woensdag 13 mei 2009

Tranen en triomfen: Conrad Detrez


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious(Samen met Les Plumes du Coq is L'Herbe à brûler een van de belangrijkste naoorlogse Belgische romans, geschreven door Conrad Detrez, een man vol tegenstrijdigheden: seminarist, journalist, Vlaming, Waal, genaturaliseerde Fransman, revolutionair en aids-slachtoffer.)

Vijftien jaar geleden overleed Conrad Detrez aan de gevolgen van aids. Stervend schreef hij een van de mooiste ziekbedboeken ooit, La mélancolie du voyeur (1986), waarin hij een laatste keer zichzelf binnenstebuiten keerde. Eigenlijk handelt alle proza van Conrad Detrez over Conrad Detrez, een man wiens leven voldoende stof bevat om vijf schrijverscarrières mee te vullen. De motor van Detrez' schrijfwoede wordt aangedreven door revolte en engagement, de literaire smeerolie van de jaren zestig en zeventig. Zuid-Amerika lag toen goed in de markt. Mulisch en Claus bezochten Cuba. Jorge Semprún, Gabriel García Márquez en Carlos Fuentes braken door. Europese intellectuelen, Régis Debray voorop, beoefenden marxistische maatschappijkritiek die sterk Zuid-Amerikaans was georiënteerd. En in Leuven besliste de seminarist Conrad Detrez om als missionaris in Brazilië zijn geloof te belijden. Eind jaren zestig vlucht Detrez, inmiddels biseksueel en communist, naar Parijs om er de strijd voort te zetten. Hij schrijft een handboek stadsguerrilla, vertaalt Dom Helder Camara en leidt het pamflet Pour la libération du Brésil in, dat door de Franse overheid in beslag wordt genomen. Daarna waagt hij zich aan de literatuur. Zijn twee sterkste en meest autobiografische romans werden vertaald (als De veren van de haan en Dor gras) door Jenny Tuin.

In het slechtste geval toont Conrad Detrez zich een freak, een modeschrijver, een demagoog, een slechte journalist, een verkapte katholiek die zijn fanatieke geloof op het juiste moment afzweert, neerzijgt voor communistische afgodsbeelden en bommen legt om een volk te bevrijden dat geen bevrijding wil. Zo luidt de mythe Conrad Detrez. Het getuigt, achteraf bekeken, van verregaande juveniele domheid, misschien zelfs van misdadigheid, vergelijkbaar met de fratsen van 'onze jongens' van het Vlaams Legioen, de sukkelaars of landverraders die 'uit idealisme' het rode gevaar bevochten in dienst van de Duitsers.

In het beste geval blijft Conrad Detrez een van de zeldzame schrijvers die er echt in is geslaagd de Belgische paradox te doorgronden, de tegenstellingen literair vorm te geven. Les plumes du coq schetst een surreëel beeld van de jaren vijftig. Het jonge hoofdpersonage vertelt zijn belevenissen als katholieke Waal in een Vlaams internaat. Hij trekt tijdens de koningskwestie ten strijde tegen de ongelovige tegenstanders van Leopold III. Het bloedbad van Grâce-Berleur verandert zijn levensbestemming. Hij hoort Jules Renard spreken, wordt verliefd op een bloedmooi arbeidersmeisje en komt in opstand tegen de tirannieke schooloverheid. Hoe realistisch deze korte samenvatting ook moge zijn, het boek zelf is een groot delirium. Het stortregent aan een stuk door. Mensen blijven in de modder vastzitten. De ikpersoon voelt zijn bloed door zijn lichaam gaan als "een bijtend zuur". En het internaat is een "log aardkleurig dier in afwachtende houding, met alle poten ingetrokken". Internen, leraars en geestelijken jutten er elkaar op in de aanbidding van de Bruidegom, een homo-erotische Christusfiguur die te pas en te onpas verschijnt aan de ikfiguur en hem tergt, zoals in 'De zwarte monnik', dat maffe verhaal van Tsjechov.

Detrez begint waar Henri Michaux en Hadewijch eindigen: bij de magistraal verwoorde waanzin. Les plumes du coq is een pervers sprookje over paters die biddend kippen vingeren en schooljongens die elkaar uithuwelijken, terwijl het land op instorten staat. De hele tekst is opgebouwd rond een aantal weerkerende beelden die steeds verder van de werkelijkheid komen te staan, zodat op het einde het mystieke nulpunt wordt bereikt, de Liefde Gods. Die liefde is even zuiver als een plas brak water en even helder als de smoezelige stijl van het boek. Detrez schrijft overvet en opgefokt proza, vol onzinnige details en pathetische uithalen. In permanente haast sleept hij grote hoeveelheden adjectieven en bijzinnen aan om de boel zo intens mogelijk te belazeren.

Het verhaal van L'herbe à brûler sluit naadloos aan bij dat van Les plumes du coq, alleen is de toon radicaal anders. In L'herbe à brûler beperkt hij zich iets meer tot de feiten en verandert het geweer van schouder. Detrez doopt zijn pen in gal en geil om het relaas van zijn Zuid-Amerikaanse periode te noteren. Het is een tijd van carnaval en ideologisch verantwoord rondneuken. Detrez wil de massa bekeren en komt terecht bij een hoop dwazen die zich laten leiden door het Autokritisch program voor een marxistisch-leninistische avant-garde, opgesteld door een verlichte gek die wel in dialectiek, maar niet in interpunctie gelooft. De hilarische sessies zelfkritiek hebben een bloedige apotheose tot gevolg. De groep van Detrez ontvoert een hoge militair en biedt zo het leger een aanleiding om het communistische gespuis van de straten te vegen. Wat als een idealistische bevlieging begon in het Leuvense seminarie, eindigt als een marteling. De ondervragers breken zijn botten en sluiten zijn geslacht aan op het elektriciteitsnet. Nadien zetten ze hem het land uit. Detrez maakt mei '68 nog wel mee als vrijheidsstrijder, maar de ontgoochelingen stapelen zich op. Met stille trom verdwijnt hij naar België, waar volstrekt niemand zijn inzichten en verhalen begrijpt. Les plumes du coq en L'herbe à brûler openen de kamer waar al onze verlangens en angsten zetelen. Misschien bevindt deze plek zich hoog in het schip van een gotische kathedraal, vlak naast orgel, waar de muziek der sferen een overweldigd contrapunt is dat de trommelvliezen doet scheuren. Het kan ook zijn dat we de plek in een favella moeten zoeken, een Zuid-Amerikaans pauperdorp, een uitgewoonde, van lust en rottenis dampende mestvaalt waar kinderen staand worden verwekt en opgroeien tot menselijke ratten. En wie weet komen we die plek wel tegen in rokerige kamers waar steeds andere gezichten met steeds dezelfde woorden hun wereld trachten te veranderen, terwijl buiten hoongelach en geweeklaag weerklinkt. Detrez heeft die wanhoop willen wegbranden door te schrijven over zijn wanhopige passies, zijn visionaire waanbeelden. We moeten de geniale mislukkingen van Detrez blijven lezen, of liever, we moeten zijn romans opnieuw lezen. Want Detrez bestaat niet meer, zijn boeken zijn vergeten en haast onvindbaar. Detrez is uitgekotst door een land dat hij zelf in het gezicht had gespuugd.

Met L'herbe à brûler sleepte Detrez de Prix Renaudot in de wacht en werd hij wereldberoemd in Parijs en omstreken. Het Brel-scenario. Toen in 1978 de vertaling van Les plumes du coq verscheen, verklaarde Detrez te sterven van verlangen "om de klerikalen in Vlaanderen te schofferen". Het was de zelfhaat van een medeplichtige.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 22 november 2000.)

Geen opmerkingen: