zaterdag 9 januari 2010

Vooruitgang in achteruit - kan literatuur het crisisplan redden (met dank aan Victor Hugo)?


Dat het dit jaar nog slechter zal gaan heeft zo zijn voordelen. De NMBS heeft al laten weten dat er door de crisis minder reizigers zijn, dus kunnen we eindelijk weer onze voeten op de bank leggen. Het consuminderen neemt een hoge vlucht, zodat we nog meer geld uitsparen voor onzinnige koopjes. En we hebben een vrijgeleide om vrijuit te zeuren. Kaddisj voor de welvaartstaat. Maar is dat wel terecht? Fareed Zakaria beweert in Newsweek alleszins het tegendeel, want vroeger was het slechter.

(Het meisje Cossette uit Les Misérables.)
Een jaar geleden leek onze wereld uit elkaar te spatten. Intussen is er een niet eerder geziene hoeveelheid geld tegen de economie aan gesmeten om de boel te stutten. Man van het jaar Ben Bernanke, die geobsedeerd is door de crash van 1929, heeft de opgedroogde kredietstroom gevuld met haastig bijgedrukte dollars. ‘De wereld is op een opmerkelijke manier onveranderd gebleven’, schrijft Zakaria. De onverhoopte redding is ook koren op de molen van Francis Fukuyama, de man die in 1989 de klok heeft stilgezet. Volgens deze stokebrand is de geschiedenis nog steeds ten einde.

Bij gebrek aan een nieuw begin moeten we tweedehands gaan. Tussen de rotzooi van de geschiedenis liggen er gelukkig nog wisselstukken waarmee we de zaak kunnen oplappen. Moreel besef bijvoorbeeld is een roestige springveer die de schokken van het brutale bestaan wat opvangt. En om de horizon weer in het vizier te krijgen, kunnen we beter op een dik boek gaan staan. Liefst meteen het dikste: Les Misérables van Victor Hugo. Een onmogelijke roman, in alle opzichten. Veel te omvangrijk voor zielen die aan informatiestress lijden. Er is de verteller die zich God waant. De herinnering aan blèrende musicalscènes. De personages die toch ook bij Willy Vandersteen zouden kunnen opduiken: Monseigneur Bienvenu, de hoer Fantine en haar angelische dochter Cossette, en uiteraard de held Jean Valjean, het slachtoffer dat twee decennia doorbracht in gevangenschap omdat hij een brood had gestolen – niet gesneden dan nog. Maar wat een dramatische kracht die Hugo ontketent. Alle schier onwaarschijnlijke details en verdraaiingen komen samen in een onovertroffen utopische fantasie. Het geliefde wisselstuk van Hugo is het moreel besef. Hugo monteert die roestige springveer onder de loodzware complexiteit van de negentiende-eeuwse samenleving. Schaamteloos romantiseert hij Waterloo en de rebellen die de barricades van de Parijse opstand van 1832 beklimmen. Het zijn helden van het volk die geleid worden door de vrijheid. Bij al dat geweld komen nog de profetische uitspraken van de personages, zoals deze van de euforische student Enjolras: ‘Citoyens, le XIXe siècle est grand, mais le XXe sera heureux. […] On pourra presque dire: il n’y aura plus d’événements.’ Dat is toch even anders uitgedraaid. Soit.

Hugo’s ideaal van rechtvaardigheid en perfectie, de strijdende mens die tegenspoed te boven komt, leidt volgens hem tot een betere wereld. Daar kan niemand tegen zijn. Literatuur vormt een ultiem laboratorium om die benevelende begoocheling uit te testen. Alain Finkielkraut vat die bijzondere gebruikswaarde van literatuur goed samen in zijn recente essayboek Un coeur intelligent: ‘Mens zijn, dat betekent de vormgeving van zijn lot toevertrouwen aan de literatuur. De kwestie is te weten welke literatuur.’ Een roman als Les Misérables wordt onvermijdelijk in vraag gesteld door andere romans, De graaf van Monte Christo van Dumas bijvoorbeeld. Of Le Colonel Chabert van Balzac. Al die negentiende-eeuwse literaire kathedralen die om ter hoogst naar de hemel reiken. Tijdgenoten van Hugo hebben het in elk geval geweten. En dat nota bene voor een historische roman: toen Les Misérables verscheen, was 1832 allang voorbij. Het boek veroorzaakte ophef, bracht generaties lezers in vervoering en bepaalde zelfs meermaals de agenda van de Franse Assemblée Nationale. Als literatuur iets kan betekenen in de grote boze wereld, dan zeker Les Misérables.

De toekomst, die altijd sterker is dan het heden, bevat de ergste vorm van conformisme. Het pleit wordt altijd in het voordeel van die toekomst beslecht. Je kan er niet tegen winnen. Er zijn dan grofweg twee mogelijkheden. Ofwel neem je afslag die Fukuyama en Zakaria verkiezen. De wereld is dan plat, beheersbaar, rationeel. De mens is een ding, een speelbal van de omstandigheden. De geschiedenis is een blinde strijd om prestige. Ofwel loop je een eind met Hugo mee. De kans is groot dat je dan een keer te veel over grote woorden en morele springveren struikelt. Je zal echter geen inwisselbare exemplaren tegenkomen maar individuen, waarachtige personages voor wie vooruitgang geen holle frase blijft. Stop meer literatuur in het crisisplan en begin bij Hugo.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen ook in De Standaard der Letteren van 8 januari 2010.)

Geen opmerkingen: