Posts tonen met het label Herman Teirlinck. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Herman Teirlinck. Alle posts tonen

zondag 1 maart 2009

Rolande met de Bles


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Elisabeth Teissier speelde Rolande in de kille verfilming van Roland Verhavert. Hier een van haar andere glansrollen, Moira in de B-film La rose échorchée.)

Dat het allemaal potverteerders en profiteurs zijn. Beleggers wisten toch waaraan ze begonnen? Al die aandeelhouders, grootkapitalisten, herenboeren: naar de openbare onderstand ermee, of een derderangsstrand in Turkije. Tot slot sturen we Rolande met de bles op hen af, de vervaarlijke lichtekooi uit de lichtstad. Geen familiefortuin ontsnapt aan haar roofzucht. Die Parijse slet is het hardste personage dat Herman Teirlinck heeft bedacht. Ongrijpbaar en verpletterend tegelijk. Ze knijpt de gefortuneerde mannen die voor haar charmes vallen zachtjes dood.

Teirlinck is al een oude man wanneer hij de sensuele verwoestingen beschrijft die Rolande aanricht. Dat schrijven ging niet zonder slag of stoot, getuige de doorwrochte titel: Rolande met de Bles. De XXXX brieven aan Rolande door Renier Joskin de Lamarache. Nederlandse tekst met liminaire nota (1944). Aanvankelijk wilde Teirlinck het boek zelfs in het Frans beginnen, in een poging om de Franse briefroman te benaderen. Net als in Les Liaisons Dangereuses van Cholderlos de Laclos brengt Teirlinck de dwaalwegen van de verleiding zo meedogenloos mogelijk in kaart. Het verhaal wordt geënsceneerd als een schaduwgevecht. Rolande komt in de roman nergens rechtstreeks aan het woord. Het drama wordt tot leven gewekt in de brieven die de Brabantse adelborst Renier de Lamarache aan Rolande stuurt.

In Les Liaisons Dangereuses is het de pruikentijd die eraan moet geloven. Het Franse ancien régime wordt in dat boek voorgesteld als het toppunt van decadentie en corruptie. Ook Teirlinck toont een samenleving die aan zichzelf ten onder gaat. Renier vecht tijdens de Eerste Wereldoorlog als piloot aan het front. In 1917 ligt hij halfblind in een Parijs ziekenhuis, waar hij wordt verzorgd door een verpleegster met wondere gaven, Rolande genaamd. Wanneer Renier haar na de oorlog weer opzoekt, blijkt ze in een peperdure hoerenkast te werken. Een schoonheidssalon, zo noemt Teirlinck het. Dat klinkt uiteraard preutser dan het is.

In die Académie de Beauté wordt de sensualiteit bedreven als een wetenschap. Dat maakt een enorme indruk op Renier, die besluit om er zijn erfenis in te investeren. Vanaf dan loopt het fout. Want Parijs is ver weg van zijn plechtstatig kasteel aan de rand van het Pajottenland, tussen Edingen en Halle. Renier denkt en handelt als een bezetene. Hij laat zijn verloofde in de steek, schoffeert zijn familie en dumpt zijn enige zoon bij de paters jezuïeten. Halsoverkop vlucht hij naar Parijs, vast van plan om zich in de armen van Rolande te storten. Uit Reniers brieven blijkt echter dat hij jaagt op een schim. Rolande verzint de ene uitvlucht na de andere om Renier te ontwijken. En wanneer Rolande uiteindelijk toch toegeeft en korte tijd in zijn Brabants kasteel komt wonen, nadat hij iedereen er heeft weggejaagd, draait de affaire op een volslagen mislukking uit. ‘Ik heb het aan mijn eigen tong gehoord wat ge dan zijt, mevrouw: de klassieke entôleuse, een alledaagse oplichtster, een slet.’

Alles in Rolande met de Bles ademt ondergang. Het geslacht van de Lamaraches sterft roemloos uit. Reniers eerste vrouw bezwijkt in het kraambed. Zijn enige zoon is gehandicapt – hij mist een hand. En Renier zelf, de trotse landjonker, vervolmaakt zich als talentloze fils-à-papa, een omhooggevallen drol die in de toekomst van gisteren leeft.

Niemand kan Rolande krijgen. En de man die het toch waagt om aan haar jarretelles te frunniken stort zichzelf in het verderf. Uiteraard valt die eer een Vlaming te beurt, een onnozelaar en plattelandsaristocraat op de koop toe. Iemand die zich veilig waant in zijn dorp en zenuwachtig wordt van de grootstad. Renier wordt overmand door een treiterig gevoel van treurnis. Het is geen razernij. Machteloosheid drijft hem in de armen van het ongeluk. En dat noodlot kan niet anders dan Parijs zijn, de plek die de passie vermoordt en dromen klein maakt. Het is een populair thema geweest bij de vele twintigste-eeuwse Vlaamse kunstenaars die een omweg langs Parijs hebben gemaakt. Lees Een zachte vernieling van Hugo Claus. Maar geen enkel personage uit die traditie handelt zo amoreel als de Rolande van Herman Teirlinck.

Rolande is zelfs prehistorisch slecht. Toen Teirlinck haar bedacht, werd hij ‘door de sappen der aarde met kracht aangegrepen’. Geheel in de sfeer van de late jaren dertig verheerlijkte Teirlinck de levenslust en de onoverwinnelijke natuur. Terwijl er toch bijzonder weinig te bejubelen was en vitalisten niet zelden warmliepen voor Hitler. Maar Teirlinck was nu eenmaal een onvoorspelbare man van ‘twaalf ambachten en dertien overwinningen’ (dixit August Vermeylen). En dus stelde hij moeder natuur voor als een hoer uit Parijs. Faut le faire.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Standaard der Letteren van 27 februari 2009.)

dinsdag 18 december 2007

De ark van het vrije woord


Een geschiedenis van de waarheid, dat zou nog eens een boek zijn. Iedereen in zijn gelijk bevestigd! Een van de storende conclusies van het te verschijnen meesterwerk luidt ongetwijfeld dat waarheid, met of zonder Kleenex, voor interpretatie vatbaar is. Neem nu de debuutroman Het Boek van Joachim van Babylon (1947) van Marnix Gijsen. Met die titel vestigde Gijsen zijn naam als 'beroemd schrijver'. In de periode rond de Tweede Wereldoorlog had Gijsen de deur van de kerk achter zich dichtgetrokken. Die apostasie zinderde door in de personages van zijn debuutroman, die bovendien de vrouwelijke deugdzaamheid ter discussie stelde. Met Het Boek van Joachim van Babylon zou Gijsen de Prijs voor Letterkunde van de Provincie Antwerpen hebben gewonnen, ware het niet dat de organiserende overheid in het zicht van de haven overstag ging en haar veto stelde. "De commissie is van oordeel dat het werk van Marnix Gijsen niet van die aard is om bekroond te worden aangezien het aanstoot geeft aan de gevoelens van het grootste gedeelte van de inwoners van de Provincie Antwerpen." Als je Het Boek van Joachim van Babylon herleest, kun je nauwelijks nog vermoeden waarom de tekst zoveel ophef heeft gemaakt. Het verhaal speelt zich eeuwen geleden af, op een veilige afstand van Europa. Bovendien heeft Gijsen nooit een maagd doen blozen, heeft hij van afstandelijkheid zijn handelsmerk gemaakt, en is hij als diplomaat een trouwe dienaar van het gezag geweest. Bij de decennialange strijd tussen het kerkelijke gezag en de vrijzinnigheid kreeg Gijsen echter een markante bijrol in het Vlaamse hoofdstuk. Vermaarde katholieke intellectuelen die overliepen naar de goddeloze kant gaven het instituut een lelijke knauw. En Gijsen was strijdbaar rooms geweest, een kind van het triomfalistische geloof, een adept van het katholieke renouveau van Jacques Maritain - de Franse filosoof die aan Igor Stravinsky, Jean Cocteau en Michel Seuphor de weg naar de kerk toonde. Het Boek van Joachim van Babylon deed dus pijn.

De kletterende ruzies uit de jaren vijftig zijn intussen gereduceerd tot achterhoedegevechten. Kenschetsend is de uitspraak van de vorig jaar overleden priester Eric Vanden Berghe, president van het Brugse Grootseminarie: "Onze haring braadt niet meer." De maatschappelijke reikwijdte van religie is voor sommige vrijzinnigen zo onbelangrijk geworden dat het hen zelfs niet meer uitmaakt of burgers in een neutrale omgeving religieuze symbolen dragen. Dat lag in de jaren vijftig toch net iets moeilijker. Na het incident met Het Boek van Joachim van Babylon bliezen de (vrijzinnige) intellectuelen verzamelen rond het Nieuw Vlaams Tijdschrift. In februari 1951 publiceerde dit blad een artikel van de eerbiedwaardige Herman Teirlinck, waarin hij de oprichting van de Ark van het Vrije Woord aankondigde: "De waarheid zoeken wij in óns, - in het licht van ons geweten, in een harmonische betrachting van rechten en plichten, in onze liefde voor alle mensen, in onze moedige aanvaarding van het leven. Een geboeide mens erkennen wij niet. Daarom zijn alle geknevelden en ontaarden onze vijand. Een vrij man is onze vriend." Ook die retorische kronkels klinken vijftig jaar later vreemd en hooggestemd. De verklaring ligt in de lange weg die we sinds de verzuilde stellingenoorlog hebben afgelegd. Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Arkprijs van het Vrije Woord werd in 2000 de feestbundel Een onberaamd verbond uitgebracht. De vele getuigenissen in dit boek tonen hoe de levensbeschouwelijke hanengevechten plaats hebben gemaakt voor maatschappelijke betrokkenheid en morele moed, grondstoffen die vandaag schaarser zijn dan het vrije woord. Dit jaar werd de naam van de Borgerhoutse vzw Roma in de sokkel van de door Jozef Cantré ontworpen Ark gegrift. Misschien hebben we geen voeling meer met de tragiek die achter het verhaal van de Ark schuilt. Het vrije woord is een excuus geworden voor mensen die hun mond niet kunnen houden, bromt de Britse arts en cultuurcriticus Theodore Dalrymple. Zelf chargeert hij zeer graag tegen het ontspoorde westerse denken dat collaboreert met de zelfkant en sentimentaliteit hoger acht dan diepgang. Volgens Dalrymple zijn dit symptomen van een samenleving met een acuut tekort aan verantwoordelijkheidszin. Als verdedigingswapen brengt hij zijn 'parler vrai' in stelling. Zelfverklaarde herauten van het vrije woord vallen voor Dalrymple en doen diens gewetensvolle woede meestal geweld aan. We zullen eens goed ons gedacht zeggen.

Niet alleen het gat in de ozonlaag wordt groter, ook onze openhartigheid bereikt een dimensie die de volksgezondheid in het gedrang brengt. Alle televisiesmoelwerken kenden we al van haver tot gort, concubines, bastaardkinderen en borstomtrek incluis. Niet zelden kunnen we op hen stemmen. Dankzij YouTube en andere poelen van user generated content weten we ook alles over smoelwerken zoals u en ik. Na lang en naarstig ontvoogden en democratiseren is de vrijheid van meningsuiting nog nooit zo absoluut geweest. We zijn veroordeeld tot de totale openbaarheid. Daarmee voeren we uit wat Jeremy Bentham al in de achttiende eeuw had bedacht: het panopticum. Om de massa te controleren ontwierp Bentham een constructie die het voor één bewaker mogelijk maakte om alle gevangenen in het oog te houden. Dankzij de technologie spelen we tegelijk bewaker en gevangene. Het houdt ons braaf en gedisciplineerd. We zijn in onze bewegingsvrijheid beperkt door een keurslijf van protocollen en formats, normen en waarden, met onze naasten als toezichthouders. Het vrije woord, die straathond, moet de stegen afschuimen en registreren wat verzwegen wordt, besnuffelen wat stinkt, afkluiven wat er van rijke tafels valt. Of het vrije woord de moed van de overtuiging vertolkt, zich laaft aan de gerede twijfel tegenover de goede bedoelingen van de medemens of conventionele wijsheden ontkracht, altijd bevat het een kern die ontsnapt aan de controle van het panopticum. En er is zoveel waaraan we vandaag moeten ontsnappen. In een land dat van zijn navel een afgod heeft gemaakt, kan het belang van de Ark van het Vrije Woord alleen toenemen.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 27 juni 2007.)

'Dode bladeren' verschijnt op 6 oktober

  Op 6 oktober verschijnt bij uitgeverij Tristan   Dode bladeren , een boek waaraan ik de afgelopen jaren heb gewerkt. Op het omslag staat ...