maandag 15 september 2008

De macht van het getal

(Het wafelijzer: een instrument dat de Belgische politiek heel wat diensten heeft bewezen.)



Over Greep naar de markt van Olivier Boehme

Ook de afgelopen maanden, tijdens de meest afgrondelijke dieptepunten van de crisis die de Belgische federatie in haar greep houdt, ratelden de rekenmachines ononophoudelijk. Het is een van de vermogens die de mens blijkbaar het laatste verliest, nadat alle andere vormen van redelijkheid verdwenen zijn: het vermogen om te rekenen. En dus is iedereen van het laagste tot het hoogste bestuursniveau druk aan het calculeren geslagen. Ook tal van belangengroepen, denktanken en studiekringen hieven samen dit meerstemmige lied van het grootst mogelijke voordeel aan. Je pleegt geen karaktermoord op de moderne mens als je stelt dat de tijden nu eenmaal geen ruimte laten voor een overschot aan solidariteit en belangeloosheid. In het beste geval, zoals vele onderzoeken naar betrokkenheid in gezinsverband uitwijzen, is ons engagement van intentie veranderd. We helpen niet meer omdat het moet, maar omdat we willen. In het slechtste geval kiezen we voor een overspannen utilitaire aanpak, waarbij het moreel goede eenvoudigweg de maximalisatie van het geluk betekent of het optellen van de morele kwaliteit van de gevolgen. Die calculus speelt ook in elk communautair debat een rol.
Toen in mei jongstleden een rondvraag bij Vlaamse huisartsen aan het licht bracht dat een belangrijke minderheid van hen rokers uit de sociale zekerheid wil weren, werden dezelfde argumenten gehanteerd die het communautaire debat over gezondheidszorg ondoorzichtig maken. Een bij voorkeur lineaire kostenbesparing vormt daarbij het belangrijkste criterium. De suggestie luidt dan dat het wegknippen van Wallonië en Brussel geld spaart, wat de facto goed is voor de Vlaming. (In zowat alle andere communautaire debatten wordt dezelfde denkfout tot ideologie verheven: post hoc ergo propter hoc.) Los van het feit dat interregionale en interstedelijke verschillen niet zelden even significant zijn als de verschillen tussen de gemeenschappen, blijft het overduidelijk dat het werkelijke probleem in de gezondheidszorg structureel, maatschappelijk en bijgevolg ethisch is.
Sinds enkele jaren zit de publieke besteding in de federale ziekteverzekering in een groeipad van 4,5% boven op de inflatie. Maar de besparingskoorts plaagt de gezondheidszorg al veel langer. ‘Gezondheidszorgbeleid is begrotingsbeleid geworden’, schrijft professor Marc De Vos. De Belgische patiënt betaalt nu al ruim 30% van de gezondheidszorg zelf, via het remgeld en de aanvullende verzekering. Te pas en te onpas wordt er geschermd met angstaanjagende buitenlandse voorbeelden (Amerika! Nederland!) van geprivatiseerde sociale zekerheid die onvermogende burgers overlaten aan willekeur en filantropie. Of die voorbeelden wel zo angstaanjagend zijn is maar de vraag. Na de opgave van Hillary Clinton als presidentskandidaat schreef Paul Krugman in The New York Times (9 juni 2008) dat eigenlijk geen enkele Amerikaan tegen sociale zekerheid is. Bovendien heeft een aantal hervormingen, zoals de als bot ervaren welfare reform waarmee voormalig president Bill Clinton het programma Aid to Families With Dependent Children schrapte, het politieke debat gezuiverd van discriminerende tendensen. ‘Klaplopers die op kosten van de gemeenschap leven’ zijn een gedroomd thema voor populisten van diverse pluimage. Om hen de wind uit de zeilen te nemen, moet je dus niet het symptoom maar de oorzaak aanpakken.
Omgezet naar de Belgische situatie kan dit bijvoorbeeld betekenen dat het geen zin heeft om vast te houden aan de mythe van een gratis universele gezondheidszorg; die mythe is onhoudbaar, strookt niet met de praktijk en bevordert de calculus waarbij vermeende valspelers (‘Walen in ziekenkas’, ‘Marokkanen met twaalf kinderen’) de zwarte piet krijgen. Achter het mistgordijn van de zogezegde universele gezondheidszorg laten we nu al legale selectiemethodes toe die ongehinderd harder worden. Probeer als hartpatiënt maar eens een hospitalisatieverzekering te krijgen. De onvermijdelijke hervorming van onze sociale zekerheid zal alleen maar kans op slagen hebben in de mate dat de private sector en de overheid een integraal beleid voeren. Wie dit debat reduceert tot de communautaire dimensie bezondigt zich aan volksverlakkerij. Het is bovendien misdadig om mensen wijs te maken dat de Vlaamse Gemeenschap dankzij de splitsing van België voldoende financiële ademruimte zou creëren om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen.
De recentste bevolkingsvooruitzichten (2007-2060) van het Federaal Planbureau geven geen aanleiding tot uitbundigheid. De projectie van het planbureau toont dat Vlaanderen (en in mindere mate Wallonië) op termijn uitsterft. Het door Vlaanderen doodgezwegen en verguisde Brussel is de enige regio waar de geboortecoëfficiënt het vervangingspercentage van 2,1 kinderen per vrouw (licht) overstijgt – dankzij de migratie. Tussen 2000 en 2060 zou de Belgische bevolking ouder dan tachtig met bijna een miljoen toenemen. Overigens neemt ook de gemiddelde leeftijd nog steeds toe; in 2030 bedraagt die 81,17 jaar voor een Belgische man en 87,03 jaar voor een Belgische vrouw. Wie, in hemelsnaam, zal al die pensioenen betalen, zal al die rusthuisbedden verschonen en zal al die zwaarbehoeftige oudere ouderen verzorgen? De hoeveelheid geld en energie die nodig is om dit te bolwerken laat zich moeilijk becijferen. Slechts één optie rest ons: een combinatie van uitbundige procreatie, gekozen migratie, economische groei en sloterdijkiaans enthousiasme. Het is de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, op late leeftijd vader geworden, die in zijn trilogie Sferen immers een langgerekt pleidooi houdt contra de melancholische behoudsgezindheid en pro vitalistische levensvreugde. En waarom niet. De kans is eerder gering dat we in onze regio een bevolkingsoverschot moeten vrezen.

Die demografische component had in het recente verleden een radicaal andere betekenis. Tijdens de moeilijke passages van de negentiende-eeuwse industrialisering, vooral na 1850, trokken grote groepen Vlaamse volwassenen naar Wallonië op zoek naar werk. Bovendien zochten tot 1914 ruim 300.000 Belgen hun heil in Frankrijk. Voorwaar niet uit luxe. Het emancipatorische ideaal van de burgerlijke Vlaamse beweging wordt gevvindt een oorsprong in de wens om aan die ellendige feiten te ontsnappen: sociale promotie door een betere kennis van de (volks)taal. Uiteraard is er de liefde tot de taal en al het schoons dat die liefde teweeg heeft gebracht, maar er waren dus ook Vlaamsgezinden die aan het rekenen sloegen. Of beter: die wilden rekenen. In Vlaamsgezinde kringen was eind negentiende eeuw geen discours ontwikkeld voor economische thema’s. De nadruk lag op taal, schone letteren en onderwijs, dingen die niet meteen veel brood op de plank brengen. In Greep naar de markt schetst historicus Olivier Boehme hoe de Vlaamsgezinde intellectuelen de wetenschap inschakelden om hun zaak vooruit te helpen. Het is een even overrompelend als moedig boek.
De waanzinnige Eerste Wereldoorlog is het motorische moment van de Vlaamse Beweging. Boehme reconstrueert die sociaaleconomische omwenteling als een ideeënstrijd van een voorhoede. Na de relatief brave negentiende-eeuwse taalminnaars is het de beurt aan mannen die voluit de macht willen herverkavelen. De erfenis van Lodewijk de Raedt speelt hierin een cruciale rol. De Raedt is een van de eersten om de Vlaamse Beweging te voorzien van een economische verantwoording. Bovendien, zo stelt Boehme bij herhaling, is De Raedt de eerste die de Vlaamse economie uit het luchtledige plukt en territoriaal bepaalt. De economische noden liggen in Vlaanderen anders dan in Wallonië. Zover stonden we begin deze eeuw dus ook al. De Raedt definieert in zijn systematisch opgebouwd economisch flamingantisme een eentalige monoculturele ruimte waarin Vlaamse cultuur een waarde op zich heeft en dus ook de gehele samenleving en de economie mee vormgeeft.
In een minutieus opgebouwd verhaal van welhaast 960 pagina’s ontleedt Boehme koelbloedig de verhoudingen tussen nationalistische ideologie, economische programma’s en de diverse economische belangen die daarmee samenhangen. De belangrijkste conclusie is dat je al die componenten niet op een eenduidige manier kunt samenbrengen. Boehme toont dat het economische nationalisme van bij het begin ervan een nationalisme met economische middelen is geweest. Het geld komt op de tweede plaats. Vlaanderen staat voorop. Voor Boehme is dat zelfs de corebusiness van het economische nationalisme. Het meest sprekende voorbeeld dat Boehme hiervan geeft, speelt zich af tijdens de voorbereiding van het Belgisch-Nederlandse waterwegenverdrag, meteen na de Eerste Wereldoorlog.
Toen Geert Wilders onlangs Vlaanderen opeiste voor Nederland kon hij op veel bijval rekenen van Vlaams Belang-voorzitter Bruno Valkeniers. De voormalige commercieel directeur van Hesse-Noord Natie acht klaarblijkelijk het belang van de Antwerpse haven ondergeschikt aan dat van de Rotterdamse concurrent. Het is maar de vraag of zo’n toekomstbeeld champagnekurken doet knallen aan de dokken en in de bestuurskamers van het havenwezen. Laat staan dat iemand een zinnige verklaring kan geven voor de historische dimensie van Valkeniers’ abdicatie. Voor Boehme vormt dit geen probleem. Hij beschrijft in Greep naar de markt hoe een aantal Vlaamse radicalen uit de postactivistische beweging de gelegenheid aangrijpt om te collaboreren met Rotterdamse havenbaronnen. Het bedrijfskapitaal van de Antwerpse haven was Brussels en Franstalig, en dus vonden deze extremisten het aannemelijker om de Antwerpse havenbelangen ondergeschikt te maken aan Rotterdam – in de hoop dat het Brusselse en Franstalige kapitaal daarmee ‘een nederlaag’ zou leiden. Centrale rol in die tragikomedie is weggelegd voor Herman Vos, een ambitieuze studax. Zelfs in het parlement speelde Vos duikboot voor de Nederlanders. In 1928, een jaar na het kapseizen van het waterwegenverdrag, organiseerde Vos mee de hysterie rond de Bormsverkiezing, die uitdraaide op een referendum over amnestie. In 1933 richtte Vos mee het Vlaamsch Nationaal Verbond op. Maar nog datzelfde jaar koos hij als sociaaldemocraat voor de unitaire Belgische Werkliedenpartij. Van de ene bocht naar de andere.

Ruim tien jaar geleden publiceerde Boehme Revolutie van rechts en intellectuelen in Vlaanderen tijdens het interbellum. Daarin bracht hij al een verrassende lezing van de verwarring die zich meester maakte van Vlaamse intelligentsia in de jaren twintig en dertig. De Eerste Wereldoorlog bracht dood, verderf en maatschappelijke chaos. Overal in Europa predikten jongeren het geloof in de ondergang van de oude cultuur. De bourgeoisie was kop van jut. ‘Elke bourgeois is een kleine dramaturg’, schreef Tristan Tzara in een van zijn dadaïstische manifesten. De staatloze Roemeense Jood Tzara maakte tabula rasa met de voorspelbare dramaturgie, het gezond verstand, de goede smaak. Samen met hem was een hele generatie Europeanen bereid om de gevestigde orde onderuit te halen. Niet zelden ging dat engagement verder dan artistieke fratsen. Zeker in België kreeg het tabula rasa een politieke, activistische dimensie.
Nog belangrijker was dat het hoofdzakelijk rurale en gelovige Vlaanderen in de moderniteit werd gesmeten. Het bleef niet zonder gevolgen. In dat katholieke Vlaanderen trokken velen mee op met de rechtse revolutie via de tussenweg van hun religieuze problemen. De moderniteit joeg de brave burger zo op stang dat antirationalisme, dadendrang en idealisme (en ook het onvermijdelijke fatalisme) populair werden. Heel wat mensen namen in die verwarrende periode zeer scherpe bochten, laverend van mening naar ideologie alsof het topsport was. Boehme deed in Revolutie van rechts een begrijpende, grondige en doortastende lectuur van de toenmalige bronnen om dat bochtenwerk te kunnen volgen. Maar om de volle omvang van Herman Vos’ ogenschijnlijk tegenstrijdige beslissingen te vatten, heb je dus nog meer studie nodig: Greep naar de markt.
De periode die Boehme onderzoekt, biedt een versplinterde Vlaamse Beweging: allemaal uitersten. Ofwel is het een benepen reservaat vol groupuscules die elkaar rommelig bekampen. Ofwel een feitelijke vereniging van talentvolle mensen die vooruit willen in het leven. Activisten als Liederik (pseudoniem voor Joris Fassotte) droomden hardop van de Meir als een Vlaams Wallstreet. Aan brandende ambitie geen gebrek, maar tussen droom en daad stonden nogal wat obstakels. In de eerste plaats de Vlaamse Beweging zelf. Boehme schuwt de hilarische petites histoires niet, zoals het moment waarop de zeloten rond het tijdschrift Vlaanderen beslissen om een ‘Vlaamse’ versie op de markt te brengen van de Nederlandse vertaling van John Maynard Keynes’ The Economic Consequences of Peace. Het aangepaste voorwoord moest ‘den Vlaamschen lezer’ aansporen zich los van de chauvinistische (belgicistische, pro-Franse) pers in de wereldpolitiek te oriënteren. En wat te denken van de regering-De Broqueville die in 1934 onder meer valt over het protest in sommige delen van het kinderarme Wallonië tegen de financiële last van de kinderbijslagen voor het kinderrijke Vlaanderen?
Niet eerder is die sociaaleconomische geschiedenis zo uitvoerig in kaart gebracht, van Lieven Gevaert tot de Kredietbank, van Floris Couteele tot Marnix Gijsen, van het Limburgse en het Waalse steenkool tot het Albertkanaal. Dat mag dan al een enorme verdienste zijn, een nog grotere prestatie is de niet-aflatende kritische zin waarvan Boehme blijk geeft. Die drang om te begrijpen zorgt ervoor dat hij onnoemelijk veel clichés, idées reçues en vooroordelen uit en over de Vlaamse beweging rechtzet. Onder meer de economische conflicten rond het Limburgse en het Waalse steelkool enerzijds, en de uitbreiding van de Antwerpse haven en het Albertkanaal anderzijds tonen aan dat de Vlaamse economie ook in het interbellum niet één en ondeelbaar was – net zomin als dat vandaag waar is voor de economie, maar ook voor de welzijns- en gezondheidszorg.

‘In Vlaanderen’, zo schrijft Boehme, ‘zijn groepen actief (geweest) die met de Vlaamse kwestie als argument ook een bepaalde maatschappelijke visie hebben willen realiseren. […] De Vlaamse beweging – of moeten we zeggen een reeks van Vlaamse bewegingen? – heeft de economie alvast in één belangrijk opzicht mee bepaald: ze heeft de bestaande structurele verschillen op economisch gebied, die de Vlaamse provincies en arrondissementen als geheel konden doen aftekenen tegenover de Waalse provincies en arrondissementen als geheel, weten te institutionaliseren (vooral via defederalisering van bepaalde bevoegdheden).’ Dat is een cruciaal citaat, zowel in dit boek als in de recente geschiedenis van de Belgische federatie.
De communautaire tweespalt werkt vooral goed op voorwaarde dat het bestaan van twee aparte volkeren wordt verondersteld. De nationalistische constructie van het Vlaamse volk kan pas renderen als er een Vlaamse economie aan vasthangt, die vervolgens in conflict komt met de Waalse tegenhanger, en met het Franstalige en centralistische Brussel. Door de interne verdeeldheid van de Vlaamse Beweging in het interbellum kon er echter geen sprake zijn van een gedeelde Vlaamse sociaaleconomische agenda. Bovendien bleven katholieke, socialistische en liberale flaminganten de economische eenheid van het land verdedigen. Mede omdat ze geloofden dat de Vlamingen mettertijd sowieso het overwicht zouden krijgen.
Sinds 1965 hebben Vlamingen echter de volstrekte meerderheid in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. ‘De voorbije twaalf maanden is er een geweldig open debat op gang gekomen over de staatshervorming’, zei Piet Van Waeyenberge, de notoire Vlaamse grootaandeelhouder en oprichter van de Warande, in De Tijd (24 mei 2008). ‘Het dossier moet gedeblokkeerd worden. Want het status-quo is geen optie. Als de verdere regionalisering onmogelijk blijkt, is er één ander alternatief: de terugkeer naar een unitair België waar de meerderheid de macht uitoefent. En de meerderheid, dat zijn de Vlamingen.’

Harold Polis

Bronnen
Olivier Boehme, Greep naar de markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum, LannooCampus, Leuven, 2008, 986 blz., 39,95 euro.
Olivier Boehme, Revolutie van rechts en intellectuelen in Vlaanderen tijdens het interbellum: ideeënhistorische bijdragen, Acco, Leuven, 1999.
De bevolkingsvooruitzichten (2007-2060) van het Federaal Planbureau kun je downloaden op www.plan.be
Marc De Vos, ‘Het Belgische sociaal model is allang geen model meer’. Zie: www.itinerainstitute.org

(Deze tekst verscheen ook in Streven van september 2008.)

zaterdag 6 september 2008

De geschiedenis van O


(1953: Dominique Aury, Jean Paulhan en schrijver-criticus Marcel Arland.)

Yves Leterme gepiercet. Dat zou pas een boek zijn. En waarom ook niet. Het genot en zijn afwijkingen vormen voor ons een basisrecht. Zelfs ascese wordt verkocht als wellness. Hoewel het vroeger niet beter was, blijft het een eerbare zaak zich met het verleden te meten, schrijft de bittere Tacitus in zijn Annales. Sinds hij de grote klerezooi van de tweede eeuw na Christus beschreef, is er alsmaar intenser genoten en plezier gemaakt. Tout va très bien, Madame la Marquise. Die extase hebben we uiteraard te danken aan de permanente bevrijding waarvan we allen het slachtoffer zijn.

Zonder L’histoire d’O was er van onze sadomasochistische huis-, tuin- en keukencultuur geen sprake geweest. Het schandaalboek van Pauline Réage werd ooit gezien als een evergreen van de bevrijding van de bekrompen westerling. O is een mooie jonge vrouw die zichzelf volledig overgeeft aan haar minnaar, een Britse fat genaamd sir Stephen. Ze wordt naar een kasteel gevoerd in Roissy en uitvoerig gebruikt. Vooral het wanhopige einde van L’histoire d’O is echt geslaagd. O gaat ten onder aan haar onvrijheid en lijkt daarin op die andere tragische letterheld, K uit Het proces. Ook de occulte zakelijkheid waarmee Réage het misbruik van O beschrijft, is vintage Franz Kafka.

O zoals in oneindige bevrijding door onderwerping. De kerk, het corset, de sokophouder, de typemachine, de dopkaart, mes en vork. Allemaal dingen waarvan we ons hebben bevrijd. Maar de strijd gaat op aloude trotskistische wijze door. Aan wie niet voelen wil, zullen we de vrijheid democratisch opleggen. Illegalen, Franstaligen, profiteurs, humanisten, Belgen, gelovigen, demente bejaarden en al wie nog geen project heeft ingediend voor Vlaanderen in Actie. Zogoed als iedereen staat op de wachtlijst voor een menswaardige bevrijding, die bij voorbaat ook rebels, eigenzinnig en onconventioneel zal zijn. De betekenis van die adjectieven is inmiddels zo sterk veranderd, dat je dekking moet zoeken zodra iemand ze in je bijzijn hanteert. Ook het succes van L’histoire d’O berust op een interpretatiefout.

De eerste druk van L’histoire d’O (600 exemplaren) verscheen in 1954 bij de Parijse uitgever Jean-Jacques Pauvert, die toen naam maakte met het verzameld werk van Sade. Zijn tijdgenoten werden nog kwaad om een blote tiet en dus sloeg L’histoire d’O in als een bom. Het werd helemaal gezellig toen het Franse gerecht een verbod uitvaardigde om reclame te maken voor het boek – wat de stelling bevestigt dat reclamebureaus de censuur hebben vervangen. Het schandaal in de literatuur is zelden meer dan een ritueel voor goedgelovigen, zoals bij L’histoire d’O. Iedereen staarde zich blind op de porno in het boek en hield een lofzang op de intellectuele durf van de auteur. Daar zat nu net het probleem. Want wie was die auteur? Niemand wist wie zich achter het pseudoniem Pauline Réage verschool.

Men vermoedde dat L’histoire d’O een grap was van een gevestigde naam, André Gide of Raymond Queneau. Misschien was het wel de schrijver van het voorwoord bij het boek, Jean Paulhan. Die überintellectueel had tot 1940 het belangrijkste Europese literaire tijdschrift van dat moment geleid, het illustere La Nouvelle Revue Française. Hij was tevens een held van het verzet en een van de gezichten van uitgeverij Gallimard. Paulhan pestte zijn medewerkster Dominique Aury door te zeggen dat vrouwen niet in staat waren erotiek te schrijven. Aury was niet de eerste de beste. Ze had het werk van Evelyn Waugh, Virginia Woolf, F. Scott Fitzgerald en T. S. Eliot in het Frans vertaald. Voor haar literaire verdiensten werd ze opgenomen in het Légion d’honneur. Aury, die ruim twintig jaar jonger was dan Paulhan, bleef zijn maîtresse tot aan zijn dood in 1968. De liefde werd geconsumeerd in hotelkamers, ‘met de blik op het polshorloge gericht’.

In 1994 publiceerde The New Yorker een interview met een onbekende 87-jarige vrouw: Dominique Aury. Ze onthulde dat ze L’histoire d’O had geschreven als een liefdesbrief voor Paulhan. ‘Ik schreef het boek voor hem, om zijn interesse te wekken, om hem te plezieren. Ik was niet jong meer en bezat geen uitzonderlijke schoonheid. Ik moest iets anders vinden.’ Alle nog levende getuigen kwamen aan het woord in de fascinerende documentaire Writer of O (2004) van de Amerikaanse cineaste Pola Rapaport. Pauline Réage had haar ware gelaat getoond, maar Dominique Aury bleef een mysterie.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 20 augustus 2008.)

In memoriam Jean-Marie Berckmans (1953-2008)

De man van taal

Schrijven was geen gezondheidswandeling voor Jean-Marie Berckmans. Wie een van zijn tirades tegen eenduidige realistische fictie meemaakte, wist dat hij daar geen grapjes over maakte. ‘Verhalen over Janneke en Mieke’, zoals hij de in zijn ogen behaaglijke vormen van literatuur noemde, waren niet aan hem besteed. Berckmans mikte altijd hoger, veel hoger. Hij wilde een diagnose stellen van de moderne tijd. Welke kwalen maakten de mens rot? Welke gedaanten namen de ruiters van de apocalyps aan? Waarom was verlossing uitgesloten? Berckmans’ wereld verkeerde in een permanente staat van beleg. Laat alle hoop op een vrolijk einde toch varen. Gerechtigheid is een voorwendsel om gewone mensen beter voor de gek te kunnen houden. Die inktzwarte wanhoop deelde Berckmans met een van zijn lievelingsauteurs, de Italiaanse schrijver-politicus Leonardo Sciascia. Tijdens de loden jaren zeventig nam Sciascia deel aan de parlementaire commissie die de terechtstelling van Aldo Moro door de Rode Brigades onderzocht. In dat broeierige en verscheurde Italië werkte Berckmans enkele jaren als schoenenverkoper, een ervaring die mythische proporties aannam als hij erover vertelde. Niet zelden citeerde hij dan uit de Divina Commedia van Dante of hief hij een Italiaanse schlager aan.

Berckmans had een aanzienlijke hoeveelheid eclectische kennis paraat, een eigenschap die hij vaak verborgen hield achter het masker van een van zijn alter ego’s. Achter Pafke het meest complete mafke ging een ernstig schrijver schuil met een geniaal gevoel voor muzikaliteit. Berckmans componeerde labyrintische verhalen die bij aandachtige lectuur een overdonderende indruk maakten. Op die manier groeide hij in de jaren negentig uit tot een van de grootste stilisten van de naoorlogse Nederlandstalige letteren.

Het was de onvolprezen Walter Soethoudt die de eerste boeken van Berckmans eind jaren zeventig publiceerde: de prozagedichten Tranen voor Coltrane en het paranoïde meesterwerk Geschiedenis van de revolutie. Pas in het gezegende jaar 1989 pikte Berckmans de draad weer op. Met de verhalenbundels die hij in die periode schreef, vestigde hij zijn naam als chroniqueur van de zelfkant. Hij werd vergeleken met Maarten Biesheuvel en Jan Arends. En op de koop toe loofde Kees van Kooten de grote ‘street poetry credibility’ van die rare jongen uit Leopoldsburg. Uiteraard was dat allemaal zeer terecht, maar Berckmans werd daardoor ook levenslang veroordeeld tot het ‘eerlijke en authentieke schrijverschap’. Vanaf de bundel Bericht uit Klein Konstantinopel (1996) toonde Berckmans dat hij een andere richting uit wilde. Niet de olijke modernismen van Kees van Kooten, maar het modernisme van Paul van Ostaijen. De conventies van het klassieke verhaal zaten te krap en ook het Standaardnederlands voldeed niet meer. Zijn medewerking aan Circus Bulderdrang is hierin ongetwijfeld bepalend geweest. Circus Bulderdrang kon niet bestaan zonder punk en Nick Cave, maar was allerminst de zoveelste variant op een zich herhalende popcultuur. De unieke prehistorische baldadigheid had veel meer te maken met dada en het Cabaret Voltaire. En zo kwam het dat ‘cultschrijver’ Jean-Marie Berckmans optrad als een kruising tussen Lemmy van Motörhead, VMO-leider Bert Eriksson en Johnny ‘the Selfkicker’ van Doorn. Een magere heer die een motorhelm en een zwarte zonnebril droeg, en al kettingrokend brulde dat hij ‘de man van staal’ was. Taal was echter het enige wapen waarmee hij de wereld te lijf ging.

Berckmans’ verhalen leken steeds vaker op apocriefe Bijbelteksten waarin hij het resultaat van zijn onderzoek naar de spoken van de moderne tijd uitschreeuwde. As op jazzwoensdag (2003) vormde een hoogtepunt. Die profetische beschrijving van de hel op aarde, wat hij ‘Biotoop Zero’ noemde, was opgedragen aan zijn moeder en aan zijn vriend Albert Szukalski (1945-2000), de ‘spokenbeeldhouwer’. Het lot heeft het zo gewild dat Berckmans en Szukalski even jong zijn gestorven en dat hun beider graf op hetzelfde perk ligt. Van een geheel andere orde waren de brieven die hij onder meer aan zijn dode ouders schreef en aan de in juni overleden Kamiel Vanhole. Die correspondentie was even grandioos als pijnlijk openhartig. Hij stak hiermee de ultieme briefschrijver Gerard Reve naar de kroon.

Berckmans bracht sommigen in verwarring met zijn veelzijdigheid. Zijn teksten worden vaak puur autobiografisch gelezen. Dat is legitiem, maar het doet ook afbreuk aan zijn grote, haast on-Vlaamse ambitie als schrijver. Terwijl de mythe JMH Berckmans alsmaar in omvang toenam, slaagde de schrijver er niet in het grote publiek te bereiken. En dat ondanks de vele inspanningen van de mensen die hem in de loop der jaren hebben gesteund. Zo zal het altijd een raadsel blijven waarom Berckmans tijdens zijn leven nooit een literaire prijs heeft gekregen. En nu is hij dood, de ongekroonde koning van de Nederlandstalige avant-gardeliteratuur. Leve de koning.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in de krant De Morgen van 6 september 2008.)