zondag 22 november 2009

Baas Gansendonck: een onderzoek naar de aard van de muis


Een stuk over Hendrik Conscience, Baas Gansendonck en de deugden van de hypochrisie. Ik mocht het op zaterdag 21 november komen uitleggen in het programma Ongehoorde meningen (Radio 1). Beluister hier de uitzending.

Er worden in de gespecialiseerde literatuur vele standjes beschreven. Maar niet de grote spreidstand op zijn Belgisch. Het is een wat eigenzinnige manier om zichzelf pijn te doen terwijl men plezier veinst. Bovendien – en dat zal de minnaars van de kuisheid bekoren – heeft de grand écart à la belge niets met de vleselijke lusten te maken en alles met het gezond verstand.
Oef. Dat behoedt ons weer van een dosis intimiteit. Al die flauwekul over gevoelens brengt ons geen stap verder op het pad naar welvaart. We doen ons best en claimen onze beloning, snoeft baas Gansendonck, het hoofdpersonage uit de gelijknamige roman van Hendrik Conscience uit 1850. Wie gelooft in de grootste gemene deler zou baas Gansendonck zonder veel moeite kunnen ontmaskeren als een Vlaamse versie van Le bourgeois gentilhomme van Molière: de geborneerde nouveau riche, de rijke betweter, de verkrampte materialist, de rancuneuze politicus. Onmensen van goede wil.
Gansendonck ‘geleek aan vele voorname lieden’, zo schrijft Conscience, ‘wier wijsheid, tegen 5 percent uitgezet, jaarlijks met den intrest opnieuw in hun hoofd komt’. Ondanks het ‘met barbaristische wratten overdekt namaak-Diets’ (dixit Jeroen Brouwers) schept Conscience een vilein genoegen in het neerzetten van karikaturen, maar niet te veel. De vorm valt perfect samen met de inhoud: een grand écart à la belge. Baas Gansendonck struikelt over zijn eigen ambitie. Conscience stelt zich tevreden met zedig stamelen. In een ander leven zou hij geroemd worden voor zijn vaagheid en er haiku’s over schrijven die tot in Newsweek worden gepubliceerd.
De hovaardige herbergier baas Gansendonck verknoeit uit hebzucht en domheid zijn lot en dat van zijn dochter. Om hogerop te komen tracht Gansendonck die dochter te koppelen aan de baron. Maar de baron is een vrolijke Frans die vader en dochter voor de gek houdt. Na een aantal onwaarschijnlijke wendingen sterft de dochter aan de tering en komt ook Gansendonck ellendig aan zijn einde. Uit schrik dat zijn lezers hem niet begrijpen vat Conscience alles netjes samen in de laatste zin van het boek: ‘De hoogmoed is de bron van alle kwaad.’ Het is een oproep tot extreme tuttigheid.

In de tweede helft van de negentiende eeuw waren de historische romans van Conscience wereldberoemd. Hij werd de Vlaamse Walter Scott genoemd, naar de auteur van Rob Roy, Waverley en Ivanhoe. Zowel Walter Scott als Conscience hebben, respectievelijk voor de Schotse en de Vlaamse literatuur, romantische mythes geschreven die populair en politiek waren. Ze gaven een vorm aan het wijdverbreide verlangen om te ontdekken hoe alle volkeren een unieke identiteit hebben. Na het Congres van Wenen in 1815 en het ontstaan van de moderne natiestaten was er nu eenmaal een grote vraag naar die identiteit. Bovendien bracht de industrialisering van Europa een niet eerder geziene dynamiek op gang waarbij steden veranderden in reservaten van ontworteld werkvolk.

Om de uitwassen van de vooruitgang te beteugelen kon het geen kwaad een roemrijk verleden op te roepen, een tijd die duidelijkheid en authenticiteit bood. Conscience maakte dankbaar gebruik van de middeleeuwen, maar ook de Kempen kwamen van pas. Op latere leeftijd wendde Conscience de blik af van het wapengekletter op de Groeningenkouter en zocht hij inspiratie bij de sentimentele deugdzaamheid van het platteland. Het Kempense dorp werd door Conscience ervaren als oprecht en onbedorven. De ideale achtergrond voor zwaar moralistische romans als De Loteling of Baas Gansendonck. De zondige rijke wordt bestraft en de brave arme beloond. Later werd dat wel even anders

Enigszins onterecht heeft De leeuw van Vlaanderen zo’n grote rol in de ontvoogding van de Vlaamse bevolking gespeeld. Want het is pas met een roman als Baas Gansendonck dat Conscience duidelijk maakt hoe de vork in de steel zit. In stilte uw best doen. Niet te veel opvallen. O wee wie er boven het maaiveld uitsteekt. In zijn proefschrift Staatsgevaarlik! De activistische tegentraditie in de Vlaamse letteren (1912-1933) beschrijft Matthijs de Ridder haarfijn hoe Conscience als politiek icoon voor iedereen een andere betekenis had. ‘Conscience heeft in zekere zin lafaards van de Vlaming gemaakt,’ schrijft De Ridder. Omdat Conscience de grondstoffen had geleverd voor een bloeiende herdenkingsindustrie, bleef tot aan de Eerste Wereldoorlog de aandacht toegespitst op heldendaden, wapperende banieren en gedresseerd heimwee naar vroeger. Concrete oplossingen in het onderwijs, de administratie of het landsbestuur leken toen veraf of minder urgent. Het is de vloek van Conscience: ‘Ofschoon Gansendonck uit de nederigste dorpbewoners was geboren, had hij zich echter al vroeg gaan inbeelden dat hij van veel edeler stof gemaakt was dan de andere boeren.’ Hogerop geraken is uiterst verdacht. Dan maar de grote spreidstand.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in De Standaard der Letteren van 20 november 2009.)

Geen opmerkingen: