woensdag 4 juni 2008

Het einde van de Eerste Wereldoorlog


(Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit.)

Meer dan zes miljoen Franse mannen hadden net als hij gevochten op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. En het lot had uitgerekend hem, Lazare Ponticelli, aangewezen om het licht te doven. Onder een statige grijze hemel werd de nagedachtenis van de laatste poilu geëerd rond de exercitievelden op de Parijse linkeroever. Die maandagochtend 16 maart was er eerst een misviering in de kathedraal Saint-Louis des Invalides. De volledige top van de Franse republiek stond paraat. Iedereen was zeer opgetogen even de aandacht af te kunnen wenden van de politiek. De centrumrechtse regering en president Sarkozy hadden immers een dag eerder een smadelijke nederlaag geleden bij de lokale verkiezingen. Ongetwijfeld hebben de aanwezigen meermaals zuchtend naar het plafond van de kathedraal gekeken, alwaar tientallen bataljonsbanieren herinneren aan de schermutselingen en slachtpartijen die het collectieve geheugen van de Republiek hebben gevormd. ‘L’armée c’est la nation’, zei Napoleon ooit.
Ook België heeft een staand leger dat de natie vertegenwoordigt. Met ruim veertigduizend werknemers en een jaarbudget van 2,7 miljard euro is Defensie een van de grootste bedrijven van het land. Ondanks herstructureringen, zoals het invoeren van een eenheidsstructuur, wordt de organisatie van het leger op de proef gesteld nu in de vier windstreken vredeshandhaving het parool is. In het kader van de mythische Europese defensie is het vormen van een kleinere en wendbaardere militaire organisatie essentieel. Maar die hervorming gaat moeizaam. Bovendien vormen de strijdkrachten een fremdkörper in een maatschappij die niet eerder in de moderne geschiedenis zo’n lange periode van vrede heeft gekend. Zeker na het abrupt afschaffen van de dienstplicht begin jaren negentig is het leger in het defensief gedrongen. Los van de maatschappelijke relevantie en de budgettaire last staat ook het bestaan van het leger zelf ter discussie.
Als dienstmaagd van de internationale verdragen en van de geopolitieke alchimisten heeft het Belgisch leger de afgelopen jaren een bescheiden deel van de veiligheidsrisico’s op zich genomen. Sinds 1992 zijn er negentwintig Belgische militairen omgekomen in het buitenland, met als dramatische dieptepunt de tien doden in Kigali. Niet meteen een voorbeeld van napoleontische zelfopoffering, maar de doden zijn wel degelijk te betreuren. Het aantal risicovolle opdrachten neemt echter toe, zoals in Afghanistan.
Na twee wereldoorlogen en een astronomisch toegenomen welvaart voelen weinig Europeanen de behoefte om zich vrijwillig aan flarden te laten schieten in een schimmig oorlogsgebied. Dit pacifisme van de koude grond won nog aan populariteit in de jaren negentig. Terwijl er op de hoek van onze straat voor het eerst in halve eeuw etnische slachtpartijen plaatsvonden, bleven we keurig in onze achtertuin schoffelen. We komen vandaag geen vrijwilligers tekort om het Europese federalisme te verzuipen in een plas van ranzige bekrompenheid. Maar de belangrijkste scène van het drama speelde zich af in ex-Joegoslavië waar de Europese Unie en haar lidstaten nu eens onwillig, dan weer impulsief en ondoordacht handelden. Het gebrek aan een doortastende en eensgezinde buitenlandstrategie is ons zuur opgebroken.
In verspreide slagorde, maar onder een gedeeld commando, hebben Britten, Fransen, Duitsers, Italianen en Belgen de orde bewaard in en rond Bosnië. Amerikaanse hulp was echter onontbeerlijk om de operatie rond te krijgen. Om die afhankelijkheid af te zwakken moeten Europese landen significant meer geld pompen in Defensie, moeten ze hun militaire organisaties doen samensmelten en moeten ze streven naar een Europese defensiemacht die niet volledig samenvalt met de NAVO. Tien jaar na Bosnië zijn we nog niet al te ver gevorderd op dat pad. De omstandigheden daarentegen zijn radicaal veranderd. Amerika kan zijn rol als militaire en financiële wereldleider nauwelijks aan. De naschokken van 9/11 hebben gezorgd voor nieuwe breuklijnen, zinloze militaire campagnes, tienduizenden doden en een astronomisch hoog Amerikaans oorlogsbudget. Tegelijkertijd is Europa minder dan ooit geneigd geld te investeren in Defensie. Ook hier past een napoleontische gemeenplaats: ‘On gouverne mieux les hommes par leurs vices que par leurs vertus.’
Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit. Aangezien er geen miraculeuze oplossing voor de stammenoorlog in de Balkan bestaat, zal door die onafhankelijkheid het conflict in een nieuwe dimensie terechtkomen. Kosovo is een van die plekken waar het Westen onder meer op morele gronden militair heeft ingegrepen. De voormalige Servische provincie is omgebouwd tot een protectoraat zonder noemenswaardige economie. Ter herinnering: in 1999 werd het gebied gepacificeerd door ruim veertigduizend westerse soldaten van de KFOR-troepenmacht, onder wie zevenduizend Amerikanen. Afgesloten van de Middellandse Zee en van de rest van Europa leidt Kosovo een quasi-vegetatief bestaan. Het lijkt een Europese kopie van de Gazastrook. De economische indicatoren geven een rampzalig beeld. De rechtstaat wordt bedreigd door georganiseerde misdaad, chronische armoede en bestuurlijke chaos. Bovendien is het twijfelachtig of in die lamentabele omstandigheden de minderheden zullen worden gerespecteerd. Zelfs het onafhankelijke Kosovo, hoe klein ook, is een verzameling van ongelijke delen. Van meet af aan had de Kosovaarse overheid geen grip op het overwegend Servische Noorden, waar het gros van het honderdnegentig man sterke contingent Belgische militairen zich bevindt. ‘Deze onafhankelijkheidsverklaring is een stap in de reeds lang aanslepende discussie over de statuskwestie van Kosovo’, verklaarde minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht. De discussie gaat immers door. Kosovo zal zich, net als zovele andere landen, zo snel mogelijk willen aansluiten bij de Europese Unie, wat de relaties met Rusland niet meteen zal verbeteren. Europa heeft haar vredesdividend node geïnvesteerd in de versnelde toetreding van de lidstaten van het voormalige Oostblok. Ook voor Kosovo zal de Europese Unie in de toekomst de hefboom vormen om vrede en een zekere welvarendheid te bereiken, voorspellen optimisten. Eind februari deelden actievoerders van Jong N-VA alvast suikerbonen en geboortekaartjes uit aan het gebouw van de Europese Commissie, als symbool van de geboorte van Europa’s nieuwste staat.
De onafhankelijkheid van Kosovo vormt voor nationalisten van diverse pluimage het bewijs dat het zelfbeschikkingsrecht der volkeren altijd zegeviert, aangezien dat nu eenmaal het belangrijkste ordenende principe in een nationalistische maatschappijvisie is. Er bestaat geen verschil tussen Kosovo, Zuid-Ossetië, Tsjetsjenië, Tibet, Baskenland, Catalonië, Schotland of Vlaanderen. Natievorming is natievorming. Björk riep begin maart tijdens een optreden in Shanghai de onafhankelijkheid van Tibet uit, maar ze had dat evengoed tijdens de komende IJzerbedevaart kunnen doen. Een geste die perfect zou passen in de aanhoudende hysterie rond de staatshervorming. Op de site van Gazet van Antwerpen liet de enthousiaste lezer D.F. op 25 februari althans deze hartenkreet achter: ‘Was ik maar in Kosovo geboren, daar hebben ze tenminste ballen aan hun lijf’. Wellicht moeten we, zoals Paul Eluard ooit beweerde, onze wereld aandachtiger bekijken om de diepere werkelijkheid te zien: ‘La terre est bleue comme une orange’. De kop boven het grote interview in La Libre Belgique (15 maart) met N-VA-voorzitter Bart De Wever luidde dan ook: ‘La Belgique n’existe plus.’
Nog steeds wordt de Belgische politiek met argusogen gevolgd in het buitenland. Vaak gaat het om ramptoerisme waarvan de focus een etmaal later op een willekeurige overstroming is gericht. Maar het valt evenmin uit te sluiten dat niet elke Europeaan te vinden is voor een subregionaal ingedeeld Europa of voor een staatsrechterlijke big bang op continentaal niveau; een ontwikkeling waar het in buitenlandse media gretig aangekondigde uiteenvallen van België op vooruit zou lopen. Hoe langer de crisis echter duurt, hoe hardnekkiger de clichés en vooroordelen worden. Alle betrokken partijen zitten gevangen in een negatieve spiraal van verbaal geweld en slopende tactische spelletjes die elk gesprek bemoeilijken en voor de hand liggende hervormingen tegenhouden. Een belangrijk deel van het regeerakkoord van Leterme I lag al maanden vast. Achteraf bekeken hebben de meeste onderhandelaars na de verkiezingen van juni 2007 vooral winst proberen te boeken door een politieke oplossing onmogelijk te maken. De verwijzing naar de finale implosie van de Belgische staat dient hierbij als een rookgordijn dat een aantal essentiële veranderingen verborgen houdt. Een van de belangrijkste is dat de Europese Unie een steeds grotere ,rol speelt in ons dagelijkse leven. Als de Belgische politiek de komende maanden geplaagd wordt door een chronische verkiezingskoorts, dan zal die kwaal veeleer psychosomatisch zijn. Uiteraard kunnen de gewestverkiezingen van 2009 ook de federale krachtverhoudingen grondig verstoren, maar het soortelijk gewicht van de Europese verkiezingen is groter.
De federatie voert uit wat Europa beslist. De prijs- en muntstabiliteit is hiervan het pijnlijkste en meest zaligmakende voorbeeld. De eurozone, de euro en het rentebeleid van de Europese Centrale Bank (ECB) hebben een monetaire politiek op nationaal of regionaal niveau overbodig gemaakt. Dollargerichte bedrijven uit de BEL20, zoals Delhaize of UCB, kunnen hun wisselkoersrisico wel gedeeltelijk afdekken, maar richten hun kompas op Frankfurt, niet op overbodige nationale banken of regeringen die veroordeeld zijn tot het vaststellen van economische feiten. Meer dan welke Europese regering ook beïnvloedt Jean-Claude Trichet de concurrentiekracht van de ondernemingen. Als Trichet waarschuwt tegen de automatische indexering van de lonen, geeft hij voor gans de unie de marsrichting aan. Het is dankzij de supervisie van de ECB in het bijzonder en Europa in het algemeen dat de geledingen van de Belgische politiek zich op een haast evangelische manier kunnen vastbijten in de communautaire achterhoedegevechten. De prijs van slecht bestuur is veel lager dan vroeger. Devaluaties zijn niet meer mogelijk. De dalende koopkracht kan makkelijk toegeschreven worden aan internationale rampen, zoals de subprimecrisis en de bijhorende creditcrunch.
Dat het behoud van de solidariteit en van de welvaart zeer moedige politieke beslissingen vergt, tonen de bijdragen in de congresbundel Gedachten over sociaal federalisme. Leterme I heeft die moed nog niet getoond. Maar als het er echt om spant, regelt de samenleving zichzelf. De drie regionale werkgeversorganisaties – Voka (Vlaams netwerk van ondernemingen), UWE (Union Wallonne des Entreprises) en BECI (Brussels Entreprises Commerce and Industry) – ondertekenden op 10 maart een Solidariteitspact. Zo’n geste was niet eerder vertoond. De Belgische werkgevers verbinden zich ertoe om koste wat het kost vijfhonderdduizend nieuwe jobs te scheppen tegen 2020, en willen sociaaleconomische en ecologische beleidskeuzes op maat van de ‘gedifferentieerde noden van de ondernemingen in de regio’s en wat Wallonië betreft ook rekening [houdend] met subregionale verschillen’. Ook de christelijke en socialistische vakbonden ACV en ABVV, en de respectieve ziekenfondsen, plegen een historisch feit. Ze hielden voor het eerst in de geschiedenis een gezamenlijke 1 meiviering en ondertekenden tijdens een colloquium op 28 april een verklaring ter verdediging van het Belgische sociale model.
Onze welvaart is niet eeuwigdurend. Het kapitaal en de energiebronnen bevinden zich niet meer op de Louizalaan of in Marcinelle, maar in het Midden-Oosten, Rusland en Azië. Daar zijn ook de massale generaties hardwerkende nieuwe consumenten die zich liefst gisteren nog hadden bekeerd tot onze materialistische heilsfilosofie. De Europese economie staat onder druk, wat de gevolgen van de vergrijzing nog versterkt. De werkelijke politieke agenda draait dan ook om netelige onderwerpen als het verhogen van de pensioenleeftijd en van de werkzaamheidsgraad, het ter discussie stellen van verworven rechten, de omslag naar werkzekerheid, de keuze voor arbeidsmigratie, en het beheren en financieren van de fors toenemende zorgvraag en van de ecologische problemen. En dit alles tegen de achtergrond van een tot in de fundamenten veranderde samenleving die een schat aan ervaringen en kennis biedt, maar die genadelozer is geworden voor wie de verandering niet kan of wil volgen.
Niet zo lang geleden zouden we bij die toestand van overdruk heel makkelijk naar de wapens grijpen. Vandaag hebben we die conflicten geëxporteerd naar exotische oorden en sussen we ons geweten met een herinneringsgeloof in de twee wereldoorlogen. ‘Can we preserve a European past that is now fading from memory into history?’ vraagt historicus Tony Judt zich af. Het herinneringsgeloof met zijn slagveldrondleidingen en zijn bunkerromantiek ervaart Judt als een manier om penitentie te doen en het verleden af te sluiten. Ook dat is de banaliteit van het kwaad waar Hannah Arendt zo treffend over heeft geschreven. Toch lijkt de toestand op het eerste gezicht minder erg dan Judt doet uitschijnen. De Europese Unie werd gebouwd op het puin van de Tweede Wereldoorlog. Aan de verbindende kracht van de euro komt nog lang geen eind. Of dat volstaat om nog eens zestig jaar lang relatieve vrede te kennen, is een andere vraag.
Na de begrafenismis werd er voor het stoffelijk overschot van Lazare Ponticelli een parade gehouden op het binnenplein van Les Invalides. Ook de rest van de dag zou worden gevuld met toespraken, plechtige bijzettingen en onthullingen van plaquettes. Geen enkel detail van de republikeinse orgie ontging de camera’s. Het eerbetoon aan Ponticelli moest en zou uitgroeien tot een nationale hulde aan alle Franse oud-strijders en slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Tot vlak voor zijn dood heeft Ponticelli die feesten en stoeten radicaal geweigerd. Maar de laatste Franse overlevende van de Groote Oorlog is uiteindelijk het slachtoffer geworden van een geruststellend herdenkingsbombardement.

Harold Polis


Literatuur

Het Solidariteitspact is te downloaden op www.voka.be.
Tony Judt, ‘The problem of evil in Postwar Europe’, The New York Review of Books, 14 februari 2008.
Bea Cantillon en Veerle De Maesschalck (red.), Gedachten over sociaal federalisme, Acco, Leuven, 2008.

(Dit artikel verscheen eerder in Streven van mei 2008.)

Geen opmerkingen: