donderdag 24 december 2009

Schermsprookjes: hoe e-literatuur ons leven verandert

De papieren leescultuur gaat boeiende tijden tegemoet. Op korte tijd is het roer omgegaan. Digitalisering bleef jarenlang zowel een taboe als een belediging. Maar het scherm wenkt. Meer nog, het scherm heeft de toekomst. Op voorwaarde dat we blijven lezen.

Het kantelmoment in de digitalisering kwam er in 2008, toen Amazon voor het eerst kon aantonen dat er een markt bestond voor e-literatuur. In Amerika werden er dat jaar ruim een kwart miljoen exemplaren verkocht van de Kindle, tot op heden de bekendste lezer van digitale boeken. Uiteraard was dat succes grotendeels toe te schrijven aan early adopters, technofielen die de boot niet wilden missen en zonder met de ogen te knipperen het laatste nieuwe speeltje aankochten. De gemiddelde kostprijs van de Kindle was toen 399 dollar, niet meteen een peulenschil voor een relatief eenvoudig elektronisch toestel. Het meest bijzondere aan zo’n e-reader is niet zozeer het formaat of de geheugencapaciteit, maar wel de leestechnologie.

Vergeet even de hype. Het aanbod handzame notebooks is intussen aanzienlijk. Als je met digitale teksten wil werken, gaat er niets boven een pc met een echt toetsenbord. Maar het leescomfort van een e-reader is voorlopig onovertroffen. In tegenstelling tot een lcd-scherm verbruikt het scherm van een e-reader enkel energie om de tekst op het scherm te brengen, en niets meer tijdens het lezen. Dat is het principe van de digitale inkt en het elektronische papier. Een e-reader spaart onze ogen. En dat is een hele vooruitgang, zeker voor wie zich nog herinnert hoe het allemaal begon, begin jaren tachtig: een zoemende kathodestraalbuis met akelig groene lettertjes op een donkere achtergrond.

Amazon heeft in 2008 nog een mijlpaal bereikt. Voor het eerst in de geschiedenis was de onlineverkoper groter dan Barnes&Noble, de grootste Amerikaanse boekenketen. Meteen wordt duidelijk welke richting het commerciële circuit neemt: als het niet online gaat, gaat het straks niet meer. Alle grote en kleine spelers uit de klassieke analoge boekencultuur zijn op achtervolgen aangewezen. Iedereen tracht haast krampachtig achterstand in te halen door een plek in de e-markt te claimen. Barnes&Noble bijvoorbeeld doen hun uiterste best om ook e-boekenboer te zijn. Ze brengen binnenkort zelfs een eigen e-reader op de markt, de Nook. Die ommezwaai verandert echter niets aan de manier waarop een klassieke boekverkoper als Barnes&Noble is georganiseerd: dure winkelpanden, hoge vaste kosten, veel personeel. En dat alles met krimpende marges. Om het nog erger te maken wordt Amazon op zijn beurt overvleugeld door het immer uitdijende imperium Google. Zijn hebben straks alles: copyrights, teksten, verkoopplatformen, universele digitale bibliotheken, klanteninformatie en vooral een onmetelijke marketingkracht. Welkom in het digitale universum.

De manier waarop de economie achter onze leescultuur draait, zal bepalen hoe we straks lezen. Niet andersom, zoals vele idealisten verkondigen. Sinds web 2.0 een revolutie heeft teweeggebracht in onze omgang met de werkelijkheid, is het een aanlokkelijke gedachte om meteen alles maar te regelen via de principes van open source, het openbronmodel. In die benadering is kennis en cultuur volstrekt gedecentraliseerd, zoals bij Wikipedia of blogs. Een afgewerkt cultuurproduct wordt ter beschikking gesteld van iedereen. Wie deelneemt aan het openbronmodel mag zelf veranderingen aanbrengen aan teksten en ideeën, en geeft ze nadien terug aan de gemeenschap. Creative commons is bijvoorbeeld een project dat een vrijere omgang met het klassieke auteursrecht nastreeft door aangepaste licenties op teksten te verlenen. Al die universeel gedeelde ontwikkelingen zorgen ervoor dat niet eerder in de geschiedenis zo veel op zo’n krachtige manier is verspreid onder zovelen. Bovendien kan het openbronmodel ook onze democratie versterken, zoals is gebleken bij de presidentsverkiezingen in Amerika (2008) en Frankrijk (2007). In beide gevallen werd de betrokkenheid kiezers aangevuurd door een massaal gebruik van blogs en interactieve media.
Maar het is niet al goud dat blinkt.

Iedereen staart zich blind op de technologie, terwijl het lezen zelf veel minder aandacht krijgt. Een significant deel van de papieren leestijd is intussen vervangen door schermleestijd, maar het blijft onduidelijk hoe we die verschuiving moeten interpreteren. Voor journalistieke media is de digitalisering alleen te vergelijken met de immense meteorietinslag die de dinosaurussen deed uitsterven. Analoge kranten en tijdschriften zitten, misschien voorgoed, in een neerwaartse spiraal. In de directiekamers van mediabedrijven wordt diep nagedacht over een papierloos bestaan. Ook hier bepaalt de economische werkelijkheid hoe we nieuws zullen gebruiken, en niet andersom. Zonder betalende lezers en advertentie-inkomsten kan je geen professionele journalisten aan het werk houden.

In al dat digitale geweld is de jeugd gek genoeg niet de maat van alle dingen. De commercialisering van het e-book wordt in het Nederlandse taalgebied gedragen door zowat iedereen spelers: zowel het Centraal Boekhuis als de grote uitgeefgroepen proberen het aanbod e-books op korte tijd fors uit te breiden. Maar het blijft een haast exclusieve volwassenenmarkt. De kindle en andere toestellen van die generatie zijn niet bepaald sexy, laat staan dat ze kunnen wedijveren met de interactiviteit die jongeren gewend zijn. Bovendien is iedereen die na 1989 is geboren gewend om digitale bestanden gratis te downloaden en meerdere dragers te gebruiken. In dat opzicht is de huidige generatie e-books uitermate geschikt voor mensen met een analoge voorgeschiedenis. Zij moeten er immers nog even aan wennen dat de wereld minder tastbaar is geworden en dat het analoge boek een andere betekenis krijgt.

Iedereen zal straks blij zijn als er nog mensen boeken kopen. Het instandhouden van het auteursrecht is de enige manier om ervoor te zorgen dat er een bloeiende literaire cultuur blijft bestaan, zowel voor volwassenen als voor jongeren. De democratisering van de kennis en de toegenomen sociale mobiliteit tijdens twintigste eeuw hebben het boek groot gemaakt. De leescultuur vertegenwoordigde een zeer groot symbolisch kapitaal én stond garant voor economisch succes. Beide grootheden worden vandaag echter fundamenteel gewijzigd.

Er is vooralsnog geen leefbaar verdienmodel voor digitale literatuur. Die e-literatuur bestaat bij gratie van wat er in de analoge markt wordt gemaakt en verdiend. Maar die e-literatuur is sinds de Kindle wel een markt geworden waar niemand wil ontbreken. De klassieke, centraal geleide leescultuur is voorgoed verdwenen. De leeslijsten van de canon behoren tot het verleden, zodat ook de gedeelde lectuurervaring anders wordt – niet meer Van den vos Reynaerde, maar Harry Potter – J.K. Rowling weigert overigens haar teksten als e-book aan te bieden. De literaire ervaring lijkt in het onderwijs vooral voort te leven als een vaardigheid naast vele andere en valt onherroepelijk ten prooi aan cultuurrelativisme. Tegelijkertijd nemen de overheid en haar didactische vertegenwoordigers van de leescultuur rare wendingen: ofwel houden ze het been stijf en kiezen ze voor papier, ofwel staren ze zich blind op de zogezegde verlossende kracht van het digitale universum. Hoe onmogelijk het vandaag ook is om de uitkomst te bepalen van het titanengevecht tussen de analoge wereld en de objectieve bondgenoten Amazon/Google, wat telt is de literatuur. Die dreigen we uit het oog te verliezen.

De oprichters van het Amerikaanse tijdschrift Electric Literature Magazine hebben die hedendaagse paradox goed samengevat: ‘To us, literature is what is important, not the medium. If eBooks, Kindles, or iPhone apps help literature survive, then we’re all for them.’ Het hele vak moet letterlijk anders beginnen te denken en te handelen om ervoor te zorgen dat ook de lezers van morgen warmlopen voor literatuur. ‘People of our generation—with one foot in the past and one in the future—must make sure that the media gap is bridged in a way that preserves and honors literature. We don’t want to be sentimental old folks in a world where literary fiction is only read by an esoteric few.’ We moeten er inderdaad met groot enthousiasme naar streven om dat lot te vermijden.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen in het tijdschrift Leesgoed (2009, nr.6).

Geen opmerkingen: