Posts tonen met het label Mark Elchardus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mark Elchardus. Alle posts tonen

dinsdag 5 februari 2008

Het wederzijds huwelijksbedrog

Over de (on)mogelijkheid van een gezamenlijk letterenbeleid in Nederland en Vlaanderen

Nederlands is een dialect dat aan de Noordwestelijke rand van het Europese continent wordt gesproken. Ziehier het grootste probleem: we zijn niet met zoveel, het Engels is belangrijker en het Frans is mooier. Mede om het Nederlands iets meer volume te geven verzamelt de Taalunie Nederlandssprekenden uit Europa en de overzeese gebieden. Met enige overdrijving kun je dit een poging tot Neerlandofonie noemen, naar analogie met de Francofonie. Een gezamenlijk Nederlands-Vlaams letterenbeleid vormt een emanatie van die toestand – het is ook een officiële opdracht van de Taalunie. Als dit de doelstelling is, dan moeten we hopen dat we het beter doen dan de Franstaligen. Naar aanleiding van het voorbije Salon du Livre, gewijd aan de Francofonie, verschenen er tal van bittere artikelen. Zo liet de Zuid-Afrikaanse filosofieprofessor Achille Mbembe optekenen in Le nouvel Observateur van 16: ‘Le projet officiel francophone est une affaire de chefs d’Etats qui, par définition, n’intéresse personne de sérieux. Les institutions de la francophonie sont, quant à elles, une immense bureaucratie linguistique qui manque de souffle […]. Elles sont au service de petits réseaux très fermés de clients qui vivent sur une rente juteuse – la rente linguistique.’ Mbembe, en velen met hem, stellen die lethargische eigendunk aan de kaak. De Francofonie als een amorf geheel waarvan de legitimering op mythes berust, met als opvallendste mythe: de taal zelf. De mooiste uitspraak in dit rondje Frankrijk-bashing (want de niet-Franse Franstaligen keren zich uiteraard tegen de culturele hegemonie van Parijs) kwam van de in Amerika werkende Congolese schrijver Alain Mabanckou: ‘Je n’ai pas choisi la langue Française, je l’ai trouvée chez moi, dans la boue, dans le quartier, dans le terrain de foot, comme les autres langues du Congo.’ De taal is een instrument. Niet meer, niet minder.

Die pragmatische houding is veel aantrekkelijker om de toekomst van het Nederlands en van de Nederlandstalige literatuur te vrijwaren. De taal is niet gans het volk. En de taal is zeker ook niet gans de cultuur, wat de beginselverklaring van de Taalunie nog steeds doet vermoeden. Een gemeenschappelijke taal- en letterenstrategie gebaseerd op cultuurpolitieke mythes (de taal is gans de cultuur) is gedoemd om de ondergang van het Nederlands te bespoedigen. Er is namelijk geen gedeelde Vlaams-Nederlandse cultuur, alleen een gemeenschappelijke taal. De taal zou ons in staat kunnen stellen om elkaar beter te leren kennen, wat we zeker niet doen. We lezen elkaars kranten niet, bekijken elkaars programma’s niet. Wel lezen we elkaars schrijvers, zij het met mate en zonder de context van hun werk altijd te begrijpen. Een kwart miljoen verkochte exemplaren van Knielen op een bed violen Jan Siebelink? Dat kwart miljoen lezers woont vlakbij mij, maar Siebelinks roman staat ontzagwekkend ver van me af. Als gesprekspartners zijn Vlaanderen en Nederland voor eeuwig en altijd op elkaar aangewezen. Maar in plaats van te doen alsof we een cultuur delen (een gedeelde cultuur die niet bestaat), zouden we beter de moeite nemen om elkaar beter te leren kennen en dus ook elkaars schrijvers. Als opdracht van een gemeenschappelijk letterenbeleid lijkt me dat al een hele klus.

Misschien is het tijd dat het Comité van Ministers de opdracht geeft om de uitgangspunten van de Taalunie grondig te herzien. Het politieke credo van de Taalunie heeft de val van de Muur ruimschoots overleefd. Sinds de ondertekening op 9 september 1980 van het Verdrag inzake de Taalunie lijkt er geen fundamentele verandering te zijn opgetreden. Artikel 2, paragraaf 1: ‘De Taalunie heeft tot doel de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin.’ Klinkt dit niet uitermate vreemd en geforceerd? Hoezo, integratie? Hoezo, in de ruimste zin? In welk groter geheel zouden we dan wel moeten integreren? Integratie, ik denk er nog niet aan. Het woord alleen al. Het zijn net alle afwijkingen en onverzoenbare verschillen die de culturele verhoudingen tussen Nederland en Vlaanderen kleur geven. De verschillen nemen bepaald niet af, worden tastbaarder en dus interessanter. We moeten ze koesteren. Er wordt al zoveel eenheidsworst gedraaid. Laat ons dus alsjeblieft niet verzoenen wat niet verzoend kan worden. Laat ons blijmoedig flirten en vreemdgaan, zoals in het blijspel van Pieter Langendijk, Het wederzijds huwelijksbedrog, en net als een van de hoofdpersonages uitwijken naar Brussel – de enige echt kosmopolitische stad in de omgeving.

De doelstelling van de Taalunie werkt ook als een mistbank die het uitzicht op de werkelijke problemen en uitdagingen belemmert. Het hardnekkige handhaven van die haast mystieke, maar op weinig gebaseerde ‘gemeenschappelijke cultuur’ haalt de wind uit de zeilen. Het streven naar culturele integratie van Nederland en Vlaanderen is in het slechtste geval een prijzig excuus om verantwoordelijkheden te veronachtzamen. Zoals bij het ontbreken van een boekenprogramma op de VRT: het komt er, samen met een cultuurnet… maar wel in samenwerking met de NOS. Misschien. Ooit. Zou kunnen. De RTBF is overigens de enige openbare omroep in de Benelux die nog een boekenprogramma op tv brengt, het onvolprezen Mille-feuilles.

Een bloeiende boekencultuur valt niet uitsluitend samen met een hogere boekenverkoop of een positief bedrijfsresultaat bij uitgeverijen. Zonder publiek geen applaus. Er moeten steeds nieuwe generaties lezers worden gevormd. De bestaande lezers moeten zo goed mogelijk worden bereikt. Het boekenaanbod moet voldoende gevarieerd en kwaliteitsvol zijn. Die drie langetermijndoelen vormen een permanente zorg, zowel voor het boekenvak als voor de overheden in Nederland en in Vlaanderen. Ze moeten dan wel beiden hun verantwoordelijkheid nemen en zich niet verlaten op een al te gezamenlijk letterenbeleid.

De uitdagingen zijn immens. Niet eerder in de moderne geschiedenis van zowel Nederland als Vlaanderen zijn er zo veel nieuwe Nederlandstaligen geweest: lange wachtlijsten bij de taalopleidingen, gekleurde scholen, vaarwel homogene cultuur. Het is bovendien decennia geleden dat de sociale ongelijkheid – taalachterstand speelt hierbij een belangrijke rol – zo zichtbaar toeslaat. Intussen hebben Vlaamse hoger opgeleiden minder tijd om te lezen (wat blijkt uit meerdere onderzoeken van de TOR-groep onder leiding van Marc Elchardus (VUB)) en zijn het voornamelijk de oudere hoger opgeleiden die de klassieke leescultuur in stand houden. En volgens het Nederlands Planbureau verandert het verband tussen opleidingsniveau en leesgewoontes drastisch: het is steeds minder vanzelfsprekend dat hoger opgeleide mensen veellezers van kwaliteitsboeken zijn.

Het boekenvak is geen oase die losstaat van de maatschappij, het letterenbeleid al evenmin. Begrijpen we voldoende hoe onze wereld verandert en hoe we ons moeten aanpassen? Ja, er is de problematiek van de vaste boekenprijs, het grote distributievraagstuk (CB or not CB), de alsmaar krimpende levensduur van een boek of de vormvereisten van de barcode. Zaken die zonder probleem kunnen worden besproken in Vlaams-Nederlandse cenakels. Hoe belangrijker de context echter, hoe moeilijker zo’n gesprek vordert. Er zijn grenzen aan de gemeenschappelijkheid, ook wat de taal zelf betreft.

In Antwerpen, de grootste Vlaamse stad, heeft eenderde van de kinderen het Nederlands niet als moedertaal. Een recent onderzoek naar de resultaten van het Vlaamse decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen (GOK) in de Limburgse mijngemeenten toont vergelijkbare cijfers. (In Weliswaar. Welzijnstijdschrift voor Vlaanderen, april-mei 2006, pp. 27-31.) In een tiental Genkse scholen loopt het aantal leerlingen dat thuis geen Nederlands spreekt op tot meer dan 50%. Deze kinderen leven in een complexe taalsituatie. Niet alleen is het Nederlands vaak geen thuistaal; als het al gesproken wordt, verschilt het erg van het Standaardnederlands. Veel jongeren denken dat ze prima Nederlands spreken, maar hanteren een verbasterde tussentaal. Hoewel de jongeren de omgangstaal op het einde van de lagere school vrij goed onder de knie hebben, blijken hun woordenschat en taalvaardigheid te beperkt om het secundaire onderwijs zonder problemen te doorlopen. Die taal is hun te abstract. Ook deze kinderen zijn toekomstige lezers.

Genk is verre van uniek. Het onderzoek waar ik naar verwijs, heeft vooral aandacht voor de band tussen kansarmoede en sociale achterstelling. Door de toegenomen culturele diversiteit in onze samenleving is taal plots weer een bepalende sociale factor geworden – een toestand die zeer herkenbaar is voor wie de geschiedenis van de Vlaamse beweging kent. Ook in Nederland zijn er vele Genken, plaatsen waar het onderwijs ontwricht is en de overheid bijna op maat moet werken. Dezelfde symptomen gaan echter gepaard met afwijkende omgevingsfactoren. Nederland en Vlaanderen verschillen hier sterk. Een voorbeeld. Om te voorkomen dat vele Franstaligen die hun kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs sturen, onterecht zouden profiteren van het budget van Vlaamse decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen (GOK), is de thuistaal geen indicator. Daardoor verdwijnen heel wat kinderen uit de GOK

-statistieken en worden ze niet geholpen. Dit krijg je als Vlaming en Belg nooit uitgelegd aan een Nederlander, tenzij die laatste politiek correspondent met standplaats Brussel is. Net zoals je met de gevolgen van de Mammoetwet en het eeuwige gepruts aan het Nederlandse onderwijsstelsel niet moet afkomen bij Vlamingen, tenzij ze er zelf het slachtoffer van zijn geworden. Ook deze aspecten van onze taal, taalverwerving en taalproblemen, kun je bezwaarlijk regelen op een bilateraal Vlaams-Nederlands niveau. Hoewel de situatie absoluut niet uniek is in Europa, wijken de omstandigheden in beide gebieden toch heel sterk af.

Soms is de Nederlandse literatuur een geloofskwestie. Dat blijkt uit het voorwoord bij Altijd weer vogels die nesten beginnen van Hugo Brems. De auteur kiest ervoor om de literatuur van Nederlanders, Vlamingen, Surinamers, Zuid-Afrikanen en Antillianen samen te behandelen. ‘Dat is een keuze die uitgaat van de overtuiging dat de Nederlandstalige literatuur één geheel is, zonder daarom ook op voorhand aan te nemen dat zij een homogeen geheel zou zijn.’ (Brems 2006:14) Deze geschiedenis van de Nederlandse literatuur kun je, correctie, moet je lezen als een poging om samenhang te brengen waar veelheid en verscheidenheid heerst. Het klinkt allemaal zeer aannemelijk, maar ondanks de ronkende argumenten geloof ik niet in het dogma.

Het bestaan van een Nederlandstalige literatuur betekent niet dat er geen Nederlandse én een Vlaamse literatuur zouden zijn. Ik geloof niet dat men beide zo dwingend moet samenbrengen zoals dat is gebeurt in Altijd weer vogels die nesten beginnen. Waarom heeft de Taalunie geen twee boeken betoelaagd: een Vlaamse en een Nederlandse geschiedenis? De naam van de Taalunie verklaart alles: omdat er slechts één Nederlandse literatuur is, die zich één en ondeelbaar gedraagt.

Het grootste deel van de tijd kan het me geen barst schelen of die gedeelde cultuur nu bestaat of niet. Boeken maken en verkopen is al moeilijk genoeg om al te veel tijd aan pseudo-ontologische bespiegelingen te wijden. Maar op sommige momenten kan ik er eenvoudigweg niet omheen. Daar is ze weer: de vermeende gemeenschappelijke cultuur. Het monster van Loch Ness.

Naar verluidt had de Vlaam vroeger een minderwaardigheidscomplex ten opzichte van den Ollander. Het meest beroemde voorbeeld in de literatuur is uiteraard de wat benepen reacties op de uitspraken die Jeroen Brouwers eind jaren zeventig deed over de Vlaamse literatuur. Die literatuur werd geschreven door mensen die een bezemsteel in plaats van een ganzenveer hanteerden. Zij werd daarom, zo onthulde Brouwers, herschreven. Meestal door barbarismen wiedende Nederlanders. Tussenkomen, onderlijnen, akkoord zijn met, wij doen u opmerken dat… schrappen die handel! Brouwers zelf, maar ook iemand als Jan Greshoff waren taaltuiniers met naam en faam. Greshoff nam het werk van Marnix Gijsen onder handen. Het was toch een beetje heiligschennis om over dit restauratiewerk te praten. De stille verontwaardiging bevestigde – overigens terecht – het vermoeden van de Vlaamse schrijver als spuier van gallicismen. Het retorische geweld van die schotschriften heeft niet aan kracht ingeboet. Maar over dat de kern van de zaak kun je vandaag alleen denken: et alors?

Intussen hangt de slinger van het meetinstrument dat literaire kwaliteit aangeeft aan de andere kant. Arjen Fortuin ontwaart een ‘Vlaamse literaire golf’ die, net als de (tijdelijke) Vlaamse theatergolf begin jaren negentig, de onvruchtbare Nederlandse laagvlakte overspoelt. Als er onder druk van dit enthousiasme meer kansen zouden komen voor Vlaamse schrijvers in Nederland, dan moeten we champagne drinken. Er is echter geen aanleiding om te vermoeden dat het plots fundamenteel makkelijker zal worden om Nederlandse lezers een boek van een Vlaamse schrijver te doen kopen. Het probleem met die golftheorie is dat ze wordt uitgeroepen door een lid van de bevoorrechte culturele minderheid, een criticus, iemand van wie je hoopt dat hij over een perfecte bilaterale literaire kennis beschikt. Een uitzondering dus. Gewone lezers en boekhandelaars zijn niet zonder reden veel minder begaan met extravagante keuzes. Als een Nederlandse debutant het al moeilijk heeft in de Nederlandse boekhandel, waarom zou een Vlaamse debutant het dan makkelijker hebben? En vice versa.

Het Vlaamse boekenvak heeft de laatste vijftien jaar een sterke professionalisering doorgemaakt, op alle niveaus. Gelukkig hoeven auteurs die in Vlaanderen wonen niet meer op bedevaart naar Amsterdam om een goede uitgever te treffen. Door die inhaalslag ontstaat er in het Nederlandse taalgebied een bipolair uitgeefsysteem en verschuift de nadruk naar samenwerking. Vlaanderen en Nederland functioneren heel anders, als land, als maatschappij, als cultuur (Vlaanderen is ook geen land, het is onderdeel van een federale staat). De boekenbranche en de leescultuur vormen geen uitzondering.

Het door Brouwers feilloos ontlede Vlaamse minderwaardigheidscomplex zindert nog wat na. Want behalve de Vlaamse kromschrijver is de ginnegappende Vlaamse drukker/uitgever met baard of marxistisch oorlogsverleden een cliché dat nog altijd niet volledig is verdwenen. Boeken, en vooral literaire werken, hebben uitsluitend een waarde als zij in Nederland worden uitgegeven, liefst nog in Amsterdam. Ook worden de boeken bij voorkeur in Nederland gedrukt, gecorrigeerd, persklaargemaakt en als het kan ook verramsjt of door de papiermolen gehaald. Dat staat niet alleen chique, het in Nederland gedrukte boek is zogezegd van betere kwaliteit, ook qua typografie en boekverzorging. Ziehier een staaltje van flapperende onzin: dat uitsluitend de boeken die in Nederland, meerbepaald Amsterdam, zijn gemaakt een nihil obstat verdienen. Niemand die van buiten de randstad komt, zal de idolatrie begrijpen waarmee menige Vlaming naar Amsterdam kijkt. De crisis die het Vlaamse boekenvak in de jaren tachtig teisterde, ligt allang achter ons. Brems besteedt veel aandacht aan die periode. Het is toen dat de Vlaamse schrijvers van belang uit pure noodzaak naar Amsterdam zijn gevlucht. Hoewel slechts een minderheid van de Nederlandse uitgevers voeling heeft met wat er zich in Vlaanderen afspeelt, teren ze nog steeds allemaal op deze mythe.

De mythe van de vlucht naar Amsterdam wordt mee in stand gehouden door een andere mythe: die van de ‘gedeelde cultuur’. In Vlaanderen is dit een stuk van de geschiedenis. Tijdens de Vlaamse ontvoogdingsstrijd nam de band met Nederland immers mythische proporties aan. De strijd ligt gelukkig achter de rug, maar de mythe blijft overeind. Weinig Nederlanders beseffen hoezeer Vlamingen opkijken naar Amsterdam. Weinig Vlamingen beseffen dat Nederlanders, zeer terecht, een zakelijker houding innemen. Nederland: volksopstanden, massieve ontevredenheid, politieke moorden, een economische crisis en Rita Verdonk. Niets deugt er zogezegd nog, behalve het uitgeverijwezen!

Om het spookbeeld van de Francofonie te vermijden, moet die idolatrie volledig verdwijnen. Ze werkt op de lange duur in het nadeel van de Nederlandstalige letteren. Onze literatuur – als ik haar dan toch één keer gemeenschappelijk bezit mag noemen – zal in leven blijven door zichzelf voortdurend te vernieuwen en voorwaarden te scheppen waarin nieuwe schrijvers een publiek kunnen bereiken, zowel in Nederland als in Vlaanderen. Dit veronderstelt een sterke literaire cultuur in Vlaanderen en in Nederland, elk met eigen bladen, critici, prijzen, uitgeverijen en een eigen letterenbeleid. Hopelijk zal daardoor in onze relatie de verlichte zakelijkheid zegevieren: samenwerking en geen integratie, pragmatiek en geen ideologie.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in 2006 in het tijdschrift Boekman, nr.67.)

zondag 13 januari 2008

Het onveiligheidsgevoel in België

Weinig maatschappelijke thema’s hebben het afgelopen decennium zo’n bepalende rol gespeeld als het onveiligheidsgevoel. Zowel de politiek, de publieke ruimte als ons individuele bestaan zijn er grondig door veranderd. Na al die jaren blijft nog steeds de vraag waar de reële onveiligheid eindigt en het onveiligheidsgevoel begint. Voor velen is veiligheid een wens. Voor Yves Leterme was het tijdens de verkiezingsavond van juni 2007 een belofte: meer zekerheid, meer veiligheid en een moderne staatshervorming.
Veiligheid is een amorf begrip. Anders dan de temperatuur of het waterpeil is het moeilijk meetbaar en altijd onderhevig aan interpretaties. Uiteraard zijn er de criminaliteitsstatistieken waarin de federale politie de geregistreerde feiten samenbrengt, maar zelfs die statistieken vormen vaak het onderwerp van discussie. En er is altijd een dark number. Niet alle gepleegde feiten worden aangegeven. Die lijsten van aangedaan leed maken alleszins duidelijk dat misdaad, agressie, overlast en geweld een onvervreemdbaar deel vormen van de mens, en dus van onze samenleving.
In de weken nadat Joe Van Holsbeeck op 12 april 2006 in het Centraal Station van Brussel was doodgestoken, hebben jongeren tussen vijftien en vierentwintig zich onveiliger gevoeld. Na enkele weken verdween dat acute gevoel. Een maand later, op 11 mei 2006, werden de racistische moorden in Antwerpen gepleegd. Die tragische feiten hadden dan weer geen invloed op het onveiligheidsgevoel van de burgers. Sommige geweldsfeiten waarover uitgebreid wordt bericht in de media, kunnen het onveiligheidsgevoel bij een specifieke bevolkingsgroep tijdelijk beïnvloeden – maar niet altijd. Die vaststelling kun je maken op basis van de Veiligheidsmonitor die sinds 1997 om de twee jaar wordt opgesteld in opdracht van de federale minister van Binnenlandse Zaken. Het is een van de weinige tastbare meetinstrumenten van het onveiligheidsgevoel. Het rapport is het resultaat van een telefonische enquête bij Belgen ouder dan vijftien. Voor de aflevering van 2006 werden ruim 43.000 mensen uitgebreid ondervraagd naar hun ervaringen over veiligheid en het functioneren van de politie. Een constante in de periode 1997-2006 is dat Vlamingen zich veiliger voelen dan Walen of Brusselaars. Vijfenzestigplussers, vrouwen en laaggeschoolden voelen zich dan weer bij elke meting opmerkelijk onveiliger dan andere bevolkingsgroepen. Dat is een paradox, want statistisch gezien lopen bejaarden en vrouwen minder veiligheidsrisico’s.

Maatschappelijke fractuur

Toen in de lente van 1999 de dioxinecrisis uitbrak, besefte het hele land plots hoe kwetsbaar de voedselketen was. De angstpsychose die erop volgde, beïnvloedde zelfs de uitslag van de federale verkiezingen in juni van dat jaar. Eerder dan een uitzondering was dit massaal beleefde onveiligheidsgevoel een bizar hoogtepunt van een decennium dat door onveiligheidsgevoelens werd gedomineerd. Een van de vele lessen uit de dioxinecrisis is dat onveiligheid bijlange na niet alleen met criminaliteit of slachtofferschap te maken heeft. Bovendien heeft het weinig zin te spreken over kleine of grote, over reële of ingebeelde onveiligheid.
Hetzelfde geldt voor de onveiligheidsgevoelens die de voedingsbodem van ‘zwarte zondag’ vormden. De electorale doorbraak van het toenmalige Vlaams Blok op 23 november 1991 bracht een breuk in de samenleving aan het licht. Bijna een half miljoen kiezers stemden op politici die de schuld voor heel wat samenlevingsproblemen bij ‘de allochtonen’ legden. Over de betekenis van onveiligheidsgevoelens is sindsdien bijzonder veel inkt gevloeid. Onder meer het werk van socioloog Mark Elchardus is hierbij richtinggevend geweest. Met zijn onderzoeksgroep TOR (VUB) onderzoekt hij hoe Vlamingen reageren op maatschappelijke ontwikkelingen. Een rode draad in zijn publicaties is het onveiligheidsgevoel als maatschappelijk probleem. Onze maatschappij kiest de criminaliteit als verklaring voor het gevoel van kwetsbaarheid en bedreiging. Dit complexe systeem van angsten vat Elchardus samen met het begrip ‘onbehagen’. Criminaliteit is slechts een van de vele aanleidingen om zich kwetsbaar te voelen. De buurt waarin je woont, speelt een bepalende rol. Als een buurt wordt gekenmerkt door overlast, verloedering en etnische heterogeniteit is het onveiligheidsgevoel van de bewoners groter. Ook de mate waarin je sociaal geïntegreerd bent, bepaalt of je je veilig voelt. Financiële onzekerheid en negatieve toekomstverwachtingen zijn evenmin bevorderlijk voor het veiligheidsgevoel. Resultaat: volgens de metingen van Elchardus voelt de gemiddelde Vlaming zich behoorlijk angstig.
Een treffende illustratie van die verschillende vormen van onbehagen wordt gegeven in Luisteren naar mensen over onveiligheid, een omvangrijk rapport van de Koning Boudewijnstichting. De Stichting laat hierin gewone mensen aan het woord en geeft vijf ‘krachtlijnen voor meer veiligheid voor iedereen’. Het onveiligheidsgevoel moet ernstig worden genomen. Onveiligheid neemt vaak andere vormen aan. Een ongelijke geografische spreiding vraagt om een aanpak op maat. Onveiligheid treft iedereen, maar het is ook ieders verantwoordelijkheid. En veiligheid is een fundamenteel recht.
Luisteren naar mensen over onveiligheid toont aan hoe veiligheid binnen enkele jaren tijd van een stroef ideologisch thema is veranderd in een uiterst belangrijk maatschappelijk strijdpunt. Terwijl de bevolking vergrijst, de globalisering onze economie dooreenschudt, de kennisrevolutie nieuwe ongelijkheden schept en diversiteit kleur aan de samenleving geeft, hebben we er alle baat bij om de boel bij elkaar te houden. Bij het wegnemen en begeleiden van onzekerheid, kwetsbaarheid en onveiligheid krijgt de zorgsector een hoofdrol toebedeeld. Soms staat de zorg ten dienste van een gewapend bestuur dat overijverig is om de burgers te beschermen. Welzijnsbeleid wordt dan een verlengde van het veiligheidsbeleid. Het straathoekwerk is een berucht voorbeeld. Het sociale resultaat dat de straathoekwerker behaalt, wordt ook geïnterpreteerd als het inperken van overlast. De straathoekwerker als politieagent in burger heeft echter weinig kans op slagen. Welzijnswerk is en blijft het uitgangspunt. Zowat alle sectoren spelen hierbij een rol, zeker ook de penitentiaire sector. Het Gesundes Volksempfinden eist strengere straffen en meer gevangeniscellen. Maar in de praktijk blijkt het de gevangenis zelf te zijn die hulp nodig heeft. Voorstanders van een betere begeleiding van gevangenen, zoals strafpleiter Walter Van Steenbrugge, krijgen echter nauwelijk gehoor.

Vlaamse veiligheid

De Vlaamse Gemeenschap is verantwoordelijk voor persoonsgebonden materies. In het grote veiligheidsverhaal valt onder meer de sterke uitbouw van de eerstelijnszorg op, waarbij ‘preventie’ en ‘laagdrempeligheid’ de toverwoorden zijn. Vlaanderen is onderverdeeld in zestig zorgregio’s waar het zorgaanbod zo gespreid mogelijk wordt uitgebouwd. Het toegankelijke hulpaanbod, bijvoorbeeld via het netwerk van de Centra voor Algemeen Welzijnswerk, moet mensen ook ondersteunen bij het zelf aanpakken van hun problemen en bij het versterken van hun basisrechten, zodat de afhankelijkheid van de zorg niet te groot wordt. Er is ook een pragmatische reden voor die aanpak. Een stevige eerstelijnszorg biedt een remedie tegen wachtlijsten en beperkt de druk op het welzijnsbudget. Hoe meer mensen afhankelijk zijn van de zorgsector, hoe meer het budget onder druk komt te staan.
Een andere evolutie is de omschakeling van aanbodgestuurde naar vraaggestuurde zorg, zoals de Integrale Jeugdhulp. De competenties van de zorgsector zijn omvangrijk en bijzonder verscheiden. De uitdaging van de toekomst is ongetwijfeld de samenwerking tussen diensten, overheden, instellingen en projecten zo goed mogelijk te organiseren. Ook dat is eigen aan de hedendaagse zorgsector. De jarenlange inspanning om de kwaliteit van de zorg te verbeteren ging gepaard met een steeds scherper besef van individuele zorgvraag. Zorg op maat veronderstelt niet alleen een uitgebreid zorgaanbod, maar ook een sector die de cliënt niet ondergeschikt maakt aan de structuren. Overigens wordt de zorgsector hiertoe aangespoord door de cliënten zelf. Ze zijn mondiger geworden en kennen hun rechten beter.
De toename van de zorgvraag is ten dele toe te schrijven aan het feit dat mensen bewuster zijn geworden van hun situatie en minder tolerant tegenover onwelzijn. Die vaststelling staat los van de vraag of de toename in alle gevallen ook echt beantwoordt aan een reële behoefte. Tegelijkertijd hebben beleidsmakers begrepen dat een goed georganiseerde zorgsector de maatschappij leefbaarder kan maken. De zorgsector moet dus beantwoorden aan hooggespannen verwachtingen.

Integrale veiligheid

Veiligheidsplannen zijn op geen enkel overheidsniveau nog weg te denken. De (federale) staat heeft in onze samenleving het monopolie op geweld en heeft dus als uiterst belangrijke opdracht de burgers en hun bezittingen te beschermen. Geweld, agressie en criminaliteit zijn even oud als de mensheid, maar veranderen voortdurend. Van computercriminaliteit was twintig jaar geleden geen sprake, terwijl het vandaag een reëel gevaar is en een bron van onveiligheidsgevoelens. Het beleid moet voortdurend worden aangepast, getuige de door de federale Ministerraad goedgekeurde Kadernota Integrale Veiligheid (30 maart 2004): ‘Integrale veiligheid is het concept om criminaliteit, overlast en verkeersveiligheid in al hun aspecten in een zo breed mogelijke context te benaderen. De kerngedachte hierbij is de permanente aandacht voor zowel preventie, repressie als de opvolging van daders en slachtoffers.’ Die alomvattende aanpak komt tegemoet aan de complexe veiligheidsproblemen waarmee we worden geconfronteerd. Alleen door internationale samenwerking kun je een rondtrekkende dadergroep of een terroristische cel oprollen. Het bestrijden van sociale en ecologische fraude vergt niet zelden spitstechnologie en juridische krachttoeren. Oom agent lost dit niet in zijn eentje op.
De misdaden die Marc Dutroux midden jaren negentig pleegde, zorgden voor een revolutie van de manier waarop we met veiligheid omgaan. Zijn ontmaskering in de zomer van 1996 bracht een falend veiligheids- en politiebeleid aan het licht. Uit het onderzoek bleek dat de slechte organisatie en de openlijke concurrentie van overheidsdiensten, magistratuur en politie nefast waren geweest. Tijdens de openbare hoorzittingen van de parlementaire onderzoekscommissie werd voor iedereen duidelijk hoe vierkant het systeem draaide. Dit scherpe inzicht leidde tot de beruchte hervorming van de ordediensten: het zogeheten Octopusakkoord regelde de samensmelting van de politiediensten. Het duurde tot 2002 vooraleer de hervorming grotendeels werd doorgevoerd. ’s Lands veiligheid wordt sindsdien verzekerd door de federale en de lokale politie.
Door de massale publieke verontwaardiging in de zomer van 1996 kwam er ook meer aandacht voor de rechten van het slachtoffer en van het kind. Het volstond niet meer om veiligheid gelijk te stellen met repressie. Om de veiligheid te verzekeren moest op alle mogelijke manieren de volledige maatschappelijke context betrokken worden bij het beleid. Repressie, preventie en nazorg werden hoofdstukken van hetzelfde verhaal.
Het Nationale Veiligheidsplan (2004-2007) dat de werkingsprincipes van de eengemaakte politie bevat, legt dan ook de nadruk op de gemeenschapsgerichte politiezorg (‘community policing’). ‘Het streefdoel’, zo stelt de rondzendbrief van 27 mei 2003 over community policing, ‘is een in de samenleving geïntegreerde politie die ten dienste staat van de burger en samen met de diverse gemeenschappen naar oplossingen zoekt door zich te richten op de lokale omstandigheden die onveiligheid veroorzaken.’ De politiediensten trachten zo dicht mogelijk bij de burger te staan en organiseren de veiligheidszorg in samenspraak met andere actoren: de gemeente, het OCMW en scholen.

Vroeger was het beter?

De angst voor de bedreiging van het welzijn is een gevoel dat alle mensen delen. Het is al even menselijk om de omvang van de bedreiging te meten aan de hand van persoonlijke herinneringen: vroeger was het beter. Het hedendaagse onveiligheidsgevoel is niet te begrijpen zonder die irrationele interpretatie van heden en verleden erbij te betrekken. Toch is onveiligheid allerminst een nieuw thema. Zo beweerde de Canadese psycholoog Steven Pinker, auteur van het controversiële boek Het onbeschreven blad, in de Britse krant The Independent dat de wereld steeds veiliger wordt. Pinker bekijkt de geschiedenis van de mensheid van een afstand en stelt vast dat we vandaag veel minder last hebben van bijgeloof, slavernij, mensenoffers, grootschalige verminking, standrechtelijke executies, pogroms en politieke moorden. Onwaarschijnlijk? Volgens Pinker wijst elk systematisch historisch onderzoek naar onveiligheid op een duidelijke daling, ‘hoewel dit uiteraard gepaard gaat met een zigzagbeweging’.
Het is net die zigzagbeweging in de onveiligheidscurve die een stempel drukt op het collectieve gevoel. De twee wereldoorlogen hebben bijvoorbeeld niet meteen een positiever mensbeeld opgeleverd, maar de kans dat je vandaag in een willekeurige Vlaamse stad door geweld om het leven komt, is gering. De jonge historicus Antoon Vrints heeft hier onderzoek naar verricht. In zijn proefschrift Het theater van de straat. Publiek geweld, respectabiliteit en sociabiliteit in Antwerpen (ca. 1910-1950) trachtte hij te achterhalen hoe geweld en agressie zijn geëvolueerd. Ook Vrints raadt aan om met de nodige nuance over geweld en onveiligheid te praten. Na de racistische moorden in Antwerpen publiceerde hij een opmerkelijk opiniestuk in De Tijd: ‘Waar komt dan de indruk vandaan dat onze samenleving steeds gewelddadiger wordt? De hedendaagse preoccupatie met geweld kan worden begrepen als een indicatie dat de intolerantie tegenover geweld nog steeds sterker wordt. Vanuit moreel standpunt kan je die evolutie toejuichen. Ze houdt ook een risico in: de verontwaardiging vertroebelt de blik op geweld als betekenisvol fenomeen.’

Welzijn en onveiligheid

Onze samenleving tolereert niet alleen het geweld niet meer, het is de onveiligheid in de brede zin van het woord – al wat het welzijn bedreigt – die aan de kaak wordt gesteld. In het recente verleden hebben we een spectaculaire toename gezien van zowel de gezondheids- als de welzijnszorg. Demografische of sociologische oorzaken (zoals de vergrijzing of de toename van de eenoudergezinnen) zijn hierbij bepalend. Maar de toegenomen weerstand tegen vormen van onwelzijn speelt wellicht een even belangrijke rol, anders zouden we nog steeds asbest gebruiken bij de bouw van ziekenhuizen of probleemkinderen strikt repressief benaderen. Ook onze welvaart zorgt ervoor dat we onwelzijn en onveiligheid afwijzen. Als onze welvaartstaat niet zou bestaan, zouden we niet kunnen terugvallen op de hooggekwalificeerde zorg die we vandaag vanzelfsprekend vinden.
Omdat het onveiligheidsgevoel zo veelkantig is en ook steeds van vorm verandert, ontstaat de indruk dat het om iets louter subjectiefs gaat. Dat is onterecht. Al was het maar omdat een groot deel van het onveiligheidsgevoel door de samenleving op objectieve wijze wordt bestreden. Er is beleid ontwikkeld voor haast elke mogelijke dreiging, van arbeidsongevallen tot natuurrampen. We doen er met zijn allen alles aan om die grote en kleine risico’s tot nul te herleiden. Logisch, want door de toegenomen welvaart hebben we letterlijk veel meer te verliezen dan vroeger en door het vergrootglas van de media zijn we daar perfect van op de hoogte. Het multimediale project Een ongemakkelijke waarheid. Het gevaar van het broeikaseffect en wat we eraan kunnen doen van Al Gore was het recentste voorbeeld van zo’n massaal gedeeld inzicht. De geschiedenis van het onveiligheidsgevoel leert dat niets zo tot verandering inspireert als een massale paniekaanval. Er is altijd geluk bij een ongeluk.

Harold Polis

(Dit artikel verscheen in Streven van januari 2008 en is met correcties en actualiseringen overgenomen uit Weliswaar nr. 75 (april-mei 2007), blz. 4-6.)

Literatuur

Mark Elchardus en Wendy Smits, ‘Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos. Onveiligheidsgevoel in Vlaanderen 1998-2002’, in: Vlaanderen gepeild 2003, Administratie Planning en Statistiek. Te downloaden op .
‘Gewapende zorg’, themanummer van Alert. Tijdschrift voor zorg en sociale politiek, jrg.32 (2006), nr.1.
Luisteren naar mensen over onveiligheid. Algemeen verslag over onveiligheidsgevoelens, Koning Boudewijnstichting, Brussel, 2006, 220 blz.
Walter Van Steenbrugge, De affaire justitie. Bedenkingen van een strafpleiter, Meulenhoff-Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2007.
De Veiligheidsmonitor en de criminaliteitsstatistiek kun je downloaden op de site van de federale politie: . Om die cijfers correct te interpreteren kun je het best het boek Zwart op wit? Duiding van cijfers over onveiligheid en strafrechtsbedeling in België (VUBPress, Brussel, 2006) raadplegen.

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...