donderdag 27 november 2008

Optreden in Brussel: 2 december in boekhandel Passaporta

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Aanstaande dinsdagavond 2 december is Meulenhoff | Manteau te gast bij deBuren, in de reeks 'Uitgever op bezoek'. We praten die avond over de manier waarop het fonds Meulenhoff | Manteau tot stand komt. Het wordt een gesprek over de liefde voor het boek, het geloof in het geschreven woord en de kracht van een goed verhaal, al dan niet verzonnen of naar waarheid verteld. Omdat bij Meulenhoff | Manteau schrijvers belangrijker zijn dan het genre dat ze beoefenen, heb ik Jeroen Theunissen en Pascal Verbeken uitgenodigd om mee aan te schuiven. Jeroen heeft net een nieuwe roman uit, Een vorm van vermoeidheid. Pascal publiceerde vorig jaar Arm Wallonië. Een reis door het beloofde land. Karl van den Broeck, hoofdredacteur van Knack, leidt het gesprek in goede banen. Iedereen is van harte welkom.

Uitgever op bezoek: Meulenhoff | Manteau

Karl van den Broeck in gesprek met Harold Polis, Jeroen Theunissen en Pascal Verbeken

DI 02.12.08 | 20.00 > 21.30
Passa Porta, A. Dansaertstraat 46, 1000 Brussel

€5 - €4 | reserveren
aanbevolen:
T +32(0)2 226 04 54
info@passaporta.be

In samenwerking met Het beschrijf.

zondag 16 november 2008

Kameraad Casanova


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Portret van Casanova als oude man.)

Staatsgarantie voor de banken? Ach, waarom ook niet. Maar de seksindustrie nationaliseren, daar waagt zelfs de wanhopigste socialist zich niet aan. Nochtans zijn er precedenten. In het Europa van de achttiende eeuw was seks een zaak van staatsraison. De betere klassen beleefden een subcultuur van concubinaat en prostitutie. In een tijd van verstandshuwelijken had het weinig zin om naar romantiek te zoeken. Dus rommelde iedereen vrolijk aan. Sociale mobiliteit dwong je af tussen de lakens. Van Moskou tot Londen strekte zich een netwerk uit van boudoirs en bedgeheimen. Voor een slaapkameratleet als Casanova was het hard werken.

Op het eind van zijn sportieve loopbaan trok Casanova zich terug in het kasteel van een bewonderaar in Noord-Bohemen (het huidige Tsjechië). Daar schreef hij zijn fameuze memoires. Het ongecensureerde manuscript van Histoire de ma vie zou uiteindelijk 12 delen feestplezier opleveren. Casanova’s postume roem was gebaseerd op de vele ingekorte en gemanipuleerde roofdrukken die meer dan een eeuw lang werden verkocht als authentiek document. Na heel wat omzwervingen kwam het manuscript van Histoire de ma vie in handen van de firma Brockhaus, de uitgever van de gelijknamige encyclopedie. Het werk aan de ongecensureerde editie zou pas na de Tweede Wereldoorlog beginnen, nadat het manuscript de geallieerde bombardementen op Leipzig had overleefd.

Casanova lijkt een Don Juan met moreel besef. Die legendarische verleider steelt vrouwenharten op industriële schaal, zonder enig teken van wroeging. Dat was zeker niet de stijl van Casanova, hoewel de vrouwelijke prooien in Histoire de ma vie niet zelden labiel zijn. Dus ja, het Venetiaanse wonderkind maakte wel degelijk misbruik van andermans zwakheden. Maar hij had lief, maakte vervolgens dat hij weg kwam en betaalde (meestal) de rekening. Echte schurkenstreken bewaarde hij voor speciale gelegenheden.

Het oplichten van idioten was volgens Casanova een teken van intelligentie. Een van de meer groteske slachtoffers uit Histoire de ma vie is een excentrieke en goedgelovige Parijse weduwe, madame d'Urfé genaamd. Mevrouw de markiezin wordt een van de minnaressen van Casanova. Zijn verbluffende kennis van occulte onzin en kabbalistiek zal haar ondergang betekenen. Ze draagt Casanova op om uit te vissen hoe ze herboren kan worden in een nieuw lichaam. Uiteindelijk stelt hij madame d'Urfé voor om magisch ceremonieel uit te voeren, zodat ze zichzelf kan bezwangeren en een jongen kan baren die bij de geboorte haar ziel zal overnemen. Dat kwam uiteraard niet goed, maar intussen had Casanova toch enkele keren op haar kosten heen en weer gereisd door Europa.

Casanova was fundamenteel onderweg. Hij kwam overal, kende iedereen, van Voltaire tot Mozart, en stelde al die ervaringen op schrift. Bronnenonderzoek wijst uit dat de Casanova zeer waarheidsgetrouw te werk ging. Zijn blik op de wereld was indrukwekkend ruim, een kwaliteit die hij deelde met de meeste collega’s uit de betere kringen. Het maakt van hem een van de eerste werkelijk Europese schrijvers. Histoire de ma vie, in het Nederlands vertaald door Theo Kars, is een monument van mateloze vrijpostigheid. En dat voor een christelijke vrijmetselaar die zelfbeheersing als de grootste deugd bestempelde.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 12 november 2008.)

Achilles en de schildpad


Furl this page

Digg!

(Kasteel Cantecroy in Mortsel. Vruchteloos belegerd tijdens de beeldenstorm, maar nu geknecht door de vergrijzing. Het complex wordt omgebouwd tot luxeserviceflats.)

Over vergrijzing, pensioenen en het verraad van de arbeiders

Zelfs de afgelopen zomer kwamen er in het verstikkende debat over de toekomst van de Belgische federatie nog concrete onderwerpen aan bod. Een artikel van onderzoekers Bea Cantillon, Hendrik Larmuseau en Stijn Lefebure in het Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid deed minister van Pensioenen Marie Arena (PS) in volle zomer naar de grote middelen grijpen. In feite had Cantillon niet meer gedaan dan herhalen wat ze zo vaak heeft gezegd: dat een groot deel van de gepensioneerde Belgen het in toenemende mate moeilijk krijgt. De minister kwam prompt met een vijfjarenplan aanzetten, dat op aloude wijze moest bewijzen hoe stevig de staat de teugels wel in handen had.
De vaststelling die Cantillon cum suis doet, op basis van haar diachroon en voorspellend onderzoek, is van een glasheldere onverzettelijkheid die naar adem doet happen. ‘Indien het beleid een adequate eerste pijlerpensioen ambieert is de tijd tot handelen beperkt.’ De meervoudige beleidsstrategie die ten tijde van het Generatiepact is ontworpen, volstaat niet meer om de fundamentele verschraling van het wettelijke pensioen te keren. Bovendien vallen de economische vooruitzichten tegen en gaat het met de noodzakelijke begrotingsoverschotten de verkeerde richting uit. Onder meer kamervoorzitter Herman Van Rompuy hamerde tijdens zijn oppositiejaren op het gevaar van een verzwakking van het fameuze primaire saldo (het begrotingssaldo zonder interestlast). De feiten, zoals ze bijvoorbeeld genoteerd zijn in het jaarrapport van de Studiecommissie voor de vergrijzing, tonen dat er tijd verloren is gegaan bij het voorfinancieren van toekomstige kosten. We zullen dus binnenkort wat krap zitten.
Ingrijpender is de keuze die wordt gemaakt door niet te handelen. Zelfs wie de paarse jaren het ergste vindt sinds de doortocht van de hertog van Alva, zal moeten bekennen dat anderhalf jaar steggelen aan de hand van synoptische tabellen niet meteen een helder plan heeft opgeleverd, laat staan tot daden heeft geleid. Cantillon wijst op de stilzwijgende aanvaarding van het universeel pensioen. Als het wettelijke pensioen niet voldoende welvaart garandeert en de tussentijdse beleidscorrecties vooral de pensioenen bevorderen van mensen die geen volle loopbaan hebben gehad, dan eindigen we straks allen met een eenheidspensioen. Dat leidt tot een absolute gelijkheid die de ongelijkheid vergroot en de solidariteit fundamenteel onder druk zet. ‘Als Achilles sneller loopt dan de schildpad, dan haalt Achilles op een gegeven moment de schildpad bij’, besluit Cantillon. De paradoxale benadering van de pensioenen wordt inderdaad ingehaald door de werkelijkheid. Maar er is nog een andere interpretatie van de paradoxen die toegeschreven zijn aan Zeno van Elea, met name dat het verdelen van een probleem in deelproblemen niet altijd zorgt voor een oplossing die getuigt van gezond verstand.
Uiteraard is er een aantal kanttekeningen te maken bij de herhaalde klacht van Cantillon. Het blijft heel moeilijk, zo niet onmogelijk, om nauwkeurig te bepalen wat het werkelijke vermogen van de gepensioneerde Belg is. Die hoeft niet uitsluitend te betrouwen op zijn deel van het repartitiestelsel of op de uitbetaling van zijn verzekering. Meestal is hij eigenaar van zijn huis, heeft hij nog andere onroerende bezittingen of houdt hij er beleggingen op na. En, niet te vergeten, hij heeft aan pensioensparen gedaan. Dat ‘grijze’ vermogen is velen een doorn in het oog. Nog niet zo lang geleden zat een behoorlijk deel van dat geld in Luxemburg, buiten bereik van de Belgische fiscus. Dankzij de fiscale amnestie zijn er aanzienlijke kapitalen gerepatrieerd. En bovendien is de couponnetjestrein een anachronisme geworden. Vanaf 1 januari van dit jaar morgen er geen papieren effecten meer worden geleverd. Eind 2013 moeten de laatste papieren effecten bij de bank worden gedeponeerd. Al dat spaargeld maakt mee onze welvaart mogelijk en houdt voor velen ook de oude dag betaalbaar. De pleidooien om die inkomsten uit kapitaal zwaarder te belasten, komen echter meestal van dezelfde politici die vinden dat de wettelijke pensioenen fundamenteel omhoog moeten of die ambtenarenpensioenen onaantastbaar achten. Naast het feit dat het beheer van ons pensioenstelsel en de financiering ervan een haast mystieke moeilijkheidsgraad bereiken, valt het op hoe schizofreen we wel niet over dat pensioen denken. Tot een volksopstand zal het gewis niet komen, maar de meeste mensen bereiden in stilte naarstig een oplossing voor.
Het is bovendien niet al goud dat blinkt. De aanwijsbare toename van het aantal verarmde gepensioneerden terugbrengen tot inkomensarmoede strookt niet met de werkelijkheid. Eenzaamheid, isolement en gezondheidsproblemen vormen een niet te onderschatten factor. Volgens de klassieke definitie van Jan Vranken is armoede een netwerk van sociale uitsluitingen dat meerdere aspecten van het individuele en collectieve bestaan behelst. Armen staan naast de samenleving en kunnen die kloof niet op eigen kracht overbruggen. Dat is helaas ook het lot van steeds meer ouderen.
Terwijl het communautaire schimmenspel in alle nutteloosheid voortwoedt, blijft de vergrijzing als politiek thema slechts een anekdote, een uit te werken doelstelling en de allocatie van wat bij elkaar geschraapte middelen. Nochtans is net die vergrijzing, als symbool van een kantelende maatschappij, essentiëler voor ons dan het confederalisme sui generis, de hervorming van de beruchte financieringswet of de worsteling met een op negentiende-eeuws idealisme gebaseerde nationalistische heilsdroom. De gevolgen van de vergrijzing laten zich niets gelegen aan rang, taal, afkomst of vermogen. Het is een geruisloze storm die bij zijn doortocht niets onberoerd laat, en die het uitzicht van onze samenleving fundamenteel verandert.

Rond 1900 had een Belgische man bij zijn geboorte een levensverwachting van 45 jaar. De Pensioenkassen functioneerden op primitieve wijze. Medische zorgen waren eerder rudimentair. De dood was alomtegenwoordig, niet het minst omdat de werkmens labeurde en zijn lichaam daar de tekenen van droeg. Aftakeling door arbeid was niet minder vanzelfsprekend dan het ultieme afscheid, en werd door velen ervaren als een onderscheiding. Bij gebrek aan bezittingen, kennis of uitzicht op een gesofisticeerder leven, probeerden mensen hun lot te aanvaarden. En voor wie zich weigerde neer te leggen bij de omstandigheden, was de sociale mobiliteit nog een echte droom – en één die het waard was om gekoesterd te worden.
Het verschil met vandaag kan niet groter zijn, althans in het Westen. In grote delen van de wereld, en vooral daar waar mensen zeer goed beseffen wat het leven op het scherp van het zwaard betekent, is de drang om vooruit te komen immens. De tijdelijke surseance van de Europese Unie heeft ook gedeeltelijk met dat verschil in ritmiek te maken, namelijk dat wij de toevloed van op ambitie en overlevingsdrang gerichte migranten niet aankunnen. Zij confronteren ons immers onder meer met onze eigen lusteloosheid (de nieuwste welvaartsziekte heet bore-out) en brengen ons in herinnering dat verworven rechten geen eeuwigheid meegaan. De sektarische vreemdelingenhaat die sinds de jaren tachtig politiek wordt uitgebuit, heeft in verschillende opzichten tot bewustzijnsvernauwing geleid.
De recente problemen naar aanleiding van de bouw van een grote moskee in Keulen vormen hiervan een prachtig voorbeeld. De anti-islamlobby had midden september verzamelen geblazen om de Keulse schande aan te klagen; onder meer Filip Dewinter zou de Keulse malcontenten toespreken. Prompt werd een aanzienlijke tegenbetoging georganiseerd, mede door extreem links, waarbij ideologisch gedrilde atheïsten dus voor de bouw van een tempel vochten, voornamelijk omdat die ene monotheïstische godsdienst, de islam, niet goed ligt bij blanke, christelijk geïnspireerde extremisten.
Dit soort conflicten is in de loop der jaren zowel folkloristischer geworden als platvloerser. We zijn bang voor wat ‘de vreemdeling’ ons zal ontnemen: een dochter, geld, onze job, onze cultuur. Maar nog meer schrik hebben we voor wat hij durft en kan: thuis weggaan, onder de prijs werken, zijn leven riskeren. Terwijl de autochtone samenleving zich verliest in ahistorisch hedonisme en er doelloos ‘voor wil gaan’, zijn het eerder de migranten die voeling met de geschiedenis hebben behouden en daar ook naar handelen. Iemand die tweeduizend kilometer ver rijdt om, gewapend met een toeristenvisum, drie maanden lang in het zwart muren te stuken, heeft een net iets scherper gevoel voor urgentie dan iemand die ertegenop ziet om (met een volledig terugbetaald treinabonnement) naar Brussel te pendelen. Ook in dit geval loopt Achilles sneller dan de schildpad.

Het is een hele opgave om een totaalaanpak van de vergrijzing te ontwikkelen. Dit komt onder meer omdat we nog volop bezig zijn met het opmeten van de omvang van het probleem. Stilaan komt er ook een stroom publicaties op gang die, niet altijd even sterk gedocumenteerd, dieper ingaan op de maatschappelijke consequenties van grijs. In Hoe de wereld verandert doordat wij steeds ouder worden van Hervé Juvin bijvoorbeeld wordt er een metafysica van de vergrijzing geschetst. Juvin, die bijwijlen toch wel heel sterk beïnvloed lijkt door de transcendente antropo-sociologische gedachten van zijn inspirator Marcel Gauchet, fixeert zijn boek rond de almacht die de westerse mens toedicht aan zijn lichaam, het momentane, het tactiele, het nu. Het komt er dan eigenlijk op neer dat het opschuiven van onze leeftijdsgrens ook een kentering heeft teweeggebracht in onze maatschappelijke, ethische en religieuze overtuigingen. Want ja, wat moet je in godsnaam met die 80 of meer jaren aanvangen? Een eeuw geleden had de gemiddelde man het wel even makkelijker. Eeuwige trouw zweren aan een vrouw was bijvoorbeeld niet zo moeilijk, omdat je doorgaans toch jong stierf. ‘De gemiddelde Fransman,’ zo schrijft Juvin, ‘heeft langer een relatie met zijn bank dan met zijn vrouw.’ Het is misschien sociologie van de koude grond, maar onwaar is het allerminst. Even scherp zijn Juvins notities bij de vernietiging van kapitaal door op welbehagen en luxe gerichte bejaarden. De cultus van het eeuwig jonge lichaam, de in te halen verloren tijd en de commerciële angst voor de dood doen erfenissen smelten als ijs voor de zon. Maar ook hier geeft de leeftijd de doorslag: ze worden zo oud, meneer!
Juvin gaat het verband tussen vergrijzing en politiek niet uit de weg. Het oude Europa is daardoor van nature behoudsgezind en inert, wat Juvin tot een cruciaal inzicht brengt: ‘Er is voor ons meer te bewaren dan op te bouwen, meer te beschermen dan te veroveren. […] Dat zou wel eens het einde van de democratie kunnen betekenen, omdat mensen het idee is afgenomen dat je als individu een stempel kunt drukken op collectieve vooruitgang, terwijl geen enkele vorm van vooruitgang meer mag ingrijpen in individuele levenskeuzen.’ Tja, vooruitgang en solidariteit, wie lust dat nog? Vorige eeuw waren die begrippen verpakt in ideologisch onderscheiden politieke bewegingen. Vandaag echter hebben die klassieke partijen hun mobiliserende kracht grotendeels verloren en verkoopt zowat iedereen hetzelfde politieke product.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat in heel Europa net die partijen afbrokkelen waarvan het programma het minst kameleontisch is. In het beste geval is die kameleontische politiek een pragmatisch en probleemoplossend antwoord op de versie van de ‘vloeibare moderniteit’ die Zygmunt Bauman heeft beschreven: de chaotische moderniteit, algehele ambivalentie, toegenomen onzekerheden. In het slechtste geval gaat het om kortzichtige machtspolitiek die even sterk op het behoud van de eigen posities is gericht als de intuïtieve vraag van de kiezer. Op dit moment in de geschiedenis hebben de linkse partijen in Europa zich het slechtst voorbereid om de ‘vloeibare moderniteit’ aan te pakken, terwijl thema’s als vergrijzing, solidariteit en sociale mobiliteit van oudsher tot hun kerntaken behoorden. Wellicht ervaren we eindelijk het definitieve afscheid van wat sinds de Franse Revolutie de klassieke links-rechtstegenstelling is geweest. De Franse president Sarkozy is het symbool van die omkering van de waarden. Hij gebruikt links sinds zijn aantreden als een reservoir van ideeën, mensen en gezagsargumenten waar hij vrijelijk uit put om zijn politieke doelstellingen te bereiken. In een bepalend artikel in Newsweek werd de huidige generatie socialistische politici dan ook niet onterecht omschreven als ‘the lame left’: ‘But the biggest dilemma is that most parties on the left have not figured out how to adapt their old welfare-statist ideologies to modern economic realities – while appealing to voters who see modern reform as a betrayal of their parties' traditional socialist ideals, and who often have more-extreme left-wing parties to turn to.’
Misschien is die fundamentele breuk veel vroeger opgetreden, in België op Zwarte Zondag 24 november 1991 bijvoorbeeld. In Farewell to the Leftist Working Class geven Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks de definitieve diagnose van een maatschappelijke trauma dat zo diep dat het al bijna twintig jaar de politiek verziekt. ‘De arbeider’ beseft dat zijn sociale rechten uitgehold worden en niet meer overeenkomen met zijn persoonlijke verdienste. Hoe universeler die rechten worden, zoals het pensioen, hoe meer mensen worden aangespoord om strenger te oordelen over ‘het profitariaat’: de mensen en structuren die oneerlijk gebruik lijken te maken van gemeenschapsgeld. En de arbeider, hij stemde rechts, omdat hij vond dat hij niet anders kon.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van november 2008.)


Bronnen

Bea Cantillon, Hendrik Larmuseau en Stijn Lefebure, ‘Armoede en welvaart bij Belgische ouderen: vooruitzichten bij het pensioenbeleid’, in Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid, jrg. 49 (2007), nr. 4, p. 793-811.
Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks, Farewell to the Leftist Working Class, Transaction Publishers, Edison, 2008.
Hervé Juvin, Hoe de wereld verandert doordat wij steeds ouder worden, Meulenhoff, Amsterdam, 2008.
Stefan Theil, ‘The New Low Lights On The Left. Europe may have the weakest roster of social democratic leaders in a generation’, in Newsweek, 13 september 2008.

Demografische gegevens vind je terug op de site van het Nationaal Instituut voor de Statistiek: http://www.statbel.fgov.be/