zaterdag 2 augustus 2008

Uren met Cyriel Verschaeve

Het was lang zoeken naar een nationalistisch geïnspireerde artistieke duivelaanjager, maar uiteindelijk kan een weldenkend mens niet om Cyriel Verschaeve heen. Priester-dichter Verschaeve heeft in zijn leven bijzonder veel uitgespookt. Naast dichten tegen de sterren op, bewierookte hij religieuze kunst, schreef hij militant proza, beeldhouwde hij en hield hij van katten. Eeuwige roem heeft hij verdiend door zijn combinatie van zelfmoordneigingen, politiek en krukkige metaforen. De afgelopen weken zijn er verrassend veel vermeende nazi’s opgedoken. Maar over Verschaeve kunnen vriend en vijand het eens zijn: hij was een zwarte.

Verschaeves verzameld werk bevat acht dikke delen. Tel daarbij de ruim achttien afleveringen van het jaarboek Verschaeviana en het wordt snel duidelijk dat Verschaeve lezen plaats in beslag neemt. Schrijven was echter niet zijn fort. Dat is ook een van de conclusies van biograaf Romain Vanlandschoot in zijn onovertroffen biografie Kapelaan Verschaeve. Het oeverloze gelul van Verschaeve kent zijn gelijke niet in de Vlaamse literatuur. Om zijn iele talent te verdoezelen, pompte Verschaeve met een blaasbalg zijn zinnen op. Die bombastische woordenkramerij kan bij de ongeoefende lezer de indruk wekken dat Verschaeve ook werkelijk iets vertelt. Verschaeve vertelt echter niet, hij waagt zich niet aan verklaringen en wil de werkelijkheid niet doorgronden. Hij voelt en tracht die emotionele uitbarstingen zo secuur mogelijk op schrift te stellen.

De Dietse utopie

Op jonge leeftijd werd Verschaeve in de Duitse universiteitsstad Jena getroffen door een bekering tot het Germanendom. De Latijnse cultuur probeert zogezegd de feiten te ordenen, lijdt aan redeneerdwang, struikelt over het zoveelste ‘discours de la méthode’. De Germaanse cultuur daarentegen geeft zich aan de werkelijkheid over en voelt. Dat sloot beter aan bij Verschaeves geloof in een op God gebaseerd natuurrecht. Wat God aan de mensen heeft gegeven, is heilig: taal, grond en bloed. Evangelische waarden zijn eerder een vervelende bijkomstigheid in de geloofsbeleving van priester Verschaeve. Een van de grootste dieptepunten in zijn oeuvre is zijn boek Jezus, een omvangrijke vie romancée uit 1939 waarin Verschaeve de apostelen haast te vuur en te zwaard het woord laat verkondigen, en Paulus net niet een Stahlhelm draagt en Heinrich heet. Een wensdroom heet zoiets. De oorlog geeft Verschaeve de kans om zijn Dietse utopie ten volle te beleven. Groot-Nederland liep volgens hem tot aan de Somme. Pater Stracke trok die grens zelfs onder Parijs. Dat waren nog eens tijden.

En dan zijn er de onvermijdelijke dagboeken. In augustus 1944 wordt Verschaeve door de SS ontzet, naar Duitsland gevoerd en als ‘adviseur’ toegevoegd aan de door Jef van de Wiele georchestreerde Vlaamse regering in ballingschap. De terugtocht eindigt in Tirol, nabij Insbruck. Daar schrijft hij over Schiller, Rubens en andere lieflijke thema’s: ‘Ik wenste dat Duitsland in schoonheid zou ondergegaan zijn. Wie in schoonheid sterven mocht, zal zeker herleven.’ Onophoudelijk roept Verschaeve op zich te melden voor het Oostfront en te vechten. ‘Het geweten moet een oordeel kunnen vellen, zoals de soldaat moet kunnen sneuvelen.’ Eind jaren tachtig verscheen de wetenschappelijk verantwoorde editie van de dagboeken in Verschaeviana. De vele pagina’s ongecensureerde en niet eerder gepubliceerde nazistische rotzooi baarden opzien. Ze doen dat nog steeds.

Herstelgerichte dialoog

Intussen is het zover dat het belang van Verschaeve en zijn daden in de ogen van sommigen voor interpretatie vatbaar zijn. De meeste moderne nationalisten willen niets met de erfenis van Verschaeve te maken hebben, laat staan dat ze rooms-katholieke integristen zijn of allemaal een klare kijk hebben op wat er zich in de geschiedenis heeft afgespeeld vóór de Sint-Michielsakkoorden van 1993. Ter voorbereiding van hun grote sprong voorwaarts parafraseren ze met plezier de uitspraak van Ernest Renan over het dagelijkse plebisciet: de natie is een groep mensen die samen grootse dingen wil verwezenlijken. Fluisterend voegen ze er dan die andere uitspraak van Renan aan toe: essentieel voor een natie is ook dat er veel wordt vergeten.

Een aantal symbooldossiers moet voorgoed gesloten worden. De Franse filosoof Jean-Marc Ferry (ULB) voert in dit opzicht een lovenswaardig pleidooi voor een herstelgerichte dialoog tussen Vlamingen en Franstaligen. Maar een figuur als Verschaeve vergeten, dat is wel het laatste wat er moet gebeuren. Zijn in razernij geschreven tirades geven een pijnlijk scherp beeld van een artistieke extremist met een geperverteerd godsbeeld. Verschaeve is een misdadige dwaas geweest, maar ook een van de invloedrijkste Vlaamse schrijvers van de twintigste eeuw. Generaties katholieke nationalisten hebben zich aan zijn haat gelaafd, zijn bloedmythologie beleden en zich gewenteld in de heilige nederlaag die Verschaeve zo dierbaar was. Het kan geen kwaad om heel af en toe wat Verschaeve te lezen en zich ook van die passage in de geschiedenis bewust te zijn.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 23 juli 2008.)

Geen opmerkingen: