donderdag 25 februari 2010

De leer der laatste dingen - over krimpen of groeien

('Protestbabe' bij een anti-Obama Tea Party in Dallas, eind 2009. Het beeld komt van breitbart.com, een site die volop bericht over de strijd tegen big government.)

‘Om crisissen te beschrijven en te begrijpen is er niets zo dankbaar als de metafoor van een aardbeving’, schreef Jacques Attali onlangs. Hij ziet in de geologische en economische aardbeving vooral een bron van ongelijkheid. Some animals are more equal than others. Bovendien lijden de slachtoffers van beide fenomenen aan dezelfde blindheid. Vooraf doet men vooral alsof men het omen van het onheil niet herkent. Achteraf valt men na de eerste golf van empathie en naastenliefde heel snel terug tot de orde van de dag.


‘Men houdt ervan te kijken hoe de dingen sterven.’

Hugues C. Pernath

De totale vernietiging van de Haïtiaanse staat heeft ons geleerd dat zelfs de ondergang het strijdtoneel is van geopolitieke belangen. Elma Drayer noemde het in Trouw ‘een tot de verbeelding sprekende ramp’. Net zoals de auguren in het oude Rome de auspiciën waarnamen, gebruikten een oneindig aantal mediageile wichelroedelopers de ramp om hun gelijk te bewijzen. Intussen werd het ‘politiek realisme’ de vrije loop gelaten. Nieuwe en verleden grootmachten buitelden over elkaar heen om hun vlag te hijsen op een eiland dat een van de meest symbolische daden ooit heeft gesteld: in 1791 brak er de eerste en enige geslaagde slavenopstand in de moderne tijd uit. Bij een tragische poging de geschiedenis te herhalen pestten de Amerikanen hun Franse collega’s haast weg van het vliegveld van Port-au-Prince, waar midden januari 2010 een humanitaire wervelstorm losbrak. De slavenbevolking had begin negentiende eeuw de Franse koloniale bezetters definitief van het eiland geflikkerd. In ruil voor de erkenning als staat moesten de Haïtianen tot 1947 herstelbetalingen aan de Franse staat verrichten, een beproefde afbraakmethode die onder druk van Frankrijk ook aan Duitsland werd opgelegd na de Eerste Wereldoorlog. En alsof de Franse wraak niet volstond, kreeg Haïti in de jaren twintig van vorige eeuw er een Amerikaanse bezetting bovenop. ‘History is indeed little more than the register of the crimes, follies and misfortunes of mankind’, schreef Edward Gibbon.

En nu wordt Haïti volop gered door de wereldgemeenschap. De Amerikaanse ijver om de onfortuinlijke Haïtianen te bedelven onder voedselpakketten biedt alleszins het voordeel van een gegarandeerd succes. Met het exporteren van democratische waarden heeft Amerika het op het eerste gezicht moeilijker. Het Afghaanse moeras wordt met de dag dieper. De oorlog van de vrede die onder Obama wordt doorgezet, is zo goed als uitzichtloos. In een poging tot Atlantische trouw levert ook NAVO-lid België soldaten voor de vredesoorlog. Er zit een perfect verklaarbare en verdedigbare politieke logica achter dit engagement, maar de vraag blijft: wat hebben we daar in godsnaam verloren? En wat heeft het Nobelprijscomité bezield om de prijs voor de vrede toe te kennen aan een man die verkozen is om belangen te verdedigen met geweld?

Obama heeft zich ontpopt tot een eerder voorspelbare christendemocratische politicus. Hij gedraagt zich als een pragmatische diplomaat die de dominante positie van de Verenigde Staten in de wereld verdedigt. Maar hij is ook ongetwijfeld een van de zeldzame Amerikanen die aan den lijve ondervindt hoezeer die dominantie is afgebrokkeld. Na het eerste jaar van de verlossing luidt de conclusie: The West Wing was beter. Hij heeft vooralsnog geen zinvolle uitkomst verzonnen voor de vredesoorlog in de Hindu Kush. Grote binnenlandse hervormingen, zoals de health care reform, zijn gestuit door de Amerikaanse politieke realiteit – die prozaïscher en harder is dan om het even welke metafoor uit het Oude Testament. En zijn economisch bilan valt op door toenemende Amerikaanse armoede. Het is zonder meer hoopgevend dat de Amerikaanse spaarquote toeneemt. Het tegendeel zou pas echt een aankondiging van de eindtijd inluiden. Maar Obama heeft geen duidelijk antwoord op de gevolgen van die consumptiedaling. Het welzijn van de rest van de wereld hangt momenteel af van de manier waarop een correctere waardering van de Chinese munt in evenwicht kan worden gebracht met een minder surreële Amerikaanse handels- en kredietbalans. Eer we daaraan toe zijn, moeten op wereldvlak de herstelplannen worden afgebouwd. Om het bot te zeggen: het monopolygeld dat tijdens het woeste voorjaar van 2009 in de markt is gepompt, moet oordeelkundig worden weggezogen.

Europeanen worden platgewalst tussen die enorme belangen. De uiterst afwachtende herstelpolitiek van de regering Van Rompuy bevestigde die onmacht. Uiteraard kan je vragen stellen bij de lijdzaamheid van die politiek, maar de stand van de Duitse economie heeft nu eenmaal meer invloed dan een overmoedig regeringsstandpunt in de Brusselse Wetstraat. Onze nationale monetaire macht is nihil. En echte zwaarwichtige beslissingen in verband met schuldafbouw of de financiering van de sociale zekerheid leiden pas op termijn tot resultaten. Helaas komen we niet aan die zwaarwichtige beslissingen toe. De wereld gaat niet wachten tot ons sociaal overleg vooruit leert denken. Concurrerende economieën zullen ons niet smeken om de lasten op arbeid drastisch te verlagen, of om meer geld te investeren in onderzoek en ontwikkeling. Beterschap is niet meteen in zicht. Door de vergrijzing neemt de behoudgezindheid nog toe. Sociale cohesie, sociale mobiliteit en economische groei wegen minder zwaar op de politieke agenda dan de toekomst van onze pensioenen. Door in te zetten op het behoud van welvaart, verliezen we uit het oog dat er ook met grote overtuiging welvaart moet worden gecreëerd. Die idee past echter minder goed in de tijdgeest dan wellness, staatsinterventies en humanitaire rampen. Het zou niet (voldoende) ethisch zijn om nationale benefietacties te organiseren voor de bankiers (maar eigenlijk evenmin voor hun armoedeslachtoffers), dus maken we dankbaar gebruik van het boze fatum dat de Haïtianen treft.

‘Om crisissen te beschrijven en te begrijpen is er niets zo dankbaar als de metafoor van een aardbeving’, schreef Jacques Attali onlangs. Hij ziet in de geologische en economische aardbeving vooral een bron van ongelijkheid. Some animals are more equal than others. Bovendien lijden de slachtoffers van beide fenomenen aan dezelfde blindheid. Vooraf doet men vooral alsof men het omen van het onheil niet herkent. Achteraf valt men na de eerste golf van empathie en naastenliefde heel snel terug tot de orde van de dag.

Dit jaar is rampzalig begonnen. We zitten in een neerwaartse spiraal. De crisis doet de welvaart krimpen, de werkloosheid toenemen en verplicht ons te herkapitaliseren. Consuminderen wordt voor velen een noodzaak. De fiscale inkomsten van de staat worden hierdoor gekort en de welvaartsvoorzieningen bedreigd – ook van al wie zich over het dictaat van de groei beklaagt. Die kloof tussen samenlevingen die achteruitgaan en vooruitgaan is een topos waarvan we ons niet voldoende bewust zijn. Tenzij je tot het verdorven ras der bankiers behoort en je centen moet verdienen met het inschatten van risico en toekomstige kasstromen. Allan Conway, een zakenbankier bij Schroders, een van de grootste onafhankelijke vermogensbeheerders van Europa, spreekt bijvoorbeeld allang niet meer van een wereld die bestaat uit ontwikkelde markten en opkomende markten, maar van een tweedeling tussen emerging markets en submerging markets. Europa is daarbij uiteraard het voorgeborchte van de hel, een rampgebied met veel werklozen, nog meer oude mensen, een minimale groei – en voor velen mag daar nog ‘morele neergang’ aan worden toegevoegd.

Hebben we dan een vrijgeleide om vrijuit te zeuren? Kaddisj voor de welvaartstaat. Maar is dat wel terecht? Fareed Zakaria beweert in Newsweek alleszins het tegendeel, want vroeger was het slechter. Een jaar geleden leek onze wereld uit elkaar te spatten. Intussen is er een niet eerder geziene hoeveelheid geld tegen de economie aan gesmeten om de boel te stutten. Time-Man van het jaar Ben Bernanke, die geobsedeerd is door de crash van 1929, heeft de opgedroogde kredietstroom gevuld met haastig bijgedrukte dollars. ‘De wereld is op een opmerkelijke manier onveranderd gebleven’, schrijft Zakaria. De onverhoopte redding is ook koren op de molen van Francis Fukuyama, de man die in 1989 de klok heeft stilgezet. Volgens deze stokebrand is de geschiedenis nog steeds ten einde.

Er zijn twee strategieën die het ons kunnen toelaten om te ontsnappen aan de eindtijd die over ons wordt afgekondigd: individuele creativiteit en een nieuwe sociaal contract dat vooruitgang samenbrengt met sociale rechtvaardigheid.

Bij gebrek aan een nieuw begin moeten we inventief zijn en tweedehands gaan. Tussen de rotzooi van de geschiedenis liggen er gelukkig nog wisselstukken waarmee we de zaak kunnen oplappen. Moreel besef bijvoorbeeld is een roestige springveer die de schokken van het brutale bestaan wat opvangt. En om de horizon weer in het vizier te krijgen, kunnen we beter op een dik boek gaan staan. Liefst meteen het dikste: Les Misérables van Victor Hugo. Een onmogelijke roman, in alle opzichten, over het individu dat in opstand komt tegen de terreur van de geschiedenis – en daaraan tragisch ten onder gaat. Er is de verteller die zich God waant. De herinnering aan blèrende musicalscènes. De personages die toch ook bij Willy Vandersteen zouden kunnen opduiken: Monseigneur Bienvenu, de hoer Fantine en haar angelieke dochter Cosette, en uiteraard de held Jean Valjean, het slachtoffer dat twee decennia doorbracht in gevangenschap omdat hij een brood had gestolen – niet gesneden dan nog. Maar wat een dramatische kracht die Hugo ontketent. Alle schier onwaarschijnlijke details en verdraaiingen komen samen in een onovertroffen utopische fantasie. Het geliefde wisselstuk van Hugo is het moreel besef. Hugo monteert die roestige springveer onder de complexiteit van de negentiende-eeuwse samenleving. Schaamteloos romantiseert hij Waterloo en de rebellen die de barricades van de Parijse opstand van 1832 beklimmen. Het zijn helden van het volk die geleid worden door de vrijheid. Bij al dat geweld komen nog de profetische uitspraken van de personages, zoals deze van de euforische student Enjolras: ‘Citoyens, le XIXe siècle est grand, mais le XXe sera heureux. […] On pourra presque dire: il n’y aura plus d’événements.’ Dat is toch even anders uitgedraaid. Soit.

Hugo’s ideaal van rechtvaardigheid en perfectie, het strijdende individu dat tegenspoed te boven komt, leidt volgens hem tot een betere wereld. Daar kan niemand tegen zijn. Literatuur vormt een dankbaar laboratorium, misschien is atelier een beter woord, om die benevelende begoocheling uit te testen. We lijken het wel verleerd om echt van mening te verschillen zonder elkaar te verketteren. Daardoor wordt de illusie dat we een eindtijd beleven nog sterker. Er is echter geen Mozes die de Rode Zee splijt, geen meerjarenplan dat onze zorgen in goede banen lijdt, laat staan dat we het algemeen belang zouden kunnen benoemen. Literatuur is een van de reflexen die de mens heeft ontwikkeld om zich een houding te geven tegenover het leven. En hoe speculatief die literatuur ook is, in haar beste momenten toont ze wat werkelijk of denkbaar zou kunnen zijn. Dit blijft het meest bruikbare stuk van de mimesis-theorie die Adorno heeft ontwikkeld: met leven en dood als limieten is kunst, en dus literatuur, een expressiemiddel en geen kopieerapparaat. Mikhaïl Bakhtine, een andere oude Hegeliaan, versterkt die kwaliteit nog door in literatuur op zoek te gaan naar de carnavaleske dimensie. Literatuur wordt dan een antimythe die alles en iedereen ondersteboven draait. Dat is wat luie mensen bedoelen als ze oproepen om out of the box te denken.

De huidige eindtijddreiging wordt mede veroorzaakt door het failliet van de oude strategieën in politiek, economie en samenleving. Van de klimaattop en het sociaal overleg tot de gemeenschapsdialoog en het debat over religieus en seculier communautarisme: alles lijkt vast te zitten. In plaats van oude oplossingen te kopiëren, moeten we er nieuwe bedenken. Die vorm van (literaire) creativiteit is afwezig in de manier waar op we omgaan met welvaartscreatie. Vlaanderen is bijvoorbeeld geobsedeerd door de Vlerick-mythe, de Engelstalige MBA als panacee tegen ons provincialisme. Individuele creativiteit, mentale wendbaarheid en een noodzakelijke dosis opstandigheid lijken niet belangrijk bij het vormen van de matig belangrijke meritocratie. Er ontstaat een regentencultuur die procesmatig sterk zijn, maar volstrekt niets te zeggen hebben. Zodra de artificiële intelligentie wat verder is gevorderd, worden hun handelingen als eerste geautomatiseerd. En ja, de loonkost ligt te hoog en wellicht kan het steeds flexibeler, maar hebben we nog wel een ziel en kunnen we onszelf heruitvinden?

Individuele creativiteit, hier gesymboliseerd door de literaire ervaring, is van cruciaal belang voor een samenleving die draait op beeldvorming en materialisme. Alain Finkielkraut vat die bijzondere gebruikswaarde van literatuur goed samen in zijn recente essayboek Un coeur intelligent: ‘Mens zijn, dat betekent de vormgeving van zijn lot toevertrouwen aan de literatuur. De kwestie is te weten welke literatuur.’ Een roman als Les Misérables wordt onvermijdelijk in vraag gesteld door andere romans, De graaf van Monte Christo van Dumas bijvoorbeeld. Of Le Colonel Chabert van Balzac. Al die negentiende-eeuwse literaire kathedralen die om ter hoogst naar de hemel reiken. Tijdgenoten van Hugo hebben het in elk geval geweten. En dat nota bene voor een historische roman: toen Les Misérables verscheen, was 1832 allang voorbij. Het boek veroorzaakte ophef, bracht generaties lezers in vervoering en bepaalde zelfs meermaals de agenda van de Franse Assemblée Nationale. Als één literaire tekst iets kan betekenen in de grote boze wereld, dan zeker Les Misérables.

De toekomst, die altijd sterker is dan het heden, bevat de ergste vorm van conformisme. Het pleit wordt altijd in het voordeel van die toekomst beslecht. Je kan er niet van winnen. Er zijn dan grofweg twee mogelijkheden. Ofwel neem je afslag die Fukuyama en Zakaria verkiezen. De wereld is dan plat, beheersbaar, rationeel. De mens is een ding, een speelbal van de programmeerbare omstandigheden. De geschiedenis is een blinde strijd om prestige. Ofwel loop je een eind met Hugo mee. De kans is groot dat je dan een keer te veel over grote woorden en morele springveren struikelt. Je zult echter geen inwisselbare exemplaren tegenkomen maar individuen, waarachtige personages voor wie vooruitgang geen holle frase blijft. Stop dus meer literatuur in het crisisplan en begin bij Hugo.

Een tweede strategie om de angstaanjagerij van de leer der laatste dagen te counteren is het vinden van een nieuw verband tussen sociale rechtvaardigheid en vooruitgang. De heilige Obama is op en top een Amerikaanse politicus, hoewel zijn politieke tegenstrevers hem uitschelden voor Europese sociaaldemocraat. Het wantrouwen tegenover de geldverslindende Europese staten is onverminderd groot in Amerika. Zo publiceerde het nieuwe politiek-maatschappelijke kwartaalblad National Affairs een uitvoerig artikel over de uitdagingen die de Amerikaanse samenleving moet aangaan om haar toekomst veilig te stellen. Over de hele lijn wordt daarin Europa gebruikt als een te mijden dystopie: de welvaartstaat is slecht voor de economische groei. Terwijl Europa er, in tegenstelling tot Amerika, wel decennialang in geslaagd is een ruimere bescherming te bieden aan haar burgers zonder die economische groei uit het oog te verliezen, zoals Paul Krugman consequent opmerkt. Misschien moeten we om de contouren van dat nieuwe contract te schetsen – en om een democratische meerderheid te vinden – ook flink wat romans lezen. Als we de toekomst niet kunnen verbeelden, zullen we niet beseffen of ze ons toelacht of niet.

Harold Polis


Literatuurlijst

Alain Finkielkraut, Un coeur intelligent, Stock, Parijs, 2009.
Paul Krugman, The Conscience of a Liberal, Norton & Co, New York, 2007.
James Manzi, ‘Keeping America’s edge’, in National Affairs, winter 2010.
Harold Polis, ‘Vooruitgang in achteruit: kan literatuur het crisisplan redden (met dank aan Victor Hugo)?’, De Standaard, 8 januari 2010.
Mario Vargas Llosa, La Tentation de l’impossible, Gallimard, Parijs, 2008.
Fareed Zakaria, ‘The roots of stability’, in Newsweek – special edition van december 2009.

Geen opmerkingen: