dinsdag 28 juli 2009

Ora et labora (over Emiel Vliebergh)

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Respect voor u en mij. Respect voor de lammen en de blinden. Respect voor de blauwvoet en de grasparkiet. Ja, zelfs respect voor de goedertieren salonkatholieken die ons gratis lessen in eerbied willen geven. Respect is nodig, want we beleven de nieuwe Middeleeuwen. Onze maatschappij is zo ontmenselijkt dat er straks geen burgers meer zullen zijn, alleen nog mineure vormen van dierlijk leven: bokken, schapen, apen, struisvogels, trekpaarden, mestkevers en af en toe een vos. En als de bokken de verkiezing winnen, wordt Vlaanderen geleid door een geit.

Het is een goed bewaard geheim dat Ivan Petrovitsj Pavlov zijn theorie van de geconditioneerde reflex heeft getest op uit Vlaanderen geïmporteerde bokken. Pavlov las hen te Sint-Petersburg voor uit de eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs: "En nu deel ik u een mysterie mee: wij zullen niet allen sterven, maar wel allen van gedaante veranderen." De Vlaamse bokken begonnen spontaan te leviteren. Hoe kan het ook anders? In vroeger tijden waren bokken bijbelvaste wezens. De verrijzenis in onvergankelijkheid lag de bokken zo na aan het hart dat ze in eigen rangen steeds weer op zoek gingen naar heiligen. Emiel Vliebergh bijvoorbeeld. Bij zijn dood in 1925 aarzelde Lode Dosfel niet om Vliebergh met pastoor Poppe te vergelijken. "Beider sterkte was de Eucharistie", schreef Dosfel. "Beiden vereenigden hun wensch naar 'Vrede en Recht in Vlaanderen' met den eisch 'Glorie aan God'. Vlieberghs leven, zijn lijden, zijn dood, zijn hemelvaart zijn vruchtbaar voor Vlaanderen."

Aan de bijbel hebben de bokken vandaag geen enkele boodschap meer, laat staan dat ze nog weten wat er in staat of zich rekenschap geven van hun feitelijke goddeloosheid. Tot ze oog in oog komen te staan met belijders van een ander geloof. Dan is de beschaving der bokken in gevaar en luiden overal de stormklokken. Het melancholische verlangen naar heiligheid blijft bij de bokken Pavloviaans en immens. Zo volstaat de beeltenis van het trekpaard in ruste uit Vilvoorde om de speekselsecretie van de doorsnee bok te doen toenemen. Wat het trekpaard trekt en of het nog wel trekken kan, doet niet ter zake. De Vlaamse bok gaat namelijk gebukt onder een schrijnend menselijk tekort en heeft een heilige nodig om voor te knielen. Als Sint-Rita, patrones van de hopeloze gevallen, op een kieslijst zou staan, zou die lijst winnen. Dat heeft de geit goed gezien.

Ook Vliebergh is zo'n heilige geweest, een heilige duivel-doet-al. Hij bereikte het toppunt van zijn macht in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog, toen er in Vlaanderen nog echt te klagen viel. Vliebergh was het prototype van de noeste werker: hoogleraar staatshuishoudkunde, strijdend katholiek, Vlaams beweger, magistraal netwerker, ondervoorzitter van de Boerenbond, voorzitter van het Davidsfonds. In 1908 werd Vliebergh ziek. De diagnose was genadeloos: multiple sclerose. De actieradius van de eens zo rusteloze Vliebergh nam stelselmatig af. Zijn aanzienlijke politieke invloed steunde steeds meer op correspondentie en audiënties. In Vlieberghs huis aan de Leuvense Waaistraat was het een komen en gaan van Vlaamse koppen die om raad en instemming bedelden bij 'het geweten van Vlaanderen', 'de heilige van Leuven'. Op het eind van zijn leven was Vliebergh een schim met mythische proporties. Door de berusting waarmee hij zijn lot had gedragen, verpersoonlijkte hij het lijdende Vlaanderen dat naar rechtvaardigheid en opstanding dorste. Die heiligheid schitterde nog feller door het ascetisme waartoe Vliebergh zich reeds voor zijn ziekte had bekeerd. Bidden en werken, veel meer deed hij niet en hij deed het bovendien op zeer kuise wijze. In zijn hagiografie beschrijft pater Salsmans - een van de jezuïeten die vruchteloos heeft getracht Gerard Walschap 'tot inkeer te brengen' - hoe dat in zijn werk ging. Als jonge dertiger besliste Vliebergh in samenspraak met zijn spirituele begeleider, de dominicaan Chrysostomus De Saegher, dat hij nooit zou trouwen. "Zoo is Vliebergh voorgoed gevestigd op de plaats en in de werkzaamheid die de Voorzienigheid voor hem bestemde."

Respect voor boer en tuinder. Respect voor ongeboren leven en van pijn verrekkende stervenden. Ja, zelfs respect voor de Dietse stam, zij het met mate. In de Waaistraat te Leuven, waar Vliebergh leefde en stierf, heeft de Boerenbond nog steeds kantoren. De heilige van Leuven was dan ook een van de oervaders van de verzuiling. Vliebergh ijverde voor een volksontwikkeling die de standenverschillen intact liet. Onderwijs, verenigingsleven of politieke actie, alles moest conform de eigenheid van de diverse beroepssectoren worden georganiseerd. En om de Vlaamse beweging weer katholiek te maken, engageerde hij zich ten volle in de katholieke drukkingsgroep Eigen Leven. Vliebergh had in 1906 een cruciaal aandeel in de oprichting van Hooger Leven, het weekblad voor ontwikkelde katholieke Vlamingen. Hetzelfde Hooger Leven nam eind jaren twintig Gerard Walschap in dienst, een redacteurschap dat faliekant afliep. Walschap hield er een viscerale afkeer van kwezelachtig geloof en kerkelijke kuiperijen aan over. Ook het literaire tijdschrift Dietsche Warande en Belfort heeft zijn ontstaan te danken aan Vliebergh. Zeven jaar lang was hij redactiesecretaris, in een periode dat katholieke Vlaamse intelligentsia met Groot-Nederlandse ambities aansluiting zochten bij de Hollandse buren. De toenadering liep af met een sisser en staafde Vliebergh in de overtuiging dat Nederlanders en Vlamingen elkaar maar half verstonden. Het feit dat een orthodox-religieuze, antisocialistische en antiliberale technocraat als Vliebergh twee belangrijke culturele tijdschriften heeft opgericht, is een van de vele historische voorbeelden die aantonen hoe verschillend literatuur in Vlaanderen en Nederland kan functioneren. De oprichting had veel meer met politiek tout court dan met cultuurpolitiek te maken. Het was niet zozeer de taalstrijd die Vliebergh interesseerde, dan wel de vorming van een goed opgeleide elite die de Vlaamse samenleving kon vooruithelpen.

Emiel Vliebergh, een oude bok zoals ze niet meer worden gekweekt. Op zijn bureau prijkte naar verluidt deze waarschuwing: 'Ontneem geen tijd aan mensen die veel werk hebben.' Hij was er klaar voor toen het einde kwam. "Als ik sterf, ga ik mijn geluk in. Ik ga van den dood tot het leven, onthoud dit wel!" Nadat men hem het Heilig Oliesel had toegediend en de pauselijke zegen met volle aflaat had gegeven, stelde men hem voor een laatste keer de hostie te ontvangen. Vliebergh, jurist tot in de kist, weigerde. Hij had 's ochtends al gecommuniceerd. Twee keer 'Ons Heer' ontvangen op dezelfde dag, dat mag niet! Het Kerkelijk Wetboek werd erbij gehaald. Het mocht toch.

Dood van een klaproos (over W.N.P. Barbellion)

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on DeliciousNiets. Dat gebeurde er in het leven van de Brit W.N.P. Barbellion tussen 1908 en 1912. Zeker, hij koesterde bescheiden verwachtingen, maar zijn hoogseizoen was ten einde, nog voor hij goed en wel besefte dat hij het toppunt van zijn kunnen had bereikt. Barbellion leed aan acute pech, die de vorm aannam van multiple sclerose. Hij stierf op zijn dertigste. Door zelfstudie had hij zich als zoöloog bekwaamd. Zijn levensdroom was laboratoriumonderzoek. Het liefst hield hij zich bezig met het ontleden van insecten en kleine zoogdieren. Die ervaring kwam van pas bij de proefondervindelijke benadering van zijn belangrijkste onderzoeksobject: zichzelf. Gemeten aan de sores van anderen zijn de mokerslagen van het lot afwisselend erg of ergerlijk. Zodra doffe ellende aan het papier wordt toevertrouwd, krijgt het een gulden rand die sterker blinkt naarmate er meer lezers hun handen over laten glijden. In die zin is The Journal of a Disappointed Man een schitterend boek, dat zijn glans ontleent aan de precieuze miniaturen van Barbellions ondergang. Hoe zwaarder de ziekte doorwoog, hoe scherper Barbellion formuleerde en hoe duidelijker hij voor een publiek schreef. Vooral tijdens de laatste levensjaren vulde hij zijn dagboek met dromen en nachtmerries die hij rechtstreeks ontleende aan zijn wanhoop, een geestesgesteldheid die zich bij Barbellion uitte in kolkende bespiegelingen over nutteloosheid. Klagen was voor hem een kunst.

Na elke leugen wordt Pinocchio's neus langer en zo gaat het ook met dagboekschrijvers, de meesters van de illusie. Ze wenden schaamteloze oprechtheid voor. Ze wensen de pen als scalpel te hanteren. Ze bakenen een persoonlijk reservaat af en nemen van daar uit de tekens waar, de dagelijkse nonsens, de vlucht van de vogels, het verstrijken van de tijd. Onder de loep van de dagboekschrijvers is alles een aanleiding tot zelfbeklag. Wanordelijke anekdotiek krijgt een verhaallijn, muggen worden olifanten en neuzen langer. Wie er zelf voor zorgt dat zijn dagboek wordt gepubliceerd, zegt de waarheid vaarwel en hult zich voorgoed in nevelen. The Journal of a Disappointed Man kwam enkele maanden voor Barbellions overlijden uit. In zijn laatste dagboeknotitie had hij zich al verzekerd van een theatrale doodstrijd: "Walg van mezelf." Toenmalige lezers waren er ongetwijfeld van overtuigd dat de heldhaftige Barbellion na deze woorden rochelend in elkaar was gestort en de geest had gegeven.

Er is geen aanleiding om te denken dat de kladboeken van deze begenadigde zeurkous een realistisch beeld schetsen van zijn werkelijkheid. De slepende ziekte ontnam hem de lust om zijn miezerige bestaan naar waarheid te notuleren, wat toch niet veel had opgeleverd. En als hij zich manifesteerde als boekhouder van de dood, dan alleen om aan te tonen dat in de voorspelbaarheid van zijn dagen de kern van het mysterie schuilde. Te hooi en te gras speelde Barbellion met de idee van verlossing. Hij dacht niet zozeer aan een nekschot, als aan een inzicht dat zijn onnutte leven de dynamiek zou geven die het ontbeerde. Als het graf eenmaal in zicht komt, zit God op het vinkentouw. Barbellion liet zich niet ringeloren door religieuze spitsvondigheden, hoewel le pari van Pascal nooit ver weg was. Pascal verkeerde in goede gezondheid toen hij bedacht dat het geen zin had niet te geloven. Voor een man die weet hoe kort het pad naar het kerkhof zal zijn, volstaat de kansberekening niet om hem ervan te overtuigen zijn zielenheil uit te besteden aan een of ander onbewogen ordenend principe. Geconfronteerd met de absolute nietigheid van zijn leven joeg Barbellion een grootsheid na die erop gericht was door middel van zijn notities los te komen van de zwaartekracht, op te lossen in metaforen, uit elkaar te spatten in explosieve adjectieven. Kortom, literatuur was zijn wraak voor de misdaad van de natuur. De homeopathische dosis verbeelde levenslust bracht niet de minste verbetering in de betreurenswaardige staat van zijn lichaam. Terwijl zintuigen en ledematen door verlamming in het ongerede raakten en Barbellion zich zag veranderen in een denkende klomp vlees, was de hoop op redding allang vervlogen. Hij had van zichzelf een literair artefact gemaakt. The Journal of a Disappointed Man is zonder meer een concours in zwaarmoedigheid. Het onderscheid tussen oprechte en gespeelde treurnis blijft duister. Barbellions hang naar esthetiek geeft hierin de doorslag. Hij hoedde zich ervoor de ordinaire kant van de aftakeling in de verf te zetten. Het hele boek staat vol met beschrijvingen zoals die van 13 februari 1911: "Voel me als een stuk uitgetrokken borduurwerk, of een niet ontwikkeld negatief, of een kwal op stelten, of een slijmerig kikkervisje, of een snuitkever in een noot, of een gebakken paling. Met andere woorden en kort gezegd: ziek." De lijfelijke betrekkelijkheden speelden slechts een rol in zoverre ze bijdroegen tot het grote wordingsproces dat hij voor zichzelf en de mens zag weggelegd. Er zat een groot prediker in hem, eentje die uitentreuren de met kwaaltjes en bekommernissen gevulde dagen uitrafelde en van zingevend commentaar voorzag. Heel zijn korte leven was een optelsom van nuffige scènes die hij vakkundig herhaalde. Alleen de kleur van het gebruikte carbonpapier zorgde voor schakeringen. Op de koop toe was Barbellion een saai mens, ongeacht de invloed van zijn ziekte. Zijn lievelingsschrijvers leveren het beste bewijs. Darwin mocht dan hoog in zijn achting staan, Henri Bergson vond hij onovertroffen. De Darwiniaanse evolutietheorie is een bij uitstek lineair systeem dat van nul tot oneindig leidt en waarbij de variatie beperkt blijft tot de historische opeenvolging van de soorten. Bergson, die Darwin als uitgangspunt neemt, benadrukt in zijn filosofie van het élan vital hoe alles naadloos in elkaar overvloeit. Stilstand werkt op de lachspieren, stelt Bergson in Le rire. Uiteraard adoreerde de grotendeels immobiele en humorloze Barbellion net dit ene boek.

8 mei 1911: "De ziel van de klaproos vlamt in me. Zij moet mijn bloem zijn." Enkele jaren later, toen Hein met de zeis hele generaties jongemannen wegmaaide op de slachtvelden van Europa, volgde de zwaar gehandicapte Barbellion in de kranten hoe de oorlogswaanzin zijn aangekondigde dood tot een bespottelijk fait divers herleidde. Het was het enige moment in The Journal of a Disappointed Man dat Barbellions reservaat geen bescherming bood tegen de wereld.

Bang konijn (over John Updike)

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Ook in de boeken van John Updike schijt de duivel op de grootste hoop. De verhalen van de dit voorjaar overleden Amerikaanse schrijver zijn natuurgetrouw opgevat. Ze gaan over seks, dood en de eeuwige drang naar de nooduitgang. Je komt altijd mensen tegen voor wie het leven een gezondheidswandeling lijkt en romanpersonages die net het tegendeel beleven. Een van die personages is Harold C. Angstrom, alias Rabbit. In zijn jeugd geniet Rabbit succes als basketballer. Eens de volwassenheid toeslaat, is het gedaan met de pret. Zijn nederlagen en pyrrusoverwinningen lezen als een bloemlezing schlagers. Maar Updike is een echte schrijver die de autobiografie veinst, geniaal mompelt, uit een gedachte een hoofdstuk puurt, uit een vallend blad een verhaallijn. Zo komt het toch goed. Met tussenpozen van ruim tien jaar heeft Updike vier delen toegevoegd aan de Rabbit-cyclus. Het is een mijlpaal in de Amerikaanse letteren die herontdekt mag worden: Rabbit, run, Rabbit redux, Rabbit is rich en Rabbit at rest.

Amerika is van kust tot kust een hyperbool, een XL-pretpark voor grote mensen met grote dromen en angsten. Ons geheugen is volgeladen met close-ups van Manhattan, Times Square en 7th Avenue. Maar het aardse tranendal lijkt in niets op een filmset en zeker niet op New York. Daarom plaatst Updike zijn antiheld in een verfomfaaide provinciestad in Pennsylvania.

In het eerste deel van de cyclus, Rabbit, run (1960), is Rabbit een late twintiger voor wie middelmaat in de plaats is gekomen van het verwachte groots en meeslepend leven. Hij heeft een vernederende baan, een huilbaby en een vrouw die te veel drinkt. Om zijn ziel te redden gaat Rabbit op zoek naar ongeremde seks en trekt hij in bij een prostituee. Rabbit betaalt zijn vrijheid met zijn eigen vlees en bloed. Zijn zatte, wanhopige vrouw laat de baby verdrinken in bad. Vaarwel grootse dromen. Rabbit volgt zijn instinct en slaat op de vlucht.

De grote mythe van de maakbare samenleving is dat er voor elk probleem een oplossing bestaat. Updike onttakelt die mythe door in elk van de vier delen van de cyclus nieuwe muren op te trekken waar hij Harold Angstrom tegenaan laat lopen. Het meest penibele deel van de cyclus is Rabbit redux (1971). Als dertiger blijft Rabbit rusteloos zoeken naar een manier om zijn jeugd terug te halen. Hij maakt zich wijs dat alles nog steeds mogelijk is en geeft zijn modale leven glans door dolenthousiast deel te nemen aan de seksuele revolutie. Rabbits tribale afterparty van de summer of love heeft echter meer weg van een uit de hand gelopen Tupperware-demonstratie. De aanwezigen laten zich een hoop onbruikbare rommel aansmeren. Op geen enkele doos past een deksel.

Updike heeft geen compassie met Harold Angstrom. Rabbit moet en zal de gevolgen van de Amerikaanse naïviteit tot in zijn vezels voelen. Rabbit redux is een voor Updike atypisch razend boek, kwaad, agressief. Literair moralisme met de hamer. Updike laat zich weinig gelegen aan engagement of ideologie. Daarom maakt hij van Harold Angstrom een apolitieke middenklasser uit suburbia. Die verguisde middenklasse bevat voor Updike de kern van de menselijke zijnswijze: een meervoudige, onverzoenbare dubbelzinnigheid. We zijn mensen en beesten tegelijk, sterfelijke wezens die dromen van onsterfelijkheid, die zo zelfbewust leven dat aardse genoegens niet volstaan, nooit. Seks helpt om een illusie van verlossing te beleven. Updike noemt het een vorm van 'prometeïsch protest'.

Dus elk van ons waant zich God, terwijl we niet meer dan een bende prutsers zijn, vaak zonder alibi. Tot het einde en tegen beter weten in blijft Rabbit geloven. Dankzij de immense zeggingskracht van Updikes proza wordt het onvermijdelijke lot van Rabbit aannemelijk. Het heeft wellicht ook te maken met de intentie van de auteur. Updike getuigt van wat hij rondom hem in Amerika ziet gebeuren en heeft zich daarbij ooit vergeleken met de auteurs van het Boek der Psalmen. Even welbespraakt is hij in elk geval. Aan godsbesef ontbreekt het hem ook niet. De God die de protestantse Updike heeft herkend bij Søren Kierkegaard, maar vooral bij de theoloog Karl Barth, is de absoluut andere. Als die God bestaat, dan is hij te vinden in de niet op te lossen dialectiek van het menselijk bestaan, waar tegenstellingen voortdurend met elkaar botsen: geloof en twijfel, komedie en tragedie, seks en dood. Toch is Harold Angstrom allerminst verzonnen door een christelijk schrijver die God wil eren in al wat hij doet. Updike: 'Ik ben slechts een schrijver die elke zondag naar de mis gaat.'

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Standaard van 26 juni 2009.)