woensdag 22 december 2010

De opstand der snorren - over vrijheid


In de serie 'ouder wordende knorrepotten met een snor': Thilo Sarrazin, de man die in Duitsland het failliet van de migratie afkondigde. Sarrazin is een waardig lid van de snorrenclub waartoe ook Dalrymple en Scruton behoren - maar die hebben hun snor intussen geschoren om minder op te vallen.

Als tegengif laat het Motoronderhoud even Frank Zappa los, iemand met de snor op de juiste plaats. Het filmpje heeft Duitse ondertitels, zodat Sarrazin kan volgen.

(De opstand der snorren bevat interventies van Sarrazin & Sloterdijk.)



Het najaar werd in Duitsland beheerst door Deutschland schafft sich ab van Thilo Sarrazin, een even helder als moedeloos boek over de migratie. Niet wars van provocaties heeft Sarrazin nodeloze uitschuivers gemaakt, onder meer door tijdens de promotie van zijn bestseller het bestaan van een ‘Joden-gen’ ter sprake te brengen. Wekenlang lag Sarrazin op een indrukwekkende manier langs alle kanten onder vuur. De ware betekenis van het fenomeen Sarrazin ligt niet zozeer in de franc parler van deze professorale sociaaldemocraat, noch in de feiten die hij samenbrengt, maar wel in de kloof tussen het publiek van Sarrazin en de politiek. Sarrazins honderdduizenden lezers zijn opgelucht dat iemand hun vrees ernstig neemt: de naoorlogse migratie is niet gelukt. De machteloosheid van Duitse politici, Bondskanselier Merkel op kop, verrast niemand meer, want het is de gewoonte geworden in Europa dat grote maatschappelijke kwesties worden ondergaan. Omdat België in grote mate afhankelijk is van Duitsland, zag ontslagnemend eerste minister Yves Leterme zijn kans schoon om na de rente en de concurrentiekracht ook ons neteligste samenlevingsprobleem vast te haken aan de oosterburen. Dus is ook in België de migratie mislukt. Merkel heeft het gezegd.


(De ambetante mens in actie.)


(Maar hoe moet je reageren op iemand die langs achter tackelt?)

Vaststellen dat de samenleving kampt met problematische ongelijkheid is nog iets anders dan manieren zoeken om die ongelijkheid weg te nemen. Moet je een doelgroepenbeleid voeren of moet je het individuele burgerschap als uitgangspunt nemen? Het grote punt dat Sarrazin tracht te maken is dat Duitsland niet goed wordt bestuurd. De sociale zekerheid doet dienst als een ‘gouden kooi’, terwijl het een instrument van sociale bescherming zou moeten zijn. Wie niet werkt, zal niet eten. Dat is ook wat Paulus in zijn brief aan de christenen van Thessaloniki schreef (II Thess. 3,10). Maar Sarrazin lijkt, los van het feit dat hij het genre van de herderlijke brief nieuw leven inblaast, in niets op ‘de apostel van de heidenen’. Die laatste muntte op zijn eigen strijdvaardige manier het universalisme in de brief aan de Romeinen, en dit zonder het particuliere te ontkennen: ‘Er is geen onderscheid tussen Joden en andere volkeren.’ Nietzsche vond dat flauwekul en verketterde Paulus als een oplichter die het niet kon verkroppen dat er privileges bestonden in het leven. Vooral in De antichrist ontwikkelde de filosoof met de hamer de idee dat het rooms-katholicisme de mensen zwak had gemaakt. Het nihilisme van de kerk van Rome komt erop neer dat het mededogen en vergelijkbare sentimenten worden verheven tot morele waarden. Sarrazin verkiest dan wel harde waarheden boven morele principes, maar hij verzandt in veralgemeningen en schaft eigenlijk het individu af. Reeds in 2009 veroorzaakte hij een gigantische rel door scherp uit te varen naar de armen, sociaal achtergestelde groepen en communautaristisch ingestelde migranten: ‘De Turken veroveren Duitsland op dezelfde manier dat de Kosovaren Kosovo hebben veroverd: door een hoger geboortecijfer.’


RebellComedy - Bücheraktion Thilo Sarrazin from RebellComedy on Vimeo.
(Het verzet organiseert zich.)

Uitgerekend Peter Sloterdijk brak toen een lans voor Sarrazin. De vrije meningsuiting is volgens Sloterdijk gedegradeerd tot een systeem van georganiseerde lafheid: als het maar steriel en homogeen klinkt, dan is het goed. Hij steunde vooral het feit dat een hoogwaardigheidsbekleder ‘ongewenst duidelijk’ durfde te zijn. In het Sloterdijks gaat dat als volgt:

Wie keine Generation zuvor sind wir therapeutisiert, kulpabilisiert, miserabilisiert und auf Defizitgefühle dressiert. In kulturgeschichtlicher Sicht dürften wir die erste Gesellschaft sein, in der man allgemein den Satz unterschreibt, wonach der Mensch das Tier im Minus ist.

Nu vecht Sloterdijk al sinds de Kritiek van de cynische rede (1983) tegen het verlichte valse bewustzijn dat leidt tot blind zelfbehoud, of beter: slaafs nagestreefd zelfbehoud. De mens moet het leven omarmen en zijn verstand durven te gebruiken. In de analyses die Sloterdijk de laatste drie decennia op ons loslaat bepleit hij geen homeopathie, maar een paardenmiddel: sapere aude. Durf te weten. Die imperatief heeft een keerzijde die Sloterdijk zelf als geen ander belichaamt. Met name in zijn Sferen-trilogie draaien Sloterdijks avontuurlijke levensvisie en vrijheidsliefde uit op een ode aan de gedemocratiseerde maatschappelijke privileges van de consument. Ook Sarrazin houdt van de vrije markt en is een uitmuntend retoricus, zij het met een hoekiger stijl. Het zijn twee mannen die Cassandra spelen, zich verschuilen achter veralgemeningen en een onafwendbaar onheil aankondigen, of beter: ze investeren meer energie in het bezweren van het onheil dan in het afweren ervan. Op het eind van Deutschland schafft sich ab geeft Sarrazin wel toe dat de vaststellingen die hij maakt ook ten goede gekeerd kunnen worden door de politiek. Maar veel dieper gaat hij er niet op in, en dat is een ontgoocheling.


(Recent Sloterdijk-interview voor de VPRO; in meerdere delen.)

Na zijn ballingschap in Siberië schreef Lenin Wat te doen? (1902) waarin hij eigenlijk een concrete strategie voor een georganiseerde machtsgreep uitstippelt. Lenin roept op om de tegenstander te bevechten in plaats van tegenstellingen te verzoenen. Achteraf bekeken is het een van de pijnlijkste toekomstvoorspellingen over de twintigste eeuw. Hoewel de tegenstellingen in de samenleving van een geheel andere orde zijn dan in 1900, moeten we niet zo zelfgenoegzaam zijn om te denken dat we vandaag hoe dan ook ons gezond verstand zullen gebruiken. Wat te doen? Als aanklagers zijn Sarrazin en en Sloterdijk zo virtuoos dat ze helaas een van Lenins axioma’s bevestigen: vrijheid van kritiek betekent beginselloosheid. Intussen weergalmt overal in Europa die ene prangende vraag: wat te doen?
In het beruchte België-nummer van Le point geeft Claude Imbert het begin van een oplossing. Hij neemt het deerniswekkende resultaat van de G20-top in Seoul onder de loep: een verkrampt staatsieportret. Terwijl de economische globalisering versnelt, worden de geopolitieke tegenstellingen scherper en verliest Europa aan gewicht. Wat te doen? ‘Avant de prétendre changer le monde, il est urgent de s'y adapter.’ Europa moet meer politieke macht verwerven en gebruiken, anders schaffen we onszelf af. Die macht bereik je volgens Imbert niet door een Europees federalisme na te streven, maar door sterke naties te behouden. Als Frankrijk ‘une machine à fabriquer des Français’ is, dan wil Imbert de werking van die machine veiligstellen door het communautarisme te bestrijden. Dat is nu eenmaal de republiek, zoals ook Sarkozy haar beschreef in zijn cruciale speech over de nationale identiteit: ‘La France ne se pense pas comme une juxtaposition de communautés ou d'individus. La France n'est pas seulement une communauté d'intérêts. Devenir français, c'est adhérer à une forme de civilisation, à des valeurs, à des mœurs.’ De definitie is goeddeels inwisselbaar met wat in elke Europese natiestaat al jarenlang tot eindeloze palavers leidt. We zijn echter aanbeland op een moment dat het beroemdste gedeelde belang van de Europeanen, de sociale zekerheid, ter discussie staat. Overal zijn delen van die sociale zekerheid, al dan niet geruisloos, uit de op een repartitiesysteem gebaseerde solidariteit gehaald. Voor de middenklasse zijn het pensioen en de gezondheidszorg risico’s waartegen je je verzekert. De sukkelaars nemen genoegen met de wettelijk bepaalde voorzieningen. Maar meer ongelijkheid zal de solidariteit niet doen toenemen, integendeel. De komende jaren zullen centen belangrijker zijn dan waarden.
Ook Claude Imbert is een oude brompot die de islam een achterlijke religie vindt, vanuit republikeins standpunt. Toen hij dat in 2003 verkondigde, viel de helft van Frankrijk over hem heen. Hij sluit perfect aan bij Sarrazin en Sloterdijk. Ondanks het aplomb van hun uitspraken dreigen ze voortdurend ten prooi te vallen aan het euvel dat ze bestrijden: morele hoogmoed. Sloterdijk klaagt de ‘lethargokratischen Machtsmodus’ van Merkel aan, die regeren verwart met aan de macht zijn. Sarrazin daagt de politiek uit om te durven regeren en knopen door te hakken, een oproep die tegenwoordig bij ongezouten Europeanen tot Latijnse spreuken leidt. Op het einde van Sarrazins boek staat dan ook de Latijnse versie van een citaat uit de fabel ‘De opsnijder’ van Aesopus: ‘Hic Rhodus, hic salta!’ Politiek en samenleving moeten maar eens het bewijs leveren dat ze een waardige prestatie kunnen neerzetten. Maar hoe moeten we dan de nulmeting uitvoeren die tot resultaten leidt? Is het dan zo dat de mensen die Sarrazin achterlijk noemt geen moeite doen om een waardig en productief leven te leiden? En hoe zou je dat moeten verbeteren? Zou het mogelijk zijn om een objectieve weergave te krijgen van de werkelijke tegenstrijdigheden en inspanningen die het dagelijks leven van elk van ons tekenen? En stel dat die kennis bestaat, zouden we de samenleving dan zo kunnen afstellen dat er vooruitgang wordt gegenereerd, net zoals we met de handel in CO2-certificaten het broeikaseffect trachten te temperen?
Aan zijn ambtelijke staat van dienst ontleent Sarrazin een verwarrende plechtstatigheid. In S/Z ontleedde Roland Barthes het korte verhaal ‘Sarrasine’ van Honoré de Balzac laag per laag, maar die frivoliteit laat Deutschland schafft sich ab van Sarrazin nu ook weer niet toe. Met verantwoorde saaiheid lepelt Sarrazin de lezer statistiek na statistiek op. Dat gaat aardig, tot ook hij ten prooi valt aan de vloek die zelden cultuurpessimisten niet treft: op het einde begint hij te culturaliseren. Er staat niet met zoveel woorden dat de islam een achterlijke godsdienst is. Maar wel dat een groot deel van de naoorlogse arbeidsmigratie cohorten laaggeschoolde arbeiders naar Duitsland heeft gehaald die op de lange duur het gemiddelde onderwijspeil naar beneden hebben gehaald. Of iemand nu uit een godvergeten hol in Anatolië komt, hoeft in se geen invloed te hebben op de waardigheid, werklust of ondernemingszin van die migrant. Vrijheid zonder verantwoordelijkheid schaft zichzelf altijd af, ook als men het levenslicht ziet in Brasschaat. Maar net daar, zo stelt Sarrazin, bevindt zich nog het grootste probleem: in het beleven van die verantwoordelijkheid heeft de samenleving, met dank aan de uitvoerende en wetgevende macht, gekozen voor goedbedoelde pogingen. Een van de sterkste stukken van het boek gaat over het onderwijspeil. Sarrazin stelt nogal overtuigend het bestaan vast van de geestelijke armoede. De oorzaak zit voor een groot deel in de intentie waarmee het onderwijs is gestuurd: het gaat niet meer om goed onderwijs, maar om goedbedoeld onderwijs. Een ruime greep uit de droevige PISA-cijfers doet de rest. De efficiëntste methode om het volk dom en gewillig te houden is om er intellectuele pygmeeën van te maken. Het lijkt van ver op een sinister complot, maar bestuurlijke lafheid zit dichter bij de waarheid. De naoorlogse verzorgingsstaat is volgens Sarrazin een instituut dat zich specialiseert in aanmodderen: Sloterdijks ‘lethargokratischen Machtsmodus’.
Paulus’ adagium, ‘er is geen onderscheid tussen Joden en andere volkeren’, klinkt in deze context uiteraard totaal verdacht. Want vele onderdelen van de socio-economische boordtabel wijzen op het tegendeel. De ondergang van de universalistische gedachte is de utopie die een groot deel van de bevolking benadert als nobele wilden die tot de universele waarheid moeten worden bekeerd, terwijl zij al gewone belastingbetalers zijn met stemplicht. Het bevorderen van de gelijkheid van verschillende culturele gemeenschappen in een bepaald afgebakend bestuurlijk gebied heeft geen succes opgeleverd. Dat was overigens al een keer mislukt in de bloedige geschiedenis van Europa tijdens de twintigste eeuw, zoals wijlen Tony Judt in Na de oorlog uitputtend heeft beschreven. Maar anderzijds zijn die verschillende culturele gemeenschappen er wel (opnieuw) en ontwikkelt die veelheid zich tegen de achtergrond van een doorgedreven globalisering, zodat ‘er is geen onderscheid tussen Joden en andere volkeren’ een heel andere betekenis kan krijgen. Bijvoorbeeld als we er eindelijk van uit zouden gaan dat wij allen in de eerste plaats belastingbetalers zijn met stemplicht.
Hoewel de sociaaldemocratie in Europa een eerder amechtige bende is, weerklinkt de lokroep van de social engineering luider dan tijdens het kabinet Den Uyl in de wilde seventies – toen de verbeelding aan de macht was. Radicale politiek is nu het wapen van rechts geworden. En de migratie is sinds de val van de muur het grote laboratorium waarin er naar hartenlust kan worden geëxperimenteerd. Er wordt duchtig gesleuteld aan de samenleving om zo dicht mogelijk het ideaal te bereiken – zonder goed te weten hoe dat ideaal er kan uitzien. Met de social engineering die Karl Popper op het oog had, heeft het nog weinig te maken. Popper wilde namelijk pragmatische oplossingen voor concrete problemen.
Sarrazin stelt ook ons geduld op de proef. Je zou kunnen hopen dat het debat over migratie rationeler loopt en vooruitgang boekt. Maar dat is niet zo. We voeren al ontzettend lang dezelfde discussie, met dezelfde tegenstellingen, schijnoplossingen en problemen. Niets wijst erop dat we niet nog vele jaren met onze voeten in de modder vastzitten. Zodra het woord migratie valt, worden talloze maatschappelijke problemen op een hoop gegooid en zoekt men redding bij wanhopige scenario’s die schipperen tussen veralgemenen en relativeren. Maar misschien verwachten we te veel van de overheid en te weinig van onszelf.
Het grote bezwaar dat tegen Sarrazin kan worden ingebracht heeft te maken met de onbedwingbare drang om te betuttelen. Het lijkt er toch sterk op dat hij, ondanks zijn eigen tegenkantingen, nog te veel naar de overheid kijkt als fabrikant van vrijheid. In toenemende mate lijkt die productiedwang bij overheden te leiden tot regelneverij, ook op ethisch, religieus en economisch vlak. Het is de fundamentele vraag die Europa zal moeten behandelen wil het overleven: wat betekent vrijheid voor ons? Nature of nurture? Moeten we centraliseren en sturen, of vertrouwen hebben in het individu en vrijheid creëren? Intergouvernementele deals of Europese solidariteit? Moeten we ons neerleggen bij het communautarisme in onze samenleving of mogen we hopen op een andere leidraad? Moeten we Tariq Ramadan volgen die de democratie voortdurend wil amenderen, afhankelijk van de bevolkingssamenstelling, of is een grondwet meer dan een vod papier? Aanvaarden we de trage implosie van ons sociaal model of bedenken we nieuwe manieren om welstand te creëren? Willen we dat discriminatie zo veel mogelijk verdwijnt of aanvaarden we het als darwiniaans fenomeen? Volgen we Keynes of Hayek?
Sarrazins wanhoop over de welvaartsstaat wordt gevoed door feiten. België moet bijvoorbeeld tegen 2015 42 miljard besparen, zo meldde het Planbureau fijntjes, net voor de verkiezingen van dit jaar. Een mens zou dus voor minder van besparingen beginnen te dromen. Het zou de Oostenrijkse econoom en Nobelprijswinnaar Friedrich Hayek als muziek in de oren klinken. Hij is dan ook de man van het moment, de held van ieder die tegen het misbruik van de welvaartsstaat is, tegen het profitariaat, tegen ‘l’assistanat’. Toch zou Sarrazin niet in de smaak vallen bij Hayek. Diens ‘kennisprobleem’ berust op de onmogelijkheid om een bovenmenselijke hoeveelheid kennis te verwerven, wat de overheid vaak pretendeert. Hayeks denken is gebaseerd op het inzicht dat ieder van ons slechts een fractie van de complexe kennis bezit die de totale maatschappelijke interactie bepaalt. Mensen die in de maakbaarheid van de samenleving geloven, zoals uiteindelijk ook Sarrazin, zullen nooit deftige resultaten boeken omdat ze niet in staat zijn om rekening te houden met de input van elk individu apart. Moeten we ons leven meer zelf invullen? Of moeten we meer verantwoordelijkheden en meer geld aan de staat geven? We mogen onszelf niet afschaffen. Maar de echte vrijheid die Hayek zo passioneel verdedigt in The Road to Serfdom moet gewonnen worden op de leugen, op de bemoeizucht van de staat, op de veralgemeningen – ook die van Sarrazin.

Harold Polis

Thilo Sarrazin, Deutschland schafft sich ab, DVA, 2010.
Claude Imbert, ‘L’équivoque mondialiste’, in Le point van 18 november 2010.
‘Thilo Sarrazin im Gespräch’, Lettre International 2009/86.
Peter Sloterdijk, ‘Aufbruch der Leistungsträger’, in Cicero van november 2009.

(Dit stuk verscheen in Streven van januari 2011.)

Geen opmerkingen: