woensdag 28 april 2010

Een krimpende tijd - over heimwee naar het algemeen belang

Dolle pret alom. Politiek, economie, de goede zedenen en de openbare moraal, het staat allemaal onder druk. Alleen de apocalyps aankondigende komeet ontbreekt nog. Onze tijd lijkt op. Maar is dat wel zo?

(Plato n'a jamais fait ça. In Griekenland is betogen een olympische discipline, getuige deze actiefoto van een enthousiaste betoging op 5 maart voor het parlementsgebouw in Athene. De financiële desintegratie van de Griekse staat verbeeldt het vermeende failliet van Europa.)
‘Le vrai drame du siècle est dans l'écart qu'on laisse croître entre l'homme temporel et l'homme intemporel.’ Saint-John Perse

Belgen vertrouwen hun politici niet. Steeds minder zelfs. Die gemeenplaats werd in maart bevestigd in een peiling van marktonderzoeksbureau GfK. ‘Politiek als de sturing van een samenleving is op de achtergrond geraakt, en de bevolking voelt dat feilloos aan’, schreef Yves Desmet in De Morgen. Hij vertolkt daarmee heimwee naar een toestand die wellicht nooit zo absoluut is geweest. In onze representatieve democratie hebben we het recht om zo kritisch mogelijk tegenover de macht te staan. Wantrouwen kan in die context ook het bewijs leveren voor een overdreven geloof in de politiek. Weinig volksvertegenwoordigers hebben de moed om eerlijk te communiceren over de Europese machtsverhoudingen. Ze kiezen ervoor om te veinzen dat Jean Monnet en zijn plaatsvervangers niet hebben bestaan. In die voorstelling is de natiestaat een sketch met een geruststellende pointe over identiteit. Het zou pas zorgelijk zijn als we de deelnemers aan dit nummer niet zouden wantrouwen.
We hebben de indruk dat we de greep op onze tijd verloren zijn. De economische crisis toont glashelder aan hoe intens de naoorlogse welvaartstaat aan het vervellen is. Wellicht hebben we met zijn allen te zeer gespeculeerd op het voortbestaan van die naoorlogse structuren, hun gebruiken, hun positiebepalingen. Dat gebrek aan voortvarendheid breekt ons zuur op.
Sinds het begin van het jaar heeft de crisis een nieuwe fase bereikt, waarbij nationale balansen op de korrel worden genomen. Jarenlang heeft de financiële industrie voorspoed gecreëerd door risicovolle effecten onder te brengen in occulte investeringsvehikels. Die risico’s bleven buiten beeld, omdat ze te ingewikkeld waren om te begrijpen en omdat ze vaak eenvoudigweg niet op de balans stonden. Het systeem klapte in elkaar toen bleek dat die effecten op windhandel berustten. Historicus Niall Ferguson heeft in het magistrale The Ascent of Money beschreven hoe vaak zo’n windhandel ons parten heeft gespeeld en hoezeer die crisismomenten de loop van de geschiedenis hebben beïnvloed.
De grote loutering kan uiteraard niet voorbijgaan aan de overheden, die net als de banksector enorme risico’s buiten hun begroting hebben gehouden. Griekenland heeft gelogen over zijn financiële toestand, en moest dus hangen. Maar het schuldbeheer van de meeste Europese landen is verre van orthodox. De ergste gevallen, de PIGS (Portugal, Italië, Griekenland en Spanje), staan bloot aan frontale aanvallen van speculanten. Hun zwakte tast de hele Europese muntunie aan, in die mate dat sommige economen, Paul De Grauwe op kop, alweer het einde van de euro hebben voorspeld. Voor Nobelprijswinnaar economie Paul Krugman ligt de schuld bij de Europese politici. Zij hebben het verzuimd om de muntunie door te trekken naar een politieke unie. Als het systeem blokkeert, zoals in Griekenland, bestaat er geen noodscenario en leidt het crisisbeheer tot een politieke kakofonie, die in de rest van de wereld als typisch Europees wordt ervaren.
Ook het einde van de entente tussen Frankrijk en Duitsland wordt voorspeld. De Duitse eenmaking heeft als pasmunt gediend voor euro, een ruil waarmee een periode werd afgesloten waarin drie oorlogen Europa op de rand van de afgrond hadden gebracht. Aangezien niets doen geen optie is en het opheffen van de muntunie een ramp zou zijn voor de Europese Unie, komen we dichter in de buurt van een Europese economische regering. Wellicht is dat het doel van de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy. Zo’n regering zou een Europees muntfonds bevatten, zou meer investeren in het algemeen belang (onderwijs, infrastructuur en onderzoek) en zou de interne markt versterken. Dat scenario geeft de Europese Raad meer macht. Het zal nog jaren duren eer het federalistische kamp weer sterk genoeg staat om het pleit in zijn voordeel te beslechten. De Lissabonstrategie heeft gefaald. Iedereen is gefixeerd op de eigen nationale zwakheden – die verrassend veel gelijkenissen vertonen.
De toegenomen aandacht voor staatsschuld zal er mee toe leiden dat overheden onprettige beslissingen sneller zullen doorvoeren. Ze staan met de rug tegen de muur. Vaak hebben ze het in betere tijden nagelaten om de oude structuren te herzien, zodat brutaal crisismanagement de enige uitweg biedt. De Belgische pensioensores bieden het beste voorbeeld. Fundamentele beslissingen hebben in dit dossier pas een effect op lange termijn, dus zijn er geen beslissingen genomen. Het is weinig elegant om pas in volle crisis de bevolking duidelijk te melden dat korte en onderbroken loopbanen het ouderdomspensioen zullen verkleinen. Nu het toch gebeurt, moet ook het bredere debat over de herfinanciering van de sociale zekerheid ten gronde wordt gevoerd. Dat is tenminste een dossier waarin de nationale politiek een rechtstreekse verantwoordelijkheid kan opnemen. Onze samenleving is verstedelijkt, ongelijker, heterogener en competitiever dan ooit tevoren. Pas nadat we het beheer van de staat opnieuw hebben geijkt en gefinancierd, kunnen we de toekomst weer in het vizier nemen en groei creëren.

Het uitstelgedrag van Europese politici is een traditie geweest. Alleen Duitsland heeft de afgelopen jaren echt harde sociale beslissingen genomen. Maar de vervelling van de welvaartstaat heeft tot nu toe nergens in Europa tot briljante oplossingen geleid. Het gevolg is dat we achter de feiten aanhollen. Onze tijd is op. Die sensatie van een krimpende tijd inspireert tot ondergangsfantasieën en dystopische verzuchtingen. Ook dat is van op een afstand typisch Europees: en maar zagen en klagen. ‘Europe’s hypochondriacs’ werden ze onlangs in The Economist genoemd. ‘Most Europeans are doing better than they think, and can take more fiscal austerity.’

Toen de Franse diplomaat-dichter Saint-John Perse in 1960 de Nobelprijs kreeg, verwees hij in zijn dankspeech naar dat westerse pessimisme, de angst voor de metamorfose. Saint-John Perse voerde in zijn speech de geschiedenis op als personage en liet haar verklaren dat de tragiek niet zozeer in de metamorfose zit, als wel in de groeiende kloof tussen ‘l’homme temporel et l’homme intemporel’, tussen het tijdelijke en het eeuwigdurende. Het is de verantwoordelijkheid van de mens om het moment te grijpen en dus die eeuwige verandering te omarmen, om er kracht uit te putten voor een menswaardiger samenleving.
Saint-John Perse had het meer voor de Weltgeist van Hegel dan voor het kantiaanse ethos en had ook grote sympathie voor Spinoza’s pantheïsme. Bovendien kwam hij maar niet los van het bergsoniaanse élan vital dat hij in zijn jonge jaren had vereerd, net als zovelen van zijn generatie. Kortom, voor de liefhebbers biedt dit voldoende bewijsmateriaal om Saint-John Perse op te bergen in een stoffige schoendoos, samen met zijn collega-idealisten die tijdens de twintigste eeuw de ontmenselijking hadden georganiseerd met dezelfde argumenten die hij gebruikte om de mens te verdedigen. En toch kan de speech van Saint-John Perse ook voor ons betekenisvol zijn. Eerst en vooral omdat hij oproept tot verwondering, tot een verbond tussen rationaliteit en spiritualiteit, tussen wetenschap en poëzie. Volgens Saint-John Perse is dat eigen aan de menselijke ervaring. En als dat te vaag in de oren klinkt, dan is er nog zijn concrete pleidooi voor een Verlichting bis, als een methode die tot nieuwe kennis en nieuwe samenlevingsvormen leidt. Een Verlichting die niet stopt bij de instrumentele rede en verder gaat dan de ideale rechtvaardigheid, democratie en mensenrechten. Ja, het was 1960 en de tijd leek er rijp voor.
In dat wonderjaar van Saint-John Perse verkregen zeventien staten op het Afrikaanse continent hun onafhankelijkheid. Die niet te stuiten vrijheidsdrang was achteraf bekeken de voorbode van de maatschappelijke ontvoogding van West-Europa. De tijd kromp toen niet, integendeel, er was toekomst, een zee van tijd die uitzicht bood op materiële en morele vooruitgang. Dat is wellicht een van de bronnen van heimwee die de herdenking van de Congolese onafhankelijkheid tot een bevreemdende ervaring maken. Het vormt een bezegeling van onmacht, waarbij België symbool staat voor de rest van Europa. In de marge is het lijk van de voormalige kolonie de inzet van een kolderieke fase in een heemkundige oorlog. Nostalgische Franstaligen claimen de nagedachtenis van de Belgische kolonie als tactische zet tegen Vlaamsnationalisten. Een deel van de Vlaamse publieke opinie begrijpt Congo niet meer, wat in sommige nationalistische kringen dan weer de aanleiding vormt voor een rondje geschiedenisvervalsing. Vlaanderen moet worden verschoond van de koloniale erfzonde die België treft – terwijl ook Vlamingen indertijd enthousiast beschaving (en communautaire twisten) hebben geëxporteerd naar de kolonie. Hoe dan ook, onze aanwezigheid bij de plechtigheid is louter symbolisch, omdat onze concrete belangen in Midden-Afrika verkruimeld zijn en vervangen door slap moreel rentmeesterschap. Ons triomfalistische mensenrechtendiscours pleziert vooral onszelf. Misschien moeten we net daarom de herdenking van de Congolese onafhankelijkheid heel ernstig nemen: we leren er onze schamele positie op wereldvlak mee onder ogen te zien.
Het hele Westen kan zo’n oefening in bescheidenheid gebruiken, schrijft Tony Judt in Ill fares the land. Het boek is het testament van een briljant historicus. Judt lijdt aan ALS en haalt uit dat fatale lot de kracht om een betere toekomst voor de mensheid af te smeken. Het is ten slotte nog altijd het Camus-feestjaar. We moeten begrijpen, schrijft Judt, welke keuzes onze voorouders hebben moeten maken tijdens en na de wereldoorlogen. De magere troost die we putten uit onze democratie, het materialistische gezeur dat we cultiveren, de openlijke afkeer van onze instellingen, zowel op nationaal als op internationaal vlak, al die holle wanhoop doet ons op een zijpad van de geschiedenis belanden. We beseffen niet meer in voldoende mate hoe uitzonderlijk de verwezenlijkingen zijn die we in vredestijd hebben opgebouwd. Doordat we het algemeen belang niet meer voldoende herkennen of dienen, leveren we die verwezenlijkingen over aan de gratie van politieke leerling-tovenaars en ‘politieke pygmeeën’ (Judt loopt niet hoog op met de doorsneepoliticus).
Achter die publieke abdicatie van het algemeen belang ontwaart Judt nog een machtsoverdracht. Rechts en links hebben hun plaatsen gewisseld. Radicalisering is een kenmerk van rechts geworden. Rechts staat afkerig tegenover compromissen, terwijl links behoudsgezind is geworden, wil beheren wat er is (wat Camus ook al beschreef) en de grote twintigste-eeuwse hervormingen op een schier museale wijze exploiteert. Je zou ‘rechts’ en ‘links’ met hetzelfde gemak containerbegrippen kunnen noemen die geen toegevoegde waarde meer hebben, maar toch maakt Judt een cruciaal punt door te wijzen op politieke urgentie. Sinds de val van de Muur sudderen we in ons vet. Bij gebrek aan groter plan – een vacuüm dat ons nog lang angst zal aanjagen – hebben we ons tevredengesteld met onze overwinning in de Koude Oorlog. De voorbije twintig jaar zijn kaalgevreten door een hardnekkige sprinkhanenplaag. Het is de hoogste tijd dat we onze energie niet meer reserveren voor geruststellende ethische discussies, maar volop aandacht besteden aan de grote thema’s van de publieke zaak.

Wakker worden uit de winterslaap is eigenlijk niet zo’n onaangenaam vooruitzicht. Dat weten we uit ervaring. Geconfronteerd met de gruwelen van de totale oorlog omschreef Raymond Aron zijn blindheid als volgt: ‘J’ai su, mais je ne l’ai pas cru, et puisque je ne l’ai pas cru, je ne l’ai pas su.’ Het is een centraal citaat in het lange interview dat Claude Lanzmann afnam van de Poolse oorlogsheld Jan Karski, de man die de geallieerden op de hoogte moest brengen van de misdaden van nazi-Duitsland. Veel van Karski’s gesprekspartners konden zijn getuigenis eenvoudigweg niet begrijpen.
Misschien beleven we vandaag een aangepaste versie van wat Karski overkwam. When China Rules the World, het lichtjes ontstellende boek van Martin Jacques over China bijvoorbeeld, bevat dezelfde dramatische ironie. Jacques is een botte observator. Ons rijk is uit, schrijft hij. We hebben geloofd dat de overwinning van het westerse kapitalisme niet-westerse landen als vanzelf tot de democratie zou leiden. Als we maar voldoende handel zouden drijven, dan zouden de lokale middenklassen automatisch meer welvaart opbouwen en streven naar politieke machtsdeling.
Afgeleiden van die verlichte heilsboodschap gebruiken we zowel om de aanwezigheid van het tweede bataljon paracommando in Afghanistan te legitimeren als om vrij kritiekloos met China om te springen. Uit de feiten blijkt echter het tegendeel. Democratie staat in landen rond de Perzische Golf in een kwade reuk, Irak en Iran op kop. Afghanistan en Pakistan zakken weg in chaos. En even verderop in Azië is er zelfs een ware revival aan de gang van autocratische waarden. De ineenstorting van de Thaise democratie in 2008 was het toonbeeld van dat democratische bankroet. De middenklasse heeft er haar onenigheid met de machthebbers vooral niet in het parlement of in het publieke debat uitgevochten, maar tijdens een volksopstand.
China heeft ons nergens voor nodig. Martin Jacques toont haarfijn hoe de Chinese beschaving nooit door invloeden van buiten uit is veranderd, maar steeds op haar eigen kompas heeft gevaren. Daar zal niets aan veranderen nu de moderniteit eigendom is geworden van China. De Chinezen zelf vinden het tof om op de Brugse reien rond te dobberen of de lift te nemen naar de top van de Eiffeltoren, maar onze democratische waarden interesseren hen niet. In toenemende mate dringt China zelfs door tot onze cruciale economische sectoren, wat op termijn eerder onaangename gevolgen kan krijgen. Eind vorig jaar verleende Belgacom bijvoorbeeld het contract voor de upgrading van zijn Proximus-netwerk aan het Chinese Huawei. Een icoon als Alcatel-Lucent zou in de nabije toekomst best wel eens in Chinese handen terecht kunnen komen. In een opmerkelijk gesprek op de zakenzender Kanaal Z laakte Jan Callewaert, de ceo van het veelgeplaagde Option, de manier waarop Chinese bedrijven de Europese telecommarkt stuk concurreren. Callewaert pleit voor invoerbeperkingen, ‘anders is het te laat’. En telecom vormt slechts een van de Europese sectoren waar die onheilstijding voor geldt.
Saint-John Perse, Jan Karski, Raymond Aron, Tony Judt, Martin Jacques: hun wantrouwen is geen leugen geweest. Het is de hoogste tijd om te geloven wat we zien en het krimpen van de tijd een halt toe te roepen.

Harold Polis

(Dit stuk is verschenen in Streven van juni 2010. Ik verwijs in de printversie naar Serge Klarsfeld, maar dat moet uiteraard Claude Lanzmann zijn. Errare humanum est.)


Literatuur

http://datanews.rnews.be/nl/data-news-tv-home/90-122-28660/2010-02/2010-02-25/chinese-invasie-is-verwoestend.html.
‘Europe’s hypochondriacs’, in The Economist van 4 maart 2010.
Yves Desmet, ‘Vertrouwen’, in De Morgen van 18 maart 2010.
Niall Ferguson, The Ascent of Money. A Financial History of the World, Penguin, Harmondsworth, 2008.
Martin Jacques, When China rules the world. The End of the Western World and the Birth of a New Global Order, Penguin, Harmondsworth, 2009.
Tony Judt, Ill Fares The Land. A Treatise on Our Present Discontents, Penguin, Harmondsworth, 2010.
Guillaume Klossa en Jean-François Jamet, ‘Pour un gouvernement économique européen’, in Le Monde van 20 maart 2010.
Renaud Meltz, Alexis Léger dit Saint-John Perse, Flammarion, Parijs, 2008.

Geen opmerkingen: