zondag 2 maart 2008

Voor een paar negers meer (over Emile Vandervelde)


(Emile Vandervelde en Hendrik de Man, jaren twintig.)

Afgrijzen en wroeging zijn niet langer ons deel wanneer het Belgische koloniale palmares ter sprake komt. We hebben bekend dat we Lumumba een beetje hebben vermoord. We hebben er een beetje voor gezorgd dat Umicore, het vroegere Union Minière, de Kongolese burgeroorlog een beetje minder aanwakkert door niet meer illegaal in coltan te handelen. Wanneer de vulkaan Nyiragongo de stad Goma in de as legt en vierhonderdduizend (400.000) mensen op de vlucht jaagt, sturen we een defecte C130 met een beetje hulp. De Belgische regering is niet zo'n heel klein beetje trots Kabila junior een vriend te noemen, ook al is het een door nepotisme aan het bewind gebrachte dictator die toch een beetje de mensenrechten aan zijn laars lapt.

Honderd jaar geleden was er van beetjes geen sprake. Leopold II zoog zijn Kongo Vrijstaat leeg tot de wilde rubberplant even zeldzaam was als de dodo. De inlandse bevolking onderging de ellende als een aftelrijm. Leopolds dictatuur hield op in 1908. Toen waren ze met ruim acht miljoen minder. Een cijfer dat nog veel hoger lag als men de overblijvers telde bij handopsteking.

Op 20 augustus 1908 keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers de annexatie van Leopolds Kongo Vrijstaat goed. In ruil voor kwijtschelding van de gigantische sommen die België aan zijn vorst had geleend, mocht de staat zich eigenaar noemen van de meest rendabele Afrikaanse kolonie. Emile Vandervelde, eminent kamerlid en socialistisch voorman, trok eind juli met de pakketboot naar Kongo. Hij wilde zich ervan vergewissen of België geen kat in de zak kocht. Een rubberkolonie was een mooi ding, maar de prille, voornamelijk Britse mensenrechtenbeweging had de publieke opinie ervan overtuigd dat rubber mensenlevens kostte. Met zijn dagboek wou Vandervelde de zin van een goed koloniaal bewind aantonen en de Belgen geruststellen. "Je crois bien", schreef hij, "qu'on oubliait de donner la chicotte aux travailleurs noirs, pendant les séjours que nous faisions dans les postes." La chicotte, de bullepees, was het ware nationale symbool van Kongo Vrijstaat. Nu de Belgische staat de macht overnam, zou alles beter worden, menselijker, beschaafder. Vandervelde stelde zich op als een gematigd pragmaticus. Mede daardoor kreeg hij in Adam Hochschilds boek over Leopold II de rol van verlichte politicus. Iemand die zich het lot van de zwarte aantrok. Les derniers jours de l'Etat du Congo brengt echter aan het licht dat Vanderveldes ruimdenkendheid even breed of smal was als de brutomarge van Belgiës handelsbalans.

De belangrijkste stelling van het reisdagboek luidt: "Il n'y a que deux moyens de faire travailler les hommes: les terroriser ou les prendre par leur intérêt." Vandervelde was zeker geen tegenstander van het kolonialisme. Rubber bracht geld op en met dat geld kan het lot van de Belgische onderdaan worden verbeterd. Zijn grootste bekommernis betrof efficiënt uitbuiten. Voor Vandervelde had Leopold II een fantastische taak aangevat, alleen had de uit grootheidswaanzin en ivoor opgetrokken vorst het verkeerde systeem uitgedokterd om zijn winstbejag te verzadigen. Kortom, kolonialisme was een kwestie van vormgeving. Gedwongen arbeid, slavernij en lijfstraffen vond Vandervelde niet meer van zijn tijd. Beter was het de domme negertjes in baar geld uit te betalen. Het bleven wel domme negertjes: "Il est incontestable que le noir aime mieux faire le lézard au soleil que de travailler au-delà de ce qui est indispensable à la satisfaction de ses besoins élémentaires." De domme neger behoorde niet tot het doelpubliek van de socialist Vandervelde. De kleine man wel. In 1908 beschikte die nog niet over een volwaardig stemrecht. De domme neger beschikte domweg over niets. Het was de domme neger zelfs niet gegund te kiezen tussen zweep of hongerloon.

In de buurt van Basongo knutselde een kolonist een Belgische vlag in elkaar ter gelegenheid van Vanderveldes bezoek, eind augustus. De kolonist liet de lokale eenheid van de Force Publique achter de vlag lopen. Niet zonder trots noteerde Vandervelde dat dit wellicht het eerste Belgische militaire defilé was in de nieuwe kolonie. En zo gaat het maar door. Te Boma speelde een orkestje in het station de Marseillaise. Vandervelde was razend enthousiast. De kolonisten die hun technische verwezenlijkingen toonden, kregen nog meer applaus. En onderweg van post naar post maakte Vandervelde zich vrolijk over de afgezakte borsten van Kongolese vrouwen. Als die ene verdwaalde socialist in Kongo zulk een flapperende onzin uitkraamde, hoe gedroeg de voltallige Kamer van Volksvertegenwoordigers zich dan toen Kongo ter sprake kwam? Het antwoord is wellicht zo beschamend dat de vraag het best retorisch blijft.

Wie een weide koopt, krijgt er de fauna en flora bij. Voor Vandervelde, en met hem al zijn collega's, was Kongo een weide die moest opbrengen. De domme negers waren een noodzakelijk kwaad. Ja, er liepen paters en pastoors rond die de domme neger leerden rekenen en schrijven, maar Vandervelde keurde de klerikale bemoeizucht af. De staat zou het beter doen. En zo vat Les derniers jours de l'Etat du Congo perfect de kern van het kolonialisme samen: de gekoloniseerde is een commercieel product dat zijn enige reden van bestaan ontleent aan de kolonisator.

Begin september 1908 voer Vandervelde de Kongostroom af, richting binnenland. De overweldigende natuur stond voor hem in schril contrast met de afzichtelijke mensen die er woonden. "Décidément l'homme, à l'état de nature, ou près de l'état de nature, n'est pas beau!" In het beste geval waren domme negers gedweeë huisdieren. De woeste natuur beangstigde Vandervelde. Echt veilig voelde hij zich pas op het terras van de wufte gouverneur van Boma, waar de rode hibiscus zo welig tierde dat het erop leek "que nous n'avions pas quitté l'Europe". Elders vond hij het uitzicht op de boorden van de Kongostroom bijna even mooi als de Kempen. Vandervelde wist geen raad met Kongo en zijn inwoners, net zomin als vele generaties Belgische politici na hem. De kolonialen die hij bezocht - omstreeks 1910 waren er dat 3.000 - waanden zich op Mars. Drieduizend kolonialen stonden tegenover ruim vijftien miljoen Kongolezen en wat beschreef Vandervelde in zijn dagboek? Kleffe natuurbeelden en boekhoudkundige bedenkingen van gewestbeheerders. Les derniers jours de l'Etat du Congo is een zeldzaam hoogtepunt van vervreemding. De enige manier waarop Vandervelde iets zinnigs kon zeggen over het Fremdkörper Kongo, was door de kolonie te behandelen als een groot uitgevallen volkstuin.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 30 januari 2002.)

Geen opmerkingen: