maandag 8 december 2008

"Zwaanst na nie!"

(De illustere Jan Schodts met de dames van de VTM-nieuwsdienst. Circa 1989, bij het prille begin van VTM. De zender werd van meet af aan verantwoordelijk gesteld voor de ondergang van het Avondland, afdeling Vlaanderen.)
Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Over 'De Seefhoek' in Panorama (BRT) van 17 november 1988.

Dit is een artikel voor wie zich arm maar proper voelt. Naar verluidt ging dat in de late jaren tachtig heel vlot. De kleine man was nog geen domme rechtse klootzak en socialisten deden nog aan klassenstrijd. Marx noemde de club der kleine mannen de Lazaruslaag van de samenleving. Zij waren geknecht, maar zouden hun rechten bevechten en heropstaan. Bij ons kregen de kleine mannen respect en vakantiegeld dankzij vakverenigingen, het sociaal pact en de preken van Jozef Cardijn. En toen kwam Paul Jambers. Hij doste zich uit in Pierre Cardin maar dacht aan Jozef. Jambers was de ongekroonde koning van het programma Panorama. De BRT leed aan duiding (zelfbevlekking die tot hoger bewustzijn leidt) en had geen ervaring met kijkcijfers (zelfbevlekking die het beendermerg wegvreet). Ja, dan Jambers! Hij laafde zich aan rauw realisme en schuwde de controverse niet. Journalistieke ingrepen bleven beperkt tot off-screen inleidingen. De camera liep ook op gênante momenten. En omdat het Vlaamse geweten nooit overuren maakt, kon Jambers de middelmaat in al haar pracht en praal tonen. Hij manipuleerde de kijkers zoals eertijds de landelijk aalmoezenier het gemoed van zijn kajotters bespeelde. Met mededogen en strengheid. Toen Jambers voor zichzelf begon, kerstende zijn camera jan en alleman. Jambers Productions zou in die apostolische ijver zelfs klopjachten houden op de laatste in het wild levende kleine mannen. Gezocht: dokwerkers met een borstvergroting. Het was makkelijk opvallen omdat journalisten nog rammel van de minister kregen bij een te scherpe vraag. Toen Mobutu weer eens enkele dozijnen studenten had laten afknallen op de campus van de universiteit van Lubumbashi, kwam Leo Tindemans in het achtuurjournaal van de BRT ongestoord oreren dat "wij pas kunnen interveniëren zodra de situatie gedecrispeerd is". Een ander berucht Tindemans-in-Congo-citaat vat deze periode krachtig samen: "Lakke lakke bomma patatten met saucissen!" De BRT wekte een doffe, uitgebluste, hopeloze indruk. Bovendien werd de berichtgeving van de openbare omroep algemeen te links bevonden. "BRT weg ermee!", luidde het opschrift van een populaire VNJ-zelfklever uit die jaren. Wanhopige journalisten spraken van het laatste stalinistische bolwerk. Te links of te rechts, te dik of te dun, het liep niet aan de Reyerslaan. Alleen TikTak slaagde erin nieuwe kijkers te ronselen. Onder dit omineuze gesternte begon Jambers aan zijn zegetocht, met als typevoorbeeld zijn Panorama-reportage over de in Millet-jassen gehulde losers op de speelplaats. Iedereen had het gezien (wat moest een mens anders op donderdagavond) en iedereen sprak er schande van. In tegenstelling tot wat velen denken is de meest beruchte Panorama-reportage uit de jaren tachtig echter niet van Paul Jambers, wel van de sigarenrokende Paul Muys. Panorama toonde op 17 november 1988 om 21 uur een reportage van Paul Muys "over de Seefhoek, waar veel Blokkers en migranten wonen". Tijdens dezelfde aflevering liet Jambers vier geslaagde migrantenvrouwen aan het woord. De vermaledijde duiding in optima forma: zowel de cowboys als de indianen in beeld brengen.

Opschudding alom toen een tooghanger uit de Seefhoek de Vlaamse gezinnen schuimbekkend toeriep dat Hitler nog niet zo dom was geweest. Het moest volgens de stem van de Seefhoek maar eens over en uit zijn met de makakse medemens. Vooral het besluit van de tirade bleef de kijkers bij: "Zwaanst na nie!" Bij benadering zou je de kreet kunnen vertalen als 'doe nu niet onnozel'. Dit pleidooi voor gezond verstand verspreidde een ranzige stank, alsof de gore Seefhoekmens een portie in afgekeurde reuzel gebakken friet met mayonaise tegen het scherm had gekwakt. Van Kortrijk tot Wuustwezel had de Vlaming een vuile smaak in de mond. De kreet werd een symbool. Langs de spoorlijn tussen Antwerpen en Breda stond het jarenlang op een paardenhok geschilderd. "Zwaanst na nie!" Vettig Vlaanderen toonde zijn middenvinger.

In het collectieve televisiegeheugen vormt de reportage van Paul Muys een grens. Het Romeinse rijk hield met haar limes woestelingen tegen die de Sabijnse maagdenroof wilden overdoen. De afbrokkeling van de grens luidde het verval van de beschaving in. En zo liep het ogenschijnlijk ook aan het eind van de jaren tachtig. De spectaculaire groei van het Vlaams Blok viel samen met de verkruimelende almacht van de staatszender. Terwijl VTM onze dag begon te kleuren leek het einde van weldenkende televisie nabij (men sprak over het 'verjambersen' van de nieuwsgaring). De barbaren stonden volgens cultuurpessimisten als het ware in de Romeinse fonteinen te pissen. Met enige duiding hadden zij zich wis en zeker op de bril gezet. De ondergang van het avondland werd vaker afgekondigd dan Dallas werd heruitgezonden. Maar zoals de prostaat van François Mitterrand ooit heeft gezegd: "Un con qui avance va toujours plus loin qu'un intellectuel qui reste assis." De duiding legde het af tegen de terreur der knallende champagnekurken. Sindsdien kijkt Vlaanderen verdeeld, zijn de kleine mannen verdacht, hebben ze leiding nodig of moeten ze worden beschermd tegen laagvliegende intellectuelen. De booswicht uit de reportage van Paul Muys bleek achteraf lid van de communistische partij. Hij verpersoonlijkte in zijn eentje de politieke en maatschappelijke ommezwaai aan het eind van de jaren tachtig. Oude zekerheden stonden bij het grof huisvuil. Oude kameraden verlieten de rode stoet en balden de vuisten in dienst van een aangebrand ideaal. "Zwaanst na nie!" kwam als een schok van herkenning en bracht ook geruststelling. Ach, racisme bestond, maar zat verborgen in de riolen van vervallen volksbuurten. Het volstond tandenloze steuntrekkers respect voor andere culturen bij te brengen. En weet je wat, we geven die sukkelaars ook een nieuw straatinterieur. De klap op de vuurpijl was het systeem-Cools. Bob Cools zat in het Antwerpse stadhuis driftig krantenknipsels over criminele 'Zuid-Afrikaanse jongeren' te hamsteren. Hij stuurde ze op naar migrantenverenigingen met de boodschap: doe daar iets aan! Opgeruimd staat netjes. De weg naar de Wetstraat leidt nu eenmaal niet langs de Seefhoek. Anderhalve maand eerder hadden de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1988 een fors aantal proteststemmen opgeleverd. Het Vlaams Blok haalde een landelijke score van 5,3 procent. In de Seefhoek koos zelfs 28,5 procent van de malcontente kleine mannen voor extreem-rechts. Dat was ongezien en vooral onbegrijpelijk. 'Dwarskijker' Willy Courteaux schreef in Humo over de ontluisterende Panorama-reportage: "Geef de laagste sociale klasse iemand op wie zij op hun beurt kunnen neerkijken en ze grijpen de kans met beide handen. Racisme als klassenstrijd van de onderontwikkelden." De geschiedenis heeft ons geleerd hoe afgrondelijk diep de breuklijn is die eind jaren tachtig aan het licht kwam. De gapende kloof heeft alles en iedereen opgeslokt, van Cardijn tot Cools. Zelfs de kleine mannen-epiek van Jambers is vandaag een relict uit vervlogen tijden. Media en politici gedroegen zich toen als zoutpilaren. Ze ondernamen wanhopige pogingen om het kwaad te bezweren. De vaststellingen klopten, maar de oplossingen werden onthaald op een welgemeend "Zwaanst na nie!" Sindsdien hebben we ons bekwaamd in het elkaar signalen geven naar de burger en de politiek toe. De Vlaming is een wandelende gevarendriehoek geworden.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 16 juli 2003.)

Nog steeds gejaagd door de wind


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Clark Gable en Vivian Leigh. Het is niet duidelijk of ze nu allebei een snor hebben, maar de fantastische kleuren van de kodachrome-opname laten geen ruimte voor twijfel. Dood aan de digitale camera!)

'Frankly, my dear, I don't give a damn'

Clark Gable, alias Rhett Butler, in Gone with the wind (1939)

Ooit had cinema Rubens te Antwerpen het grootste scherm van West-Europa en omstreken. Wie de pech had vooraan te moeten zitten, kwam krankzinnig buiten, verstikt door een beelden- en klankenbrij die alleen met de oersoep te vergelijken was. Spijtig genoeg is de zaal zelf al jaren gone with the wind, gehuurd door katholiek geïnspireerde gekken die hun heil niet in pellicule zoeken, wel bij Jezus. Toen er nog gerechtigheid bestond, draaide wijlen baron Heylen op doodse middagen klassiekers in cinema Rubens. Gone with the wind, met entr'acte en versnapering, want het is een film in twee delen. Sinds de eerste keer dat ik de bizarre klassieker Gone with the wind heb gezien, in cinema Rubens, ben ik eraan verknocht geraakt. Alles wijst erop dat het een opgeblazen kostuumdrama over de Amerikaanse burgeroorlog is en toch verbergt de weldadige kitsch flarden van aan genialiteit grenzende pathos. Zo bevat Gone with the wind de ultieme liefdesscène uit de filmgeschiedenis. Scarlett O'Hara (Vivian Leigh) heeft ten langen leste begrepen dat zij hartstochtelijk van Rhett Butler (Clark Gable) houdt. De laatste heeft zijn bekomst van Scarletts grillen en met de hand aan de deurklink maakt hij een einde aan haar wanhopige liefdesverklaring: "Frankly, my dear, I don't give a damn." Gone with the wind kreeg negen oscars en voor die ene 'damn' ontving producer David O. Selznick een technische boete van 5.000 dollar. De infame Hays-code hield Hollywood in een morele wurggreep. Kussen en vloeken mocht niet. Impliciet racisme en seksisme vormden daarentegen de harde kern van het wereldbeeld dat de Amerikaanse overheidscensuur trachtte veilig te stellen - alleen domme, onderdanige negers waren toegelaten. In Gone with the wind viert het heimwee naar segregatie en zuiverheid hoogtij. Dit epos over de ondergang van een oude wereld, het diepe Zuiden, is een grote lofzang op de verknochtheid aan Blut und Boden. Niets ligt Scarlett O'Hara zo na aan het hart als het bezit van haar Ierse voorvaderen, Tara, een landgoed dat bloeit door blank doorzettingsvermogen, katoenpluk en negerzweet - Johnny Cash noemt het 'elbowgrease'. De schaduw van het verleden geeft er de toekomst vorm. Geen morzel gronds wordt prijsgegeven. Te midden van een ijzingwekkende burgeroorlog en tal van amoureuze stormen blijft er één zekerheid overeind: de majestueuze landerijen van Tara.

De roman Gone with the wind van Margaret Mitchell, een pil van ruim duizend pagina's, verscheen in 1936 en verpulverde de verkooprecords. Vergeleken met de filmbewerking is het boek rauwer. Mitchell getroostte zich veel moeite om de Amerikaanse Secessieoorlog zo nauwkeurig mogelijk weer te geven, gastoptredens van de Ku Klux Klan incluis. Hitler was al met zijn blitz bezig toen de film op 15 december 1939 te Atlanta in première ging. De wreedheden van de oorlog spelen een bijrol in Gone with the wind, wellicht de reden waarom de firma Metro-Goldwyn-Mayer er klauwen vol geld aan verdiende. Want is het een oorlogsfilm of een liefdesfilm? De vraag geldt ook voor een andere klassieker uit die jaren, Everybody comes to Rick's, in januari 1943 uitgebracht als Casablanca. De gelijknamige stad was in de loop van november 1942 ingenomen door de geallieerden, wat voor een wekenlange gratis reclamecampagne zorgde. Door het geile huwelijk tussen marketing en vrouwe geschiedenis moest de firma Warner Brothers extra personeel aannemen om de winst uit te tellen. Een andere gelijkenis tussen beide films zijn de nadrukkelijke clichés. In Casablanca draagt Victor Laszlo (gespeeld door Paul Henreid) het archetypische 'Duitse litteken' op zijn gezicht en meet man aller mannen Humphrey Bogart zich de houding van de laconieke Amerikaan aan. Gone with the wind gaat nog verder en is geheel en al samengesteld uit tics en suikerzoete gemeenplaatsen. Het draagt ertoe bij dat de grote brokken dialoog uit beide films, Casablanca nog iets meer dan Gone with the wind, een plaats hebben gekregen in het collectieve geheugen. Deze twee sentimentele bombardementen in tijden van oorlog hebben hun doel niet gemist. Het grote verschil zit in de esthetiek. Gone with the wind had net zo goed een product van de UFA-studio's kunnen zijn, waar gezonde Arische regisseurs de dienst uitmaakten.

Leni Riefenstahl bijvoorbeeld heeft haar Triumph des Willens altijd verdedigd met strikt esthetische argumenten, waarbij de artistieke benadering losstond van het politieke onderwerp. De documentaire van het grote nazi-congres in 1934 te Neurenberg is meer dan een handboek propaganda. Triumph des Willens bevat nog steeds de bewijzen tot wat een camera in staat is, alles namelijk. Riefenstahl baseerde zich op de traditie van de stomme film, die geen mensen toonde, maar maskers en gezichtsuitdrukkingen vastlegde als waren ze in steen gehouwen. Apollinisch ogende acteurs, letterlijk bewegende beelden, deden met een welgemikte blik het publiek flauwvallen van angst of bedwelming. Triumph des Willens voegt daar de kracht van camerastandpunt en montage aan toe. Het resultaat is een zeldzaam coherente verbeelding van een politiek programma. Riefenstahls documentaire werkelijkheid (staalharde, zuivere nazi's) wijkt niet veel af van de geromantiseerde geschiedenis in Gone with the wind (nationalisme en blanke superioriteit aangelengd met passionele liefde). De sublieme verstandhouding van vorm en inhoud doet ook in Gone with the wind een essentiële fascinatie ontstaan. Hoewel het vijf regisseurs heeft gekost om de film af te maken, is er geen sprake van stijlbreuken. Goede cinema zuigt het merg uit sterfelijke acteurs, tot er alleen schimmen resten die aan ons blijven kleven, en de illusie in de plaats van de werkelijkheid komt. "Het was of ik alle oorlogsfilms die ik ooit had gezien tegelijkertijd beleefde", verklaarde vorige week nog een Britse soldaat na een raid op Basrah. Zoiets. "Frankly, my dear, I don't give a damn." Amerikaanse soldaten schreven het tijdens de Vietnamoorlog op hun vliegtuigbommen.

De acteerprestaties in Gone with the wind zijn afwisselend houterig, smachtend en stom. En dat 222 minuten lang. Clark Gable gaat gebukt onder de nagedachtenis van Rudolf Valentino en de hooghartige oogopslag van Vivian Leigh doet vermoeden dat zij zeer intens Greta Garbo heeft bestudeerd. Maar dat doet het hem nu net, in combinatie met de weidse travelshots, de immense scènes, de vale pasteltinten, de ruisende rokken, de burgerlijke deftigheid, de potsierlijke rechtse moraal en de Hollywood-grandeur, die zelfs de kleinste details besmet. Gone with the wind is het soort film waarin doden netjes doodgaan, niemand naar het toilet gaat of zich van zijn lelijkste kant laat zien. De personages zijn ideeën, eerder dan verschijningen of gebeurtenissen. Ze dwalen rond in een gesloten universum waar iedereen zijn plaats kent en er steeds iemand met een paard klaar staat.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 2 april 2003.)

De Volksunie - 5 en 50 jaar geleden


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Familieportret van Geert Lambert, Els Van Weert en Bert Anciaux, de voormalige top van de splinterpartij SPIRIT. Steeds op zoek naar een nieuw 'project'.)

'Gezien de verhevenheid van de belangen die bedreigd worden verklaren wij dat stemmen voor de Volksunie in de huidige omstandigheden zwaar zondig is'

Herderlijke brief van bisschop De Smedt (22 mei 1958)

Na ons, de zondvloed - pardon de Volksunie. Er is over wijlen de partij zo veel gezegd dat woorden tekortschieten. Waarom moest die toffe bretellenclub kapot? Waarom toch, Bert? Moeten wij niet lief zijn voor elkaar? Wenen noch vendelzwaaien helpen om het verlies te verwerken en zelfs een voorstelling van poppentheater Bracke brengt geen soelaas. Uit pure wanhoop zoekt een mens dan antwoorden in, onder meer, De gewapende vrede. Politiek in België na 1945, de evergreen van Luc Huyse, een intellectuele potverteerder en dus zeker geen socialist. Huyse maakt op synthetische wijze duidelijk wat voor een ingewikkeld en broos bouwsel België is: "In onze politiek kost koken (marchanderen en arrangeren, koppelen en compenseren) zeer veel geld. Een consensusdemocratie gedijt niet in een zero-sum society." Van grote overschotten is vandaag geen sprake, zodat er evenmin aan de consensus een vette rand zal zitten. Eind jaren vijftig ontstond er een vergelijkbare situatie. De economie deed het niet schitterend en de politiek rolde vechtend over de kasseien, met de ziel van het kind als inzet. Het schoolpact uit 1958 regelde de subsidiëring van het vrije onderwijs en de staatsscholen, maar stelde ook de levensbeschouwelijke tegenstellingen scherp. Bovendien forceerde de socialist Léo Collard een meerderheidsbeslissing, een politieke houdgreep die de zwakke botten van het Belgische bestel deed kraken. De katholieken waren ziedend en trachtten bij de wetgevende verkiezingen van 1 juni 1958 hun gram te halen. Stemmen op de socialisten was voor een christen mens sowieso erger dan sympathie voor Pontius Pilatus - dat zat dus wel goed. Het uitschakelen van de Volksunie was andere koek. De Vlaamsnationale partij knabbelde aan het electoraat van de CVP en die heiligschennis vormde voor bisschop Emiel de Smedt van Brugge een aanleiding om de grote middelen in te zetten. De hemel brak open en God toonde zijn middelvinger. Naar verluidt schaamde De Smedt zich achteraf voor zijn herderlijke brief. Enkele maanden later wijdde hij deemoedig de nieuwe kapel van de IJzertoren in. Zijn brief blijft een van de sterkste getuigenissen van de verstikkende macht die de Vlaamse clerus tot diep in de twintigste eeuw uitoefende. "Wie de genade van het christelijk geloof bezit, weet dat alleen de Paus en de Bisschoppen door God aangesteld zijn om een uitspraak te doen over hetgeen het geweten van de christenen bindt. [...] Daarom verklaren wij dat het in de huidige omstandigheden een zware gewetensplicht is te stemmen voor de CVP." Een geestelijke die vandaag de woorden van De Smedt herhaalt, krijgt geheid een telefonisch aanbod van Karel De Gucht of wordt verdacht van banden met Al-Qaeda. En als Stefaan De Clerck kon klonen, had hij met het DNA van De Smedt een hele kamerlijst gevuld.

De Smedt schoot met een wel erg zwaar kaliber. In 1958 was de Volksunie slecht georganiseerd en verwaarloosbaar. Het duurde tot de winterstakingen tegen de eenheidswet eind 1960 eer de partij uitzicht kreeg op een forse achterban. Het protest tegen de eenheidswet maakte duidelijk hoe sterk Vlaanderen en Wallonië van elkaar verschilden. Automatisch nam het conflict tussen de gemeenschappen vaste vorm aan. Volksunie, Mouvement Populaire Wallon en FDF brachten aardbevingen teweeg in het politieke landschap. De klassieke partijen wilden de angel uit de communautaire problemen halen door ze te 'encommissioneren', maar het systeem sputterde en de consensusdemocratie kreeg nieuwe spelregels. Het unitaire België maakte plaats voor een federale staat waarin gewesten en gemeenschappen elkaar in evenwicht moesten houden.

Tijdens de beeldenstorm van de jaren zestig speelde Emiel de Smedt de rol van enerzijds-anderzijds-katholiek. De tergend dubbelzinnige houding van bisschoppen als De Smedt werkte het tumult rond de Leuvense universiteit in de hand en bracht mee het massale gezagsverlies van de kerk op gang. Nochtans was de bisschop in Vlaams opzicht geen kwade peer. De tijd dat de Franstalige clerus het Vlaamsnationalisme verketterde, lag ver achter hem. Goede Vlamingen moesten gewoon op de CVP stemmen en de rest kwam wel vanzelf. Intussen werd de pluralistische Volksunie de zweeppartij bij uitstek. Her en der staan de leuzen uit die tijd nog op blinde muren gekalkt, net als Mariabeelden stille getuigen van een uitgedoofd geloof. Mijn favoriete exemplaar bevindt zich op de achterkant van het militair hospitaal aan de Antwerpse Boomgaardstraat. VOLKSUNIE. Het staat er in grote, wankele letters. De militant van dienst was zat of zag een combi naderen. Witgekalkt erfgoed. Bescherming is nodig.

Generaties architecten hebben de Belgische bouwput gevuld met opzienbarende bouwsels. Middelpuntvliedende krachten zorgen ervoor dat de bouwsels uit elkaar worden gerukt, tot er alleen nog een kelder rest met archieven en herinneringen - Vlaamse beweging en Volksunie incluis. Dertig jaar staatshervormingen leren dat het proces onomkeerbaar en onstuitbaar is. We hebben hoogstens vat op het tempo en de argumentatie die we aanhouden bij de afbraak van onze deconstructivistische federale consensusdemocratie met constitutionele monarchie. Niemand kon zich in 1958 voorstellen welk een hoge vlucht de federalistische gedachte zou nemen. Het is de historische verdienste van de Volksunie en zijn medestichter Frans van der Elst dat ze de democratie kozen om het confederale nationalisme te promoten. Deze inzet heeft ontzagwekkend meer opgeleverd dan het Vlaamse fascisme dat nog steeds kritiekloos wordt omarmd door de Nelson Mandela's van het Vlaams Blok, degenen die strijden voor ons recht om flauwekul en demagogie als waarheid te verkopen. Hun verdienste is de wind die, één en ondeelbaar, door de bomen waait. En ze zijn niet eens katholiek. Flatulentie heeft navolging gekregen bij democratische politici voor wie het allemaal liefst niet te moeilijk wordt, uit schrik dat de burger het niet meer begrijpt. Het woord 'Europa' bijvoorbeeld is tijdens de kiescampagne alleen gevallen wanneer Ter Zake vroeger moest stoppen vanwege de Champion's league. Het woord 'café' daarentegen ("gaan jullie samen nog op café?") is dankzij de poujadistische drummer Ben Crabbé met stip gestegen. Vooruitgang betekent niet alleen dat wij elektronisch kunnen stemmen, maar ook dat er bij steeds meer gestelde hoofden een druktoets is ingebouwd waarmee op eenvoudig verzoek een hersenlob naar keuze kan worden uitgeschakeld.

Straks, wanneer het geweeklaag en de zegezangen luid weerklinken, zullen we bisschop De Smedt gedenken. Op 18 mei staat ieder van u voor een zeer zware verantwoordelijkheid. De Heilige Geest helpe u bij het vervullen van uw plicht.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 14 mei 2003.)