zaterdag 6 september 2008

In memoriam Jean-Marie Berckmans (1953-2008)

De man van taal

Schrijven was geen gezondheidswandeling voor Jean-Marie Berckmans. Wie een van zijn tirades tegen eenduidige realistische fictie meemaakte, wist dat hij daar geen grapjes over maakte. ‘Verhalen over Janneke en Mieke’, zoals hij de in zijn ogen behaaglijke vormen van literatuur noemde, waren niet aan hem besteed. Berckmans mikte altijd hoger, veel hoger. Hij wilde een diagnose stellen van de moderne tijd. Welke kwalen maakten de mens rot? Welke gedaanten namen de ruiters van de apocalyps aan? Waarom was verlossing uitgesloten? Berckmans’ wereld verkeerde in een permanente staat van beleg. Laat alle hoop op een vrolijk einde toch varen. Gerechtigheid is een voorwendsel om gewone mensen beter voor de gek te kunnen houden. Die inktzwarte wanhoop deelde Berckmans met een van zijn lievelingsauteurs, de Italiaanse schrijver-politicus Leonardo Sciascia. Tijdens de loden jaren zeventig nam Sciascia deel aan de parlementaire commissie die de terechtstelling van Aldo Moro door de Rode Brigades onderzocht. In dat broeierige en verscheurde Italië werkte Berckmans enkele jaren als schoenenverkoper, een ervaring die mythische proporties aannam als hij erover vertelde. Niet zelden citeerde hij dan uit de Divina Commedia van Dante of hief hij een Italiaanse schlager aan.

Berckmans had een aanzienlijke hoeveelheid eclectische kennis paraat, een eigenschap die hij vaak verborgen hield achter het masker van een van zijn alter ego’s. Achter Pafke het meest complete mafke ging een ernstig schrijver schuil met een geniaal gevoel voor muzikaliteit. Berckmans componeerde labyrintische verhalen die bij aandachtige lectuur een overdonderende indruk maakten. Op die manier groeide hij in de jaren negentig uit tot een van de grootste stilisten van de naoorlogse Nederlandstalige letteren.

Het was de onvolprezen Walter Soethoudt die de eerste boeken van Berckmans eind jaren zeventig publiceerde: de prozagedichten Tranen voor Coltrane en het paranoïde meesterwerk Geschiedenis van de revolutie. Pas in het gezegende jaar 1989 pikte Berckmans de draad weer op. Met de verhalenbundels die hij in die periode schreef, vestigde hij zijn naam als chroniqueur van de zelfkant. Hij werd vergeleken met Maarten Biesheuvel en Jan Arends. En op de koop toe loofde Kees van Kooten de grote ‘street poetry credibility’ van die rare jongen uit Leopoldsburg. Uiteraard was dat allemaal zeer terecht, maar Berckmans werd daardoor ook levenslang veroordeeld tot het ‘eerlijke en authentieke schrijverschap’. Vanaf de bundel Bericht uit Klein Konstantinopel (1996) toonde Berckmans dat hij een andere richting uit wilde. Niet de olijke modernismen van Kees van Kooten, maar het modernisme van Paul van Ostaijen. De conventies van het klassieke verhaal zaten te krap en ook het Standaardnederlands voldeed niet meer. Zijn medewerking aan Circus Bulderdrang is hierin ongetwijfeld bepalend geweest. Circus Bulderdrang kon niet bestaan zonder punk en Nick Cave, maar was allerminst de zoveelste variant op een zich herhalende popcultuur. De unieke prehistorische baldadigheid had veel meer te maken met dada en het Cabaret Voltaire. En zo kwam het dat ‘cultschrijver’ Jean-Marie Berckmans optrad als een kruising tussen Lemmy van Motörhead, VMO-leider Bert Eriksson en Johnny ‘the Selfkicker’ van Doorn. Een magere heer die een motorhelm en een zwarte zonnebril droeg, en al kettingrokend brulde dat hij ‘de man van staal’ was. Taal was echter het enige wapen waarmee hij de wereld te lijf ging.

Berckmans’ verhalen leken steeds vaker op apocriefe Bijbelteksten waarin hij het resultaat van zijn onderzoek naar de spoken van de moderne tijd uitschreeuwde. As op jazzwoensdag (2003) vormde een hoogtepunt. Die profetische beschrijving van de hel op aarde, wat hij ‘Biotoop Zero’ noemde, was opgedragen aan zijn moeder en aan zijn vriend Albert Szukalski (1945-2000), de ‘spokenbeeldhouwer’. Het lot heeft het zo gewild dat Berckmans en Szukalski even jong zijn gestorven en dat hun beider graf op hetzelfde perk ligt. Van een geheel andere orde waren de brieven die hij onder meer aan zijn dode ouders schreef en aan de in juni overleden Kamiel Vanhole. Die correspondentie was even grandioos als pijnlijk openhartig. Hij stak hiermee de ultieme briefschrijver Gerard Reve naar de kroon.

Berckmans bracht sommigen in verwarring met zijn veelzijdigheid. Zijn teksten worden vaak puur autobiografisch gelezen. Dat is legitiem, maar het doet ook afbreuk aan zijn grote, haast on-Vlaamse ambitie als schrijver. Terwijl de mythe JMH Berckmans alsmaar in omvang toenam, slaagde de schrijver er niet in het grote publiek te bereiken. En dat ondanks de vele inspanningen van de mensen die hem in de loop der jaren hebben gesteund. Zo zal het altijd een raadsel blijven waarom Berckmans tijdens zijn leven nooit een literaire prijs heeft gekregen. En nu is hij dood, de ongekroonde koning van de Nederlandstalige avant-gardeliteratuur. Leve de koning.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in de krant De Morgen van 6 september 2008.)

Geen opmerkingen: