dinsdag 28 juli 2009

Bang konijn (over John Updike)

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Ook in de boeken van John Updike schijt de duivel op de grootste hoop. De verhalen van de dit voorjaar overleden Amerikaanse schrijver zijn natuurgetrouw opgevat. Ze gaan over seks, dood en de eeuwige drang naar de nooduitgang. Je komt altijd mensen tegen voor wie het leven een gezondheidswandeling lijkt en romanpersonages die net het tegendeel beleven. Een van die personages is Harold C. Angstrom, alias Rabbit. In zijn jeugd geniet Rabbit succes als basketballer. Eens de volwassenheid toeslaat, is het gedaan met de pret. Zijn nederlagen en pyrrusoverwinningen lezen als een bloemlezing schlagers. Maar Updike is een echte schrijver die de autobiografie veinst, geniaal mompelt, uit een gedachte een hoofdstuk puurt, uit een vallend blad een verhaallijn. Zo komt het toch goed. Met tussenpozen van ruim tien jaar heeft Updike vier delen toegevoegd aan de Rabbit-cyclus. Het is een mijlpaal in de Amerikaanse letteren die herontdekt mag worden: Rabbit, run, Rabbit redux, Rabbit is rich en Rabbit at rest.

Amerika is van kust tot kust een hyperbool, een XL-pretpark voor grote mensen met grote dromen en angsten. Ons geheugen is volgeladen met close-ups van Manhattan, Times Square en 7th Avenue. Maar het aardse tranendal lijkt in niets op een filmset en zeker niet op New York. Daarom plaatst Updike zijn antiheld in een verfomfaaide provinciestad in Pennsylvania.

In het eerste deel van de cyclus, Rabbit, run (1960), is Rabbit een late twintiger voor wie middelmaat in de plaats is gekomen van het verwachte groots en meeslepend leven. Hij heeft een vernederende baan, een huilbaby en een vrouw die te veel drinkt. Om zijn ziel te redden gaat Rabbit op zoek naar ongeremde seks en trekt hij in bij een prostituee. Rabbit betaalt zijn vrijheid met zijn eigen vlees en bloed. Zijn zatte, wanhopige vrouw laat de baby verdrinken in bad. Vaarwel grootse dromen. Rabbit volgt zijn instinct en slaat op de vlucht.

De grote mythe van de maakbare samenleving is dat er voor elk probleem een oplossing bestaat. Updike onttakelt die mythe door in elk van de vier delen van de cyclus nieuwe muren op te trekken waar hij Harold Angstrom tegenaan laat lopen. Het meest penibele deel van de cyclus is Rabbit redux (1971). Als dertiger blijft Rabbit rusteloos zoeken naar een manier om zijn jeugd terug te halen. Hij maakt zich wijs dat alles nog steeds mogelijk is en geeft zijn modale leven glans door dolenthousiast deel te nemen aan de seksuele revolutie. Rabbits tribale afterparty van de summer of love heeft echter meer weg van een uit de hand gelopen Tupperware-demonstratie. De aanwezigen laten zich een hoop onbruikbare rommel aansmeren. Op geen enkele doos past een deksel.

Updike heeft geen compassie met Harold Angstrom. Rabbit moet en zal de gevolgen van de Amerikaanse naïviteit tot in zijn vezels voelen. Rabbit redux is een voor Updike atypisch razend boek, kwaad, agressief. Literair moralisme met de hamer. Updike laat zich weinig gelegen aan engagement of ideologie. Daarom maakt hij van Harold Angstrom een apolitieke middenklasser uit suburbia. Die verguisde middenklasse bevat voor Updike de kern van de menselijke zijnswijze: een meervoudige, onverzoenbare dubbelzinnigheid. We zijn mensen en beesten tegelijk, sterfelijke wezens die dromen van onsterfelijkheid, die zo zelfbewust leven dat aardse genoegens niet volstaan, nooit. Seks helpt om een illusie van verlossing te beleven. Updike noemt het een vorm van 'prometeïsch protest'.

Dus elk van ons waant zich God, terwijl we niet meer dan een bende prutsers zijn, vaak zonder alibi. Tot het einde en tegen beter weten in blijft Rabbit geloven. Dankzij de immense zeggingskracht van Updikes proza wordt het onvermijdelijke lot van Rabbit aannemelijk. Het heeft wellicht ook te maken met de intentie van de auteur. Updike getuigt van wat hij rondom hem in Amerika ziet gebeuren en heeft zich daarbij ooit vergeleken met de auteurs van het Boek der Psalmen. Even welbespraakt is hij in elk geval. Aan godsbesef ontbreekt het hem ook niet. De God die de protestantse Updike heeft herkend bij Søren Kierkegaard, maar vooral bij de theoloog Karl Barth, is de absoluut andere. Als die God bestaat, dan is hij te vinden in de niet op te lossen dialectiek van het menselijk bestaan, waar tegenstellingen voortdurend met elkaar botsen: geloof en twijfel, komedie en tragedie, seks en dood. Toch is Harold Angstrom allerminst verzonnen door een christelijk schrijver die God wil eren in al wat hij doet. Updike: 'Ik ben slechts een schrijver die elke zondag naar de mis gaat.'

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Standaard van 26 juni 2009.)

Geen opmerkingen: