krijgen echter nauwelijk gehoor.

Vlaamse veiligheid

De Vlaamse Gemeenschap is verantwoordelijk voor persoonsgebonden materies. In het grote veiligheidsverhaal valt onder meer de sterke uitbouw van de eerstelijnszorg op, waarbij ‘preventie’ en ‘laagdrempeligheid’ de toverwoorden zijn. Vlaanderen is onderverdeeld in zestig zorgregio’s waar het zorgaanbod zo gespreid mogelijk wordt uitgebouwd. Het toegankelijke hulpaanbod, bijvoorbeeld via het netwerk van de Centra voor Algemeen Welzijnswerk, moet mensen ook ondersteunen bij het zelf aanpakken van hun problemen en bij het versterken van hun basisrechten, zodat de afhankelijkheid van de zorg niet te groot wordt. Er is ook een pragmatische reden voor die aanpak. Een stevige eerstelijnszorg biedt een remedie tegen wachtlijsten en beperkt de druk op het welzijnsbudget. Hoe meer mensen afhankelijk zijn van de zorgsector, hoe meer het budget onder druk komt te staan.
Een andere evolutie is de omschakeling van aanbodgestuurde naar vraaggestuurde zorg, zoals de Integrale Jeugdhulp. De competenties van de zorgsector zijn omvangrijk en bijzonder verscheiden. De uitdaging van de toekomst is ongetwijfeld de samenwerking tussen diensten, overheden, instellingen en projecten zo goed mogelijk te organiseren. Ook dat is eigen aan de hedendaagse zorgsector. De jarenlange inspanning om de kwaliteit van de zorg te verbeteren ging gepaard met een steeds scherper besef van individuele zorgvraag. Zorg op maat veronderstelt niet alleen een uitgebreid zorgaanbod, maar ook een sector die de cliënt niet ondergeschikt maakt aan de structuren. Overigens wordt de zorgsector hiertoe aangespoord door de cliënten zelf. Ze zijn mondiger geworden en kennen hun rechten beter.
De toename van de zorgvraag is ten dele toe te schrijven aan het feit dat mensen bewuster zijn geworden van hun situatie en minder tolerant tegenover onwelzijn. Die vaststelling staat los van de vraag of de toename in alle gevallen ook echt beantwoordt aan een reële behoefte. Tegelijkertijd hebben beleidsmakers begrepen dat een goed georganiseerde zorgsector de maatschappij leefbaarder kan maken. De zorgsector moet dus beantwoorden aan hooggespannen verwachtingen.

Integrale veiligheid

Veiligheidsplannen zijn op geen enkel overheidsniveau nog weg te denken. De (federale) staat heeft in onze samenleving het monopolie op geweld en heeft dus als uiterst belangrijke opdracht de burgers en hun bezittingen te beschermen. Geweld, agressie en criminaliteit zijn even oud als de mensheid, maar veranderen voortdurend. Van computercriminaliteit was twintig jaar geleden geen sprake, terwijl het vandaag een reëel gevaar is en een bron van onveiligheidsgevoelens. Het beleid moet voortdurend worden aangepast, getuige de door de federale Ministerraad goedgekeurde Kadernota Integrale Veiligheid (30 maart 2004): ‘Integrale veiligheid is het concept om criminaliteit, overlast en verkeersveiligheid in al hun aspecten in een zo breed mogelijke context te benaderen. De kerngedachte hierbij is de permanente aandacht voor zowel preventie, repressie als de opvolging van daders en slachtoffers.’ Die alomvattende aanpak komt tegemoet aan de complexe veiligheidsproblemen waarmee we worden geconfronteerd. Alleen door internationale samenwerking kun je een rondtrekkende dadergroep of een terroristische cel oprollen. Het bestrijden van sociale en ecologische fraude vergt niet zelden spitstechnologie en juridische krachttoeren. Oom agent lost dit niet in zijn eentje op.
De misdaden die Marc Dutroux midden jaren negentig pleegde, zorgden voor een revolutie van de manier waarop we met veiligheid omgaan. Zijn ontmaskering in de zomer van 1996 bracht een falend veiligheids- en politiebeleid aan het licht. Uit het onderzoek bleek dat de slechte organisatie en de openlijke concurrentie van overheidsdiensten, magistratuur en politie nefast waren geweest. Tijdens de openbare hoorzittingen van de parlementaire onderzoekscommissie werd voor iedereen duidelijk hoe vierkant het systeem draaide. Dit scherpe inzicht leidde tot de beruchte hervorming van de ordediensten: het zogeheten Octopusakkoord regelde de samensmelting van de politiediensten. Het duurde tot 2002 vooraleer de hervorming grotendeels werd doorgevoerd. ’s Lands veiligheid wordt sindsdien verzekerd door de federale en de lokale politie.
Door de massale publieke verontwaardiging in de zomer van 1996 kwam er ook meer aandacht voor de rechten van het slachtoffer en van het kind. Het volstond niet meer om veiligheid gelijk te stellen met repressie. Om de veiligheid te verzekeren moest op alle mogelijke manieren de volledige maatschappelijke context betrokken worden bij het beleid. Repressie, preventie en nazorg werden hoofdstukken van hetzelfde verhaal.
Het Nationale Veiligheidsplan (2004-2007) dat de werkingsprincipes van de eengemaakte politie bevat, legt dan ook de nadruk op de gemeenschapsgerichte politiezorg (‘community policing’). ‘Het streefdoel’, zo stelt de rondzendbrief van 27 mei 2003 over community policing, ‘is een in de samenleving geïntegreerde politie die ten dienste staat van de burger en samen met de diverse gemeenschappen naar oplossingen zoekt door zich te richten op de lokale omstandigheden die onveiligheid veroorzaken.’ De politiediensten trachten zo dicht mogelijk bij de burger te staan en organiseren de veiligheidszorg in samenspraak met andere actoren: de gemeente, het OCMW en scholen.

Vroeger was het beter?

De angst voor de bedreiging van het welzijn is een gevoel dat alle mensen delen. Het is al even menselijk om de omvang van de bedreiging te meten aan de hand van persoonlijke herinneringen: vroeger was het beter. Het hedendaagse onveiligheidsgevoel is niet te begrijpen zonder die irrationele interpretatie van heden en verleden erbij te betrekken. Toch is onveiligheid allerminst een nieuw thema. Zo beweerde de Canadese psycholoog Steven Pinker, auteur van het controversiële boek Het onbeschreven blad, in de Britse krant The Independent dat de wereld steeds veiliger wordt. Pinker bekijkt de geschiedenis van de mensheid van een afstand en stelt vast dat we vandaag veel minder last hebben van bijgeloof, slavernij, mensenoffers, grootschalige verminking, standrechtelijke executies, pogroms en politieke moorden. Onwaarschijnlijk? Volgens Pinker wijst elk systematisch historisch onderzoek naar onveiligheid op een duidelijke daling, ‘hoewel dit uiteraard gepaard gaat met een zigzagbeweging’.
Het is net die zigzagbeweging in de onveiligheidscurve die een stempel drukt op het collectieve gevoel. De twee wereldoorlogen hebben bijvoorbeeld niet meteen een positiever mensbeeld opgeleverd, maar de kans dat je vandaag in een willekeurige Vlaamse stad door geweld om het leven komt, is gering. De jonge historicus Antoon Vrints heeft hier onderzoek naar verricht. In zijn proefschrift Het theater van de straat. Publiek geweld, respectabiliteit en sociabiliteit in Antwerpen (ca. 1910-1950) trachtte hij te achterhalen hoe geweld en agressie zijn geëvolueerd. Ook Vrints raadt aan om met de nodige nuance over geweld en onveiligheid te praten. Na de racistische moorden in Antwerpen publiceerde hij een opmerkelijk opiniestuk in De Tijd: ‘Waar komt dan de indruk vandaan dat onze samenleving steeds gewelddadiger wordt? De hedendaagse preoccupatie met geweld kan worden begrepen als een indicatie dat de intolerantie tegenover geweld nog steeds sterker wordt. Vanuit moreel standpunt kan je die evolutie toejuichen. Ze houdt ook een risico in: de verontwaardiging vertroebelt de blik op geweld als betekenisvol fenomeen.’

Welzijn en onveiligheid

Onze samenleving tolereert niet alleen het geweld niet meer, het is de onveiligheid in de brede zin van het woord – al wat het welzijn bedreigt – die aan de kaak wordt gesteld. In het recente verleden hebben we een spectaculaire toename gezien van zowel de gezondheids- als de welzijnszorg. Demografische of sociologische oorzaken (zoals de vergrijzing of de toename van de eenoudergezinnen) zijn hierbij bepalend. Maar de toegenomen weerstand tegen vormen van onwelzijn speelt wellicht een even belangrijke rol, anders zouden we nog steeds asbest gebruiken bij de bouw van ziekenhuizen of probleemkinderen strikt repressief benaderen. Ook onze welvaart zorgt ervoor dat we onwelzijn en onveiligheid afwijzen. Als onze welvaartstaat niet zou bestaan, zouden we niet kunnen terugvallen op de hooggekwalificeerde zorg die we vandaag vanzelfsprekend vinden.
Omdat het onveiligheidsgevoel zo veelkantig is en ook steeds van vorm verandert, ontstaat de indruk dat het om iets louter subjectiefs gaat. Dat is onterecht. Al was het maar omdat een groot deel van het onveiligheidsgevoel door de samenleving op objectieve wijze wordt bestreden. Er is beleid ontwikkeld voor haast elke mogelijke dreiging, van arbeidsongevallen tot natuurrampen. We doen er met zijn allen alles aan om die grote en kleine risico’s tot nul te herleiden. Logisch, want door de toegenomen welvaart hebben we letterlijk veel meer te verliezen dan vroeger en door het vergrootglas van de media zijn we daar perfect van op de hoogte. Het multimediale project Een ongemakkelijke waarheid. Het gevaar van het broeikaseffect en wat we eraan kunnen doen van Al Gore was het recentste voorbeeld van zo’n massaal gedeeld inzicht. De geschiedenis van het onveiligheidsgevoel leert dat niets zo tot verandering inspireert als een massale paniekaanval. Er is altijd geluk bij een ongeluk.

Harold Polis

(Dit artikel verscheen in Streven van januari 2008 en is met correcties en actualiseringen overgenomen uit Weliswaar nr. 75 (april-mei 2007), blz. 4-6.)

Literatuur

Mark Elchardus en Wendy Smits, ‘Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos. Onveiligheidsgevoel in Vlaanderen 1998-2002’, in: Vlaanderen gepeild 2003, Administratie Planning en Statistiek. Te downloaden op .
‘Gewapende zorg’, themanummer van Alert. Tijdschrift voor zorg en sociale politiek, jrg.32 (2006), nr.1.
Luisteren naar mensen over onveiligheid. Algemeen verslag over onveiligheidsgevoelens, Koning Boudewijnstichting, Brussel, 2006, 220 blz.
Walter Van Steenbrugge, De affaire justitie. Bedenkingen van een strafpleiter, Meulenhoff-Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2007.
De Veiligheidsmonitor en de criminaliteitsstatistiek kun je downloaden op de site van de federale politie: . Om die cijfers correct te interpreteren kun je het best het boek Zwart op wit? Duiding van cijfers over onveiligheid en strafrechtsbedeling in België (VUBPress, Brussel, 2006) raadplegen.

Geen opmerkingen: