dinsdag 31 augustus 2010

Deze keer lijkt het anders - de financieringswet en hoe haar te overleven

Dinsdag 20 juli 2010: technici van het Institut Emile Vandervelde (PS) en het VOKA onderzoeken een gat van acht meter diep in de Henri Jasparstraat in Sint-Gillis. De Belgische overheidsschuld heeft in het eerste kwartaal de mijlpaal van 100% van het bruto binnenlands product (bbp) overschreden.
Eerst de centen en dan de moraal. Zodra het woord 'financieringswet' beginnen we enthousiast te tellen. Maar wat gaan we doen zodra we, letterlijk en figuurlijk, uitgeteld zijn? ‘La politique ce n’est qu’une certaine façon d’agiter le peuple avant de s’en servir’, beweerde Talleyrand.
De boeiendste passages in onze geschiedenis draaien rond schijnheiligheid. De held uit die verhalen is vaak een man die zijn mening verbergt, zoals de gierigaard zijn geld. Van alle schijnheiligen was Talleyrand ongetwijfeld de grootste. In zijn slechtheid liet Talleyrand iedereen ver achter zich. Napoleon, toch ook niet bepaald een koorknaap, noemde hem een ‘merde dans un bas de soie’. En er is een tijd geweest dat de kwade diplomatieke genius van het Congres van Wenen in Europa algemeen gevreesd werd als ‘le diable boîteux’ en ‘le prince du mal’. Niemand wist wat de man echt dacht. Maar handelen en regelen kon hij als de beste.
(Met filmpjes over Talleyrand, de knorrende Alains (Finkielkraut en Badiou), en David Cameron versus Nassim Nicholas Taleb.)




(Biograaf Emmanuel de Waresquiel over Talleyrand. De biografie Le prince immobile (Fayard) is nog steeds een aanrader.)

Talleyrand had uiteraard geen partijkaart. Op het einde van het ancien régime was het streven naar macht een hoogst ongezonde en wispelturige stiel. Talleyrand laveerde tussen Napoleon en De Tocqueville, tussen fanatieke berekening en aristocratische weemoed. De psychotische dubbelheid maakt Talleyrand wellicht net dat beetje actueler dan zijn tijdgenoot Alexis De Tocqueville, hoewel die laatste ook van pas komt als een politieke situatie, zoals nu in België, zich aanpast aan de feiten. In L'Ancien Régime et la Révolution toonde De Tocqueville hoe de revolutie geen breuk met het verleden bracht, maar een continuering van het gelijkheidsstreven en het individualisme, zoals die zich tijdens het ancien régime hadden ontwikkeld. Op dezelfde wijze is de komende staatshervorming het gevolg van een jarenlang proces. De grote gebaren, de politieke boksmatchen en de cultus van publieke verontwaardiging zijn minder belangrijk geweest dan de weeffouten in eerdere staatshervormingen. Het was al zeer lang geweten dat de federale staat gewurgd werd door de financieringswet. Talleyrand beschreef het net iets scherper: ‘La politique ce n’est qu’une certaine façon d’agiter le peuple avant de s’en servir.’
We beleven een tijd waarin het ondenkbare denkbaar is geworden. Na de federale verkiezingen lag de toekomst van de Belgische federatie in de handen van een onwezenlijk duo, een Waalse socialist in wiens partij nog behoorlijk wat mensen zitten voor wie Bad Godesberg een stap te ver betekent en een Vlaamse separatist die op Edmund Burke vertrouwt om de wereld te redden. Het leek er zelfs op alsof ook Talleyrand weer zou opduiken, in de vorm van zijn verdelingsplan voor België. Maar de slogans over het einde van het land, die in de buitenlandse pers alweer gretig werden overgenomen, zijn snel teruggebracht tot de essentie: nonsens. Het tragikomische dieptepunt werd bereikt toen de fractie van het Vlaams Belang in volle regeringscrisis in de kamer van volksvertegenwoordigers ‘De Vlaamse leeuw’ zong.

Geen enkele staat kan bestaan overleven zonder gezonde overheidsfinanciën. Debatteren over homogene bevoegdheidspakketten is leuk. Maar geld is de ware ziel van de negotie, en dus ook van de manier waarop de Belgische staat de afgelopen decennia is hervormd. De werking van de Belgische staat wordt geregeld door de financieringswet van 16 januari 1989. Die bepaalde de verdeling van de financiële middelen tussen de federale overheid, de gewesten en gemeenschappen. In dat gezegende jaar 1989 werd ook de derde fase van de staatshervorming afgesloten. Brussel werd een ‘hoofdstedelijk gewest’. En het onderwijs kwam onder de hoede van de Belgische gewesten – het bestuursniveau dat bevoegd is voor ‘persoonsgebonden aangelegenheden’. De verschuiving ging gepaard met een financieringsrevolutie waarbij de federale inkomsten uit de personenbelasting en de BTW volgens een ingewikkeld mechanisme werden doorgestort aan de gewesten en gemeenschappen. Alle institutionele discussies die de afgelopen jaren hebben gewoed, op de taalgebonden dossiers na, zijn terug te voeren op de noodzaak om de financieringswet aan te passen.
In beginsel hoeft zo’n debat over geld niet communautair gekleurd te zijn. Volgens de klassieke breuklijnentheorie van sociologen Stein Rokkan en Seymour Martin Lipset zijn de kiezers in een postindustriële samenleving samen te brengen rond een aantal tegenstellingen: centrum versus periferie, staat versus kerk, stad versus platteland en werknemers versus werkgevers. Voorwaar, er is veel veranderd sinds 1967, het jaar dat Stein en Martin Lipset hun theorie lanceerden. Maar niet dit: burgers stemmen op een partij die het dichtst in de buurt komt van hun overtuiging. En dus hangt veel af van het politieke aanbod. Bij de Belgische federale verkiezingen van juni 2010 was die keuze eerder klein. De dwarsdoorsnede van de sociaaleconomische maatregelen en communautaire standpunten leverde bij nader inzien toch ook heel wat overeenkomsten op tussen partijen, aan weerskanten van de taalgrens. PS-ers als minister-president Rudy Demotte en Jean-Claude Marcourt staan allerminst alleen met hun pleidooi om de regio’s te versterken.
De economische crisis heeft de nationale balans zo fel verzwakt dat het Federaal Planbureau in volle verkiezingscampagne een besparing van 42 miljard adviseerde, uit te spreiden over de komende vier jaar. Net als overal in de westerse wereld was budgettaire strengheid het ordewoord van de verkiezingen, daarin gesterkt door Angela Merkel en vooral de draconische besparingsdrift van David Cameron. Die laatste boekte op de koop toe een eclatante overwinning bij de Britse verkiezingen met een hard programma dat onder meer het volledige stelsel van vervangingsinkomens op de schop neemt. ‘He’s the only thing we have left’, zei Nassim Nicholas Taleb over Cameron. De Britse premier vertolkt de hoop van besparingshaviken die van het begrotingstekort een nieuwe erfzonde hebben gemaakt.

(Liefde op het eerste gezicht: Nassim Nicholas Taleb in gesprek met David Cameron, toen nog de uitdager van Gordon Brown.)

Het algemeen belang dienen door onpopulaire maatregelen te nemen is nog iets anders dan de staat uitkleden. Net dat laatste is echter een idée reçue dat op brede instemming kan rekenen, zeker ook bij nationalisten. Het is dan niet de bedoeling de nachtwakersstaat te organiseren, dat klassieke, op afzijdigheid gebaseerde liberale staatsmodel. De N-VA lijkt net wel gewonnen om in te grijpen in het leven van individuen, door bijvoorbeeld de essentialistische visie op culturele identiteit meer gewicht te geven. De overheid wordt daarbij ingericht en afgerekend als een vennootschap. Het doel van de staat is vooreerst het nastreven van efficiëntie en competitiviteit. Maar die nieuwe zakelijkheid verbergt ook een groot enthousiasme voor sociale afbraak en voor een ongelijkheid waarvan de schuld bij de burger wordt gelegd.
De opvallendste breuklijnen in de kiescampagne waren de aanhorigheid tot een taalgroep en de plaats van het individu in de samenleving. Dat laatste onderscheid heeft te weinig gehoor gevonden, hoewel het de kern vormt van onze toekomst. De discussie over de plaats van het individu in de samenleving wordt vandaag beheerst door het identiteitsdebat. In de loop van februari ontspon zich op de opiniepagina’s van De Standaard een bescheiden ruzie tussen het liberale individualisme van Guy Verhofstadt en het nationalistische spontane groepsverband van Bart De Wever. Verhofstadt gispte het volgens hem kunstmatig aangezwengelde Franse debat over de nationale identiteit. Bekeken vanuit de Franse context bracht Verhofstadts zijn polemische interventie een logische correctie aan bij een uit de hand gelopen pre-electorale gimmick van Nicolas Sarkozy en zijn rechtse meerderheid. Maar in de context van een Nederlandstalige Belgische krant werd Verhofstadts afwijzing van de identitaire samenleving uiteraard gelezen als een frontale aanval op het Vlaams-nationalisme. Het antwoord van De Wever bevatte de kernboodschap waarmee hij enkele maanden later de federale verkiezingen zou winnen. Om het even welk politiek thema, dus ook de discussie over de financieringswet, wordt door de N-VA teruggebracht tot een tegenstelling tussen duidelijk onderscheiden culturen die in een tegennatuurlijk Belgisch staatsverband zijn samengebracht.
Economie is voor nationalisten altijd een middel, geen doel. Het beste bewijs wordt geleverd door het sociaaleconomische programma van de N-VA, waarvan de hoofdlijnen grotendeels inwisselbaar zijn met de programma’s van klassieke centrumpartijen. Ook in de meer technisch uitgewerkte delen van het N-VA-programma, zoals de visie van Danny Pieters op sociale zekerheid, is het einddoel eerder een geloofsartikel. Op de wijze van Talleyrand heeft de N-VA het publiek voorbereid, daarbij geholpen door de politieke impasse na 2007 en de zwakte van haar tegenstanders. Die klassieke politieke families zijn er het afgelopen decennium niet in geslaagd de steeds wispelturiger kiezer aan zich te binden, ondanks het in stand houden van een uitgebreid partijapparaat op alle niveaus van de macht en ondanks het blijvende succes van middenveldorganisaties. Dit acute gebrek aan noodzakelijkheid is genadeloos afgestraft, ook omdat elke politieke discussie werd omgeleid naar communautaire thema’s waarvoor met te weinig overtuigingskracht een niet-nationalistisch alternatief werd gepresenteerd. Behalve Groen! hebben alle Vlaamse politieke partijen in het Vlaamse parlement de fameuze vijf resoluties goedgekeurd in 1999. Die resoluties zetten de toon de toon voor verdere stappen in de staatshervorming. Een alternatief was dus mogelijk geweest. Maar door de zaak te culturaliseren is het pleit voorlopig beslecht in het voordeel van de nationalisten. De vijf resoluties zijn een molensteen rond de nek van de partijen die ze hebben goedgekeurd. De maagdelijkheid van de N-VA, een partij die pas in 2001 is opgericht, draagt dan ook bij tot haar succes.

Badiou Finkielkraut débat (part1)
Geüpload door antek666. - Ontdek meer webcam persoonlijkheden.
(De twee Alains, Badiou en Finkielkraut, gaan elkaar te lijf op 20 mei 2010, tijdens Ce soir (ou jamais!), een niet onaardig programma op France 3.)

Toen de moderne natiestaten werd opgericht, slaagden er sommige best wel in om een systeem te bouwen dat het toeliet grote groepen individuen te laten assimileren. Dat ging zo in Frankrijk, tot ook daar de gevolgen van de globalisering een heel andere logica deden ontstaan. ‘Je pense profondément que la France ne doit pas être une auberge espagnole où chacun apporte son manger’, zegt Alain Finkielkraut naar aanleiding van de Franse identiteitsdiscussie. Hij richt zijn pijlen vooral op invloeden van buiten Europa die de ziel van Frankrijk bedreigen – Finkielkraut gebruikt het woord ‘ziel’ niet, maar het komt er wel op neer. Dit diepgewortelde gevoel van verlies is uiteraard iets dat alle Europeanen herkennen en dat intussen in alle landen een politieke vorm heeft gevonden. Het speelt ook in Vlaanderen een cruciale rol en heeft na de val van de Muur uitsluitend rechtse partijen bevoordeeld, en dus nu ook de N-VA. Hun variant van het nationalisme exploiteert de beschuldigingswens op een geniale manier. Tijdens de jarenlange, haast niet-aflatende campagne die voorafging aan juni 2010, is het koesteren van een rationele afkeer tegenover Franstaligen zo’n respectabele zaak geworden, dat het politiek correct werd. Ook omdat het sterk aansluit bij sentimenten tegen de islam, niet-Europese vreemdelingen, gelijke kansen of een minderhedenbeleid. Bovendien verspillen de Franstaligen geld, ons geld.
De financieringswet was nochtans een hele vooruitgang in vergelijking met de Belgische wafelijzerpolitiek: een investering in een Vlaamse project moest worden gecompenseerd door een investering in een Waals project. Zo was de bouw van de giganteske scheepslift in Strépy-Thieu, aan het prachtige canal du centre, een beslissing die de federale regering in 1978 nam om de investeringen in de haven van Zeebrugge te compenseren. Het bouwen zelf heeft echter ruim twee decennia jaar in beslag genomen. Bovendien was het doel van de lift, het vervoer van delfstoffen, al achterhaald in 1978, om de eenvoudige reden dat de Waalse delfstoffenindustrie ophield te bestaan.
Het was aan de voet van de betonmonoliet van Strépy dat Bart De Wever op 6 januari 2005 enkele vrachtwagens gevuld met gekopieerde bankbiljetten parkeerde voor het oog van de camera’s. Met die stunt klaagde de N-VA de transfers van ‘Vlaams geld’ naar Wallonië aan. De ironie wil dat de streek rond Charleroi voor een belangrijk deel door Vlaamse arbeiders is ontgonnen. Maar de geschiedenis wordt vandaag in de Belgische federatie zeer selectief gelezen. Dat geldt ook voor de financieringswet, onthaald als een overwinning toen die werd gestemd. De wet gaf de gemeenschappen en gewesten meer verantwoordelijkheden bij de aanwending van hun financiële middelen, maar bracht ook een aantal negatieve gevolgen.
Het land bestaat immers als twintig jaar bij gratie van consumptiefederalisme, waarbij de federale staat betaalt en de deelstaten uitgeven. Tegenover die uitgaven van de gewesten en gemeenschappen staan te weinig financiële verantwoordelijkheden. De federale staat blijft intussen wel met grootste kosten achter, zoals de pensioenen en de gezondheidszorg. Om het nog erger te maken bevat de financieringswet een inkomensval. Deelstaten waar de opbrengsten uit de personenbelasting lager liggen dan het nationale gemiddelde (Wallonië en Brussel) krijgen extra middelen via een solidariteitsmechanisme. Als Wallonië en Brussel het economisch beter doen, en dus meer bijdragen tot de personenbelasting, dalen door de financieringswet hun budgettaire middelen. De extra middelen dankzij de hogere economische groei liggen lager dan wat ze verliezen door het solidariteitsmechanisme, dat op zo’n moment omgekeerd werkt. Het voeren van een efficiënt economisch beleid wordt hierdoor niet aangemoedigd.
Jarenlang, zeker tijdens het paarse interregnum bij het begin van het vorige decennium, is de kreupele financieringswet geen publiek debat waard geweest. Een aantal beslissingen hebben de nadelige gevolgen van de financieringswet zelfs nog vergroot, bijvoorbeeld door bij het Lambermontakkoord (2000-2001) de dotatie van het vrije Franstalige onderwijs op te trekken. Die verhoging kwam er als tegenprestatie voor de steun van de toenmalige PSC voor het communautaire akkoord. Een politiek akkoord verdient zelden een schoonheidsprijs, maar dit ene geval heeft lang gediend als archetypisch voorbeeld van het failliet van het federalisme: de federatie als melkkoe van de gewesten en gemeenschappen. Tragisch is dat die bijkomende financiering geen soelaas heeft gebracht voor het Franstalige onderwijs. De PISA-prestaties van Vlaamse en Franstalige leerlingen wijken stevig af.
Onderwijs is een voorbeeld van de manier waarop een langlopend probleem, de financieringswet, escaleert door een stilstand van het communautaire debat. Er zijn mensen die de onderfinanciering van het Franstalige onderwijs een totale mythe vinden, zoals professor emeritus Robert Deschamps (Facultés de Namur). Anderen hebben van die mythe een politiek strijdpunt hebben gemaakt, op zoek naar bijkomende financiering. De vaders van de financieringswet (de PS en de toenmalige CVP) hebben ongetwijfeld beseft dat hun compromis een forse besparing inhield. Tot in de jaren tachtig was de jaarlijkse stijging van het onderwijsbudget aanzienlijk. Door de dotatie vast te zetten in het carcan van de financieringswet, werd het onderwijs verplicht om loonsverhogingen en allerhande investeringen te realiseren door efficiëntiewinsten te boeken.
Eerst de centen dan de moraal. In zo goed als elk onderdeel van de grote Belgische politieke onderhandeling is dat het adagium. In de strijd om efficiëntie heeft het nationalisme voorlopig de meest aantrekkelijke retoriek ontwikkeld. Hopelijk laat het succes van de N-VA het toe om het gevoel van vijandigheid wegens aangedaan of vermeend onrecht de komende tijd te doen verdwijnen. In het deugdelijk gefinancierde model dat we voor onze toekomst moeten ontwerpen, mag er geen plaats meer zijn voor ressentiment. Al was het maar omdat ressentiment niets opbrengt.

Harold Polis

(Dit stuk is verschenen in het septembernummer van het tijdschrift Streven.)


Literatuurlijst

Koen Algoed en Wim Van den Bossche, De bijzondere financieringswet in een notendop, HuBrussel en Vives, 2009.
Roberts Deschamps, Enseignement francophone. On peut faire mieux, mais comment? FUNDP Namur, 2008.
Guy Verhofstadt, ‘Il y a quelque chose de pourri en Republique Française’, in Le Monde van 12 februari 2010.
Alain Badiou & Alain Finkielkraut, L’explication. Conversation avec Aude Lancelin, Lignes, 2010.

Geen opmerkingen: