maandag 25 februari 2008

Julien Green: de laatste katholiek


Het graf van Julien Green in de Sankt Egid kerk, in de Karinthische hoofdstad Karnten (Oostenrijk).

Geloof is het grootste taboe van onze tijd. Een lege kerk betekent allerminst dat er geen gelovigen meer zouden zijn. De massale ontkerstening heeft er niet voor gezorgd dat de mens minder met dood en verlossing bezig is. Let's face it, de reden waarom wij geen wereldkampioen voetbal zijn geworden en de Brazilianen wel, heeft alles met Jezus te maken. De Brazilianen speelden als FC Emmaüsgangers, droegen T-shirts waar op 'Jezus saves you' stond en baden na afloop van elke gewonnen partij drie weesgegroeten en een onzevader. Hun doelman heeft zelfs het hele WK op zijn knieën de goal verdedigd, om vergiffenis af te smeken voor de heidense tegenstrevers. Het is dan ook God die het doelpunt van Wilmots heeft afgekeurd, niet de scheidsrechter. Aimé Antheunis weet dat. Hij staat voor de schier onmogelijke opdracht om de rode duivels in een recordtempo om te vormen tot goede katholieken. De tactische besprekingen zijn vervangen door een uur bezinning. De bond heeft intussen een dozijn bijbels en het verzameld werk van Julien Green besteld.

Green zou de verlichte voetballer met piëteit hebben beschreven, net zoals hij een zwak had voor late bekeringen, onverwachte roepingen, stille mirakels. De late middag vond Green het mooiste moment om de bijbel te lezen. Zijn Parijs gedroeg zich dan als een monster dat zich knorrend en briesend, maar vooral gezapig naar de avond sleepte. Zich bij die omstandigheden verdiepen in de bijbel gaf hem de ervaring tegelijk veraf en nabij te zijn. Dat laatste, er zijn én er niet zijn, beantwoordde volledig aan de mystieke houding die Green zich eigen had gemaakt. Eenzaamheid is voor Green een bron van verlangen en angst. Alleen in de stilte kan hij God horen, maar God houdt meestal zijn mond. De straffende God van de Pentateuch is bij Green een zwijgende God, niet minder wreed en even alomtegenwoordig. Ook in zijn bijbelse voorkeuren toont Green zich oudtestamentisch. Vooral de profeten spreken hem aan, het parlando van de dichter Jeremia en de bloeddorstige fantasie van de raaskallende Ezechiël. Deze bij uitstek literaire teksten verwoorden uitbundig hoe de mens wordt verscheurd tussen opstand en onderwerping, en wat voor goeds de overgave aan de gratie Gods ons zal brengen. Het is een kwestie van tactiek. Ik hoop dat Antheunis goed oplet.

Een exuberante stijl gaat Green zeer bewust uit de weg, wat deels zijn fascinatie voor de profeet Ezechiël verklaart. Ondanks zijn diepe gelovigheid deinst Green ervoor terug om al te openlijk over spirituele ervaringen te schrijven. Hij heeft het uiteraard wel gedaan, naar eigen zeggen zelfs zeer uitgebreid, maar die delen van het dagboek heeft hij niet bestemd voor publicatie. Een strijdend katholiek was Green niet. Half badinerend verdedigt hij begin 1955 de stelling dat een mens zijn geloofsbelevenis als een groot geheim moet koesteren. Het is vreemd om te lezen dat Green pleit voor afzijdigheid, terwijl hij noteert hoe hij dag na dag wordt geconsulteerd door gewone gelovigen. Green houdt letterlijk spreekuur en debatteert over geloofskwesties met studenten, nonnen, pastoors, collega's. Een van die gesprekspartners is Jacques Maritain. Hij, de heraut van het intellectuele apostolaat in de twintigste eeuw, had ook Green bekeerd. Het was Greens tweede bekering, in 1939, na jaren van losbandig gedrag. Althans, zo beweert Green. Hij zal het ook nooit nalaten zich stiekem met Augustinus te vergelijken, een kerkvader die zijn carrière begon als kroegtijger en vrouwenloper. Bij Green is het een en al discretie zodra het verderfelijke verleden ter sprake komt. Je kunt je dan ook moeilijk voorstellen dat in deze uiterste bedachtzame, secuur formulerende man een losbandig beest schuilt. De homo Green worstelde wellicht meer met zijn geaardheid dan met de zwijnerijen die hij tijdens zijn jonge jaren had uitgespookt. Het adagium van P.C. Boutens - "O daar is geen die eenzaam gaat als ik!" - is ook op Green van toepassing, een man die, net als Boutens, zijn homofiele verlangens wegschreef. Zodra Greens hormonen zich roeren, waarschuwt hij in zijn dagboek dat de 'demon' weer op de loer ligt. Bij een minder geniaal schrijver als Green zou die schroom een uiting van bigotterie zijn. Green komt ermee weg omdat hij nu eenmaal niet voor de vleselijke lusten leeft, maar het hogere nastreeft. Lust is een obstakel dat de verrijking van zijn geestesleven in de weg staat.

In 1956 breekt de Hongaarse opstand uit, een feit dat Green sec vermeldt, zoals alle andere feiten. Zijn afschuw van politiek was immens en religieus geïnspireerd. De waan van de dag kan geen werkelijkheid zijn, zelfs geen substituut ervan, omdat God er ten enenmale in ontbreekt. Alleen in relatie tot God heeft leven zin. Om dat te weten te komen, moet je Green in het Frans lezen. De twee delen Green in Privé Domein geven een totaal vertekend beeld van de schrijver. De spirituele dagboekpassages zijn niet opgenomen in de Nederlandse vertaling.

Green stond allerminst buiten zijn tijd, maar voor hem was een dagboek vooral bedoeld om persoonlijke ervaringen de betekenis te geven die ze ogenschijnlijk niet hebben. Schrijven wordt dan een oefening in interpreteren. Het is de reden waarom de dagboeken van Green zo'n grote rol spelen in de dagboeken van Daniël Robberechts. Green laat ontzettend veel weg, herleidt de anekdotiek tot een minimum en meet zichzelf boventijdelijke dimensies aan. Robberechts wil met zijn 'dynamische zelfbeschrijving' op een haast objectieve manier berichten over de veranderingen die hij al schrijvend ondergaat, wat meer bekentenissen oplevert en minder bespiegelingen.

Met voorsprong is Green de meest obscene dagboekschrijver van de twintigste eeuw. Niemand overtreft de angstaanjagende precisie waarmee hij jarenlang zijn meditaties over zichzelf, de mensheid en God heeft ontrafeld. Hij gaat altijd recht op zijn doel af. Vergeleken bij Green is Léautaud een seniele idioot die alleen over katten lult. Pavese is een lafaard die zijn taak als schrijver niet te boven kwam en er dan maar een eind aan maakte. Green zette door en werd achtennegentig. Zelf heeft hij zijn dagboek opgevat als een eerbetoon aan zijn God, maar dit titanenwerk is evengoed een krachtige belijdenis van individualisme. Als zijn dagboek een boodschap had, zo verklaarde Green midden jaren zeventig, dan was het een boodschap gericht aan de mens als individu: "Défends-toi, reste toi-même, sois fidèle à toi-même." Een kreet die vanaf heden hopelijk ook in de kleedkamer van de rode duivels zal weerklinken.

Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 24 juli 2002.

Geen opmerkingen: