woensdag 2 december 2009

De wraak van Konsalik



Toen de wereld nog van papier was, waren echte schrijvers mensen van vlees en bloed. Herinneringen namen de vorm aan van tastbare relicten in een museum. De toekomst leek een vakantiebestemming. En ervaringen kregen een betekenis door erover na te denken, net zoals Hannah Arendt had beweerd. Dat was 1999 ten voeten uit. Het laatste jaar van een eeuw die een speelbal was geweest van het absolute kwaad en als Wiedergutmachung zachtjes indommelde op de tonen van een nieuwe maakbaarheidsymfonie.




De wereld in het algemeen en de literatuur in het bijzonder moesten opgaan in het digitale universum. Hoewel niemand eigenlijk wist hoe dit voor mekaar te krijgen, werd de boodschap zo hard van de daken geschreeuwd dat er veel geld mee werd verdiend. In die dagen van overmoed probeerden ontluikende e-commercebedrijfjes spoorslags zo groot mogelijk te worden, in de veronderstelling dat die omvang zou leiden tot winst. Het scenario was nergens op gebaseerd. Internet was te onbeheersbaar om geld mee te verdienen. Voor vele bedrijven uit de klassieke, analoge economie is het dat vandaag nog steeds. Uitgevers kunnen ervan meespreken. Peter Vandermeersch van De Standaard rekende onlangs nog voor dat er veertien digitale lezers nodig zijn om de omzet van één papieren lezer te compenseren. Gouden tijden voor doemdenkers. Gelukkig zijn er nog echte schrijvers.




Een van de orgelpunten van de jaren negentig was de dood van het Duitse bestsellerkanon Konsalik, de man van 83 miljoen verkochte exemplaren. Konsalik vestigde zijn reputatie met pacifistische doktersromans, edelpulp met een boodschap, geschreven op een antieke typemachine. Als Kriegsberichter in Frankrijk en soldaat aan het Oostfront had hij ervaren hoe het was. In de wufte nineties lag dat allemaal ver achter ons. Konsaliks salonfähige collega Günther Grass kreeg in 1999 de Nobelprijs omdat hij in zijn literatuur zo treffend het verborgen gezicht van de (oorlogs)geschiedenis had onthuld. Een stille wenk om er nu eindelijk over op te houden. De geschiedenis was tot stilstand gekomen, gestold, gelezen en goedgekeurd. Oorlogen woedden ver weg, ook als ze dichtbij kwamen, zoals in ex-Joegoslavië. We betreurden ze, als waren het tragische bedrijfsongevallen die we in het vervolg zouden vermijden door een betere preventie.




De opkomst van het internet versterkte de illusie dat het einde van de grote verhalen zich had voltrokken. Een vergissing van jewelste. De papieren wereld van de twintigste eeuw was eenvoudigweg nog niet digitaal consulteerbaar. De nieuwe maakbaarheid berustte op bewustzijnsvernauwing, optisch bedrog, domheid. In 1999 kwam je daar nog mee weg. De millenniumbug was een probleem voor wekkerradio’s en verzekeringsfirma’s. Niet voor de literatuur. Melancholie leek een aanvaardbare manier om met die steriele verveling om te gaan. Marcel, het overrompelende debuut van Erwin Mortier, was zo’n roman die exact op tijd kwam. Het beeld van de jonge oostfrontstrijder Marcel wordt moeizaam bij elkaar gepuzzeld door personages die doofstom tegenover het verleden staan.




De liberale democratie was in 1999 veranderd in een zoutpilaar. We dachten in een grote vooruitstrevende beweging de toekomst te omarmen, maar we waren vergeten dat we nog steeds naar het verleden staarden. Haast niemand had door hoe broos de conventionele wijsheden waren die we na de val van de muur hadden gevolgd. Achteraf bekeken viel dit intermezzo mooi samen met de nadagen van onze o zo gekoesterde analoge cultuur, met een oerdegelijke opdeling tussen hoog en laag, gezaghebbend en onbetrouwbaar, reflectie en belevenis. Web 2.0 heeft om het even welke aanname uit het verleden weggeblazen. De literatuur zelf ondervindt daar eigenlijk weinig last van, integendeel. Nu de totaalbibliotheek van Borges werkelijkheid is geworden, is er niet eerder in de geschiedenis zoveel kennis en literatuur beschikbaar geweest voor zovelen. De grote vraag heeft met lezers te maken, met ons allen, de surfende, wild om ons heen shoppende en aan belevenis verslaafde Westerlingen. Hoe vinden lezers, schrijvers en boeken elkaar nog terug in de rafelranden van informatie-oerknal? Bij gebrek aan hiërarchie wordt alles door een immens vrolijke megafoon omgeroepen, die vergroot wat groot is en verkleint wat klein is. In die chaos is de literatuur niet zeker van een plek op de eerste rij – ook omdat het niet altijd duidelijk is waar de eerste rij zich bevindt. Alleen de literatuur kan de literatuur redden. Als het even kan met grote verhalen.




Harold Polis


(Dit stuk verscheen in Knack Extra. Boek 09, november 2009).

1 opmerking:

Arsène Droogakkers zei

Beste Harold Polis (idealiter: Ulrich Biberkopf),

Ik las zonet je stukje in 'De Standaard der Letteren' over de parallelactie, normvervaging incluis, in het Kakanië, zinnebeeld voor Oostenrijk-Hongarije, van Robert Musil. Alweer een héél trefzekere analyse. Andermaal twee kolommen buitengewone lettertjes- en ideeënverademing. Waarvoor dank! Einde lof.

De door jou kort omschreven Ulrich deed me meteen aan Franz denken. Die van de Alexanderplatz. Ongeveer gelijktijdig zagen beide heren in boekvorm het levenslicht. In Döblins geval brengen heldere Duitse barok, eigengereid probeersel en geriefelijke gewoonte een stevige roman voort. Aan Ulrichs hopeloos verborgen gehouden warboel heb ik me tot nog toe niet gewaagd. Zijn in werkgroepen trots weggemoffelde nederlaag (lees: zijn corpulente gestalte) schrikken me eerlijk geschreven een beetje af. Maar misschien riskeer ik het me vandaag dan toch.

Door mijn persoonlijke voorkeur voor opgejaagde verscheidenheden, met een wirwar aan stemmen, las ik enkele maanden geleden met héél veel plezier Franz' - in een experimenteel taaltje geschreven - zondeval. Een boek waarin zelfbewustzijn en alsmaar grotere wil tot overleven, voortvloeien uit Biberkopfs aangeboren instincten en meegemaakte crises. Een beetje zoals het leven zelf: gedurig op zoek naar oponthoud om dan weer los te laten. Enfin. Sowieso mijlenver weg van parallelacties met onderzoeken naar maatschappelijke thema's. In tegenstelling tot Ulrich vindt Franz, met voortdurend horten en stoten, wel af en toe een concreet antwoord. Wat onder het lezen enkel vrolijkmakend is.

Na je stukje in de krant denk ik dat ik me eens aansluit bij één van Ulrichs werkgroepen: 'Is de EU werkelijk een alibi voor grootschalig (nationaal) protectionisme?' Daar valt vast en zeker een hoop gepalaver. En dan ben ik er om verwarring te strooien. Of zoals ijlende Franz ergens in een Berlijnse nachtclub: "Trompetgeschal. Regimenten marcheren voorbij, trarararararatrararararara, artillerie en cavalerie en infanterie, trararara. We trekken het vijandelijke land binnen. Waarop Napoleon zei: voorwaarts, de sabels hoog, beneden is 't nat, maar boven droog, en als 't beneden droog is geworden, dan veroveren we Milaan. Dan worden er weer ijzeren kruizen uitgedeeld, trarara daar komen we aan, daar zijn we al, hoera, hoera, wat is het toch fijn, soldaat te zijn."

Nu al met héél veel verlangen uitkijkend naar alweer een nieuw Polis-stuk,

Arsène Droogakkers