maandag 25 februari 2008

De wet van Gaston (Burssens)


(De titelpagina van Burssens' dichtbundel 12 Nigger-Songs.)

O Vlaanderen, land der Gastonnen! De populairste Gaston heet Berghmans. Deze wenende clown leerde zijn volk lachen. Een andere Gaston, Eyskens genaamd, was groothandelaar in raison d'état. Hij genoot grote faam als staatshervormer en negervriend. Gaston Geens, zaliger gedachtenis, belichaamde het apostolaat van de technologische revolutie. Zijn reconversie van keuterboer tot bladerunner had als motto 'wat we zelf doen, doen we beter'. De uitspraak van Geens brengt tot op heden ellende teweeg. Kijk naar wat er ons op 11 juli te wachten staat. De Belg in ons heeft tenminste het recht te doen alsof niets hem kan schelen. Als het van de Vlaamse regering afhangt, vinden we samen het Vlaming-zijn weer uit, moeten we hoera roepen en aanschuiven bij de van staatswege gesubsidieerde barbecue. Deze groteske uiting van domheid is een perfecte illustratie van de wet van Gaston: wie het wiel uitvindt, valt op zijn bakkes. Van alle Vlaamse Gastonnen is Gaston Burssens de enige geweest die de wet van Gaston op sublieme wijze heeft beschreven, met dank aan Paul van Ostaijen.

De dichter Burssens toonde hoe onmogelijk, onnozel, bovenwerkelijk, onderbewust of onecht werkelijkheid kan zijn. Zijn geliefde wapens waren het sofisme en het chiasme, met andere woorden, flauwekul verkopen en alles op zijn kop zetten. In zijn beste gedichten vindt Burssens het wiel uit en valt hij op zijn bakkes, omdat hij uit moedwil vergeet hoe hij het wiel moet gebruiken. 15 juli 1949: "Men moest niet altijd denken over de dingen die men doet. En vooral moest men het waarom en het waartoe radicaal kunnen uitsluiten. Het is lang niet gemakkelijk zo banaal te zijn. Moest het totaal onmogelijk zijn, ik zou nooit een woord op papier zetten." Onechtheid was voor Burssens geen doel, maar een middel. Zo bevat French en andere cancan (1935) pastiches die elk op een andere manier zijn vormgegeven. In 12 nigger-songs (1946) vertaalt Burssens de sonnetten van Vidye Kalombo, een denkbeeldige Katangees die "de oorlog heeft meegemaakt op alle fronten, ook in Vlaanderen". Dit onooglijke, uiterst onwelvoeglijke en dodelijk sarcastische bundeltje over de oorlog wordt in grootsheid slechts overtroffen door die andere openbaring in zakformaat, Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon. Het is geen toeval dat Boon en Burssens het goed konden vinden met elkaar. Zij deelden een afkeer voor droogkloten, hielden van averechtse kunstenaars en vonden Max Havelaar fantastisch. Burssens herlas Max Havelaar vaak. In zijn dagboeknotitie van 12 september 1949 noemt hij het een "verontstoffelijkt" boek, "een meesterwerk geschreven door Anonymus". Ook Max Havelaar beantwoordt aan de wet van Gaston. Het boek is zijn maker boven het hoofd gegroeid.

De wet van Gaston was zeker van toepassing op Boon. Die wilde met zijn ontsporende boeken de ondergang van het socialisme, de spoken van de Kapellekensbaan en de angst voor de bom bezweren. Waar Boon waarschuwde voor het armageddon, zou Burssens het eerder aanmoedigen. Burssens schrijft op 10 juni 1949: "Dank zij de atoombom, de waterstofbom en wat er op volgt of niet meer op volgt, gaan wij de laatste oorlog tegemoet. Faute de combattants...! De inzet is nu: het Nihilum. Moest ik mij vergissen, het zou alleen maar jammer zijn." Het typeert Burssens, een man die in zijn dagboek liefst over uitersten bericht. Terwijl het onweert en bliksemt boven de Schelde beschrijft hij hoe de aangemeerde oceaanreuzen veranderen in spookschepen. Zijn hond Boy valt varkens en poedels aan, bijt een enorme waterrat dood en Burssens mijmert dat de mens met zijn concentratiekampen geen haar beter is dan een beest. Burssens doodt een insect en observeert nauwkeurig hoe het lijk wordt opgepeuzeld door zijn soortgenoten, die hij van "primitief-menselijke instincten" verdenkt. 24 december 1950: "In Mexico heeft een stier zijn horen tussen de ribben van een toreador gestoken. Goed zo!" In het voorjaar van 1950 barst de koningskwestie los en balanceert het land op de rand van de burgeroorlog. Burssens ervaart dit als een moment waarop de waanzin haar ware gelaat toont. 2 februari: "Het bloed vloeit nog niet; het komt hopelijk nog wel. Ik zie met een sadistisch verlangen het ogenblik tegemoet waarop zij elkander zullen verscheuren tot alleen nog hun staarten overblijven." Na de doden van Grâce-Berleur schrijft Burssens: "De eerste moordenaars zijn opgetreden en de eerste idioten zijn gevallen. De gendarmen hebben gisteren drie manifestanten doodgeschoten. Morgen mars op Brussel, met nog meer doden en nog meer moordenaars. Wel bekome het hun!" Burssens wil het groot anarchistisch geschut inzetten tegen die weerzinwekkende onzin. Het wordt volgens hem "weer eens tijd de schimmen van Bakoenin, Kropotkin, Reclus en Ravachol op te roepen om hen te verzoeken eens en voor altijd in ons midden te blijven". Een oproep die tot aanbeveling strekt, zeker nu de barbecue van 11 juli de wet van Gaston in werking doet treden.

In zijn dagboeken toont Burssens zich een sensibel en sinister observator. Hij heeft een hekel aan boekhouders van het hart zoals André Gide of Jules Renard, dagboekschrijvers die zichzelf net iets te enthousiast ontrafelen voor het oog van de lezer. Klinkt het niet, dan botst het. Burssens: "'t Was niet zozeer een vraag van duur // dan van sporadisch met de tijd te gokken. // Want ik heb nooit het wiel gestoken in de stokken // van 't rad van avontuur." Voor de oude Burssens was avant-garde een artistiek gestroomlijnde vorm van amor fati, ontdaan van de zo gehate "persoonlijke emoties". Wat doet een krasse knar die denkt dat Descartes zich heeft vergist en "coïto ergo sum" heeft willen schrijven? Hij voert gesprekken met geile Franstalige vrouwen. Hij voelt zich op zijn best bij een haperend bewustzijn, met behulp van slaapmiddelen of in de nabijheid van zijn hond. Wanneer Burssens rondrijdt in de wagen met Boy in de passagiersstoel ervaart hij gedachteloze gelukzaligheid. Zuivere lyriek loopt op vier poten en kwispelstaart. Of zweeft rondom Burssens heen als de geest van zijn vroeg gestorven wapenbroeder Paul van Ostaijen. Burssens tracht de herinnering aan de "geliefde argonaut" Van Ostaijen heel scrupuleus levendig te houden. Eens grotesk, altijd grotesk. 18 februari 1950: "Vierenvijftig jaar! Als ik mijn kale schedel betast heb ik de indruk dat ik mijn haren nog moet krijgen. Zo jong voel ik mij."

Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 3 juli 2002.

Julien Green: de laatste katholiek


Het graf van Julien Green in de Sankt Egid kerk, in de Karinthische hoofdstad Karnten (Oostenrijk).

Geloof is het grootste taboe van onze tijd. Een lege kerk betekent allerminst dat er geen gelovigen meer zouden zijn. De massale ontkerstening heeft er niet voor gezorgd dat de mens minder met dood en verlossing bezig is. Let's face it, de reden waarom wij geen wereldkampioen voetbal zijn geworden en de Brazilianen wel, heeft alles met Jezus te maken. De Brazilianen speelden als FC Emmaüsgangers, droegen T-shirts waar op 'Jezus saves you' stond en baden na afloop van elke gewonnen partij drie weesgegroeten en een onzevader. Hun doelman heeft zelfs het hele WK op zijn knieën de goal verdedigd, om vergiffenis af te smeken voor de heidense tegenstrevers. Het is dan ook God die het doelpunt van Wilmots heeft afgekeurd, niet de scheidsrechter. Aimé Antheunis weet dat. Hij staat voor de schier onmogelijke opdracht om de rode duivels in een recordtempo om te vormen tot goede katholieken. De tactische besprekingen zijn vervangen door een uur bezinning. De bond heeft intussen een dozijn bijbels en het verzameld werk van Julien Green besteld.

Green zou de verlichte voetballer met piëteit hebben beschreven, net zoals hij een zwak had voor late bekeringen, onverwachte roepingen, stille mirakels. De late middag vond Green het mooiste moment om de bijbel te lezen. Zijn Parijs gedroeg zich dan als een monster dat zich knorrend en briesend, maar vooral gezapig naar de avond sleepte. Zich bij die omstandigheden verdiepen in de bijbel gaf hem de ervaring tegelijk veraf en nabij te zijn. Dat laatste, er zijn én er niet zijn, beantwoordde volledig aan de mystieke houding die Green zich eigen had gemaakt. Eenzaamheid is voor Green een bron van verlangen en angst. Alleen in de stilte kan hij God horen, maar God houdt meestal zijn mond. De straffende God van de Pentateuch is bij Green een zwijgende God, niet minder wreed en even alomtegenwoordig. Ook in zijn bijbelse voorkeuren toont Green zich oudtestamentisch. Vooral de profeten spreken hem aan, het parlando van de dichter Jeremia en de bloeddorstige fantasie van de raaskallende Ezechiël. Deze bij uitstek literaire teksten verwoorden uitbundig hoe de mens wordt verscheurd tussen opstand en onderwerping, en wat voor goeds de overgave aan de gratie Gods ons zal brengen. Het is een kwestie van tactiek. Ik hoop dat Antheunis goed oplet.

Een exuberante stijl gaat Green zeer bewust uit de weg, wat deels zijn fascinatie voor de profeet Ezechiël verklaart. Ondanks zijn diepe gelovigheid deinst Green ervoor terug om al te openlijk over spirituele ervaringen te schrijven. Hij heeft het uiteraard wel gedaan, naar eigen zeggen zelfs zeer uitgebreid, maar die delen van het dagboek heeft hij niet bestemd voor publicatie. Een strijdend katholiek was Green niet. Half badinerend verdedigt hij begin 1955 de stelling dat een mens zijn geloofsbelevenis als een groot geheim moet koesteren. Het is vreemd om te lezen dat Green pleit voor afzijdigheid, terwijl hij noteert hoe hij dag na dag wordt geconsulteerd door gewone gelovigen. Green houdt letterlijk spreekuur en debatteert over geloofskwesties met studenten, nonnen, pastoors, collega's. Een van die gesprekspartners is Jacques Maritain. Hij, de heraut van het intellectuele apostolaat in de twintigste eeuw, had ook Green bekeerd. Het was Greens tweede bekering, in 1939, na jaren van losbandig gedrag. Althans, zo beweert Green. Hij zal het ook nooit nalaten zich stiekem met Augustinus te vergelijken, een kerkvader die zijn carrière begon als kroegtijger en vrouwenloper. Bij Green is het een en al discretie zodra het verderfelijke verleden ter sprake komt. Je kunt je dan ook moeilijk voorstellen dat in deze uiterste bedachtzame, secuur formulerende man een losbandig beest schuilt. De homo Green worstelde wellicht meer met zijn geaardheid dan met de zwijnerijen die hij tijdens zijn jonge jaren had uitgespookt. Het adagium van P.C. Boutens - "O daar is geen die eenzaam gaat als ik!" - is ook op Green van toepassing, een man die, net als Boutens, zijn homofiele verlangens wegschreef. Zodra Greens hormonen zich roeren, waarschuwt hij in zijn dagboek dat de 'demon' weer op de loer ligt. Bij een minder geniaal schrijver als Green zou die schroom een uiting van bigotterie zijn. Green komt ermee weg omdat hij nu eenmaal niet voor de vleselijke lusten leeft, maar het hogere nastreeft. Lust is een obstakel dat de verrijking van zijn geestesleven in de weg staat.

In 1956 breekt de Hongaarse opstand uit, een feit dat Green sec vermeldt, zoals alle andere feiten. Zijn afschuw van politiek was immens en religieus geïnspireerd. De waan van de dag kan geen werkelijkheid zijn, zelfs geen substituut ervan, omdat God er ten enenmale in ontbreekt. Alleen in relatie tot God heeft leven zin. Om dat te weten te komen, moet je Green in het Frans lezen. De twee delen Green in Privé Domein geven een totaal vertekend beeld van de schrijver. De spirituele dagboekpassages zijn niet opgenomen in de Nederlandse vertaling.

Green stond allerminst buiten zijn tijd, maar voor hem was een dagboek vooral bedoeld om persoonlijke ervaringen de betekenis te geven die ze ogenschijnlijk niet hebben. Schrijven wordt dan een oefening in interpreteren. Het is de reden waarom de dagboeken van Green zo'n grote rol spelen in de dagboeken van Daniël Robberechts. Green laat ontzettend veel weg, herleidt de anekdotiek tot een minimum en meet zichzelf boventijdelijke dimensies aan. Robberechts wil met zijn 'dynamische zelfbeschrijving' op een haast objectieve manier berichten over de veranderingen die hij al schrijvend ondergaat, wat meer bekentenissen oplevert en minder bespiegelingen.

Met voorsprong is Green de meest obscene dagboekschrijver van de twintigste eeuw. Niemand overtreft de angstaanjagende precisie waarmee hij jarenlang zijn meditaties over zichzelf, de mensheid en God heeft ontrafeld. Hij gaat altijd recht op zijn doel af. Vergeleken bij Green is Léautaud een seniele idioot die alleen over katten lult. Pavese is een lafaard die zijn taak als schrijver niet te boven kwam en er dan maar een eind aan maakte. Green zette door en werd achtennegentig. Zelf heeft hij zijn dagboek opgevat als een eerbetoon aan zijn God, maar dit titanenwerk is evengoed een krachtige belijdenis van individualisme. Als zijn dagboek een boodschap had, zo verklaarde Green midden jaren zeventig, dan was het een boodschap gericht aan de mens als individu: "Défends-toi, reste toi-même, sois fidèle à toi-même." Een kreet die vanaf heden hopelijk ook in de kleedkamer van de rode duivels zal weerklinken.

Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 24 juli 2002.

dinsdag 5 februari 2008

Het wederzijds huwelijksbedrog

Over de (on)mogelijkheid van een gezamenlijk letterenbeleid in Nederland en Vlaanderen

Nederlands is een dialect dat aan de Noordwestelijke rand van het Europese continent wordt gesproken. Ziehier het grootste probleem: we zijn niet met zoveel, het Engels is belangrijker en het Frans is mooier. Mede om het Nederlands iets meer volume te geven verzamelt de Taalunie Nederlandssprekenden uit Europa en de overzeese gebieden. Met enige overdrijving kun je dit een poging tot Neerlandofonie noemen, naar analogie met de Francofonie. Een gezamenlijk Nederlands-Vlaams letterenbeleid vormt een emanatie van die toestand – het is ook een officiële opdracht van de Taalunie. Als dit de doelstelling is, dan moeten we hopen dat we het beter doen dan de Franstaligen. Naar aanleiding van het voorbije Salon du Livre, gewijd aan de Francofonie, verschenen er tal van bittere artikelen. Zo liet de Zuid-Afrikaanse filosofieprofessor Achille Mbembe optekenen in Le nouvel Observateur van 16: ‘Le projet officiel francophone est une affaire de chefs d’Etats qui, par définition, n’intéresse personne de sérieux. Les institutions de la francophonie sont, quant à elles, une immense bureaucratie linguistique qui manque de souffle […]. Elles sont au service de petits réseaux très fermés de clients qui vivent sur une rente juteuse – la rente linguistique.’ Mbembe, en velen met hem, stellen die lethargische eigendunk aan de kaak. De Francofonie als een amorf geheel waarvan de legitimering op mythes berust, met als opvallendste mythe: de taal zelf. De mooiste uitspraak in dit rondje Frankrijk-bashing (want de niet-Franse Franstaligen keren zich uiteraard tegen de culturele hegemonie van Parijs) kwam van de in Amerika werkende Congolese schrijver Alain Mabanckou: ‘Je n’ai pas choisi la langue Française, je l’ai trouvée chez moi, dans la boue, dans le quartier, dans le terrain de foot, comme les autres langues du Congo.’ De taal is een instrument. Niet meer, niet minder.

Die pragmatische houding is veel aantrekkelijker om de toekomst van het Nederlands en van de Nederlandstalige literatuur te vrijwaren. De taal is niet gans het volk. En de taal is zeker ook niet gans de cultuur, wat de beginselverklaring van de Taalunie nog steeds doet vermoeden. Een gemeenschappelijke taal- en letterenstrategie gebaseerd op cultuurpolitieke mythes (de taal is gans de cultuur) is gedoemd om de ondergang van het Nederlands te bespoedigen. Er is namelijk geen gedeelde Vlaams-Nederlandse cultuur, alleen een gemeenschappelijke taal. De taal zou ons in staat kunnen stellen om elkaar beter te leren kennen, wat we zeker niet doen. We lezen elkaars kranten niet, bekijken elkaars programma’s niet. Wel lezen we elkaars schrijvers, zij het met mate en zonder de context van hun werk altijd te begrijpen. Een kwart miljoen verkochte exemplaren van Knielen op een bed violen Jan Siebelink? Dat kwart miljoen lezers woont vlakbij mij, maar Siebelinks roman staat ontzagwekkend ver van me af. Als gesprekspartners zijn Vlaanderen en Nederland voor eeuwig en altijd op elkaar aangewezen. Maar in plaats van te doen alsof we een cultuur delen (een gedeelde cultuur die niet bestaat), zouden we beter de moeite nemen om elkaar beter te leren kennen en dus ook elkaars schrijvers. Als opdracht van een gemeenschappelijk letterenbeleid lijkt me dat al een hele klus.

Misschien is het tijd dat het Comité van Ministers de opdracht geeft om de uitgangspunten van de Taalunie grondig te herzien. Het politieke credo van de Taalunie heeft de val van de Muur ruimschoots overleefd. Sinds de ondertekening op 9 september 1980 van het Verdrag inzake de Taalunie lijkt er geen fundamentele verandering te zijn opgetreden. Artikel 2, paragraaf 1: ‘De Taalunie heeft tot doel de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin.’ Klinkt dit niet uitermate vreemd en geforceerd? Hoezo, integratie? Hoezo, in de ruimste zin? In welk groter geheel zouden we dan wel moeten integreren? Integratie, ik denk er nog niet aan. Het woord alleen al. Het zijn net alle afwijkingen en onverzoenbare verschillen die de culturele verhoudingen tussen Nederland en Vlaanderen kleur geven. De verschillen nemen bepaald niet af, worden tastbaarder en dus interessanter. We moeten ze koesteren. Er wordt al zoveel eenheidsworst gedraaid. Laat ons dus alsjeblieft niet verzoenen wat niet verzoend kan worden. Laat ons blijmoedig flirten en vreemdgaan, zoals in het blijspel van Pieter Langendijk, Het wederzijds huwelijksbedrog, en net als een van de hoofdpersonages uitwijken naar Brussel – de enige echt kosmopolitische stad in de omgeving.

De doelstelling van de Taalunie werkt ook als een mistbank die het uitzicht op de werkelijke problemen en uitdagingen belemmert. Het hardnekkige handhaven van die haast mystieke, maar op weinig gebaseerde ‘gemeenschappelijke cultuur’ haalt de wind uit de zeilen. Het streven naar culturele integratie van Nederland en Vlaanderen is in het slechtste geval een prijzig excuus om verantwoordelijkheden te veronachtzamen. Zoals bij het ontbreken van een boekenprogramma op de VRT: het komt er, samen met een cultuurnet… maar wel in samenwerking met de NOS. Misschien. Ooit. Zou kunnen. De RTBF is overigens de enige openbare omroep in de Benelux die nog een boekenprogramma op tv brengt, het onvolprezen Mille-feuilles.

Een bloeiende boekencultuur valt niet uitsluitend samen met een hogere boekenverkoop of een positief bedrijfsresultaat bij uitgeverijen. Zonder publiek geen applaus. Er moeten steeds nieuwe generaties lezers worden gevormd. De bestaande lezers moeten zo goed mogelijk worden bereikt. Het boekenaanbod moet voldoende gevarieerd en kwaliteitsvol zijn. Die drie langetermijndoelen vormen een permanente zorg, zowel voor het boekenvak als voor de overheden in Nederland en in Vlaanderen. Ze moeten dan wel beiden hun verantwoordelijkheid nemen en zich niet verlaten op een al te gezamenlijk letterenbeleid.

De uitdagingen zijn immens. Niet eerder in de moderne geschiedenis van zowel Nederland als Vlaanderen zijn er zo veel nieuwe Nederlandstaligen geweest: lange wachtlijsten bij de taalopleidingen, gekleurde scholen, vaarwel homogene cultuur. Het is bovendien decennia geleden dat de sociale ongelijkheid – taalachterstand speelt hierbij een belangrijke rol – zo zichtbaar toeslaat. Intussen hebben Vlaamse hoger opgeleiden minder tijd om te lezen (wat blijkt uit meerdere onderzoeken van de TOR-groep onder leiding van Marc Elchardus (VUB)) en zijn het voornamelijk de oudere hoger opgeleiden die de klassieke leescultuur in stand houden. En volgens het Nederlands Planbureau verandert het verband tussen opleidingsniveau en leesgewoontes drastisch: het is steeds minder vanzelfsprekend dat hoger opgeleide mensen veellezers van kwaliteitsboeken zijn.

Het boekenvak is geen oase die losstaat van de maatschappij, het letterenbeleid al evenmin. Begrijpen we voldoende hoe onze wereld verandert en hoe we ons moeten aanpassen? Ja, er is de problematiek van de vaste boekenprijs, het grote distributievraagstuk (CB or not CB), de alsmaar krimpende levensduur van een boek of de vormvereisten van de barcode. Zaken die zonder probleem kunnen worden besproken in Vlaams-Nederlandse cenakels. Hoe belangrijker de context echter, hoe moeilijker zo’n gesprek vordert. Er zijn grenzen aan de gemeenschappelijkheid, ook wat de taal zelf betreft.

In Antwerpen, de grootste Vlaamse stad, heeft eenderde van de kinderen het Nederlands niet als moedertaal. Een recent onderzoek naar de resultaten van het Vlaamse decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen (GOK) in de Limburgse mijngemeenten toont vergelijkbare cijfers. (In Weliswaar. Welzijnstijdschrift voor Vlaanderen, april-mei 2006, pp. 27-31.) In een tiental Genkse scholen loopt het aantal leerlingen dat thuis geen Nederlands spreekt op tot meer dan 50%. Deze kinderen leven in een complexe taalsituatie. Niet alleen is het Nederlands vaak geen thuistaal; als het al gesproken wordt, verschilt het erg van het Standaardnederlands. Veel jongeren denken dat ze prima Nederlands spreken, maar hanteren een verbasterde tussentaal. Hoewel de jongeren de omgangstaal op het einde van de lagere school vrij goed onder de knie hebben, blijken hun woordenschat en taalvaardigheid te beperkt om het secundaire onderwijs zonder problemen te doorlopen. Die taal is hun te abstract. Ook deze kinderen zijn toekomstige lezers.

Genk is verre van uniek. Het onderzoek waar ik naar verwijs, heeft vooral aandacht voor de band tussen kansarmoede en sociale achterstelling. Door de toegenomen culturele diversiteit in onze samenleving is taal plots weer een bepalende sociale factor geworden – een toestand die zeer herkenbaar is voor wie de geschiedenis van de Vlaamse beweging kent. Ook in Nederland zijn er vele Genken, plaatsen waar het onderwijs ontwricht is en de overheid bijna op maat moet werken. Dezelfde symptomen gaan echter gepaard met afwijkende omgevingsfactoren. Nederland en Vlaanderen verschillen hier sterk. Een voorbeeld. Om te voorkomen dat vele Franstaligen die hun kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs sturen, onterecht zouden profiteren van het budget van Vlaamse decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen (GOK), is de thuistaal geen indicator. Daardoor verdwijnen heel wat kinderen uit de GOK

-statistieken en worden ze niet geholpen. Dit krijg je als Vlaming en Belg nooit uitgelegd aan een Nederlander, tenzij die laatste politiek correspondent met standplaats Brussel is. Net zoals je met de gevolgen van de Mammoetwet en het eeuwige gepruts aan het Nederlandse onderwijsstelsel niet moet afkomen bij Vlamingen, tenzij ze er zelf het slachtoffer van zijn geworden. Ook deze aspecten van onze taal, taalverwerving en taalproblemen, kun je bezwaarlijk regelen op een bilateraal Vlaams-Nederlands niveau. Hoewel de situatie absoluut niet uniek is in Europa, wijken de omstandigheden in beide gebieden toch heel sterk af.

Soms is de Nederlandse literatuur een geloofskwestie. Dat blijkt uit het voorwoord bij Altijd weer vogels die nesten beginnen van Hugo Brems. De auteur kiest ervoor om de literatuur van Nederlanders, Vlamingen, Surinamers, Zuid-Afrikanen en Antillianen samen te behandelen. ‘Dat is een keuze die uitgaat van de overtuiging dat de Nederlandstalige literatuur één geheel is, zonder daarom ook op voorhand aan te nemen dat zij een homogeen geheel zou zijn.’ (Brems 2006:14) Deze geschiedenis van de Nederlandse literatuur kun je, correctie, moet je lezen als een poging om samenhang te brengen waar veelheid en verscheidenheid heerst. Het klinkt allemaal zeer aannemelijk, maar ondanks de ronkende argumenten geloof ik niet in het dogma.

Het bestaan van een Nederlandstalige literatuur betekent niet dat er geen Nederlandse én een Vlaamse literatuur zouden zijn. Ik geloof niet dat men beide zo dwingend moet samenbrengen zoals dat is gebeurt in Altijd weer vogels die nesten beginnen. Waarom heeft de Taalunie geen twee boeken betoelaagd: een Vlaamse en een Nederlandse geschiedenis? De naam van de Taalunie verklaart alles: omdat er slechts één Nederlandse literatuur is, die zich één en ondeelbaar gedraagt.

Het grootste deel van de tijd kan het me geen barst schelen of die gedeelde cultuur nu bestaat of niet. Boeken maken en verkopen is al moeilijk genoeg om al te veel tijd aan pseudo-ontologische bespiegelingen te wijden. Maar op sommige momenten kan ik er eenvoudigweg niet omheen. Daar is ze weer: de vermeende gemeenschappelijke cultuur. Het monster van Loch Ness.

Naar verluidt had de Vlaam vroeger een minderwaardigheidscomplex ten opzichte van den Ollander. Het meest beroemde voorbeeld in de literatuur is uiteraard de wat benepen reacties op de uitspraken die Jeroen Brouwers eind jaren zeventig deed over de Vlaamse literatuur. Die literatuur werd geschreven door mensen die een bezemsteel in plaats van een ganzenveer hanteerden. Zij werd daarom, zo onthulde Brouwers, herschreven. Meestal door barbarismen wiedende Nederlanders. Tussenkomen, onderlijnen, akkoord zijn met, wij doen u opmerken dat… schrappen die handel! Brouwers zelf, maar ook iemand als Jan Greshoff waren taaltuiniers met naam en faam. Greshoff nam het werk van Marnix Gijsen onder handen. Het was toch een beetje heiligschennis om over dit restauratiewerk te praten. De stille verontwaardiging bevestigde – overigens terecht – het vermoeden van de Vlaamse schrijver als spuier van gallicismen. Het retorische geweld van die schotschriften heeft niet aan kracht ingeboet. Maar over dat de kern van de zaak kun je vandaag alleen denken: et alors?

Intussen hangt de slinger van het meetinstrument dat literaire kwaliteit aangeeft aan de andere kant. Arjen Fortuin ontwaart een ‘Vlaamse literaire golf’ die, net als de (tijdelijke) Vlaamse theatergolf begin jaren negentig, de onvruchtbare Nederlandse laagvlakte overspoelt. Als er onder druk van dit enthousiasme meer kansen zouden komen voor Vlaamse schrijvers in Nederland, dan moeten we champagne drinken. Er is echter geen aanleiding om te vermoeden dat het plots fundamenteel makkelijker zal worden om Nederlandse lezers een boek van een Vlaamse schrijver te doen kopen. Het probleem met die golftheorie is dat ze wordt uitgeroepen door een lid van de bevoorrechte culturele minderheid, een criticus, iemand van wie je hoopt dat hij over een perfecte bilaterale literaire kennis beschikt. Een uitzondering dus. Gewone lezers en boekhandelaars zijn niet zonder reden veel minder begaan met extravagante keuzes. Als een Nederlandse debutant het al moeilijk heeft in de Nederlandse boekhandel, waarom zou een Vlaamse debutant het dan makkelijker hebben? En vice versa.

Het Vlaamse boekenvak heeft de laatste vijftien jaar een sterke professionalisering doorgemaakt, op alle niveaus. Gelukkig hoeven auteurs die in Vlaanderen wonen niet meer op bedevaart naar Amsterdam om een goede uitgever te treffen. Door die inhaalslag ontstaat er in het Nederlandse taalgebied een bipolair uitgeefsysteem en verschuift de nadruk naar samenwerking. Vlaanderen en Nederland functioneren heel anders, als land, als maatschappij, als cultuur (Vlaanderen is ook geen land, het is onderdeel van een federale staat). De boekenbranche en de leescultuur vormen geen uitzondering.

Het door Brouwers feilloos ontlede Vlaamse minderwaardigheidscomplex zindert nog wat na. Want behalve de Vlaamse kromschrijver is de ginnegappende Vlaamse drukker/uitgever met baard of marxistisch oorlogsverleden een cliché dat nog altijd niet volledig is verdwenen. Boeken, en vooral literaire werken, hebben uitsluitend een waarde als zij in Nederland worden uitgegeven, liefst nog in Amsterdam. Ook worden de boeken bij voorkeur in Nederland gedrukt, gecorrigeerd, persklaargemaakt en als het kan ook verramsjt of door de papiermolen gehaald. Dat staat niet alleen chique, het in Nederland gedrukte boek is zogezegd van betere kwaliteit, ook qua typografie en boekverzorging. Ziehier een staaltje van flapperende onzin: dat uitsluitend de boeken die in Nederland, meerbepaald Amsterdam, zijn gemaakt een nihil obstat verdienen. Niemand die van buiten de randstad komt, zal de idolatrie begrijpen waarmee menige Vlaming naar Amsterdam kijkt. De crisis die het Vlaamse boekenvak in de jaren tachtig teisterde, ligt allang achter ons. Brems besteedt veel aandacht aan die periode. Het is toen dat de Vlaamse schrijvers van belang uit pure noodzaak naar Amsterdam zijn gevlucht. Hoewel slechts een minderheid van de Nederlandse uitgevers voeling heeft met wat er zich in Vlaanderen afspeelt, teren ze nog steeds allemaal op deze mythe.

De mythe van de vlucht naar Amsterdam wordt mee in stand gehouden door een andere mythe: die van de ‘gedeelde cultuur’. In Vlaanderen is dit een stuk van de geschiedenis. Tijdens de Vlaamse ontvoogdingsstrijd nam de band met Nederland immers mythische proporties aan. De strijd ligt gelukkig achter de rug, maar de mythe blijft overeind. Weinig Nederlanders beseffen hoezeer Vlamingen opkijken naar Amsterdam. Weinig Vlamingen beseffen dat Nederlanders, zeer terecht, een zakelijker houding innemen. Nederland: volksopstanden, massieve ontevredenheid, politieke moorden, een economische crisis en Rita Verdonk. Niets deugt er zogezegd nog, behalve het uitgeverijwezen!

Om het spookbeeld van de Francofonie te vermijden, moet die idolatrie volledig verdwijnen. Ze werkt op de lange duur in het nadeel van de Nederlandstalige letteren. Onze literatuur – als ik haar dan toch één keer gemeenschappelijk bezit mag noemen – zal in leven blijven door zichzelf voortdurend te vernieuwen en voorwaarden te scheppen waarin nieuwe schrijvers een publiek kunnen bereiken, zowel in Nederland als in Vlaanderen. Dit veronderstelt een sterke literaire cultuur in Vlaanderen en in Nederland, elk met eigen bladen, critici, prijzen, uitgeverijen en een eigen letterenbeleid. Hopelijk zal daardoor in onze relatie de verlichte zakelijkheid zegevieren: samenwerking en geen integratie, pragmatiek en geen ideologie.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in 2006 in het tijdschrift Boekman, nr.67.)

Uren met Julius Streicher

De antichrist telt vele gezichten, maar slechts één aars: Julius Streicher. Hij heeft de mensheid op afschuwwekkende wijze bevuild. Streicher is de meest beruchte antisemiet uit de hedendaagse geschiedenis. In Der Stürmer, de nazi-propagandakrant bij uitstek, heeft Streicher jarenlang het gewillige Duitse volk gevoed met haat tegen joden, communisten, homo's. Deze van rancune schuimbekkende Streicher, een protégé van de Führer, is in alle opzichten een toetssteen van het kwaad. Het is ons fiere West-Vlaamse slijk dat het gistingsproces van de macabere Julius Streicher heeft bespoedigd. Streicher vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog aan de IJzer. Terwijl de kogels hem om de oren floten, droomde hij van een jodenvrije wereld. De oorlog leerde de ziekelijk gefrustreerde Streicher de ultieme methode om die droom te bereiken: ontmenselijking.

Streicher zat in de beklaagdenbank van de Neurenbergse processen en werd ter dood veroordeeld. Zijn terechtstelling verliep, naar verluidt, tumultueus. Hij was de enige hooggeplaatste nazi die het benauwd kreeg in het zicht van de dood. Streicher verzette zich tegen de ophanging en stak een laatste tirade af, tegen de joden uiteraard. Net voor de strop strak hing, brulde Streicher zijn ultieme "Heil Hitler". Dat klonk toen als 'fuck you'.

Na ruim een halve eeuw onderzoek zijn alle feiten over de Streichers van deze wereld uitvoerig besproken. Alleen de volstrekte irrationaliteit van hun daden tart nog steeds de verbeelding. De bloeddorstige chaos die Streicher beleed - zijn waanzin was meer geloof dan ideologie - blijft een van de grote obsessies van onze tijd. Getuige hiervan het vrijblijvende gebruik van het argumentum ad nazium. Dit sofisme is het ultieme wapen om politieke debatten te doen verzanden. Zodra de tegenstander in verband wordt gebracht met de nazi's, de holocaust of Hitler, verdwijnt de discussie in een zwart gat. Hoe populairder het argumentum ad nazium, hoe meer de wandaden van de nazi's worden gebanaliseerd en hoe minder we in staat blijken om een open debat te voeren. Het argumentum ad nazium als postume overwinning van Streichers sektarische vooroordelen.

Als herauten van de onvrijheid en de redeloosheid vormden Streicher en de zijnen een uitwas van de Verlichting. Ten koste van onnoemelijk veel leed is die kanker weggesneden. Niet zelden heeft men in de nasleep van de oorlog de dood van de Verlichting afgekondigd, om de Verlichting zelf een wedergeboorte te gunnen. Ook vandaag beleven we zo'n periode van exorcisme: de aankleding van de Europese welvaartsstaat staat ter discussie. Fundamentele vragen bij de vleet, over migratie, identiteit, solidariteit en burgerschap. Zijn we bijvoorbeeld bereid om onze opinies op de proef te stellen door ze te onderwerpen aan een open debat met rationele argumenten? Die opinies zijn steeds vaker waar omdat we erin geloven, niet omdat we op basis van voldoende kennis een oordeel hebben gevormd. Zowat alles wat met de Europese Unie te maken heeft, lijdt aan deze afwijking. Een goed voorbeeld is de beruchte Bolkestein-norm die de liberalisering van de dienstverlening regelt. Op technici na kunnen weinigen er een correcte evaluatie van geven, hoewel de norm ingrijpend is en dus velen aanbelangt. Over het protest tegen de norm wordt wel bericht, maar niet gedebatteerd, tenzij in de afgelegen cenakels van de Unie. Dit holt de representatieve democratie radicaal uit. Een ander gevolg is dat de werkelijke inzet van de discussie - de omwenteling van de welvaartsstaat in haar totaliteit - niet aan bod komt of wordt voorgesteld als een apocalyptisch dilemma: voor of tegen. Europa of de chaos. Dat is ook de strekking van het recente artikel in Le nouvel Observateur waarmee de Franse socialistische voorman Lionel Jospin zich uitspreekt voor de ontwerptekst van de Europese grondwet. Het dilemmadenken heeft Europa in de greep genomen.

Terwijl de Europese kaste op ijle hoogte nieuwe dogma's verzint, worstelen de lagere regionen met een legitimiteitscrisis. In Vlaanderen parasiteert het Vlaams Blok op die crisis. De partij hanteert de irrationaliteit als haar belangrijkste argument. Het is de enige politieke beweging waarvan het discours nog steeds niet fundamenteel is veranderd na het einde van de Koude Oorlog, intussen toch al ruim vijftien jaar geleden. De standvastigheid heeft nog diepere wortels, aangezien het Blok geen afstand kan of wil doen van de bronnen der redeloosheid waaraan ook Julius Streicher zich laafde. Tot Streichers regime dat onze beschaving op de rand van de afgrond heeft gebracht, behoorde ook iemand als Staf De Clercq. Op 22 augustus jongstleden kwamen drieduizend fanaten samen om een IJzerwake te houden, te Steenstrate, op het slagveld dat ook Streicher heeft getekend. Er werd hulde gebracht aan Staf De Clercq. In het publiek bevond zich onder meer Philip Dewinter.

Van alle Vlaamse politici is Staf De Clercq de rampzaligste geweest. Zijn collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog staat symbool voor het failliet van een volledige politieke generatie. Om nostalgische redenen lopen sommige Vlamingen nog steeds met zijn portret rond, een vanuit antropologisch standpunt zeer interessante combinatie van regressie, zelfhaat en verblinding. Dezelfde vorm van tot geloof verheven opportunistische bewustzijnsvernauwing inspireert het Vlaams Blok tot tal van 'symbolische daden', zoals de recuperatie van 1 mei, Karel Martel of priester Daens. Zo lazen militanten van het Vlaams Blok op 11 juli voor uit De leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience, tijdens een tragikomische 'protesthulde' op het Conscienceplein te Antwerpen. Ook daar nam Philip Dewinter, de heilige uit Brugge, glimlachend de honneurs waar. De regionale zender ATV bracht dit in beeld alsof het de normaalste zaak ter wereld betrof.

Het argumentum ad nazium hanterend, zou men verontwaardigd moeten uitroepen dat de militanten van het Vlaams Blok zich op één lijn plaatsen met nazistische collaborateurs, extremistisch janhagel en andere bewonderaars van 'den Duits'. Dat is uiteraard heel erg, maar dan vooral voor wie aan zulke pathologische waanbeelden lijdt en geilt op berkenkruisen. Erger is het dédain waarmee de partijleiding van het Vlaams Blok deze incidenten uitlokt. Ze hebben er een politieke strategie van gemaakt: door maatschappelijk abjecte symbolen te hanteren een haatreactie uitlokken die nieuwe argumenten aandraagt om de grote complottheorie te voeden. De frequentie en de intensiteit waarmee de partijleiding van het Vlaams Blok claimt dat een aanval op het Blok de 'vrijheid van meningsuiting' in het gedrang brengt, is even ridicuul als ondraaglijk. Wellicht levert die moedwillig verkeerde interpretatie van de 'vrijheid van meningsuiting' het beste bewijs dat Blok-mandatarissen het nihilisme hebben aanvaard als officiële partijlijn.

De piepschuimen talking heads van het Vlaams Blok geloven nergens meer in, behalve in een op trauma's gebaseerde politieke macht. Het Vlaams Blok gelooft niet in Vlaanderen, want anders zou de partij figuren mijden die de ondergang van Vlaanderen hebben gewild (zoals Staf De Clercq). Gerolf Annemans in De Tijd van 11 september: "We moeten onze toekomst vastleggen door zelf een streep onder het verleden te trekken." Werkelijk alles kan en mag bij die partij.

Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 6 oktober 2004.

vrijdag 1 februari 2008

Planeet Paxman


Jeremy Paxman walst tijdens interviews over zijn gasten heen. Ongenaakbaar, bot, gevat. Een tribunespeler die er niet voor terugdeinst om een nummertje op te voeren


Uiteraard gaat de wereld ten onder. Ten derde male tracht Guy Verhofstadt ons te doen geloven dat het wel goed komt. Maar het komt niet meer goed. Nooit meer. Popper kan daar niets aan veranderen. Geen nota is ertegen opgewassen. De Italiaanse wijndruif die de pijn kan verzachten, moet nog worden geteeld. Het is één grote teloorgang. De poolkappen verdwijnen. Binnen afzienbare tijd nemen we afscheid van de potvis, de tuinmus en de papieren krant. De kwaliteit van het West-Europese sperma is ondermaats. Kindle, de e-reader van Amazon.com, zal in ijltempo het papieren boek overbodig maken (lees ook het onontbeerlijke Print is Dead. Books in Our Digital Age van Jeff Gomez). Het einde van de middenklasse wordt bespoedigd door inflatie, combinatiestress en socialistische gelijkwaardigheid. En zelfs het gezond verstand boert achteruit, want nu Knack de Vlaamse intellectuelen heeft getimed en in een top tien gezet, blijkt de meerderheid grijs en mannelijk. Kan het nog erger?

Gelukkig zijn er nog journalisten om ons te behoeden voor de ondergang. Of om ons op zijn minst te melden dat we beren op de weg zullen tegenkomen. Jeremy Paxman is een van die trouwe wachters. Zijn Newsnight doet dienst als het vlaggenschip van de BBC-nieuwsdienst en als bron van afgunst voor Europeanen die met slome openbare omroepen zitten opgescheept. Paxman is ook een ijdeltuit, een gepatenteerde cynicus en een klootzak, zij het niet in de betekenis die Sartre eraan gaf. Bij Sartre staat 'un salaud' gelijk met een sluipmoordenaar die geschiedenis naar goeddunken citeert en onrecht gebruikt als argument voor het eigen gelijk. Paxman is veeleer een goed betaalde huurling (een BBC-salaris van ruim 1 miljoen pond in 2006) met een alibi.


Een gemankeerde schrijver

En zo walst Paxman tijdens interviews over zijn gasten heen. Ongenaakbaar, bot, gevat. Een tribunespeler die er niet voor terugdeinst om een nummertje op te voeren. Onvergetelijk is zijn 'gesprek' met voormalig conservatief oppositieleider Michael Howard in 1997. Paxman bestond het twaalf keer dezelfde vraag te stellen omdat Howard ontwijkend antwoordde. In botheid wordt Paxman alleen overtroefd door Pascal Vrebos van de praatbarak Controverse (RTL-TVI). Vrebos begon ooit een interview met Jean-Claude Van Cauwenberghe met de vraag "Alors, toujours pas en prison?" En dan is er nog Jeroen Pauw van Pauw en Witteman (VARA), een journalist die voor kapper heeft gestudeerd (of is het andersom?) en zijn gasten op hun gemak stelt door zich uitvoerig onder de oksels te krabben. Al deze mensen gunnen zich de roeping om u en mij te informeren.

Om een goed tv-interviewer te zijn heb je volgens Paxman een aannemelijke houding en een haast literair taalgevoel nodig. Het helpt als je een mislukte schrijver bent, zoals Paxman zichzelf noemt. Hij beweert dat de meeste journalisten honderd jaar geleden pastoors waren geweest. Wat meteen verklaart waarom de kerken leeglopen. In een bevlogen toespraak in Edinburgh vorige zomer benadrukte Paxman zelf de metafysische problemen van de journalistiek. Wat betekent nieuws? Waarom lijkt Amy Winehouse even belangrijk als de crisis in Kenia? Paxman: "We need to rediscover a sense of purpose." De triple play multimediale nieuwsdiarree is gewoon een nieuw medium geworden. Daarom moeten we weer bepalen, zegt Paxman, wat nieuws is en wat niet. De journalistiek laat zich te veel leiden door het beschikbare nieuws en te weinig door het belang ervan.


Hoe politiek werkt

Voor een cynicus stelt Paxman zich veel vragen. In The political Animal. An Anatomy (2003) probeert hij te achterhalen waarom iemand voor de politiek kiest. Een dosis waanzin helpt. En er is Paxmans theorie dat politici die als kind een ouder hebben verloren, met een niet te stillen ambitie kampen. Achter de anekdotes, bon mots en verdoken afrekeningen schuilt de oprechte wens om het publiek uit te leggen hoe politiek werkt. Het is bijna freudiaans dat tv-journalist Paxman ervoor kiest om dit in een boek te doen. Er zijn grenzen aan het beeld.

Paxman nadert stilaan de zestig, maar hij blijft in de greep van minachting en verontwaardiging. Niet zelden wordt hij medeverantwoordelijk geacht voor de verharding van het Britse politieke debat, wat het planetaire belang van zijn vragen alleen maar vergroot. In november bleek uit het rapport To Read or Not to Read van de National Endowment for the Arts dat de ontlezing in Amerika een hard feit is. De digitalisering compenseert het verlies aan leescultuur niet. Leeszwakke burgers ondervinden meer problemen bij het interpreteren van de continue nieuwsstroom, wat de gezondheid van de democratie schade toebrengt. "We need to rediscover a sense of purpose."

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 30 januari 2008.)