maandag 28 april 2008

De toekomst van het boek


Bij het overlijden van Angèle Manteau (1911-2008)

Wat betekent dat eigenlijk, boeken uitgeven? Telkens die vraag me midscheeps raakt, geef ik het klassieke antwoord van wijlen Thomas Bernhard: een uitgever geeft uit. Wie de glaciale misantropie van die Oostenrijkse schrijver kent, weet dat dit geen flatterende definitie is. Bernhard achtte een uitgever nog lager dan een Weens theaterregisseur, wat tot nederigheid inspireert. Meestal bestaat een uitgever bij gratie van zijn auteurs. Het tegendeel doet alarmlichten flikkeren. Die opgelegde nederigheid komt echter alleen tot haar recht als ze gepaard gaat met een bovenmenselijk radde koopmansgeest, culot, een homerische belezenheid, een internationaal geprezen smaak, glimmende schoenen, snelheid van uitvoering en een slecht karakter. Geen wonder dat uitgevers als penitentie graag uitgeversbiografieën en –geschiedenissen lezen. Want daarin staan ook de slechte dagen beschreven, de zeperds, de hubris, de slaande ruzies, de koude koffie om twee uur ‘s nachts.

Mijn echte vakopleiding was de tijd dat ik als editeur de brieveneditie van Gerard Walschap voorbereidde. Ik heb enorm veel geleerd door oude zakelijke correspondentie te ontcijferen. Die gaat meestal om problemen en hoe ze op te lossen. En als je wat dieper doordringt in het verleden van een uitgeverij, blijkt dat altijd dezelfde thema’s op tafel komen: hoe bouw je een duurzame relatie op met schrijvers, hoe verkoop je veel boeken en hoe vermijdt je dode voorraad? Bij de NV Uitgeverij A. Manteau ging het niet anders. Het boek Kwaliteit als credo. Een geschiedenis van uitgeverij Manteau 1938-1953 van Ernst Bruinsma geeft een scherp beeld van de inspanningen die Manteau zich heeft getroost om succesvol te zijn én de uitgeverij een smoel te geven. Ook in het door Kevin Absillis geschreven vervolg van die uitgeverijgeschiedenis, dat dit najaar zal verschijnen, lees je hoe Manteau tussen alle ups and downs een lijn tracht te volgen. De pragmatiek die ze daarbij huldigt, is een minimale voorwaarde om de continuïteit van een uitgeefbedrijf te verzekeren. Een uitgever geeft uit. Ook als, zoals Manteau heeft meegemaakt in de magere jaren na de Tweede Wereldoorlog, de bodem onder het bedrijf wordt weggeslagen door overmacht.

Alvast in dat opzicht is er geen enkel verschil met vandaag. Om voor applaus in aanmerking te komen, moeten uitgevers nog steeds vele borden in de lucht houden. En het blijft wachten op de magische formule om woorden in goudklompjes te veranderen. In de roman Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans ontwaakt de jonge geoloog Alfred Issendorf uit de illusie dat hij beroemdheid moet bereiken. Pas nadat hij voorgoed wakker is geworden, lukt het hem de werkelijkheid onder ogen te zien. Zo gaat het met uitgeven ook. Je mag dromen dat je een succes ontdekt waarbij alle andere successen verbleken. Maar je moet toch vooral vroeg opstaan en naarstig zoeken.

Wellicht behoorde Angèle Manteau tot de laatste generatie uitgevers die een volledige loopbaan met bedrukt papier konden vullen. Ikzelf, bouwjaar 1970, heb me er node mee verzoend dat papier niet meer zal volstaan. Lange tijd heeft het boekenvak de illusie gecultiveerd te ontsnappen aan de digitale transformatie. Intussen is het hele vak gedigitaliseerd, behalve het eindresultaat: het boek. Maar waarom zou de analoge wereld totaal op de schop gaan en het boek niet? Uit morele superioriteit? Waarom zou ook de literatuur niet het mikpunt worden van de revolutie van de shuffle-toets? Omdat de literaire tekst sacraal is? Waarom zou je een roman niet evengoed op een beeldscherm kunnen lezen? Omdat de hemel dan op je hoofd valt? Mijn geloof in de toekomst van het gedrukte boek en van de literatuur is onvoorwaardelijk en steeds militanter. Toch moet het boekenvak volgens mij vooral niet vergeten op tijd wakker te worden. Miljoenen enthousiaste downloaders hebben de muziekbranche laten imploderen. Als je merkt hoe razendsnel de iPod even alledaags is geworden als een polshorloge, dan zou het met een populaire en strak geprijsde e-reader wel eens even snel kunnen gaan. Of we akkoord gaan met die ontwikkeling is niet relevant. Het zal ooit gebeuren, heel eenvoudig om het technisch mogelijk is.

In het aprilnummer van Lire geeft Frédéric Beigbeder schoorvoetend toe dat het elektronische boek geen fictie meer is: ‘Honnêtement je n'arrive encore pas à décider si ce sera le sommet du ridicule, ou un luxe extraordinaire, ou la fin du monde.’ Taco Morelisse, CEO van Kluwer Nederland, voorspelt in Boekblad : ‘Ik verwacht niet dat over tien jaar papier nog de primaire drager zal zijn.’ Het aantal boude uitspraken is niet meer te tellen. Socioloog Zygmunt Baumann noemt dit ‘vloeibare moderniteit’: een situatie waarin heden en verleden zo door elkaar heen lopen dat ijkpunten moeilijk te bepalen zijn. De klassieke boekencultuur die een aristocratische dominantie heeft uitgestraald en waar Angèle Manteau haar stempel op heeft gedrukt, behoort tot het verleden. Literatuur moet het opnemen tegen een haast eindeloos (digitaal) ontspanningsaanbod. Wie opgroeit in de algoritmische wereldorde van Google en de rommelbak van YouTube heeft een fundamenteel andere kijk op informatie en entertainment, al was het maar omdat de digitale gehaktmolen alle oude tegenstellingen en culturele paradigma’s fijnmaalt. Alleen analoge bejaarden begrijpen het verschil tussen hoge en lage cultuur nog. En wie weet zijn zij straks nog de enige die gedrukte media en literatuur lezen. En kranten.

Als je de dimensies van de digitale revolutie in ogenschouw neemt, is het duidelijk dat we aan een race tegen de klok zijn begonnen om te voorkomen dat de literatuur een volstrekt marginale keuzemogelijkheid in de entertainmentsupermarkt wordt. Koppigheid en moed strekken tot aanbeveling in de boeiende, maar woelige periode die het boekenvak te wachten staat. Het zijn net die eigenschappen waarvan Angèle Manteau in haar tijd het goede voorbeeld gegeven.

(Deze tekst verscheen eerder in De Standaard van 25 april 2008.)

woensdag 16 april 2008

De verrijzenis van Guy Verhofstadt

('Marchienne-au-Pont, janvier 2006', een overdonderend beeld van Pierre-Yves Dallenogare.)

‘Ik trek nu geregeld naar China. Iedere keer als ik terugkom, heb ik de indruk in een bejaardentehuis terecht te komen.’
Jean-Luc Dehaene in De Tijd van 22 december 2007

Het kost tegenwoordig twee euro om rond te wandelen in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Voor wie van het christendom alleen een echo overhoudt, als van een rollende donder in de verte, is twee euro uiteraard een spotprijs. Bovendien zorgt de kathedraal voor een brandhaard van toerisme. Horde na horde staan de toeristen laaiend enthousiast De kruisafneming van Rubens te interpreteren. In die hol klinkende tempel van het voorbije geloof werd eind december het voormalige CVP-boegbeeld Frank Swaelen begraven. Swaelen kreeg een klassieke staatsbegrafenis, incluis de Belgische driekleur op zijn lijkkist. Sommige commentatoren vergrootten het verscheiden van Swaelen uit tot het einde van een generatie.
De kathedraal is ook een verraderlijke plek. Hier werd de plechtige begrafenismis opgedragen voor de notoir vrijzinnige Marnix Gijsen. Even verrassend was de dienst bij het overlijden van Hugo Schiltz. En het afscheid van Swaelen bracht zeer verschillende generaties christendemocraten samen in wat niet-katholieken vaak ervaren als de natuurlijke habitat van deze politici: de kerk. Niets is minder waar. Een katholieke overtuiging is niet bepaald het opvallendste gemeenschappelijke kenmerk van Vlaams minister-president Kris Peeters en de federale aspirant-eerste minister Yves Leterme. Vooral Peeters trachtte in het voorjaar van 2007, tijdens zijn kennismakingsinterviews als minister-president, te allen prijze duidelijk te maken dat hij een overtuigd randkatholiek was, met de nadruk op rand. Ook bij Leterme is het geloof een rollende donder in de verte. Het is de strijd om de macht die beide mannen bindt.

De christendemocratie was tot aan de carrière van mensen als Jean-Luc Dehaene en Herman Van Rompuy gebaseerd op machtsbehoud. De samenleving zat in de greep van de levensbeschouwelijke tegenstellingen. De katholieke zuil oefende macht uit op alle niveaus. Al heel lang is het katholieke geloof echter een minderheidsgeloof waarvan zelfs de herinnering aan (en de kennis van) voorbije glorie sterk taant. De meeste mensen die links of rechts nog bij een zuilgebonden organisatie zijn aangesloten geven aan dat lidmaatschap geen ideologische dimensie meer. Het was geen verrassing dat de schijnbare almacht van de CVP bij de federale verkiezingen van 1999 werd gebroken. Niet zonder moeite bouwde voormalig voorzitter Stefaan De Clercq de christelijke volkspartij in 2001 om tot de huidige CD&V, Christen-Democratisch en Vlaams. Het klassieke personalisme was intussen zo verdund dat de betekenis van de C in vaagheid gehuld ging.

Politiek is het verzamelen van massa en het gebruiken van macht. Omdat de traditionele machtsbasis van de CD&V niet groot genoeg is, heeft Yves Leterme het kartel met de NV-A mogelijk gemaakt. Die combinatie bracht Leterme het minister-presidentschap in 2004 en de overwinning bij de federale verkiezingen in 2007. Toen liep het fout. In La tragedie du président. Scènes de la vie politique beschrijft Franz-Olivier Giesbert het syndroom waaraan de voormalige Franse president Jacques Chirac leed: het niet kunnen gebruiken van de macht. Als geen ander slaagde Chirac erin succesvol campagne te voeren en mensen te mobiliseren, niet vanuit het mondaine Parijs, maar vanuit het landelijke departement Corrèze. Eens Chirac op zijn troon zat, werd hij het slachtoffer van immobilisme. Het drama van Yves Leterme is dat hij zijn niet te stuiten overwinning bij de federale verkiezingen zelfs niet heeft kunnen bekronen met een geslaagd formatieberaad. Eind december werd hij minister in het overgangskabinet Verhofstadt III – waaruit hij met Pasen als leider zou moeten verrijzen.

In normale omstandigheden heet zo’n situatie een smadelijke nederlaag. Sinds juni 2007 zijn er echter geen normale omstandigheden. De politieke wereld waarin Frank Swaelen carrière maakte en zijn verantwoordelijkheid nam, bestaat niet meer. Swaelens generatie heeft een federale Belgische staatsstructuur gebouwd die overleeft bij de gratie van voortschrijdend inzicht en compromissen tussen de gewesten en gemeenschappen. De CVP stelde zich garant voor een zorgvuldig beheer van die federale structuur. De opvolgers van Swaelen hebben echter gekozen voor een confederalisme sui generis waarvan de contouren niet volledig scherp zijn. De verkiezingsoverwinning van het kartel CD&V/NV-A is in belangrijke mate te danken aan het meesterlijke gebruik van die flou artistique.

Het consumptiefederalisme heeft zijn bruikbaarheid verloren op het moment dat de bodem van de federale kas is bereikt, na de Lambermontakkoorden van 2001. Politieke deals kunnen niet meer worden afgekocht door rijkelijk middelen over te hevelen naar de regio’s. De nadruk tijdens het federale overleg ligt daardoor als vanzelf op efficiënt bestuur en op een sanering van politieke loodgieterij uit vorige fases van de staatshervorming. Het onderhandelen van efficiënt beheer weegt zwaarder dan het verdelen van geld (dat er niet is). Als vanzelf heeft die nieuwe spelregel de regeringsformatie maandenlang geblokkeerd.

In een interview met De Morgen (29 december 2007) noemde Karel De Gucht de campagne van CD&V/NV-A populistisch. Zelfs als je de politieke ontgoocheling van de VLD’er verrekent, blijft zijn vaststelling pijnlijk waar. Enige tijd vóór de verkiezingen beschreef De Gucht de populistische techniek in het essay Pluche. Over de banalisering van extreemrechts. De vorm is voor De Gucht ondergeschikt aan de inhoud. Non multa, sed multum. Alleen op die manier kan een democratie haar vrijheden niet laten misbruiken in de naam van onvrijheid. In nogal wat passages lijkt de chaos van het mislukte formatieberaad te worden beschreven, hoewel Pluche ruim een maand vóór de verkiezingen verscheen. ‘De grootste vijand van een democratie’, stelt De Gucht, ‘is de oververhitting die ze zelf voortbrengt in tijden van onzekerheid. Populisme komt het sterkst uit de verf als er, in een wervelstorm van onbegrijpelijke maatschappelijke evoluties, geen andere keuze lijkt te zijn dan of het status-quo of de grote sprong voorwaarts.’ Eerder dan een hedendaagse haruspex is De Gucht hier een koele observator van de onmogelijke en vage beloftes van het kartel. Voor de aangekondigde grote staatshervorming was er tijdens de formatie noch een tweederdemeerderheid, noch een plan, noch een gesprekspartner. Dat zowat iedereen na twee mislukte formatierondes overtuigd was van de wenselijkheid van een hervorming, werd door CD&V als een overwinning verkocht.

Tijdens de maandenlange formatie hing de politieke chaos als een mistbank over het land. Er zijn geen winnaars uit naar voren gekomen. In de eerste plaats hebben de politiek en de democratie averij opgelopen. Het georganiseerde misverstand leidde niet tot een eerbaar compromis, maar tot een parade van beginselvaste cynici en calculerende idealisten die met elkaar onderhandelden via de pers. In separatistische kringen werd de chaos op gejuich onthaald. Belangrijker is dat iedereen al volop aan de gewestverkiezingen van 2009 werkt. Zeker in de Franstalige politiek, waar er een zelden geziene vuile oorlog om het marktleiderschap woedt, bemoeilijkt de verkiezingscarrousel moedige beslissingen. Een vooroorlogs stroef communicerende Yves Leterme claimde bij herhaling de morele overwinning omdat hij woord had gehouden. Ook bij deze bewering bleef het onduidelijk wat de ex-formateur echt had bereikt. Toen Leterme ten tweede male zijn formatieopdracht moest teruggeven aan de koning, kreeg hij bij het betreden van het CD&V-hoofdkwartier een staande ovatie. Het was een van de dieptepunten in de naoorlogse Belgische politiek.

Het moeilijke politieke speelveld van de Belgische federatie maakt in tijden van crisis simplistische argumenten bijzonder aantrekkelijk. Meestal gaan die voorstellen gehuld in een waas van gezond verstand en moralisme. Rechts van het centrum is er een libertaire tendens die de afkeer van de overheid verbergt achter het afwijzen van de Belgische federatie. In tegenstelling tot Margaret Thatcher zal Jean-Marie Dedecker niet met The Constitution of Liberty van Friedrich Hayek op tafel slaan, hoewel Hayek een duidelijke invloed heeft op de teneur van het LDD-programma, en op LDD-satellieten zoals de Vlaamse liberale politieke club Nova Civitas en de onlangs opgerichte ‘denktank’ Cassandra. Dat zogezegde diepblauwe gedachtegoed vervult bij de liberale broederstrijd dezelfde rol die priester Adolf Daens enkele jaren geleden postuum kreeg toebedeeld. Eind jaren negentig legde het toenmalige Vlaams Blok een claim op de geestelijke nalatenschap van Adolf Daens door 1 meivieringen aan hem op te dragen. De partij had een significant deel van het traditionele arbeiderselectoraat overgenomen, maar werd bestreden door de vakbonden.

De Belgische politiek leek na de zomer van 2007 op een lekkend vat chemisch afval. De problemen waren gekend (en niet zelden de oplossingen ook), maar niemand waagde te saneren. Eigenlijk hebben alle betrokkenen zich vroeg of laat verstopt achter een symbooldossier om niet te hoeven handelen. Een aantal van die symbooldossiers zou voorgoed gesloten moeten worden. De Franse filosoof Jean-Marc Ferry (ULB) voert in dit opzicht een lovenswaardig pleidooi voor een herstelgerichte dialoog tussen Vlamingen en Franstaligen. De vroegere discriminatie van het Nederlands en de sociale gevolgen ervan moeten ten volle erkend. Het is een bepalende episode in de Belgische geschiedenis. Kinderen zijn nooit verantwoordelijk voor de daden van hun ouders, maar de geschiedenis hoeft zich niet herhalen, eerst als een tragedie, dan als een komedie. Ook moeten we moedig en nieuwsgierig de Vlaamse pijnlijke episodes erkennen. Het is niet omdat we pas in de jaren tachtig een grondige kennis van de Wereldoorlogen beginnen op te bouwen, dat dit onderzoek vandaag minder belangrijk is geworden. Het beste bewijs wordt geleverd door het door de Belgische senaat bestelde rapport Gewillig België. Overheid en jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel van het totaal onvoorbereide overheidsapparaat ging na mei 1940 verrassend snel moreel failliet. Dat feit kan alleen tot nederigheid inspireren.

In de Belgische communautaire verhoudingen krijgt de dialectiek van de koude grond een veel te grote rol toebedeeld, met pathos en stilstand tot gevolg. Die politique politicienne wordt nog versterkt door de fors toegenomen fragmentering van het politieke landschap, die zowel links als rechts ronduit ridicule proporties aanneemt. Zonder afbreuk te doen aan de complexiteit van onze instellingen lijkt het de moeite waard om na te gaan of er niet moet worden gestreefd naar een meerderheidsstelsel. We moeten af van de illusie dat wie het algemeen belang wil dienen door politiek te bedrijven zich moet gedragen alsof hij vrijblijvend lid is van de zoveelste pressiegroep.

De democratie en haar instellingen zijn ook te kwetsbaar om te worden overgeleverd aan dogma’s en verstarring. Daarom is de politieke drang tot vernieuwing geen holle marketing, maar de essentie zelf van een gezonde democratie. Op zoek naar uitwegen uit het moeras van de formatie is meermaals verwezen naar het beruchte artikel 35 van de Belgische grondwet: ‘De federale overheid is slechts bevoegd voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen.’ Artikel 35 is bij de Sint-Michielsakkoorden met opzet niet geconcretiseerd. Het voeren van een federaal kerntakendebat en het opstellen van een definitieve lijst met federale verantwoordelijkheden, zou een heleboel symbooldossiers afsluiten en zou de staatshervormingcarrousel afremmen, zoniet stoppen. De vraag is niet of dit politiek haalbaar zou zijn, maar of dit wenselijk is.

Het definitieve einde van het proces van de staatshervorming is zoiets als Fukuyama’s einde van de geschiedenis. Het klinkt goed, maar dan vooral in de beslotenheid van een studeerkamer. De politiek en haar dienaars kwijten zich beter van hun taak naarmate ze zich bewust zijn van hun werkelijke statuur en zich nooit de illusie eigen maken in de plaats van de samenleving en de burgers te denken. Dat bevlogen realisme vormt in hoge mate de kern van de nota Verhofstadt, de visietekst waarmee Guy Verhofstadt op 8 januari vriend en vijand verraste. De liberale voorman heeft vaak het niet onterechte verwijt gekregen dat er tijdens de twee regeringen Verhofstadt een communautair status-quo is nagestreefd. En de onder zijn supervisie afgesloten Lambermontakkoorden hebben de financiering van de federale staat lek geslagen, vandaar Letermes oude verwijt ‘maxigeld voor minibevoegdheden’. De volgende fase van de Belgische staatshervorming is onvermijdelijk, al was het maar omdat bij een ongewijzigd beleid de federale staat niet meer aan zijn financiële verantwoordelijkheden zal kunnen voldoen. Elke voorspelling van de gevolgen van de vergrijzing toont hoe immens de uitdaging is. De federatie moet zich schrap zetten om die klap op te vangen.



Een staatshervorming zal ook Wallonië ten goede komen. Wie Le second declin de la Wallonie van Jean-Yves Huwart heeft gelezen, weet op welk een dramatische manier het bestuur van het Waalse gewest en de Franstalige gemeenschap tijdens de jaren negentig is tekortgeschoten. Er wordt steeds verwezen naar de ondergang van de delfstoffenindustrie om de economische achterstand van Wallonie te verklaren. In januari nog was er de emotionele sluiting van een cokesfabriek in Marchienne-au-Pont, als tastbare getuigenis van die nog steeds aan de gang zijnde aderlating van de Waalse industrie. Een populaire bestemming voor ramptoeristen zijn de industriële spooksteden van Arcelor langs de spoorlijn Namen-Charleroi. Tijdens de voorspoedige jaren negentig echter, toen de budgettaire magerzucht van Jean-Luc Dehaene België de monetaire unie binnenleidde en de welvaart veiligstelde, heeft een groot deel van de politieke klasse in Wallonië het verzuimd te handelen naar wat er zich onder hun ogen afspeelde. Van de vele pijnlijke vaststellingen die je hieraan kunt koppelen is zeker een van de ergste dat de overheid zich hier boven de burger heeft geplaatst. Ook in Vlaanderen is, ondanks het klatergoud van het goede bestuur, het overheidsbeslag indrukwekkend. In Wallonië is het echter vele malen te groot. Amerikaanse politici die elkaar big government verwijten, kennen Wallonië niet. Het immobilisme heeft er de innovatie van de economie fors belemmerd. Bovendien waren vele plannen, acties en oproepen tot aan het Marshallplan slecht georganiseerd, versplinterd, niet voldoende ernstig. De acute terughoudendheid van sommige Franstalige politici tegenover de nieuwe stappen in de staatshervorming heeft dan ook meer te maken met een geconditioneerde reflex dan met een gehechtheid aan België of aan de federale verworvenheden.

Wat Verhofstadt in de achttien pagina’s van zijn nota zet, is een toonbeeld van conventionele wijsheid. Onder dat begrip verstond wijlen John Kenneth Galbraith het tastbaar maken van aanvaardbare maatschappelijke en politieke feiten: de consensus. Het doorgeven van meer verantwoordelijkheden aan de regio’s koppelen aan het versterken van de federatie is, zowel op een ideëel niveau als in de door Verhofstadt geschetste details, de best mogelijke basis voor een hernieuwd federaal pact. Galbraith schrijft echter: ‘The enemy of conventional wisdom is not ideas but the march of events.’ De deadline van het octopusoverleg (Pasen) is nog ver weg.

Harold Polis

Karel De Gucht, Pluche. Over de banalisering van extreemrechts, Houtekiet, Antwerpen, 2007.
Jean-Yves Huwart, Le second declin de la Wallonie. En sortir, Racine, Brussel, 2007.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van februari 2008.)

Leven en dood van Romain Gary

(Simone Signoret schittert als Madame Rosa in de verfilming van La vie devant soi. Dat was in het gezegende jaar 1977.)

Op latere leeftijd besliste de Franse schrijver Romain Gary dat het nooit iets zou worden met de twintigste eeuw. Hij nam zijn Smith & Wesson en schoot zich voor het hoofd op 2 december 1980, twee maanden na de zelfmoord van schilder Jan Cox. Net als Cox leefde en werkte Gary jarenlang in de Verenigde Staten, waar hij getuige was van de grote schermutselingen van zijn tijd. Oud-diplomaat Gary was het gewend champagne te drinken met de groten der aarde. Toen zijn filmcarrière een hoge vlucht nam, werd hij een societyfiguur. De dolle jaren zestig bracht hij door aan de zijde van Jean Seberg. Het was haar Ionische schoonheid die Jean-Luc Goddards stilistische meesterwerk A bout de souffle zo onvergetelijk maakte. Even onweerstaanbaar bleek haar talent voor zelfdestructie. Seberg engageerde zich op een volstrekt naïeve manier in de Black Panther Party en werd heel snel een doelwit van de FBI. Drank, valium en psychoses deden de rest. De FBI lekte begin 1970 dat Seberg zwanger was van een vooraanstaande Black Panther, de rioolpers haalde haar door de mangel en ze had een miskraam. Tot aan haar zelfmoord in 1979 ging het steil bergaf.

Einde van een rechtse zak

Zelfs nadat hij van zijn maanzieke vrouw was gescheiden, bleef Gary haar financieel steunen. Als zelfverklaarde dandy en voltijds homme à femmes leefde hij hoe dan ook al op grote voet. Het gevolg van die toenemende recurrente kosten was een levendig publicatieritme. De vele boeken en scripts die Gary schreef, brachten echter niet de roem die hij als jongeman had behaald met zijn romans Education européenne en Les racines du ciel. Voor die laatste roman kreeg hij in 1956 de prix Goncourt. Vijftien jaar later lustte de kritiek hem niet meer. Hij leek een fossiel uit het Precambrium. Te weinig serieus voor de steile intellectuele droogkloterij van de nouveau roman, te amoreel voor de dromen van de studentenrevolte. Kortom, Gary werd opzijgezet als een rechtse zak.

Deze joodse jongen uit Vilnius was heel Europa doorgetrokken en was samen met zijn moeder gestrand in Nice. Hoewel Gary ermee pochte dat er geen druppel Frans bloed door zijn aderen stroomde, onderscheidde hij zich als een gedreven patriot. Bij het begin van WOII was hij in dienst bij de Franse luchtmacht. Gary sloot zich meteen aan bij la France libre, het leger van Charles de Gaulle. Na de oorlog werd hij onderscheiden als Compagnon de la Libération, een zeldzaam ereteken dat ook aan André Malraux werd toegekend. Toen de Parijse meirevolte met een sisser afliep, stond ook Gary klaar om zijn trouw aan De Gaulle te tonen. Zijn voormalige strijdmakkers riepen hem op om mee te komen betogen. Gary hees zich in zijn oude legeruniform en wandelde naar de Champs-Élysées. De avond van de 30ste mei kwamen er echter 800.000 mensen op straat. Gary zag de kolkende massa en maakte pas op de plaats. Van een dwarse egotist moet je niet verwachten dat hij met de stroom meegaat.

Dan maar een pseudoniem

Gary hoefde van niemand lessen te krijgen in verbeelding. Alleen al over zijn afkomst fabuleerde hij tientallen varianten bij elkaar. En ook zijn oorlogservaringen werden groter of kleiner naargelang de omstandigheden. De werkelijkheid was voor Gary vloeibare materie die om het even welke vorm kon aannemen, ten goede of ten kwade. Nu hij zelf bij het huisvuil van de geschiedenis was gezet, besloot hij iedereen stevig bij de neus te nemen. Deels uit diepe rancune, deels uit mythomanie bedacht hij het pseudoniem Émile Ajar. Die ‘debuteerde’ met Gros-câlin, een roman over de ongeneeslijke eenzaamheid van de mens. Het succes was zo groot dat Gary een nieuwe dimensie toevoegde aan zijn pseudoniem. Hij sloot een contract af met zijn neef om Émile Ajar te spelen. Ajars tweede roman, La vie devant soi, werd een vette bestseller. Het is wellicht ook het beste boek dat Gary ooit heeft geschreven.

De mystificatie liep volledig uit de hand. Gary was al een chronische angstpatiënt toen hij Ajar bedacht. Maar toen zijn pseudoniem een eigen leven begon te leiden, vreesde hij dat de hemel op zijn hoofd zou vallen. Uiteindelijk zou de waarheid pas na zijn dood aan het licht komen, tijdens een historische uitzending van Apostrophes, het toenmalige boekenprogramma van Bernard Pivot op Antenne 2. Op de vraag waarom Gary zover was gegaan, had zij zelf geantwoord in Gros-câlin: ‘J'ai parfois l'impression que l'on vit dans un film doublé et que tout le monde remue les lèvres mais ça ne correspond pas aux paroles. Parfois c'est très bien fait, on croit que c'est naturel.’ Gary had iedereen, zichzelf incluis, op het verkeerde been gezet.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 9 april 2008.)