dinsdag 8 september 2009

De naakten en de doden

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Drie dagen voor de regionale en Europese verkiezingen gaf de Amerikaanse president Barack Obama een verbluffende speech in Caïro. Het was tijd om de erfenis van Samuel Huntington definitief te weigeren. De clash of civilisations werd samen met de nagedachtenis aan George W. Bush verbannen naar de krochten van de geschiedenis. Het is daar de laatste tijd een drukke bedoening.
De nieuwe geopolitieke agenda van Obama oogt pragmatisch en komt er bij gratie van mensen van goede wil. God speelt in dit nieuwe plan een even grote rol als in het stripverhaal van Bush, zij het dat de nieuwe president eerder een man van het Nieuwe Testament is. Als een ware heiland heeft hij in Amerika de ‘God gap’ overbrugd. Die geloofskloof ontstond na de Vietnamoorlog en het debacle van Richard Nixon. Hoe geloviger de Amerikaan, hoe groter de kans dat hij republikeins stemde. Democraten sprongen gereserveerder met het geloof om. Clinton citeerde vooral zeer vlot uit de Bijbel om te tonen dat hij het kon. Dat is nu anders. Als Obama spreekt, is er een gelovige aan het woord. In die hoedanigheid riep Obama met zijn Egyptische speech op tot verzoening, wederzijds begrip en samenwerking tussen het Westen en de Arabische wereld. God was overal in de speech, maar de plaats van de ongelovigen bleef onvermeld.
De Egyptische speech werd terecht op wereldwijd applaus onthaald, ook door de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht en zijn Europese collega’s. Misschien moet de president-predikant echter een bisnummer geven in Brussel. Want Huntingtons spook waart nog steeds rond door het oude continent. Het trauma van 9/11 en de samenlevingsproblemen in de Europese steden leiden tot acute islamofobie bij een groot deel van de autochtone bevolking. Zo blijkt uit een recent onderzoek van het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (KUL) dat 46% van de Vlaamse kiezers denkt dat de islam geen bijdrage kan leveren aan de Europese cultuur. Voor de cohesie van de samenleving is dat geen goed nieuws.
Een ander revelerend onderzoek werd afgeleverd door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Het vuistdikke De Sociale Staat van Vlaanderen 2009 ‘wil via meer diepgaande analyses op zoek gaan naar verklaringen, oorzaken en achtergronden’ bij de (deel)aspecten van de sociale situatie in Vlaanderen, zoals die genoteerd worden in de jaarlijkse Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND). De Sociale Staat van Vlaanderen wordt een tweejaarlijkse uitgave, waarvan de eerste aflevering als een nulnummer is opgevat. In 1980 werden de cultuurgemeenschappen en gewesten van de eerste staatshervorming voorzien van echte bevoegdheden over ‘plaats- en persoongebonden aangelegenheden’. Dat is het beginpunt van de meeste verhalen die in De Sociale Staat van Vlaanderen worden beschreven. Zo’n perspectief is verraderlijk en verhelderend. Onze intrede in de geschiedenis laten plaatsvinden in 1980 suggereert een sullige vorm van revisionisme. Tegelijkertijd plaatst dat ijkpunt toch ook heel wat in het juiste perspectief.

Vlaanderen is op dertig jaar tijd behoorlijk rijk geworden. De werkelijke basis van onze huidige welvaart werd echter gelegd bij de bevrijding, in 1944. Het was meteen het begin van de explosieve toename van de globalisering – die onverminderd doorgaat. Hoewel de huidige crisis ons gemiddeld minder rijk heeft gemaakt, zijn we niet noodzakelijk armer geworden. De forse toename van de inkomensongelijkheid tussen werkenden en niet-werkenden was voor de dijkbreuk van 2008 al een feit. Dat geldt ook voor de sociale ongelijkheid op mondiale schaal.
De extreem negatieve economische indicatoren zijn de afgelopen maanden door iedereen gebruikt om het eigen gelijk te bewijzen. Moet je schulden maken om de economie te sparen of moet je het tegendeel doen: hard bezuinigen? Onafhankelijk analist Geert Noels voorspelde eind juni zelfs dat de Belgische economie zo fel zou krimpen dat alleen de vergelijking met 1932 overeind blijft. Bij zulke dramatische omstandigheden zouden politici met trillende stem Paulus moeten citeren: ‘Want geldzucht is de wortel van alle kwaad’ (1 Timotheus 6:10). En inderdaad, tijdens de campagne voor de regionale en Europese verkiezingen blonken vele kandidaten uit in poujadisme.
Het grootkapitaal vormde voor alle partijen een dankbare schietschijf. De SP.a deed er nog een schepje bovenop door een meerwaardetaks te eisen, die vooral kleine beleggers zou viseren. Die kleine belegger werd op een lijn gezet met de malafide traders à la Jérôme Kerviel en hebzuchtige bankiers: zij hadden samen de implosie van het systeem teweeggebracht. Uit alle verslagen blijkt echter dat de handel in toxische kredieten zo goed als verzwegen werd voor aandeelhouders, en zelfs voor bestuurders en controlerende instanties. Laat staan dat er, buiten de kwantitatieve analisten, normale mensen waren die de risico’s van toxische kredieten begrepen. Ach, de kleine belegger die het gewaagd had te investeren in de Belgische economie, schaamte was zijn verdiende loon. Dat de overheid hemel en aarde bewoog om de spaartegoeden van de IJslandse Kaupthing Bank terug te betalen via het garantiefonds werd voorgesteld als verantwoord bestuur, terwijl het een aberratie was.
Bij momenten leek het erop dat we de neergang van de Belgische banken moesten toejuichen. Groen! spande de kroon door te beweren dat we het in de toekomst maar moesten redden zonder ecologisch onverantwoorde groei. En er waren nationalisten die tijdens de dramatische herfst van 2008 de bankencrisis reduceerden tot een Belgische probleem. Bovendien was Fortis vooral een Franstalige en, om het nog erger te maken, Brusselse etterbuil. De crash van Fortis eind september had dus het aangename gevolg dat België werd gedestabiliseerd, wat de oprichting van een Vlaamse natie weer een stap dichterbij bracht. Toen net voor het begin van de campagne KBC ten tweede male in ademnood kwam, stonden weinigen stil bij de voorspelling dat KBC voor het eind van het jaar zou moeten fuseren met een buitenlandse bank. Vaarwel verankering van de Vlaamse economie.
De verwarde campagne voor de regionale en Europese verkiezingen bewees dat het beheer van de effecten van de globalisering een moeilijk thema is. We kunnen nog steeds amper geloven hoe dramatisch de economische omstandigheden zijn. In de publieke opinie lijkt de globalisering even abstract en onpopulair als Europa, terwijl de strategie die we nu moeten kiezen cruciaal is voor onze toekomst. Maar welke strategie dan wel: het algemeen belang of de Vlaamse natievorming? Pragmatiek of ideologie?
De uitslag van de regionale verkiezingen hebben in alle delen van de federatie geleid tot eerder behoudsgezinde coalities. De lange weg naar de zesde staatshervorming zal worden aangevat, maar de reorganisatie van de staat zal op korte termijn niet bijdragen tot de relance. Het communautaire orkest zal ijverig overuren blijven draaien, onder meer omdat die ketelmuziek goed past bij de campagne voor de federale verkiezingen in 2011 die naar verluidt begint in september. Het gesprek over de centen verdraagt echter geen uitstel, omdat het anders niet meer mogelijk is de federale begroting te maken. Met de financieringswet is het als met de toxische kredietbom die onze welvaart heeft ontregeld: weinigen weten hoe die werkt. En toch moet de financieringswet worden hervormd nog voor er een zesde staatshervorming op papier is gezet. De kern van die staatshervorming kan dus niet anders dan een enorme besparingsronde zijn, eentje zonder vlagvertoon. De staatsschuld groeit immers weer aan en zal bij ongewijzigd beleid de kaap van 100% van het BBP ronden.
Even erg is de vaststelling dat ons vrolijke suburbane taylorisme voor het eerst fundamenteel onder druk staat. Zelfs het behoud van onze welvaart veronderstelt economische groei, die we niet bereiken. De sterren staan niet goed. De Commissie voor de Vergrijzing (SCV) stelt de geraamde toekomstige vergrijzingkosten fors naar boven bij (zoals ze dat zeer trouw elk jaar doet). Het Planbureau rekent op een dramatische toename van de werkloosheid. De Europese Commissie kraakt de federale begroting en laakt de Publiek-Private Samenwerkingsconstructies van de Vlaamse Regering, zodat de ‘schuldenvrije’ Vlaamse begroting straks miljarden in het rood gaat omdat de PPS-garanties op de balans moeten komen. Hoogste tijd dus voor fundamentele vragen. Willen we dat de kosten van de gezondheidszorg jaarlijks met maximum 4,5% toenemen? Willen we dat het overheidsbeslag in alle delen van de federatie zo fenomenaal blijft? Willen we welvaart behouden of creëren?
Neem nu de inkomensarmoede. Die blijft aanzienlijk en heeft het vervanginkomen als demarcatielijn. Eens je daarvan moet leven krijg je het moeilijk en groeit de kloof met de rest van de samenleving. Het inzicht is zo vaak verwoord, dat het een oud zeer is geworden. Ook in het essay Onze sociale zekerheid: anders en beter van Danny Pieters spelen de lage uitkeringen een hoofdrol. Pieters is hoogleraar Socialezekerheidsrecht (KUL) en was tweede opvolger op de Europese lijst van NV-A. Hij maakt een uitgebreide schets van de sociale zekerheid en werkt een voorstel uit dat tot een rechtvaardiger verdeling zou moeten leiden. Het komt erop neer dat het systeem je teruggeeft wat je erin stopt. Dat is vandaag niet het geval. De pensioenen zijn bijvoorbeeld te laag, er zijn te veel uiteenlopende pensioenstelsels en de financiering ervan wordt problematischer. Is het nog realistisch, fair, aanvaardbaar dat het pensioen van een ambtenaar wordt berekend op basis van de vijf laatste jaren van zijn carrière, terwijl bij een bediende het gemiddelde van een loopbaan telt? Pieters lijkt in zijn alternatief de sociaalpersonalistische aanpak te hanteren, die christendemocraten beter kennen dan nationalisten. De verbondenheid tussen burgers staat voorop, meer dan vrijheid – maar niet op een onverzoenbare manier. Die interpretatie laat ook ruimte voor migranten en vluchtelingen, en voor medemensen uit ontwikkelingslanden.
Danny Pieters stelt zelfs voor om de sociale zekerheid ook te gebruiken om de verbondenheid met de derde wereld een vorm te geven, een wel zeer idealistische ingreep in tijden van acute crisis. Het idee wordt eerder extravagant als je in overweging neemt dat Pieters een overtuigd voorstander is van de splitsing van de sociale zekerheid tussen Nederlandstaligen en Franstaligen – waardoor er in Brussel een subnationaliteit zou worden gecreëerd. Een sukkelaar uit een ontwikkelingsland zou dan voor een Vlaming waardevoller zijn dan een sukkelaar uit Luik (of eentje uit Brussel die de verkeerde taalrol kiest). Het is vreemd dat de finaliteit van Pieters’ hervormingen niet even duidelijk worden verwoord als de onderdelen van het plan. Net de reikwijdte van het plan is de grote verdienste van Onze sociale zekerheid. Of je nu voor of tegen de splitsing van de sociale zekerheid bent, Pieters toont helder aan hoe onze ingewikkelde stelsels niet meer bestand zijn tegen de realiteit.
De sleutelzin van het boek staat helemaal achterin: ‘Een merkwaardige vaststelling is dat de hervormbaarheid van een socialezekerheidsstelsel slechts uiterst weinig samenhangt met de intrinsieke kenmerken van dat socialezekerheidsstelsel zelf.’ Je kunt dit lezen als een teken van wetenschappelijke bescheidenheid, want het is de consensus, en dus de politiek, die uiteindelijk beslist. In dat opzicht moet je hopen dat een boek als Onze sociale zekerheid het debat opentrekt, zodat de politieke consensus ons niet voor voldongen feiten stelt. Tijdens de campagne voor de regionale verkiezingen is sociale zekerheid immers een aanleiding voor demagogische escapades geweest. Over de partijgrenzen heen leeft gelukkig het besef dat bijvoorbeeld de gevolgen van de vergrijzing moeten worden geabsorbeerd. Maar het zijn de karikaturen die de toon zetten. Open Vld brak een lans voor meer privatisering van de zorg – wat niet hetzelfde betekent als commercialisering. CD&V en SP.a bestempelden die privatisering als een armageddon. Net als in de oude tijd leveren we strijd om de ziel van het kind. Vandaag komt daar de ziel van de bejaarde bij.
De sociale zekerheid en de brede welzijnssector zijn georganiseerd door mensen en dus verre van perfect. Pieters’ beschrijving van het systeem toont hoe wild er in de loop der jaren coterieën zijn aangebouwd. Dat voortschrijdend inzicht heeft er ook toe geleid dat gaten in het systeem werden opgevuld door het privé-initiatief. We worden ouder, de ouderen zijn gezonder en veeleisender. De zorgvraag is exponentieel toegenomen. De staat kan eenvoudigweg niet garanderen dat iedereen op het einde van het leven terechtkomt in een supersonisch rusthuisbed en hoogwaardige verzorging op maat krijgt. Om aan de vraag te voldoen, zijn er ook privé-instellingen nodig. Hun rol is vandaag aanzienlijk en zal nog toenemen. Een vastgoedbevak (beleggingsvennootschap met vast kapitaal) als het in de Bel-20 genoteerde Cofinno biedt zelfs de kans om te investeren in het vastgoed van zulke privé-instellingen. Meer nog, een zorgconglomeraat als het Franse Génerale de Santé (genoteerd op de CAC40) bezit Belgische rusthuizen, vooral in en rond Brussel. De vraag luidt niet: is dit ethisch verantwoord? Maar wel: is er een andere optie?

Uiteraard moeten we dankbaar zijn dat we nog steeds met zijn allen akkoord gaan dat de toegankelijkheid van de zorg (en de bereikbaarheid van de sociale zekerheid) verworvenheden zijn. Tegelijkertijd werkt de Vlaamse welzijnszorg sinds de jaren negentig volgens de vereisten van het kwaliteitsdecreet, waarmee de zorg op maat is geïnstitutionaliseerd. De uitdagingen van de vergrijzing mogen geen alibi zijn om de klok terug te draaien. De generatie die nu vergrijst zijn de twintigers van de jaren zestig. Ze gaan zich op latere leeftijd niet tevreden stellen met gemiddelde opvang, maar zullen handelen als ware zorgconsumenten. Het is niet realistisch om te beweren dat zij hun zorg niet willen kiezen uit een groot aanbod.
Een oplossing ligt voor de meeste Vlaamse partijen in meer staat en meer Vlaanderen. De ‘uitrit Vlaanderen’, zoals de NV-A de regio noemt, is voor kiezers een nooduitgang die hen moet redden van de boze wereld. Die drang naar een regime dat orde op zaken stelt, speelt een belangrijke rol in onze politieke beeldvorming. De tijd van ongebreidelde vrijheden lijkt nu toch wel even over. Het is zoals Norman Mailer in zijn oorlogsroman The Naked and the Dead beschrijft: we kunnen misschien wel keuzes maken, maar ze zorgen er niet voor dat we betere mensen worden. Vrijheid is vandaag, althans voorlopig, niet ons hoogste bezit. Misschien zien we de broze structuur van vrijheid niet meer. De regionale verkiezingen gingen allerminst om vrijheidsdrang – een begrip dat wij wellicht niet meer begrijpen. Wel om macht. En bij dat machtsstreven hoort angst. ‘The natural role of twentieth-century man is anxiety’, zegt een van de personages in The Naked and the Dead: de drang naar superioriteit en de angst inferieur te zijn aan anderen.
Het zijn oplossingen uit het verleden, gebaseerd op verhoudingen en retoriek uit het verleden. De eenentwintigste eeuw en de crisis confronteren ons met onze verantwoordelijkheden. Het gaat om ons overleven en de noodzaak om te veranderen. Paulus waart al in Brussel rond. Nu Obama nog.

Harold Polis

Literatuur

Joan Condijts, Paul Gérard en Pierre-Henri Thomas, La chute de la maison Fortis, JC Lattès, Parijs, 2009.
David Crainich en François Daue, De toekomst van de gezondheidszorg: diagnose en remedies, Itinera Instituut, Brussel, 2008.
Norman Mailer, The Naked and the Dead, Picador, New York, 2000.
Danny Pieters, Onze sociale zekerheid: anders en beter, Pelckmans, Kapellen, 2009.
Lieve Vanderleyden, Marc Callens en Jo Noppe (red.), De sociale staat van Vlaanderen 2009, Studiedienst van de Vlaamse Regering, Brussel, 2009.
Lode Wils, Van de Belgische naar de Vlaamse natie. Een geschiedenis van de Vlaamse beweging, Acco, Leuven, 2009.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van september 2009.)

Geen opmerkingen: