zondag 22 juni 2008

Over het dagboek van Matthieu Galey


(Matthieu Galey, lector bij Grasset, criticus bij L'Express, toeschouwer van het Franse literaire bedrijf en 'fascist van de goede smaak'.)

Voorbij de ijdelheid ligt het troosteloze moeras van de waanzin. De armen van geest komen terecht in gesloten instellingen en sterven naamloos. Echte gekken daarentegen bestellen hun eigen grafsteen en laten er 'homme de livres' in beitelen. Zo verging het Matthieu Galey, een invloedrijk Frans criticus uit de jaren zestig tot tachtig van vorige eeuw. Als jongeman beschrijft Galey met toenemende hysterie leeservaringen en orgieën van allerlei soort. In het grootste deel van zijn dagboek toont hij zich een ongenietbare kletsmeier die kitsch en roddels met mystiek verwart. Geruisloos neemt de literatuur de plaats in van de tastbare werkelijkheid. Zodra de omstandigheden dreigend worden, stelt Galey een schietstoel in werking die hem richting literaire luchtledigheid schiet. "Alle dingen blijven aan hun zelf overgelaten", preekte de grote landschapschrijver Streuvels. Galey zou daaraan toevoegen: en ze zijn het niet waard dat we ze een blik waard achten. Maar als Galey zich verwaardigt om een oordeel te vellen, is het raak. Eind 1973 treedt Marlene Dietrich op te Parijs. De blauwe engel is tweeënzeventig en draagt een met rubber opgevulde vleeskleurige concertjurk om haar kont een halve eeuw te verjongen. Galey noemt haar "irreëel", "een oude pad", tot ze begint te zingen en na het optreden zesendertig keer wordt teruggeroepen. Dietrich verenigt in zich "de onverenigbare eigenschappen van de lieve grootmoeder en de erotiek, de twee uiterste polen van het leven, de eeuwigheid". Ware Galey minder fatterig dan zou hij, een natiepaard met oogkleppen op gelijk, blind over zijn levenspad draven. Maar de wufte Galey lijkt eerder een poedel die achter het fatum aanholt en stuurloos langs de Parijse boulevards paradeert. De hel dat zijn uiteraard de andere mannelijke poedels, die het niet zo nauw nemen met de liefde. Galeys gemoed is permanent bezwaard. Jongens met godenlijven ontpoppen zich als opportunistische gluiperds. In andere gevallen verzuipt Galey de hooggestemde gevoelens in het moeras van de waanzin. De werkelijkheid kan nooit tippen aan de literatuur. Neerslachtig kwispelstaartend bereikt Galey de hoogste graad van levensmoeheid. Hij laat er zich op voorstaan op uitmuntende wijze aan te modderen. Met coltruien, Juliette Gréco of Sartriaanse verantwoordelijkheidszin heeft dit alles weinig te maken. De hypersensitieve letterenknecht Galey is te slim om iets te geloven, tenzij een geslaagde metafoor. Toch zal hij nooit de roman schrijven die iedereen van hem verwacht. Galey schept er een pervers genoegen in zich die daad te ontzeggen. Hij bewaart zijn ontgoocheling voor de boeken en theatervoorstellingen die hij recenseert, onder meer in Les nouvelles littéraires, het opinietijdschrift L'Express en het radioprogramma Masque et plume. Het hoogtepunt van zijn bestaan is wellicht de anonieme beller die hem aan de telefoon uitscheldt voor "fascist van de goede smaak".

De feestelijke sixties zijn nog slechts een herinnering wanneer de glans uit Galeys notities verdwijnt, midden jaren zeventig. Op dat moment schrijft Serge Gainsbourg aan L'homme à tête de chou (1977), de beste concept-lp uit de popgeschiedenis. In L'homme à tête de chou vertelt Gainsbourg het verhaal van Marilou, "beauté païenne", die liefde, lust, dood en ondergang belichaamt. L'homme à tête de chou is behekst door Marilou, tracht zijn obsessie te begrijpen en pelt de lagen van zijn kolenhoofd af tot er een mismaakt hoopje mens overblijft. De norse Galey haalt zijn neus op voor ordinaire popmuziek en verwijst niet naar Gainsbourg, maar voert een zelfontleding uit die, bewust of onbewust, tot hetzelfde resultaat leidt. Het feest is uit. De liefde is een perpetuum mobile dat lichamen verslindt en zowel dood als lust voortbrengt. Begin jaren tachtig krijgt dat mechanisme een bijnaam: aids. Tijdens de eerste grote paniekgolf wordt bij Galey een dodelijke spierziekte vastgesteld. Ook in de stijl van het dagboek is dit het grote keerpunt.

De laatste twee jaar van Galeys leven, 1985 en 1986, ontstaan dagboeknotities van een ijzingwekkende kracht. Galey onderneemt een afscheidstournee langs Zuid-Amerika, China, Zuid-Afrika. Met de adem van de dood in de nek analyseert Galey onderweg elke prikkel, elke gedachte, elke ontmoeting die hij de moeite waard acht. Het montere cynisme dat hij daarbij uitdraagt, is onweerstaanbaar op een buitengewoon onaangename manier. Er zit geen greintje theater meer in. De confrontatie is totaal. "Wanhoop", zo schrijft Galey, "is een gebrek aan fantasie." Zelfs zijn dagboek moet eraan geloven omdat het een te eenzijdig, te gekunsteld beeld geeft van zijn leven. "De rest zal doodgewoon verdwenen zijn. De seks en het werk, die de belangrijkste plaats in het leven innemen, worden vanzelf uitgewist. Ze vormen het nuttige steigerwerk om het op te bouwen, maar zijn gênant om bij stil te staan."

Het Frankrijk van die jaren beleeft de nadagen van de Koude Oorlog, een feest van conceptuele kunst. Mitterrand verbouwt Parijs. De Franse geheime dienst brengt de Greenpeace-boot Rainbow Warrior tot zinken. Christo verpakt de Pont Neuf. De invalide Galey onthoudt vooral de bomaanslagen die de Franse hoofdstad teisteren. De spanning in het Midden-Oosten jaagt hem als kwart jood meer angst aan dan zijn aangekondigde dood. Wanneer Galey de xenofobe uitbarstingen van zijn oude vader navertelt, weet hij zich geen houding te geven. Achter die onwennigheid gaat de tragiek van de jaren tachtig schuil, een periode die zich onderscheidde door een ideologisch bankroet en krampachtig in stand gehouden machtsverhoudingen. Het is of samen met Galey een oude wereld naar de verdoemenis gaat. Hij had het zelf voorspeld in 1980, bij de massale opkomst voor de begrafenis van Sartre: "Je zou bijna kunnen zeggen dat ze zichzelf ter aarde bestellen."

Galey is een kind van de naoorlogse naïviteit, toen objectiviteit of esthetiek nog dromen waren die men vrijelijk kon verkondigen. De heiligen stonden op hun sokkels te wachten om verbrijzeld te worden. Galey deed nauwelijks mee. Hij verkoos een dienende rol te spelen. Als lector van uitgeverij Grasset. Als eeuwige criticus. Als spreekbuis van grote literaire namen. Met open ogen, het interviewboek dat Galey met Marguerite Yourcenar maakte, is het wapenfeit waarmee hij zijn plaats in de officiële geschiedenis veroverde. In plaats van zijn leven te geven aan eigen werk, besloot hij zich te slachtofferen op het altaar van de kunst. 13 februari 1986: "Laatste beeld: het sneeuwt. Onbevlekte Hemelvaart."

Boris Jeltsin, Getuigenis van een opposant. Dagboek 1988-1989


(Boris Jeltsin op 22 augustus 1991. Een dag na de mislukte communistische couppoging. Iedereen met CNN op de kabel kijkt live naar Jeltsins gloriemoment.)

Dat het zo snel zou gaan, had zelfs de meest helderziende waarzegger niet voorspeld. In 1989 stortte het Warschaupact in elkaar en bekenden de vazalstaten van Moskou zich tot de vrije markt. Revoluties gedijen het best bij warm weer. Duizenden Oost-Duitse gezinnen vluchtten in hun Trabant naar Tsjecho-Slowakije en sliepen er onder de blote hemel. Even later nam de massa het Berlijnse niemandsland in en bouwde een feestje op de muur. Families vielen elkaar in de armen, iconoclasten sloopten de betonnen grens met de voorhamer, een overenthousiaste vrouw toonde haar borsten aan de wereld. Het leverde fantastische tv op. De zomer van 1989 leek eeuwig te duren, maar in Moskou was de winter al aangebroken. Toen de laatste acolieten van Leonid Breznjev doodvielen, kwam Gorbatsjov aan het bewind. Vanaf 1985 zette hij een voorzichtige vernieuwingspolitiek op de sporen. De perestrojka was zijn wanhoopspoging om het Sovjet-Russische imperium te redden. Ondanks zijn hervormingsgezinde imago, handhaafde Gorbatsjov de dictatoriale waanzin van zijn voorgangers. Hij bleef oorlog voeren in Afghanistan, liet Armeniërs afknallen en stuurde tanks naar de Baltische staten. Gorbatsjov was ook een uitermate belabberd politiek denker, een eigenschap die hem onverklaarbaar veel sympathie in het Westen opleverde. Onder luid trompetgeschal verscheen in 1987 Gorbatsjovs klassieker Perestrojka. Een nieuwe visie voor mijn land en de wereld. Het boek bood historisch-materialistisch gezwets van het allerlaagste niveau. Gorbatsjov was eigenlijk op zoek naar een elegante manier om het status-quo te bewaren en westerse overheidssteun in de wacht te slepen. "Laat het Westen maar denken dat het kapitalisme het hoogste is wat de beschaving heeft bereikt. Het is hun goed recht dat te denken. Wij zijn het er eenvoudigweg niet mee eens. En laat de geschiedenis maar uitmaken wie er gelijk heeft." Wat een pijnlijke grap.

De tegendraadse Moskouse partijsecretaris Boris Jeltsin noteert in zijn tot memoires omgebouwd dagboek hoe Gorbatsjov eind jaren tachtig de voeling met de werkelijkheid verliest. De vergaderingen van het partijbureau ontaarden in bureaucratische hoogmissen. Gorba- tsjov laat zich inkapselen door de nomenclatuur en accepteert geen kritiek. De generatiegenoten Jeltsin en Gorbatsjov zijn openlijke rivalen. "Ik denk dat Gorbatsjov niet zonder een Jeltsin kan. Als hij hem niet had gehad, had hij hem moeten bedenken", schrijft Jeltsin. In het politbureau presenteert hij zich als de doener, de aanjager, de horzel in de nek van de alwetende, enigszins ascetische oppersovjet Gorbatsjov. Getuigenis van een opposant is een sterk staaltje propaganda, geschreven op een moment dat Jeltsin het nog moest maken. Jeltsin - "ik ben geen makkelijk mens" - drijft het zo ver dat hij zich politieke maagdelijkheid toemeet: "Ik had de hele tijd het gevoel dat ik een zonderling, of eerder nog een vreemdeling tussen die mensen was, dat ik niet paste in die omgeving met voor mij onbegrijpelijke verhoudingen." Beide verlichte machtspolitici betwisten elkaar de titel van redder des vaderlands. En terwijl de intriges van het partijbureau hallucinante proporties aannemen, valt de muur. Het is of de toplaag van de communistische regimes de hele tijd komedie heeft gespeeld en laat zien hoe het systeem in waarheid altijd is geweest: een tochtige bouwval waarvan de fundamenten wegzakken in modder.

Het operetteachtige einde van de communistische illusie heeft als nadeel gehad dat het geloof in historische predestinatie is toegenomen. Een wereld waarin ideologie zogezegd een louter melancholische waarde heeft, toont de werkelijkheid zoals ze is, naakt, rauw, barbaars. De maakbaarheid van de maatschappij is verbannen naar de voetnoten bij de sociaal gecorrigeerde vrijhandel. Het democratische repertoire is geslonken tot gratis openbaar vervoer. Want ja, de natiestaat verkruimelt en politici hebben alleen nog macht op regionaal niveau. De rest is een kwestie van 'systeem paraplu'. Het verdrag van Maastricht noemt dit subsidiariteit. Europa wordt geregeerd door de zwarte hand: een irrationele vrije markt en een ondoorzichtige bureaucratie. Dat laatste deelt de Europese Unie met de voormalige Sovjet-Unie. Jeltsin heeft dan ook een punt wanneer hij eind jaren tachtig de mislukking van de perestrojka toeschrijft aan het partijapparaat. De apparatsjiks laten zich rondrijden in hun ZIL, proppen zich vol met steur op het terras van hun datsja, schuiven verantwoordelijkheden door en laten het land verpieteren. In 1991 was het ermee gedaan. Het einde van de Koude Oorlog kende geen winnaars. Ook het oude Europese ideaal van Schuman en consorten stierf een roemloze dood, begin jaren negentig op een markt in Sarajevo, te midden van aan flarden geschoten huisvrouwen.

In Getuigenis van een opposant schetst Jeltsin een ontluisterend beeld van de fata morgana waar de laatste communisten zich terugtrekken. Het boek bevat ook een waarschuwing: wacht tot ik, Jeltsin de zuivere, de macht in handen krijg! Na de implosie van de Sovjet-Unie is gebleken hoe Jeltsin, behekst door anticommunistische demonen, op dictatoriale wijze heeft getracht de Russische bouwval te restaureren. De proletenzoon heeft de sovjetburgers herdoopt tot bezitters. Hijzelf is ten onder gegaan aan financiële schandalen en belangenvermenging.

Voor liefhebbers van politieke thrillers is Getuigenis van een opposant verplichte lectuur. Net als de dagboekmemoires die Jeltsin tijdens de late jaren negentig schreef, bevat Getuigenis van een opposant een praktische cursus machtswellust. Jeltsin snijdt voortdurend hoog op over de trucs waarmee hij zijn tegenstanders neutraliseert. Het valt daarbij op hoe weinig aandacht hij schenkt aan buitenlandse politiek en politieke ideeën tout court. De val van de muur komt nauwelijks ter sprake. Het Kremlin heeft toch geen vat op de situatie gehad en bovendien is de modale Rus druk bezig met overleven. Een goed politicus weet vooral welke thema's zijn kiespubliek niet aanspreken. En dus weidt Jeltsin uit over de economische depressie en... openbaar vervoer.

In augustus 1989 becommentarieert de Hongaarse historicus John Lukacs in zijn dagboek de val van de muur: "Veel mensen, zelfs hele regeringen waren overdonderd. Ze hadden beter moeten weten." Jeltsin wist het hoe dan ook beter en beantwoordde volkomen aan Lukacs' interpretatie van het communistische debacle. Als antwoord op Het einde van de geschiedenis van Francis Fukuyama schreef Lukacs Het einde van de moderne tijd, waarin hij de impact van ideologische conflicten relativeert. Volgens hem heeft de twintigste eeuw vooral te lijden gehad onder nationalisme. Als je die redenering doortrekt, klinkt het logisch dat het sovjetregime begraven is door een ex-communistische president die zich ontpopte als een gelovige patriot. Volgens een oud sovjetgebruik kreeg Jeltsin onlangs een berg in Kirgizië naar zich genoemd. Goed dat er nog zekerheden zijn.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 27 november 2002.)

woensdag 4 juni 2008

Het einde van de Eerste Wereldoorlog


(Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit.)

Meer dan zes miljoen Franse mannen hadden net als hij gevochten op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. En het lot had uitgerekend hem, Lazare Ponticelli, aangewezen om het licht te doven. Onder een statige grijze hemel werd de nagedachtenis van de laatste poilu geëerd rond de exercitievelden op de Parijse linkeroever. Die maandagochtend 16 maart was er eerst een misviering in de kathedraal Saint-Louis des Invalides. De volledige top van de Franse republiek stond paraat. Iedereen was zeer opgetogen even de aandacht af te kunnen wenden van de politiek. De centrumrechtse regering en president Sarkozy hadden immers een dag eerder een smadelijke nederlaag geleden bij de lokale verkiezingen. Ongetwijfeld hebben de aanwezigen meermaals zuchtend naar het plafond van de kathedraal gekeken, alwaar tientallen bataljonsbanieren herinneren aan de schermutselingen en slachtpartijen die het collectieve geheugen van de Republiek hebben gevormd. ‘L’armée c’est la nation’, zei Napoleon ooit.
Ook België heeft een staand leger dat de natie vertegenwoordigt. Met ruim veertigduizend werknemers en een jaarbudget van 2,7 miljard euro is Defensie een van de grootste bedrijven van het land. Ondanks herstructureringen, zoals het invoeren van een eenheidsstructuur, wordt de organisatie van het leger op de proef gesteld nu in de vier windstreken vredeshandhaving het parool is. In het kader van de mythische Europese defensie is het vormen van een kleinere en wendbaardere militaire organisatie essentieel. Maar die hervorming gaat moeizaam. Bovendien vormen de strijdkrachten een fremdkörper in een maatschappij die niet eerder in de moderne geschiedenis zo’n lange periode van vrede heeft gekend. Zeker na het abrupt afschaffen van de dienstplicht begin jaren negentig is het leger in het defensief gedrongen. Los van de maatschappelijke relevantie en de budgettaire last staat ook het bestaan van het leger zelf ter discussie.
Als dienstmaagd van de internationale verdragen en van de geopolitieke alchimisten heeft het Belgisch leger de afgelopen jaren een bescheiden deel van de veiligheidsrisico’s op zich genomen. Sinds 1992 zijn er negentwintig Belgische militairen omgekomen in het buitenland, met als dramatische dieptepunt de tien doden in Kigali. Niet meteen een voorbeeld van napoleontische zelfopoffering, maar de doden zijn wel degelijk te betreuren. Het aantal risicovolle opdrachten neemt echter toe, zoals in Afghanistan.
Na twee wereldoorlogen en een astronomisch toegenomen welvaart voelen weinig Europeanen de behoefte om zich vrijwillig aan flarden te laten schieten in een schimmig oorlogsgebied. Dit pacifisme van de koude grond won nog aan populariteit in de jaren negentig. Terwijl er op de hoek van onze straat voor het eerst in halve eeuw etnische slachtpartijen plaatsvonden, bleven we keurig in onze achtertuin schoffelen. We komen vandaag geen vrijwilligers tekort om het Europese federalisme te verzuipen in een plas van ranzige bekrompenheid. Maar de belangrijkste scène van het drama speelde zich af in ex-Joegoslavië waar de Europese Unie en haar lidstaten nu eens onwillig, dan weer impulsief en ondoordacht handelden. Het gebrek aan een doortastende en eensgezinde buitenlandstrategie is ons zuur opgebroken.
In verspreide slagorde, maar onder een gedeeld commando, hebben Britten, Fransen, Duitsers, Italianen en Belgen de orde bewaard in en rond Bosnië. Amerikaanse hulp was echter onontbeerlijk om de operatie rond te krijgen. Om die afhankelijkheid af te zwakken moeten Europese landen significant meer geld pompen in Defensie, moeten ze hun militaire organisaties doen samensmelten en moeten ze streven naar een Europese defensiemacht die niet volledig samenvalt met de NAVO. Tien jaar na Bosnië zijn we nog niet al te ver gevorderd op dat pad. De omstandigheden daarentegen zijn radicaal veranderd. Amerika kan zijn rol als militaire en financiële wereldleider nauwelijks aan. De naschokken van 9/11 hebben gezorgd voor nieuwe breuklijnen, zinloze militaire campagnes, tienduizenden doden en een astronomisch hoog Amerikaans oorlogsbudget. Tegelijkertijd is Europa minder dan ooit geneigd geld te investeren in Defensie. Ook hier past een napoleontische gemeenplaats: ‘On gouverne mieux les hommes par leurs vices que par leurs vertus.’
Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit. Aangezien er geen miraculeuze oplossing voor de stammenoorlog in de Balkan bestaat, zal door die onafhankelijkheid het conflict in een nieuwe dimensie terechtkomen. Kosovo is een van die plekken waar het Westen onder meer op morele gronden militair heeft ingegrepen. De voormalige Servische provincie is omgebouwd tot een protectoraat zonder noemenswaardige economie. Ter herinnering: in 1999 werd het gebied gepacificeerd door ruim veertigduizend westerse soldaten van de KFOR-troepenmacht, onder wie zevenduizend Amerikanen. Afgesloten van de Middellandse Zee en van de rest van Europa leidt Kosovo een quasi-vegetatief bestaan. Het lijkt een Europese kopie van de Gazastrook. De economische indicatoren geven een rampzalig beeld. De rechtstaat wordt bedreigd door georganiseerde misdaad, chronische armoede en bestuurlijke chaos. Bovendien is het twijfelachtig of in die lamentabele omstandigheden de minderheden zullen worden gerespecteerd. Zelfs het onafhankelijke Kosovo, hoe klein ook, is een verzameling van ongelijke delen. Van meet af aan had de Kosovaarse overheid geen grip op het overwegend Servische Noorden, waar het gros van het honderdnegentig man sterke contingent Belgische militairen zich bevindt. ‘Deze onafhankelijkheidsverklaring is een stap in de reeds lang aanslepende discussie over de statuskwestie van Kosovo’, verklaarde minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht. De discussie gaat immers door. Kosovo zal zich, net als zovele andere landen, zo snel mogelijk willen aansluiten bij de Europese Unie, wat de relaties met Rusland niet meteen zal verbeteren. Europa heeft haar vredesdividend node geïnvesteerd in de versnelde toetreding van de lidstaten van het voormalige Oostblok. Ook voor Kosovo zal de Europese Unie in de toekomst de hefboom vormen om vrede en een zekere welvarendheid te bereiken, voorspellen optimisten. Eind februari deelden actievoerders van Jong N-VA alvast suikerbonen en geboortekaartjes uit aan het gebouw van de Europese Commissie, als symbool van de geboorte van Europa’s nieuwste staat.
De onafhankelijkheid van Kosovo vormt voor nationalisten van diverse pluimage het bewijs dat het zelfbeschikkingsrecht der volkeren altijd zegeviert, aangezien dat nu eenmaal het belangrijkste ordenende principe in een nationalistische maatschappijvisie is. Er bestaat geen verschil tussen Kosovo, Zuid-Ossetië, Tsjetsjenië, Tibet, Baskenland, Catalonië, Schotland of Vlaanderen. Natievorming is natievorming. Björk riep begin maart tijdens een optreden in Shanghai de onafhankelijkheid van Tibet uit, maar ze had dat evengoed tijdens de komende IJzerbedevaart kunnen doen. Een geste die perfect zou passen in de aanhoudende hysterie rond de staatshervorming. Op de site van Gazet van Antwerpen liet de enthousiaste lezer D.F. op 25 februari althans deze hartenkreet achter: ‘Was ik maar in Kosovo geboren, daar hebben ze tenminste ballen aan hun lijf’. Wellicht moeten we, zoals Paul Eluard ooit beweerde, onze wereld aandachtiger bekijken om de diepere werkelijkheid te zien: ‘La terre est bleue comme une orange’. De kop boven het grote interview in La Libre Belgique (15 maart) met N-VA-voorzitter Bart De Wever luidde dan ook: ‘La Belgique n’existe plus.’
Nog steeds wordt de Belgische politiek met argusogen gevolgd in het buitenland. Vaak gaat het om ramptoerisme waarvan de focus een etmaal later op een willekeurige overstroming is gericht. Maar het valt evenmin uit te sluiten dat niet elke Europeaan te vinden is voor een subregionaal ingedeeld Europa of voor een staatsrechterlijke big bang op continentaal niveau; een ontwikkeling waar het in buitenlandse media gretig aangekondigde uiteenvallen van België op vooruit zou lopen. Hoe langer de crisis echter duurt, hoe hardnekkiger de clichés en vooroordelen worden. Alle betrokken partijen zitten gevangen in een negatieve spiraal van verbaal geweld en slopende tactische spelletjes die elk gesprek bemoeilijken en voor de hand liggende hervormingen tegenhouden. Een belangrijk deel van het regeerakkoord van Leterme I lag al maanden vast. Achteraf bekeken hebben de meeste onderhandelaars na de verkiezingen van juni 2007 vooral winst proberen te boeken door een politieke oplossing onmogelijk te maken. De verwijzing naar de finale implosie van de Belgische staat dient hierbij als een rookgordijn dat een aantal essentiële veranderingen verborgen houdt. Een van de belangrijkste is dat de Europese Unie een steeds grotere ,rol speelt in ons dagelijkse leven. Als de Belgische politiek de komende maanden geplaagd wordt door een chronische verkiezingskoorts, dan zal die kwaal veeleer psychosomatisch zijn. Uiteraard kunnen de gewestverkiezingen van 2009 ook de federale krachtverhoudingen grondig verstoren, maar het soortelijk gewicht van de Europese verkiezingen is groter.
De federatie voert uit wat Europa beslist. De prijs- en muntstabiliteit is hiervan het pijnlijkste en meest zaligmakende voorbeeld. De eurozone, de euro en het rentebeleid van de Europese Centrale Bank (ECB) hebben een monetaire politiek op nationaal of regionaal niveau overbodig gemaakt. Dollargerichte bedrijven uit de BEL20, zoals Delhaize of UCB, kunnen hun wisselkoersrisico wel gedeeltelijk afdekken, maar richten hun kompas op Frankfurt, niet op overbodige nationale banken of regeringen die veroordeeld zijn tot het vaststellen van economische feiten. Meer dan welke Europese regering ook beïnvloedt Jean-Claude Trichet de concurrentiekracht van de ondernemingen. Als Trichet waarschuwt tegen de automatische indexering van de lonen, geeft hij voor gans de unie de marsrichting aan. Het is dankzij de supervisie van de ECB in het bijzonder en Europa in het algemeen dat de geledingen van de Belgische politiek zich op een haast evangelische manier kunnen vastbijten in de communautaire achterhoedegevechten. De prijs van slecht bestuur is veel lager dan vroeger. Devaluaties zijn niet meer mogelijk. De dalende koopkracht kan makkelijk toegeschreven worden aan internationale rampen, zoals de subprimecrisis en de bijhorende creditcrunch.
Dat het behoud van de solidariteit en van de welvaart zeer moedige politieke beslissingen vergt, tonen de bijdragen in de congresbundel Gedachten over sociaal federalisme. Leterme I heeft die moed nog niet getoond. Maar als het er echt om spant, regelt de samenleving zichzelf. De drie regionale werkgeversorganisaties – Voka (Vlaams netwerk van ondernemingen), UWE (Union Wallonne des Entreprises) en BECI (Brussels Entreprises Commerce and Industry) – ondertekenden op 10 maart een Solidariteitspact. Zo’n geste was niet eerder vertoond. De Belgische werkgevers verbinden zich ertoe om koste wat het kost vijfhonderdduizend nieuwe jobs te scheppen tegen 2020, en willen sociaaleconomische en ecologische beleidskeuzes op maat van de ‘gedifferentieerde noden van de ondernemingen in de regio’s en wat Wallonië betreft ook rekening [houdend] met subregionale verschillen’. Ook de christelijke en socialistische vakbonden ACV en ABVV, en de respectieve ziekenfondsen, plegen een historisch feit. Ze hielden voor het eerst in de geschiedenis een gezamenlijke 1 meiviering en ondertekenden tijdens een colloquium op 28 april een verklaring ter verdediging van het Belgische sociale model.
Onze welvaart is niet eeuwigdurend. Het kapitaal en de energiebronnen bevinden zich niet meer op de Louizalaan of in Marcinelle, maar in het Midden-Oosten, Rusland en Azië. Daar zijn ook de massale generaties hardwerkende nieuwe consumenten die zich liefst gisteren nog hadden bekeerd tot onze materialistische heilsfilosofie. De Europese economie staat onder druk, wat de gevolgen van de vergrijzing nog versterkt. De werkelijke politieke agenda draait dan ook om netelige onderwerpen als het verhogen van de pensioenleeftijd en van de werkzaamheidsgraad, het ter discussie stellen van verworven rechten, de omslag naar werkzekerheid, de keuze voor arbeidsmigratie, en het beheren en financieren van de fors toenemende zorgvraag en van de ecologische problemen. En dit alles tegen de achtergrond van een tot in de fundamenten veranderde samenleving die een schat aan ervaringen en kennis biedt, maar die genadelozer is geworden voor wie de verandering niet kan of wil volgen.
Niet zo lang geleden zouden we bij die toestand van overdruk heel makkelijk naar de wapens grijpen. Vandaag hebben we die conflicten geëxporteerd naar exotische oorden en sussen we ons geweten met een herinneringsgeloof in de twee wereldoorlogen. ‘Can we preserve a European past that is now fading from memory into history?’ vraagt historicus Tony Judt zich af. Het herinneringsgeloof met zijn slagveldrondleidingen en zijn bunkerromantiek ervaart Judt als een manier om penitentie te doen en het verleden af te sluiten. Ook dat is de banaliteit van het kwaad waar Hannah Arendt zo treffend over heeft geschreven. Toch lijkt de toestand op het eerste gezicht minder erg dan Judt doet uitschijnen. De Europese Unie werd gebouwd op het puin van de Tweede Wereldoorlog. Aan de verbindende kracht van de euro komt nog lang geen eind. Of dat volstaat om nog eens zestig jaar lang relatieve vrede te kennen, is een andere vraag.
Na de begrafenismis werd er voor het stoffelijk overschot van Lazare Ponticelli een parade gehouden op het binnenplein van Les Invalides. Ook de rest van de dag zou worden gevuld met toespraken, plechtige bijzettingen en onthullingen van plaquettes. Geen enkel detail van de republikeinse orgie ontging de camera’s. Het eerbetoon aan Ponticelli moest en zou uitgroeien tot een nationale hulde aan alle Franse oud-strijders en slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Tot vlak voor zijn dood heeft Ponticelli die feesten en stoeten radicaal geweigerd. Maar de laatste Franse overlevende van de Groote Oorlog is uiteindelijk het slachtoffer geworden van een geruststellend herdenkingsbombardement.

Harold Polis


Literatuur

Het Solidariteitspact is te downloaden op www.voka.be.
Tony Judt, ‘The problem of evil in Postwar Europe’, The New York Review of Books, 14 februari 2008.
Bea Cantillon en Veerle De Maesschalck (red.), Gedachten over sociaal federalisme, Acco, Leuven, 2008.

(Dit artikel verscheen eerder in Streven van mei 2008.)