maandag 28 april 2008

De toekomst van het boek


Bij het overlijden van Angèle Manteau (1911-2008)

Wat betekent dat eigenlijk, boeken uitgeven? Telkens die vraag me midscheeps raakt, geef ik het klassieke antwoord van wijlen Thomas Bernhard: een uitgever geeft uit. Wie de glaciale misantropie van die Oostenrijkse schrijver kent, weet dat dit geen flatterende definitie is. Bernhard achtte een uitgever nog lager dan een Weens theaterregisseur, wat tot nederigheid inspireert. Meestal bestaat een uitgever bij gratie van zijn auteurs. Het tegendeel doet alarmlichten flikkeren. Die opgelegde nederigheid komt echter alleen tot haar recht als ze gepaard gaat met een bovenmenselijk radde koopmansgeest, culot, een homerische belezenheid, een internationaal geprezen smaak, glimmende schoenen, snelheid van uitvoering en een slecht karakter. Geen wonder dat uitgevers als penitentie graag uitgeversbiografieën en –geschiedenissen lezen. Want daarin staan ook de slechte dagen beschreven, de zeperds, de hubris, de slaande ruzies, de koude koffie om twee uur ‘s nachts.

Mijn echte vakopleiding was de tijd dat ik als editeur de brieveneditie van Gerard Walschap voorbereidde. Ik heb enorm veel geleerd door oude zakelijke correspondentie te ontcijferen. Die gaat meestal om problemen en hoe ze op te lossen. En als je wat dieper doordringt in het verleden van een uitgeverij, blijkt dat altijd dezelfde thema’s op tafel komen: hoe bouw je een duurzame relatie op met schrijvers, hoe verkoop je veel boeken en hoe vermijdt je dode voorraad? Bij de NV Uitgeverij A. Manteau ging het niet anders. Het boek Kwaliteit als credo. Een geschiedenis van uitgeverij Manteau 1938-1953 van Ernst Bruinsma geeft een scherp beeld van de inspanningen die Manteau zich heeft getroost om succesvol te zijn én de uitgeverij een smoel te geven. Ook in het door Kevin Absillis geschreven vervolg van die uitgeverijgeschiedenis, dat dit najaar zal verschijnen, lees je hoe Manteau tussen alle ups and downs een lijn tracht te volgen. De pragmatiek die ze daarbij huldigt, is een minimale voorwaarde om de continuïteit van een uitgeefbedrijf te verzekeren. Een uitgever geeft uit. Ook als, zoals Manteau heeft meegemaakt in de magere jaren na de Tweede Wereldoorlog, de bodem onder het bedrijf wordt weggeslagen door overmacht.

Alvast in dat opzicht is er geen enkel verschil met vandaag. Om voor applaus in aanmerking te komen, moeten uitgevers nog steeds vele borden in de lucht houden. En het blijft wachten op de magische formule om woorden in goudklompjes te veranderen. In de roman Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans ontwaakt de jonge geoloog Alfred Issendorf uit de illusie dat hij beroemdheid moet bereiken. Pas nadat hij voorgoed wakker is geworden, lukt het hem de werkelijkheid onder ogen te zien. Zo gaat het met uitgeven ook. Je mag dromen dat je een succes ontdekt waarbij alle andere successen verbleken. Maar je moet toch vooral vroeg opstaan en naarstig zoeken.

Wellicht behoorde Angèle Manteau tot de laatste generatie uitgevers die een volledige loopbaan met bedrukt papier konden vullen. Ikzelf, bouwjaar 1970, heb me er node mee verzoend dat papier niet meer zal volstaan. Lange tijd heeft het boekenvak de illusie gecultiveerd te ontsnappen aan de digitale transformatie. Intussen is het hele vak gedigitaliseerd, behalve het eindresultaat: het boek. Maar waarom zou de analoge wereld totaal op de schop gaan en het boek niet? Uit morele superioriteit? Waarom zou ook de literatuur niet het mikpunt worden van de revolutie van de shuffle-toets? Omdat de literaire tekst sacraal is? Waarom zou je een roman niet evengoed op een beeldscherm kunnen lezen? Omdat de hemel dan op je hoofd valt? Mijn geloof in de toekomst van het gedrukte boek en van de literatuur is onvoorwaardelijk en steeds militanter. Toch moet het boekenvak volgens mij vooral niet vergeten op tijd wakker te worden. Miljoenen enthousiaste downloaders hebben de muziekbranche laten imploderen. Als je merkt hoe razendsnel de iPod even alledaags is geworden als een polshorloge, dan zou het met een populaire en strak geprijsde e-reader wel eens even snel kunnen gaan. Of we akkoord gaan met die ontwikkeling is niet relevant. Het zal ooit gebeuren, heel eenvoudig om het technisch mogelijk is.

In het aprilnummer van Lire geeft Frédéric Beigbeder schoorvoetend toe dat het elektronische boek geen fictie meer is: ‘Honnêtement je n'arrive encore pas à décider si ce sera le sommet du ridicule, ou un luxe extraordinaire, ou la fin du monde.’ Taco Morelisse, CEO van Kluwer Nederland, voorspelt in Boekblad : ‘Ik verwacht niet dat over tien jaar papier nog de primaire drager zal zijn.’ Het aantal boude uitspraken is niet meer te tellen. Socioloog Zygmunt Baumann noemt dit ‘vloeibare moderniteit’: een situatie waarin heden en verleden zo door elkaar heen lopen dat ijkpunten moeilijk te bepalen zijn. De klassieke boekencultuur die een aristocratische dominantie heeft uitgestraald en waar Angèle Manteau haar stempel op heeft gedrukt, behoort tot het verleden. Literatuur moet het opnemen tegen een haast eindeloos (digitaal) ontspanningsaanbod. Wie opgroeit in de algoritmische wereldorde van Google en de rommelbak van YouTube heeft een fundamenteel andere kijk op informatie en entertainment, al was het maar omdat de digitale gehaktmolen alle oude tegenstellingen en culturele paradigma’s fijnmaalt. Alleen analoge bejaarden begrijpen het verschil tussen hoge en lage cultuur nog. En wie weet zijn zij straks nog de enige die gedrukte media en literatuur lezen. En kranten.

Als je de dimensies van de digitale revolutie in ogenschouw neemt, is het duidelijk dat we aan een race tegen de klok zijn begonnen om te voorkomen dat de literatuur een volstrekt marginale keuzemogelijkheid in de entertainmentsupermarkt wordt. Koppigheid en moed strekken tot aanbeveling in de boeiende, maar woelige periode die het boekenvak te wachten staat. Het zijn net die eigenschappen waarvan Angèle Manteau in haar tijd het goede voorbeeld gegeven.

(Deze tekst verscheen eerder in De Standaard van 25 april 2008.)

Geen opmerkingen: