Posts tonen met het label Bea Cantillon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bea Cantillon. Alle posts tonen

zondag 16 november 2008

Achilles en de schildpad


Furl this page

Digg!

(Kasteel Cantecroy in Mortsel. Vruchteloos belegerd tijdens de beeldenstorm, maar nu geknecht door de vergrijzing. Het complex wordt omgebouwd tot luxeserviceflats.)

Over vergrijzing, pensioenen en het verraad van de arbeiders

Zelfs de afgelopen zomer kwamen er in het verstikkende debat over de toekomst van de Belgische federatie nog concrete onderwerpen aan bod. Een artikel van onderzoekers Bea Cantillon, Hendrik Larmuseau en Stijn Lefebure in het Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid deed minister van Pensioenen Marie Arena (PS) in volle zomer naar de grote middelen grijpen. In feite had Cantillon niet meer gedaan dan herhalen wat ze zo vaak heeft gezegd: dat een groot deel van de gepensioneerde Belgen het in toenemende mate moeilijk krijgt. De minister kwam prompt met een vijfjarenplan aanzetten, dat op aloude wijze moest bewijzen hoe stevig de staat de teugels wel in handen had.
De vaststelling die Cantillon cum suis doet, op basis van haar diachroon en voorspellend onderzoek, is van een glasheldere onverzettelijkheid die naar adem doet happen. ‘Indien het beleid een adequate eerste pijlerpensioen ambieert is de tijd tot handelen beperkt.’ De meervoudige beleidsstrategie die ten tijde van het Generatiepact is ontworpen, volstaat niet meer om de fundamentele verschraling van het wettelijke pensioen te keren. Bovendien vallen de economische vooruitzichten tegen en gaat het met de noodzakelijke begrotingsoverschotten de verkeerde richting uit. Onder meer kamervoorzitter Herman Van Rompuy hamerde tijdens zijn oppositiejaren op het gevaar van een verzwakking van het fameuze primaire saldo (het begrotingssaldo zonder interestlast). De feiten, zoals ze bijvoorbeeld genoteerd zijn in het jaarrapport van de Studiecommissie voor de vergrijzing, tonen dat er tijd verloren is gegaan bij het voorfinancieren van toekomstige kosten. We zullen dus binnenkort wat krap zitten.
Ingrijpender is de keuze die wordt gemaakt door niet te handelen. Zelfs wie de paarse jaren het ergste vindt sinds de doortocht van de hertog van Alva, zal moeten bekennen dat anderhalf jaar steggelen aan de hand van synoptische tabellen niet meteen een helder plan heeft opgeleverd, laat staan tot daden heeft geleid. Cantillon wijst op de stilzwijgende aanvaarding van het universeel pensioen. Als het wettelijke pensioen niet voldoende welvaart garandeert en de tussentijdse beleidscorrecties vooral de pensioenen bevorderen van mensen die geen volle loopbaan hebben gehad, dan eindigen we straks allen met een eenheidspensioen. Dat leidt tot een absolute gelijkheid die de ongelijkheid vergroot en de solidariteit fundamenteel onder druk zet. ‘Als Achilles sneller loopt dan de schildpad, dan haalt Achilles op een gegeven moment de schildpad bij’, besluit Cantillon. De paradoxale benadering van de pensioenen wordt inderdaad ingehaald door de werkelijkheid. Maar er is nog een andere interpretatie van de paradoxen die toegeschreven zijn aan Zeno van Elea, met name dat het verdelen van een probleem in deelproblemen niet altijd zorgt voor een oplossing die getuigt van gezond verstand.
Uiteraard is er een aantal kanttekeningen te maken bij de herhaalde klacht van Cantillon. Het blijft heel moeilijk, zo niet onmogelijk, om nauwkeurig te bepalen wat het werkelijke vermogen van de gepensioneerde Belg is. Die hoeft niet uitsluitend te betrouwen op zijn deel van het repartitiestelsel of op de uitbetaling van zijn verzekering. Meestal is hij eigenaar van zijn huis, heeft hij nog andere onroerende bezittingen of houdt hij er beleggingen op na. En, niet te vergeten, hij heeft aan pensioensparen gedaan. Dat ‘grijze’ vermogen is velen een doorn in het oog. Nog niet zo lang geleden zat een behoorlijk deel van dat geld in Luxemburg, buiten bereik van de Belgische fiscus. Dankzij de fiscale amnestie zijn er aanzienlijke kapitalen gerepatrieerd. En bovendien is de couponnetjestrein een anachronisme geworden. Vanaf 1 januari van dit jaar morgen er geen papieren effecten meer worden geleverd. Eind 2013 moeten de laatste papieren effecten bij de bank worden gedeponeerd. Al dat spaargeld maakt mee onze welvaart mogelijk en houdt voor velen ook de oude dag betaalbaar. De pleidooien om die inkomsten uit kapitaal zwaarder te belasten, komen echter meestal van dezelfde politici die vinden dat de wettelijke pensioenen fundamenteel omhoog moeten of die ambtenarenpensioenen onaantastbaar achten. Naast het feit dat het beheer van ons pensioenstelsel en de financiering ervan een haast mystieke moeilijkheidsgraad bereiken, valt het op hoe schizofreen we wel niet over dat pensioen denken. Tot een volksopstand zal het gewis niet komen, maar de meeste mensen bereiden in stilte naarstig een oplossing voor.
Het is bovendien niet al goud dat blinkt. De aanwijsbare toename van het aantal verarmde gepensioneerden terugbrengen tot inkomensarmoede strookt niet met de werkelijkheid. Eenzaamheid, isolement en gezondheidsproblemen vormen een niet te onderschatten factor. Volgens de klassieke definitie van Jan Vranken is armoede een netwerk van sociale uitsluitingen dat meerdere aspecten van het individuele en collectieve bestaan behelst. Armen staan naast de samenleving en kunnen die kloof niet op eigen kracht overbruggen. Dat is helaas ook het lot van steeds meer ouderen.
Terwijl het communautaire schimmenspel in alle nutteloosheid voortwoedt, blijft de vergrijzing als politiek thema slechts een anekdote, een uit te werken doelstelling en de allocatie van wat bij elkaar geschraapte middelen. Nochtans is net die vergrijzing, als symbool van een kantelende maatschappij, essentiëler voor ons dan het confederalisme sui generis, de hervorming van de beruchte financieringswet of de worsteling met een op negentiende-eeuws idealisme gebaseerde nationalistische heilsdroom. De gevolgen van de vergrijzing laten zich niets gelegen aan rang, taal, afkomst of vermogen. Het is een geruisloze storm die bij zijn doortocht niets onberoerd laat, en die het uitzicht van onze samenleving fundamenteel verandert.

Rond 1900 had een Belgische man bij zijn geboorte een levensverwachting van 45 jaar. De Pensioenkassen functioneerden op primitieve wijze. Medische zorgen waren eerder rudimentair. De dood was alomtegenwoordig, niet het minst omdat de werkmens labeurde en zijn lichaam daar de tekenen van droeg. Aftakeling door arbeid was niet minder vanzelfsprekend dan het ultieme afscheid, en werd door velen ervaren als een onderscheiding. Bij gebrek aan bezittingen, kennis of uitzicht op een gesofisticeerder leven, probeerden mensen hun lot te aanvaarden. En voor wie zich weigerde neer te leggen bij de omstandigheden, was de sociale mobiliteit nog een echte droom – en één die het waard was om gekoesterd te worden.
Het verschil met vandaag kan niet groter zijn, althans in het Westen. In grote delen van de wereld, en vooral daar waar mensen zeer goed beseffen wat het leven op het scherp van het zwaard betekent, is de drang om vooruit te komen immens. De tijdelijke surseance van de Europese Unie heeft ook gedeeltelijk met dat verschil in ritmiek te maken, namelijk dat wij de toevloed van op ambitie en overlevingsdrang gerichte migranten niet aankunnen. Zij confronteren ons immers onder meer met onze eigen lusteloosheid (de nieuwste welvaartsziekte heet bore-out) en brengen ons in herinnering dat verworven rechten geen eeuwigheid meegaan. De sektarische vreemdelingenhaat die sinds de jaren tachtig politiek wordt uitgebuit, heeft in verschillende opzichten tot bewustzijnsvernauwing geleid.
De recente problemen naar aanleiding van de bouw van een grote moskee in Keulen vormen hiervan een prachtig voorbeeld. De anti-islamlobby had midden september verzamelen geblazen om de Keulse schande aan te klagen; onder meer Filip Dewinter zou de Keulse malcontenten toespreken. Prompt werd een aanzienlijke tegenbetoging georganiseerd, mede door extreem links, waarbij ideologisch gedrilde atheïsten dus voor de bouw van een tempel vochten, voornamelijk omdat die ene monotheïstische godsdienst, de islam, niet goed ligt bij blanke, christelijk geïnspireerde extremisten.
Dit soort conflicten is in de loop der jaren zowel folkloristischer geworden als platvloerser. We zijn bang voor wat ‘de vreemdeling’ ons zal ontnemen: een dochter, geld, onze job, onze cultuur. Maar nog meer schrik hebben we voor wat hij durft en kan: thuis weggaan, onder de prijs werken, zijn leven riskeren. Terwijl de autochtone samenleving zich verliest in ahistorisch hedonisme en er doelloos ‘voor wil gaan’, zijn het eerder de migranten die voeling met de geschiedenis hebben behouden en daar ook naar handelen. Iemand die tweeduizend kilometer ver rijdt om, gewapend met een toeristenvisum, drie maanden lang in het zwart muren te stuken, heeft een net iets scherper gevoel voor urgentie dan iemand die ertegenop ziet om (met een volledig terugbetaald treinabonnement) naar Brussel te pendelen. Ook in dit geval loopt Achilles sneller dan de schildpad.

Het is een hele opgave om een totaalaanpak van de vergrijzing te ontwikkelen. Dit komt onder meer omdat we nog volop bezig zijn met het opmeten van de omvang van het probleem. Stilaan komt er ook een stroom publicaties op gang die, niet altijd even sterk gedocumenteerd, dieper ingaan op de maatschappelijke consequenties van grijs. In Hoe de wereld verandert doordat wij steeds ouder worden van Hervé Juvin bijvoorbeeld wordt er een metafysica van de vergrijzing geschetst. Juvin, die bijwijlen toch wel heel sterk beïnvloed lijkt door de transcendente antropo-sociologische gedachten van zijn inspirator Marcel Gauchet, fixeert zijn boek rond de almacht die de westerse mens toedicht aan zijn lichaam, het momentane, het tactiele, het nu. Het komt er dan eigenlijk op neer dat het opschuiven van onze leeftijdsgrens ook een kentering heeft teweeggebracht in onze maatschappelijke, ethische en religieuze overtuigingen. Want ja, wat moet je in godsnaam met die 80 of meer jaren aanvangen? Een eeuw geleden had de gemiddelde man het wel even makkelijker. Eeuwige trouw zweren aan een vrouw was bijvoorbeeld niet zo moeilijk, omdat je doorgaans toch jong stierf. ‘De gemiddelde Fransman,’ zo schrijft Juvin, ‘heeft langer een relatie met zijn bank dan met zijn vrouw.’ Het is misschien sociologie van de koude grond, maar onwaar is het allerminst. Even scherp zijn Juvins notities bij de vernietiging van kapitaal door op welbehagen en luxe gerichte bejaarden. De cultus van het eeuwig jonge lichaam, de in te halen verloren tijd en de commerciële angst voor de dood doen erfenissen smelten als ijs voor de zon. Maar ook hier geeft de leeftijd de doorslag: ze worden zo oud, meneer!
Juvin gaat het verband tussen vergrijzing en politiek niet uit de weg. Het oude Europa is daardoor van nature behoudsgezind en inert, wat Juvin tot een cruciaal inzicht brengt: ‘Er is voor ons meer te bewaren dan op te bouwen, meer te beschermen dan te veroveren. […] Dat zou wel eens het einde van de democratie kunnen betekenen, omdat mensen het idee is afgenomen dat je als individu een stempel kunt drukken op collectieve vooruitgang, terwijl geen enkele vorm van vooruitgang meer mag ingrijpen in individuele levenskeuzen.’ Tja, vooruitgang en solidariteit, wie lust dat nog? Vorige eeuw waren die begrippen verpakt in ideologisch onderscheiden politieke bewegingen. Vandaag echter hebben die klassieke partijen hun mobiliserende kracht grotendeels verloren en verkoopt zowat iedereen hetzelfde politieke product.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat in heel Europa net die partijen afbrokkelen waarvan het programma het minst kameleontisch is. In het beste geval is die kameleontische politiek een pragmatisch en probleemoplossend antwoord op de versie van de ‘vloeibare moderniteit’ die Zygmunt Bauman heeft beschreven: de chaotische moderniteit, algehele ambivalentie, toegenomen onzekerheden. In het slechtste geval gaat het om kortzichtige machtspolitiek die even sterk op het behoud van de eigen posities is gericht als de intuïtieve vraag van de kiezer. Op dit moment in de geschiedenis hebben de linkse partijen in Europa zich het slechtst voorbereid om de ‘vloeibare moderniteit’ aan te pakken, terwijl thema’s als vergrijzing, solidariteit en sociale mobiliteit van oudsher tot hun kerntaken behoorden. Wellicht ervaren we eindelijk het definitieve afscheid van wat sinds de Franse Revolutie de klassieke links-rechtstegenstelling is geweest. De Franse president Sarkozy is het symbool van die omkering van de waarden. Hij gebruikt links sinds zijn aantreden als een reservoir van ideeën, mensen en gezagsargumenten waar hij vrijelijk uit put om zijn politieke doelstellingen te bereiken. In een bepalend artikel in Newsweek werd de huidige generatie socialistische politici dan ook niet onterecht omschreven als ‘the lame left’: ‘But the biggest dilemma is that most parties on the left have not figured out how to adapt their old welfare-statist ideologies to modern economic realities – while appealing to voters who see modern reform as a betrayal of their parties' traditional socialist ideals, and who often have more-extreme left-wing parties to turn to.’
Misschien is die fundamentele breuk veel vroeger opgetreden, in België op Zwarte Zondag 24 november 1991 bijvoorbeeld. In Farewell to the Leftist Working Class geven Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks de definitieve diagnose van een maatschappelijke trauma dat zo diep dat het al bijna twintig jaar de politiek verziekt. ‘De arbeider’ beseft dat zijn sociale rechten uitgehold worden en niet meer overeenkomen met zijn persoonlijke verdienste. Hoe universeler die rechten worden, zoals het pensioen, hoe meer mensen worden aangespoord om strenger te oordelen over ‘het profitariaat’: de mensen en structuren die oneerlijk gebruik lijken te maken van gemeenschapsgeld. En de arbeider, hij stemde rechts, omdat hij vond dat hij niet anders kon.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van november 2008.)


Bronnen

Bea Cantillon, Hendrik Larmuseau en Stijn Lefebure, ‘Armoede en welvaart bij Belgische ouderen: vooruitzichten bij het pensioenbeleid’, in Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid, jrg. 49 (2007), nr. 4, p. 793-811.
Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks, Farewell to the Leftist Working Class, Transaction Publishers, Edison, 2008.
Hervé Juvin, Hoe de wereld verandert doordat wij steeds ouder worden, Meulenhoff, Amsterdam, 2008.
Stefan Theil, ‘The New Low Lights On The Left. Europe may have the weakest roster of social democratic leaders in a generation’, in Newsweek, 13 september 2008.

Demografische gegevens vind je terug op de site van het Nationaal Instituut voor de Statistiek: http://www.statbel.fgov.be/

woensdag 12 december 2007

De vergrijzing in België




(Links een portret van de zwartgallige Britse econoom Thomas Malthus, bedenker van onder meer de 'Malthusiaanse catastrofe': de overbevolking regelt zichzelf door een toename van de sterftegevallen.)

Nee, lang niet alle fenomenen van onze postindustriële samenleving zijn beheersbaar. We zijn zo gesteld op het vermijden van risico’s dat onvoorziene omstandigheden tot blinde paniek leiden. In België is bijvoorbeeld sinds enkele maanden de aarde volop aan het opwarmen. Nu iedereen zich de boodschap uit Een ongemakkelijke waarheid van Al Gore heeft ingeprent, lijken zelfs de autoloze zondagen en de fietshappenings van vroeger op verraad. Om het broeikaseffect terug te dringen, worden de inspanningen groter, totaler en heroïscher. We móéten erin geloven.
Een smogalarm komt nooit alleen. Dezelfde onbestemde angst wordt opgewekt door de gevolgen van de vergrijzing, een fenomeen dat alle Europese lidstaten kwelt. Meer nog dan het ongebreidelde energieverbruik zou het kantelen van de demografische driehoek een hoofdstuk kunnen zijn in Barbara Tuchmanns The March of Folly. Een kind had kunnen voorspellen dat de dalende nataliteit tot weinig feestelijke resultaten zou leiden. En plots was het zover. Op 15 maart meldde Luc Coene, voorzitter van de afdeling Financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën, dat het federale België tot 2050 een strak begrotingsbeleid zou moeten voeren. Een halve eeuw lang besparen? Die bindende voorspelling heeft uiteraard politieke betekenis. Tijdens de laatste communautaire rondes hebben de gewesten en gemeenschappen meer extra geld dan bevoegdheden gekregen. Het budget van de federale staat daarentegen is gekrompen, terwijl zij de last van de vergrijzing voor het grootste deel torst. Er moet dus worden onderhandeld over een herverdeling van middelen en bevoegdheden. Net zoals de Chinezen leningen over meerdere generaties afsluiten, gaan wij bepalen hoe zuinig onze kleinkinderen moeten leven. De mondialisering ten top. De turbulentie en noodzakelijke compromissen die gepaard gingen met het Generatiepact hebben alvast duidelijk gemaakt dat de vergrijzing geen detail is dat met een nachtje onderhandelen wordt opgelost. We benaderen de zaak nog steeds veel te rooskleurig en voeren mede daardoor een politiek die het algemeen belang niet dient.
We voelen de zware adem van de geschiedenis in onze nek. De indruk wordt gewekt dat we niet veel tijd meer hebben om ons lot te bepalen. Onze beurt is over. Onze verzorgingsstaat lijkt uit te doven.

Ouderen grijpen de macht

Soms is de toekomst voorspellen makkelijk: ook 2007 wordt beheerst door het debat over de toekomst van onze welvaartsstaat. Een opvallend kenmerk is de vaak onoordeelkundige vermenging van technische feiten en maatschappelijke keuzes. Menigmaal wordt de toekomst van de welvaartstaat voorgesteld als een zuiver instrumentele (en voor sommigen communautaire) aangelegenheid: als we hier wat schrapen en daar wat plamuren, komt alles wel goed. Die schijnbaar objectieve aanpak houdt echter zelden rekening met de maatschappelijke impact van de ingrepen. De vele facetten van het debat komen helder aan de orde in twee boeken die vorig jaar verschenen: Red de welvaartsstaat, samengesteld door vier journalisten van het financieel-economische magazine Trends, en Naar grijsland van econoom Koen de Leus.
Er zijn meer ouderen, de groep hoogbejaarde ouderen neemt toe en door de dalende nataliteit zijn er minder jonge werkkrachten. Daarbij komt de te lage arbeidsparticipatiegraad: jongeren beginnen later te werken, oudere werknemers worden vroeg afgeschreven, te weinig werkende vrouwen, achterstelling van minderheden… De combinatie van vergrijzing en lage arbeidsparticipatie is weinig rooskleurig. In Red de welvaartsstaat wordt meermaals verwezen naar uitspraken van Jan Smets, voorzitter van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Hij stelt dat we vandaag de gevolgen van het dalende arbeidsaanbod schromelijk onderschatten, omdat er nog veel werklozen zijn en er dus een grote arbeidsreserve is. Na 2010, het jaar waarin de kanteling van de demografische driehoek zeer tastbaar wordt, is het uit met de pret.
2010 is uitgegroeid tot het symbooljaar van het Belgische vergrijzingsepos. Onterecht, want 2010 ontleent zijn symboliek aan statistieken die elk jaar veranderen. Dat blijkt ook uit verslagen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing die jaarlijks een ‘geactualiseerde evaluatie van de budgettaire kost van de vergrijzing’ berekent. De wet van de grote getallen is genadeloos, evengoed voor de kost van de vergrijzing en die van de zorg: een procent meer of minder brengt immense verschuivingen teweeg.
Het grote debat over de welvaartsstaat biedt echter één zekerheid: hoe objectief de cijfers ook lijken, uiteindelijk is er altijd een maatschappelijke keuze in het geding. Neem de stijgende kost van de (gezondheids)zorg. Die is grotendeels toe te schrijven aan de technologische vooruitgang. Moet je dan met een beperkt budget a) alle technologie voor iedereen betaalbaar maken, b) sommige technologie uit de sociale zekerheid halen, of c) technologische hoogstandjes voorbehouden aan wie er het meest nood aan heeft? Elke keuze zal ethische en politieke dilemma’s opleveren. Betaalt de patiënt of de samenleving de ingewikkelde hartoperatie van de tachtigplusser? En is die operatie belangrijker dan, bijvoorbeeld, de peperdure fertiliteitsbehandeling van twee dertigers die lang hebben gewacht om aan kinderen te beginnen? In dit opzicht is de mening van Etienne de Callataÿ het noteren waard. Deze hoofdeconoom bij Bank Degroof denkt dat de vergrijzing ook de politiek kan verzwakken. Omdat de stem van de ouderen zwaarder weegt, neemt de druk toe om geen ingrijpende keuzes te maken en de factuur van de vergrijzing door te schuiven naar de volgende generatie.

Meer vrije markt en deregulering

Bejaarden geven liever geld aan de verzorging voor hun hond dan aan een krantenabonnement of nieuwe kleren. Het is een van de vele nutteloze feiten die Koen de Leus aanhaalt om zijn punt te maken: de mens is een consument die zelf zijn toekomst bepaalt. Naar grijsland tracht zo concreet mogelijk te beschrijven wat de economische gevolgen van de vergrijzing kunnen zijn. De alsmaar toenemende kost van de gezondheidszorg is ook voor De Leus de grote boosdoener. Oudere mensen hebben meer medische kosten, maar ze beschikken ook over een groter persoonlijk budget voor gezondheidszorg. Het wordt dus moeilijker om te bepalen waar de medische noodzaak eindigt en de consumptie begint. De Leus pleit ervoor om de heilige huisjes niet te sparen: onze verzorgingsstaat moet grondig worden herdacht.
In zijn analyses toont De Leus durf en eruditie, én een te beperkte visie op welzijn. De maatschappelijke kost van de vergrijzing reikt nu eenmaal verder dan de aankoopprijs van een looprek. Door de mens, meer bepaald de gepensioneerde babyboomer, te reduceren tot een productie-eenheid met een spaarrekening wordt het verhaal van De Leus niet aannemelijker. En dat is onterecht. De grote verdienste van Naar grijsland is dat heel wat angstaanjagende concepten uit het vergrijzingsdebat tot de ware proporties worden teruggebracht. De theorie van de asset meltdown bijvoorbeeld: vandaag draait de economie nog behoorlijk omdat er flink wordt gespaard, maar zodra de vergrijzing echt toeslaat zullen steeds meer bejaarden hun spaargeld opeten, wat uiteindelijk leidt tot een economische ijstijd. Het grijze, verarmende Europa versus de jonge, boomende BRIC-landen. De Leus geeft echter goede argumenten waarom het niet zover hoeft te komen. België staat, net als de rest van Europa, voor een fundamentele keuze: hoe pas je de economie aan dat de welvaart bewaard blijft voor volgende generaties? De remedies die De Leus voorstelt zijn uitgesproken liberaal: meer vrije markt en deregulering. Zijn doelstelling is echter algemeen aanvaard: er moeten meer mensen aan het werk. De Leus pleit vurig voor een vrij verkeer van diensten en dus voor de verketterde Bolkestein-richtlijn. Als zelfs maar een deel van de immense veranderingen die De Leus beschrijft werkelijkheid wordt, dan kun je nu al geld inzetten op het heropenen van de Europese discussie over de dienstensector.
Nogmaals, deugdelijk bestuur is een voorwaarde om de vergrijzing het hoofd te bieden, maar begrijpen we de feiten goed genoeg om ook op de kleintjes te kunnen letten? Het is naïef en zelfs gevaarlijk te denken dat we de klus klaren door louter en alleen een nieuwe fiscaliteit in te voeren die arbeid fundamenteel minder belast. Bestaat er wel een gouden greep? Die vraag houdt de onderzoekers van Covive bezig (het antwoord is overigens negatief). Dit interuniversitaire consortium voert onderzoek naar de socio-economische impact van de vergrijzing in Vlaanderen en Europa. De reader Ouderen in Vlaanderen van 1975 tot 2005 is zonder meer een van de interessantste publicaties van het jaar. Covive slaagt er nog niet in het globale verhaal te vertellen, maar de deelonderzoeken hebben geen nood aan een groot gebaar. De cijfers spreken boekdelen. Uit dertig jaar socio-economische, demografische en beleidsmatige ontwikkelingen halen de onderzoekers drie grote vaststellingen: we moeten heel wat clichés ontkrachten, verkeerde inschattingen bijsturen en werken aan een integrale aanpak van de vergrijzing.

Verkeerde inschattingen

Wetenschappelijk onderzoek is alleen grappig als je onderzoeksresultaten confronteert met waarheden van gisteren. Vooral demografen blinken uit in die oefening. Uit hun tabellen blijkt bijvoorbeeld dat we eind jaren zeventig de verwachte geboortegraad stevig hebben overschat en de ontgroening onderschat. Volgens Johan Surkyn, een demograaf van de VUB, overschatten we de vruchtbaarheid zelfs systematisch. Dit betekent niet dat we optimistisch denken over de bevolkingsevolutie. Het is bon ton te jammeren over het lot van onze welvaartstaat. Door de toename van de levensverwachting en de daling van het aantal geboortes, zouden we welvaart moeten inleveren. Het vruchtbaarheidscijfer in België lag begin jaren zeventig nog rond het vervangingsniveau van 2,1 kind per moeder. Na de babyboom kwam echter de babybust. Ruim dertig jaar later schommelen we rond 1,6 kind per moeder. Het tekort aan kinderen, en dus aan toekomstige werkkrachten, levert het beste bewijs van onze ‘neergang’. Niet waar, zegt Surkyn. Zoals we het aantal geboortes hebben overschat, zo hebben we de positieve gevolgen van migratie onderschat. Migratie is dan wel geen remedie tegen vergrijzing, de instroom van hoofdzakelijk jonge mensen remt al vele jaren de dalende bevolkingstrend af. Bovendien hebben we een gekleurd en te negatief beeld van migratie. Op Vlaams niveau bijvoorbeeld komt ruim een derde van de migranten uit België zelf. Surkyn: ‘Het is dus vanuit menselijk standpunt, maar evenzeer in sociaal-economische zin, aangewezen ervoor te ijveren dat het human capital dat aanwezig is in de migrantenstroom ontwikkeld en gevaloriseerd wordt.’
Nog zo’n punt is onze angst voor sociale desintegratie. Leen Heylen (Universiteit Antwerpen) onderzoekt of en hoe de individualisering het sociale weefsel van ouderen aantast. Verrassend genoeg vindt Heylen weinig redenen tot paniek. Eenzaamheid blijft een maatschappelijk probleem, maar ouderen participeren wel degelijk, zij het anders dan vroeger. Hun contactpatroon bijvoorbeeld is divers, wat niet betekent dat er meer eenzaamheid ontstaat. De individualisering is er ook voor ouderen. Zij stellen eenvoudigweg hun verwachtingen bij. De belangrijkste conclusie uit dit onderzoek is wellicht dat je niet meer kan spreken over ‘de ouderen’. Bejaarden zijn een bijzonder heterogene groep geworden.

Clichés ontkrachten

De manier waarop gezinnen en families zich ontwikkelen, heeft een zware invloed op de ouderenzorg. Benedicte De Koker, Thérèse Jacobs en Edith Lodewijckx (Universiteit Antwerpen) onderzochten die invloed in de periode 1975-2005. We zijn ervan overtuigd dat onze maatschappij gebukt gaat onder een gebrek aan zorg en een overschot aan egoïsme. Het lijkt alsof steeds minder mensen willen zorgen voor zieke of familieleden. De cijfers uit het onderzoek spreken dit tegen. Hoewel de intensiteit van de mantelzorg daalt, zorgen we met meer liefde dan vroeger. Mantelzorg mag een minder vanzelfsprekende bezigheid worden, het gebeurt met een grote motivatie en dus is de zorgbelasting kleiner.
We zorgen niet meer omdat het moet, maar omdat we het graag doen. Ook het feit dat we steeds meer vinden dat respect in familieverband moet worden verdiend, speelt een rol. Kijk maar naar de beruchte onderhoudsplicht. Ruim 53% van de Vlamingen tussen twintig en vierenzestig wijst de huidige wettelijke regeling af. In de leeftijdsgroep tussen vijftig en vierenzestig loopt die afwijzing op tot 60%. De meeste ouderen, vooral die met kinderen, wijzen de gedwongen familiale solidariteit af. Uit de enquête Zorg in Vlaanderen van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie (CBGS) blijkt dan weer een zeer grote bereidheid om zorg te verlenen aan een niet-inwonend familielied. En uiteraard zijn het nog steeds voornamelijk de vrouwen die zorgtaken opnemen. De nieuwe man is nog niet voor morgen.
Dit lijkt enigszins geruststellend, maar in vele (stedelijke) gebieden vergrijst de bevolking zienderogen. Alles wijst erop dat ons zorgsysteem in zijn voegen kraakt. De bevolkingsevolutie heeft een situatie doen ontstaan van acute nood, een wachtlijstcultuur die steeds zwaarder drukt op het budget van de overheid. Of is dit voor een groot deel perceptie? Ignace Leus, directeur Afdeling Zorg van de Christelijke Mutualiteit, waarschuwde in een reactie op het onderzoek van De Koker, Jacobs en Lodewijckx voor zelfgenoegzaamheid, zeker wat de ouderenzorg betreft: ‘We mogen de ogen niet sluiten voor het feit dat de absolute aantallen exploderen. Tot 2010 beleven we een relatief stille periode, maar vanaf dat moment zullen we een explosie meemaken.’ Leus neemt dan zelfs het woord ‘verschrikkelijk’ in de mond. Hij pleit onomwonden voor een Marshallplan voor de opvang van bejaarden.

Is meer ook beter?

Meer levensjaren zijn alleszins niet noodzakelijk betere levensjaren, zo blijkt uit het onderzoek Demografie van de gezondheid in Vlaanderen van Patrick Deboosere (Vrije Universiteit Brussel). ‘Veel meer dan de puur demografische of economische afhankelijksheidsratio’s, zal de toekomst worden bepaald door de gezondheidsafhankelijkheidsratio,’ schrijft hij. Zullen we, met andere woorden, in staat zijn om voldoende zorg te mobiliseren wanneer er steeds meer oude zieke mensen bijkomen? Zelfs na een lange periode waarin onze levensverwachting elk jaar een seizoen won, zitten we niet aan de limiet. De gemiddelde leeftijd kan nog omhoog, maar brengt Deboosere ook tot enkele ontnuchterende vaststellingen. We komen in de problemen als de vergrijzing zou doorgaan zonder dat de geneeskunde zich verder ontwikkelt. Met steeds meer en steeds oudere bejaarden zal de ziekte van Alzheimer bijzonder zwaar wegen op het budget. Het belang van preventie neemt fors toe, maar ook dat van farmaceutische innovatie. Wellicht zal die ontwikkeling ook tot ethische dilemma’s leiden. Moet de maatschappij de verantwoordelijkheid nemen voor al onze gezondheidsrisico’s? Dure research die nog duurdere geneesmiddelen moet opleveren waarmee dure hoogbejaarde zieken nog langer in leven moeten worden gehouden? Het wordt geen eenvoudige discussie.
Hetzelfde geldt voor het ouderenzorgaanbod. Tussen 1975 en 2005 is het in Vlaanderen – zowel in de thuiszorg als in de residentiële zorg – verruimd en gedifferentieerd. De thuiszorg is in Vlaanderen beter uitgebouwd dan in Wallonië en Brussel. Maar Vlaanderen behoort niet meer tot de koplopers in Europa en het ouderenzorgaanbod in Vlaanderen blijft erg gefragmenteerd.
Bea Cantillon, coördinator van Covive, wil de feiten voor zich laten spreken. De realiteit is veel complexer dan schema’s en clichés, en ze is vatbaar voor verandering. Cantillon noemt de toestand niet hopeloos, wel zorgelijk. Onze verzorgingsstaat heeft een achterstand opgelopen in vergelijking met twintig jaar geleden. Het ziet er minder gunstig uit dan we zelf willen geloven. Die vaststelling staat ook in Postremus inter pares, een recent rapport van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (CSB) waarin de socio-economische prestaties van België worden vergeleken met andere Europese landen.
De zeer diverse onderzoeken die Covive voert, vormen de aanzet van een breed verhaal over onze nabije toekomst. Die integrale aanpak is broodnodig, want in de vergrijzing komen haast alle belangrijke maatschappelijke thema’s samen. Bovendien delen we de vergrijzing met onze buurlanden. In de onlangs verschenen Nederlandse essaybundel De vergrijzing leeft schrijft socioloog Kees Schuyt: ‘Vergrijzing is geen ramp. Een ramp komt onverwacht. De vergrijzing zagen we al jaren aankomen. De enige overeenkomst tussen een ramp en de vergrijzing is dat ook bij de vergrijzing overheidsinstanties langs elkaar heen werken. Maar er hoeven eigenlijk helemaal geen dramatische en draconische beslissingen te worden genomen, als we tenminste niet te lang wachten.’
Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Harold Polis

Dolf van den Brink en Frank Heemskerk, De vergrijzing leeft. Kansen en keuzen in een veranderende samenleving, Bert Bakker, Amsterdam, 2006, 19,95 euro. ISBN 90-351-3021-9.
Roeland Byl, e.a., Red de welvaartsstaat. [Met een voorwoord van Mark Eyskens], Roularta Books, Roeselare, 2005, 196 blz. ISBN 90-5466-697-8.
Koen de Leus, Naar grijsland. Uitvaart van onze welvaart. Met een voorwoord van Yves Leterme, Roularta Books, Roeselare, 2006, 328 blz., ISBN 90-5466-913-6.
De jaarverslagen van de Commissie voor de Vergrijzing staan op de website van het Federaal Planbureau: http://www.plan.be. Voor meer informatie over Covive, zie www.covive.be.
Het rapport Postremus inter pares kan je volledig downloaden.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van maart 2007.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...