zondag 27 september 2009

Het laatste oordeel: over de toekomst van het boek

Uiteraard is de toekomst van het papieren boek onzeker. Wat had je nu eigenlijk gedacht? Dat de wereld minder snel zou veranderen omdat we met zijn allen in bewondering naar een muur vol linnen banden staan te gapen? Dat boeken moeten blijven omdat het zo hoort? Dat papieren boekencultuur een voorrecht is van bedaagde dames en heren die literatuur degusteren terwijl ze in een behaaglijke fauteuil van Charles Eames naar La petite bande luisteren en Pinot Gris drinken? Nee dus. Teksten moeten circuleren in een samenleving. Ze moeten doorgegeven worden, besproken, verkocht, verslonden, gestolen, bestudeerd, nagebootst, verguisd en bewonderd. Als dat niet gebeurt, dan rest alleen de marginaliteit.
Teksten krijgen dan geen nieuwe betekenis meer. Schrijvers en lezers worden hoeders van een in toenemende mate obscuur ritueel. Reenactors van historische scènes uit de wereldliteratuur. Zonderlingen. Maar het zou ook kunnen dat lezen andere vormen aanneemt, dat de literaire ervaring zich andere media binnendringt, dat een leescarrière niet meer uitsluitend analoog loopt, dat kennisoverdracht van aanzien verandert en intellectueel genot steeds minder afhankelijk is van dat ene object dat ons zo ontzettend veel heeft bijgebracht: het boek.

Beloftes van vroeger

In de Kathedraal van Antwerpen werd er dit jaar een tentoonstelling georganiseerd met een aantal retabels die daar tot aan de Franse revolutie waren uitgestald. Elke gilde had in de kerk een eigen altaarstuk waarvan het bijbelse onderwerp op maat was gekozen. Een van de meest indrukwekkende retabels was dat van Barend van Orley: Laatste Oordeel en de zeven werken van barmhartigheid. Het drieluik werd omstreeks 1524 gemaakt in opdracht van de aalmoezeniers van de armenkamer. Onderaan het middenpaneel worden de doden uit hun graf gehaald.
‘Wat zijn die mensen aan het doen?’ vroeg mijn dochter van vierenhalf.
Kinderen van die leeftijd stellen vervelende vragen. Maar dit was er lap op. Ik moest zo goed en zo kwaad als het ging de verrijzenis uitleggen, God, het eeuwig leven, het ‘geween en tandengeknars’ en waarom een geniale man uit Brabant 500 jaar geleden dit alles schilderde in opdracht van het toenmalige OCMW.
Mijn poging tot uitleg maakte geen indruk.
‘Waarom schilderde die meneer?’
Dat was eigenlijk de cruciale vraag, bedacht ik later. We hebben altijd verhalen nodig gehad om vat te krijgen op wat er rondom ons aan de gang is. De religieuze schilderkunst was ooit een extreem krachtig medium om die herkenbare verhalen eindeloos door te vertellen. Maar het medium is uitgewerkt en de betekenis van de taferelen is verdampt. Misschien beleeft het boek dezelfde ontwikkeling. Het laatste oordeel is in elk geval volop bezig op tientallen torrentsites, op de talloze digitale platformen van grote bibliotheken en archieven, op google book search: ‘dode’ teksten worden massaal tot leven gewekt en zoekbaar gemaakt voor iedereen. Klein detail: die teksten lezen we dus op een scherm, niet op papier. Is dat dan de verlossing? In ruil voor de totaalbibliotheek van Borges nemen we afscheid van de boekdrukkunst.

Reis naar de hyperrealiteit

Het einde van de boekdrukkunst kan een enorme kans zijn als we volop zouden kiezen voor toegepaste kunst: stop weer een ziel in een boek. De ideale wereld is dan: minder boeken maken en bij de boeken die we nog wel maken vorm en inhoud op sublieme wijze laten samenvallen. Waarom verplichten we mensen om afgrijselijke objecten te kopen? Als de markt voor ebooks wordt opengebroken, kunnen lezers kiezen tussen analoog en digitaal. Redden we het dan met een lelijke paperback?

In de toekomst wordt het bezoek aan een bibliotheek een vast onderdeel van citytrips en educatieve martelreizen. Na de kerken worden de bibliotheken omgebouwd tot serviceflats, op een symbolische zaal na die is opengesteld voor het publiek. Een vergane papieren totaalbibliotheek die elke dag te bezichtigen is van 10,00 tot 16,00 uur, behalve op maandagen. Scheepsladingen Chinezen komen er tijdens hun tour d’Europe zachtjes kwetterend foto’s nemen voor thuis. Zie eens, die gekke Europeanen houden hun afval bij. In die toeristenzaal, waar enkele encyclopedieën en folianten zijn samengebracht, doen bejaarde suppoosten voor hoe er vroeger werd gelezen. Op ieders lippen, niet alleen die van een vierjarige, brandt de vraag: ‘Wat zijn die mensen aan het doen?’

Het boek zal altijd een van de tastbare onderdelen zijn van een immens systeem van verwijzingen en verhalen waarmee we ons sinds mensenheugenis bezighouden. Aan het systeem worden onderdelen toegevoegd, zoals de digitale tekst. Het systeem crasht alleen als we ophouden met lezen en geen nieuwe betekenis meer geven aan teksten. Negatieve menselijke ervaringen, zoals nationalisme, oorlog of onderdrukking, hebben vreemd genoeg een positieve invloed op het succes van een lokale leescultuur: zie wat er tijdens en na de Samizdat-periode is gebeurd. Als het goed gaat, lijkt lezen een luxe. We willen gerustgesteld op opgeschrikt worden door boeken die de wereld rondom ons imiteren of in vraag stellen. Het is dus zaak om boeken zo te maken dat ze zo nauw mogelijk aansluiten bij de werkelijkheid of daar net niet in slagen. Tot op heden kan je die betekenis uitsluitend oproepen met een object, met een papieren boek, niet met een bestand vol flowable text. Digitale toepassingen zijn nog niet in staat om de unieke betekenis van de boekverzorging te vervangen of te compenseren. Mogelijk heeft niet elke lezer nood aan die betekenis. Maar het zou ook kunnen dat lezers onvoldoende wordt aangeleerd dat boekverzorging een unieke betekenis kan hebben.

It’s literature, stupid!

De digitale ruimte zit propvol belachelijke onzin en nutteloze details. Hiermee proberen we ons horror vacui te sussen. Web 2.0 heeft echter geen narratieve geschiedenis zoals die in de analoge wereld werd geschreven en doorgegeven. Web 2.0 is een puinhoop. In de analoge tijd was een uitverkocht en niet herdruk boek niet meer beschikbaar. Vandaag wordt een boek voor eeuwig en drie dagen leverbaar gehouden via openbare archieven, POD en digitale koopplatformen. Moeten boeken en teksten niet waardig kunnen sterven en verdwijnen in de vergetelheid?

Als ergernis een bron van genot is, dan beleven genotzoekers gouden tijden. En waarom zouden ze ook niet? Er staat voortdurend zeer veel op het punt om te verdwijnen. Gedrukte media bijvoorbeeld. De dood van de alom beweende krant is een spektakel dat wegens groot succes steeds nieuwe opvoeringen krijgt. Terwijl dezelfde krant tijdens de jaren ’60 nog werd beschouwd als een van de ‘verwerpelijke’ massamedia, die de planetaire distributie van uniform nieuws bevorderde en de kritisch denkende mens muilkorfde.

Ook het boek beleeft een langgerekte agonie. En boven al dat gereutel stijgt de donkere klaagzangen uit van de onheilsprofeten die een onherroepelijk einde afkondigen van onze zielenrust, van de toekomst van onze kinderen, van de beschaving. Het slechte nieuws is: ze hebben gelijk. Maar er is ook goed nieuws: ze hebben gelijk.

Niemand had kunnen voorspellen dat het gedrukte woord zo intens onder vuur zou komen te liggen. Nochtans gebeurt dat vandaag op overweldigende wijze. De wereld van les trente glorieuses, de jaren van welvaart na de Tweede Wereldoorlog, liggen achter ons, maar de sfeer van die tijd heeft ons zeer lang bedwelmd. De groei van de economie, de democratisering van het onderwijs en toename van de beschikbare vrije tijd hebben geleid tot een intellectuele hoogconjunctuur. Niet eerder in de geschiedenis was zoveel kennis zo makkelijk beschikbaar voor zoveel mensen. Nochtans lijkt net het tegendeel waar te zijn. Pessimisten als Roger Scruton beweren dat we in ijltempo wegzakken naar het beschavingspeil van de man van Spy: een animistische jager die zijn domheid verwart met bijgeloof. Het eensluidende oordeel van de pessimisten luidt dat we aan oppervlakkigheid ten onder gaan. Onze weifelende liefde voor het gedrukte woord is een van de symptomen van die fatale ziekte. Lazen we allemaal maar Shakespeare, dan zouden we tenminste ernstige gesprekken kunnen voeren.

Durf te weten

Het is eigen aan het vak dat mensen van het gedrukte woord intens met hun eigen woorden bezig zijn. Dat leidt soms tot kortzichtigheid en vermijdingsangst. Met de anekdotiek van een Scruton schieten we niets op, integendeel. Ze leidt onder meer tot palavers over de Westerse canon waarbij zelfverklaarde hogepriesters de kennis van het ware, het goede en het schone misbruiken om ongelovigen uit te sluiten. Veel belangrijker is de discussie zelf, de optimale publieke sfeer die Jurgen Habermas zo vaak heeft beschreven. Er moet een plek of een dimensie zijn waar de samenleving rationele discussies kan voeren, los van oekazes, dictaten of schone schijn. Het gedrukte woord was een van die dimensies. Maar toen begon de twintigste eeuw.

De technologische vooruitgang heeft een aantal nieuwe media voortgebracht die de almacht van het gedrukte woord in het gedrang hebben gebracht. Of het nu om film, radio, tv of web 2.0 ging, elke keer begonnen de pessimisten te toeteren dat het einde nabij was. Die zorg is ongetwijfeld mede geïnspireerd door een oprechte liefde voor papier, boeken en drukkunst. De Scrutons van deze wereld vrezen even terecht de teloorgang van esthetische en intellectuele ervaringen die onlosmakelijk zijn verbonden met papier dat vuil wordt gemaakt. Maar even belangrijk is het diepe wantrouwen dat pessimisten koesteren tegen de ongebreidelde verspreiding van kennis en nieuwe inzichten.

Het boek, en bij uitbreiding het gedrukte woord, is ooit zelf een revolutionaire ontdekking geweest. De doorbraak van de Westerse boekdrukkunst tijdens de zestiende eeuw werd ervaren als tabula rasa. Niets was nog heilig. Occulte kennis werd gevulgariseerd, ontsloten voor een breed publiek en omgezet in de volkstaal. De drukkers in het Antwerpen van de Gouden Eeuw vormden een kennisindustrie die de machtigen der aarde het vuur aan schenen legde. Dat ging niet zonder slag of stoot, met beroemde doden tot gevolg. Toen theoloog en priester William Tyndale naar Antwerpen vluchtte om er een semi-clandestiene handel in Engelse bijbelvertalingen op te zetten, werd hij door de Britse clerus aangeklaagd bij de inquisitie. Hij werd op last van Hendrik VIII gevangengenomen en afgevoerd naar Vilvoorde, waar hij op 6 september 1536 aan de wurgpaal eindigde. Zijn lijk werd verbrand. Nog tragischer is het verhaal van de Antwerpse drukker Jacob van Liesvelt, de man die in 1526 de eerste Nederlandstalige bijbelvertaling uitbracht. Hij werd 28 november 1545 als ketter onthoofd op de Grote Markt.

De impact van de boekdrukkunst is alleen vergelijkbaar met de omwenteling die web 2.0 heeft teweeggebracht. Ook de digitalisering doet de wolven huilen, uit teloorhuiver, uit melancholie en uit wantrouwen. Web 2.0 ontsluit alle kennis. Er zijn geen maatschappelijke barrières meer, geen rituelen, alleen maar wachtwoorden. En we bepalen zelf de toegang. We kunnen alles zien, horen, doorsturen, becommentariëren, bewaren. De informatiestress heeft zo’n adembenemende omvang aangenomen dat er geen mystiek meer mogelijk is, tenzij in de beleving van de digitale totaalervaring. Die is niet meer beheersbaar. Web 2.0 jaagt mensen angst aan. De zekerheden van een op analoge kennisoverdracht gebaseerde samenleving vallen een voor een weg. Het verleidt sommigen tot de gedachte dat we misschien beter wat minder zouden weten of dat we de verkeerde dingen kennen. In dat onoverzichtelijke moeras van overdaad zakt het boek zachtjes weg, tot alleen nog enkele luchtbellen in de modder getuige zijn van het vergane wereldwonder dat de moderniteit heeft vormgegeven. Vaarwel papieren boek.

Lezen is losgekoppeld van de drager die ons tot vrome esthetische gedachten verleid. Maar misschien is dat net de moderniteit die we zo op handen dragen. Teksten zonder boek. Politiek zonder politici. Europa zonder Europese gedachte. Ouder worden zonder klachten. Die lichtzinnige paradoxen tekenen het oude continent waar de geesten van Tyndale en Van Liesvelt nog wel rondwalen, maar dan eerder als toeristische attracties met een weekendarrangement. Op het oude continent is het verleden de belangrijkste grondstof geworden, wat tot een zelfgenoegzame depressie leidt: we streven naar behoud. Vooruitgang is een verdacht concept, alleen vergelijkbaar met CDO’s, gouden handdrukken en steenkoolcentrales. Onze obsessie met het status quo vertroebelt de blik die we op cultuur, boeken, lezen richten. Het zijn de pessimisten die de toon zetten. Ze verdedigen in arren moede de aristocratie van de geest, het innerlijke leven dat zich steeds complexer en verfijnder wordt, tot het in de plaats komt van het mysterie van het geloof. Ze haten de vulgariteit van de massa, maar verachten tegelijkertijd de burgerman en ledigen zijn kruiken. De meeste mensen passen zich echter doodeenvoudig aan en malen niet om occulte kennis. Ze consumeren cultuur, liefst alles door elkaar, en blijven verbazingwekkend genoeg veel lezen, op papier en op het scherm.

Oude literatuur in nieuwe vormen

In de nabije toekomst zal de digitalisering het boekenvak en de leescultuur fundamenteel veranderen. Literatuur, dat grote en grandioze archief van de menselijke ervaring, zit opgesloten in de geschiedenis, die we hebben geleerd tijdens onze schooltijd. De essentie van die literaire cultuur wordt nog steeds versterkt door bibliotheken en boekhandels, de nabijheid van papieren boeken. Het is een perfect gesloten systeem dat voortdurend naar zichzelf verwijst, zoals de allegorische literatuur dat deed door alle ervaringen en gebeurtenissen terug te plaatsen in drie harmonieuze sferen: het ondermaanse, de hemel en de penthouse van God. Die wijsheid was gestolen van de toen populaire Pseudo-Dionysius de Aeropagiet, een schrijver die overigens achteraf niet bleek te bestaan.

Het succes van dit gesloten systeem wordt bepaald door gebruik en noodzaak. Hoe intenser we digitaal leven, denken en lezen, hoe ingrijpende de digitale media onze omgang met literatuur en met het boek zullen beïnvloeden. De vraag luidt niet of dit een slechte zaak is en of dit gebeuren zal – want het gebeurt en veel sneller dan we denken. Het gaat erom dat je aanvaardt dat de tijd van de ponskaart voorbij is, dat je de digitale omwenteling omarmt, dat je de juiste proporties ervan inschat, dat je gewapend met die nieuwe kennis doorgaat met lezen, schrijven, vertellen, luisteren of boeken maken.

Harold Polis

(Deze tekst is verschenen in de monografie Dooreman, verschenen naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling over het werk van ontwerper Gert Dooreman. Die tentoonstelling loopt tot begin januari in het AMVC-Letterenhuis.)

Geen opmerkingen: