Posts tonen met het label Karel de Gucht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Karel de Gucht. Alle posts tonen

maandag 2 augustus 2010

De dictatuur van het grote gelijk - over The march of folly van Barbara Tuchman

Wie zomer zegt, zegt Hertoginnedal. De laatste keer dat het kasteel als vakantiekolonie voor neurotische politici is gebruikt, maakte de modale Vlaming kennis met Joëlle Milquet. Sinds het fatale formatieberaad in 2007 is die liefde alleen maar toegenomen. Voormalig onderhandelaar Karel De Gucht wilde na afloop graag De mars der dwaasheid schenken aan Milquet. België als permanente diplomatieke conferentie zou niet misstaan in een hernieuwde editie van die klassieker. Ware het niet dat Tuchman het uiteraard over ernstige dingen heeft.
(Deze entry bevat ook een fantastische video waarin Jared Diamond praat over de ondergang van beschavingen.)

dinsdag 10 februari 2009

Het verlangen naar een gemeenschap


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Helmut Kohl en François Mitterand houden elkaars hand vast aan de voet van het grote knekelkasteel Douaumont, nabij Verdun, op 22 september 1984.)


‘Neen, ik durf geen uitspraken meer te doen. Dit ging mijn begripsvermogen te boven. Had iemand me een paar maanden geleden gezegd wat er met sommige banken zou gebeuren, ik had gezegd: laat u verzorgen.’
André Bergen (CEO van KBC) in Trends, 23 oktober 2008

Het aantal Cassandra’s dat het rampjaar 2008 heeft voorspeld, neemt nog elke dag toe. Als de geschiedenis toeslaat, wil iedereen daar nu eenmaal bij zijn. In een verschroeiend tempo ontaardde de Amerikaanse kredietcrisis tot een globale implosie van de financiële markten. Grote delen van de westerse wereld zitten volop in een recessie. De meest dramatische scenario’s kondigen niet alleen het failliet aan van hele bedrijfstakken en industrieën die tot op heden ‘too big to fail’ leken, maar beloven ook de ondergang van staten. IJsland vormt de bevestiging van die trieste profetie. Hongarije, Wit-Rusland en Oekraïne bereiden zich voor om ten onder te gaan. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gaf IJsland een lening van ruim 2 miljard dollar.
Hetzelfde IMF veroorzaakte in de jaren negentig wereldwijd drama’s door leningen te verstrekken in ruil voor een orthodoxe deregulering van de lokale economie: Mexico (1998), Argentinië (2001), Brazilië (1998), Rusland (1998) of Thailand (1997). De lijst is indrukwekkend pijnlijk en krijgt dramatische proporties in het revelerende Globalization and Its Discontents van Nobelprijswinnaar economie Joseph Stiglitz. In plaats van landen in ontwikkeling of in nood bij te staan met financiële middelen en expertise, heeft het IMF zich lange tijd gedragen als een blinde zeloot van de doctrine van de onzichtbare hand. Het was Adam Smith die dat klassieke begrip muntte: ‘de onzichtbare hand’ in het economische systeem zorgt ervoor dat er een zo groot mogelijke welvaart voor iedereen tot stand komt. De werkt niet altijd, zo stelt Stiglitz, zeker niet in een eerder onduidelijke economische omgeving waar de markt onvoldoende sterk is uitgebouwd. En toch legde het IMF haar doctrine op zonder rekening te houden de lokale context. Toen de Thaise baht in 1997 in elkaar stortte, duurde het niet lang eer ook de reële economie onderuitging. Intussen hadden heel wat Aziatische economieën, munten en beurzen slagzij gemaakt. IMF of geen IMF.

Destijds zat ook Singapore in het oog van de storm. Ongetwijfeld is dit voor Singaporees Kishore Mahbubani, die op dat moment een hoge diplomatieke post bekleedde, een bepalend moment geweest. Het verklaart zijn virulente kritiek op het IMF, een organisatie die aan legitimiteit inboet omdat ze onder meer geen rekening houdt met de werkelijke economische machtsverhoudingen. Het zijn de Verenigde Staten en Europa die in het IMF tot op heden de lakens uitdelen, terwijl de BRIC-landen Brazilië, Rusland, India en China volgens de cijfers recht hebben op meer invloed. Dat conservatisme noemt Mahbubani haast suïcidaal en surrealistisch. In De eeuw van Azië beschrijft hij hoe op wereldniveau de macht verdwijnt uit het Westen en naar het Oosten verhuist: ‘Het is ook duidelijk dat de grote denkers van dit moment, vooral die uit het Westen, klemzitten in het verleden en niet bereid of in staat zijn onder ogen te zien dat ze hun wereldbeeld moeten bijstellen. Als ze dat niet doen, zullen ze strategische fouten maken, mogelijk met rampzalige gevolgen.’
Azië, daar zit nog muziek in de handel en zijn de mensen hongerig naar vooruitgang. De stringente morele bezwaren die westerse landen opperen bij de autarkie en de dictatoriale demarches van de Chinese staat zijn achterhaald, zegt Mahbubani. Het argument dat ‘de internationale gemeenschap’ gelijkstaat met het Westen is betekenisloos, want het houdt geen rekening met de 5,6 miljard mensen die niet in het Westen wonen. De beschaving beperken tot het Rijnlandmodel houdt geen steek. Het is namelijk ook een feit dat door de communistische maakbaarheid honderden miljoenen mensen omhoog zijn gestuwd, gevoed en onderwezen. Dat Aziatische nationalisme is geen novum. Lang voor de desastreuze geldcrisis verkondigden allerhande despoten reeds dat de westerse superioriteit op los zand berustte en dat de democratie niet toepasbaar was op de Aziatische wereld. De voormalige Singaporese premier Lee Kuan Yew was een van de herauten van de zogeheten Aziatische waarden. Volgens hem zijn Aziaten meer geïnteresseerd in stabiel leiderschap dan in democratie. De rol van de overheid mocht aanzienlijk zijn. Bovendien speelden westerse dogma’s als persvrijheid, mensenrechten en individualisme geen zaligmakende rol. Mahbubani gaf die inzichten vlijtig weer in het controversiële Can Asians Think?
Afrika is een acuut voorbeeld van de toegenomen Aziatische macht. Zo pompt China massale hoeveelheden geld in Congo, in ruil voor grondstoffen. Er zijn geen morele voorwaarden verbonden aan de Chinese investeringen, in tegenstelling tot de hulp en samenwerking die België biedt. Het corrupte regime van president Kabila lijkt eerder een objectief voordeel te bieden. Mahbubani omschrijft die tendens als een ontwestersing, als de delegitimatie van het westerse gezag. Vele feiten geven hem gelijk. Na de zoveelste escalatie in Noord-Kivu opperde minister van Buitenlandse Zaken De Gucht in november het plan om Europese, en dus ook Belgische, troepen toe te voegen aan de Monuc-vredesmacht. Dat ging niet door. Het militaire contingent bestaat momenteel voor het grootste deel uit Bangladeshi, Indiërs, Pakistani en Uruguayanen, Nepalezen en Zuid-Afrikanen.
Europa levert geen kanonnenvlees, en beperkt zich in hoofdzaak tot oekazen, verontwaardiging en diplomatie. De rol van België lijkt af te stevenen op een symbolisch minimum, dat bovendien grotendeels uit vervagende herinneringen bestaat. Die ontwikkeling wordt nog kracht bijgezet door de Belgische communautaire crisis. In een niet onverdienstelijke poging aansluiting te vinden bij de cynische manipulaties van wijlen Joseph-Désiré Mobutu, die dankbaar gebruikmaakte van de tegenstellingen in de Wetstraat, gaf Joseph Kabila aan premier Yves Leterme de raad om leiderschap te tonen. Bij de eedaflegging als eerste verkozen Congolese president, op 6 december 2006, had Kabila al een voorschot op de ondergang genomen door ‘la fin de la récréation’ af te kondigen. Intussen staat zijn land alweer op de rand van een majeure regionale oorlog. België is bij het drama aanwezig als een notulant, net op het moment dat de honderdste verjaardag van het ontstaan van de voormalige kolonie wordt gevierd. Kongo-Vrijstaat ging op 15 november 1908 over in de handen van de Belgische staat. De Congolese historicus Isidore Ndaywel è Nziem, auteur van het naslagwerk Histoire générale du Congo, bestempelde in La Libre Belgique (15 november 2008) zeer zuinig de nationale grenzen en identiteit als de belangrijkste erfenis uit het koloniale tijdperk. Honderd jaar na Leopold II worden er carrières gemaakt door de Belgische grenzen te ontrafelen. De ironie van de geschiedenis in volle actie.

Nee, we weten het niet meer. We zijn ook niet meer wie we geweest zijn. Migratie, en dan vooral de illegale migratie, confronteert ons genadeloos met de zwakke punten van het systeem. Die illegale subculturen hebben een eigen netwerk met dienstverlening. Dit schimmige systeem laat het de illegalen toe om te overleven. Maar hun echte droom is een normaal leven te leiden en te integreren in de Belgische samenleving. Zolang ze echter geen verblijfsvergunning hebben is een volwaardige opname in die reguliere samenleving onmogelijk. Ze zijn gebonden aan een samenleving die hun verblijf niet erkent en dus hun rechten ter discussie stelt. Dit zogenoemde koppelingsprincipe (de volledige toegang tot de verzorgingsstaat blijft beperkt tot mensen met een legale status) vormt de kern van elke beleidsdiscussie over mensen zonder papieren.
Het is opvallend dat we beschikken over onvoldoende cijfermateriaal over de diverse aspecten van illegale immigratie. Alle auteurs van de onlangs verschenen essaybundel Grenzeloze solidariteit? pleiten voor meer onderzoek, maar ook voor een snelle en correcte asielprocedure die gebaseerd is op duidelijke criteria. Telkens weer worden er nieuwe juridische achterpoortjes gezocht om de legale status af te dwingen. Het bestaande beleid leidt tot overlevingsstrategieën, stellen Petra Heyse en Inge van Nieuwenhuyze in hun besluit bij het boek: ‘Wellicht zal elk nieuw beleid tot nieuwe strategieën leiden die hierop afgestemd zijn.’
Ook de reguliere samenleving zoekt naar overlevingsstrategieën. Het oude België, dat van het koloniale rubber en de inlandse delfstoffenindustrie, is opgehouden te bestaan. Het oude Vlaanderen, dat van de massale assemblage en productie van halfafgewerkte producten, is aan een zwanenzang bezig. Tegelijk zijn de negentiende-eeuwse demonen en illusies verdwenen. In een tijdvak dat zulke vernuftige hindernissen opwerpt voor iedereen die vooruit wil, zijn de communautaire disputen holle rituelen zonder publiek. De nationalistische drogredenen lijken elke dag meer op een incantatie van de duisternis die de vorige generaties hebben willen verjagen. Er rust een zware schuld op hen die de afgelopen twee jaar het compromis hebben weggehoond en een etnisch geïnspireerd discours hebben toegelaten.
De toekomst van de Belgische samenleving wordt, zeker in de centrumsteden, in sterke mate bepaald door burgers die niet noodzakelijk of niet in dezelfde mate behoren tot een ‘historisch gegroeide etnoculturele identiteit die mag gelden als primordiale autochtonie’. De schier wetenschappelijke definitie komt van N-VA boegbeeld Bart De Wever. Net zoals het geloof in de heropstanding van Jezus Christus voor een meerderheid van de bevolking een herinnering is geworden, heeft het nationalisme in Vlaanderen eigenlijk geen inhoud meer. Na de paarse jaren werd ook bij ons ‘la fin de la récréation’ afgekondigd, met een grote, voor sommigen finale, communautaire armworsteling als hoogtepunt. De Vlaamse instellingen bestaan echter al en werken goed, zodat de inzet van de discussie eerder administratief en logistiek gekleurd is. Als dat nationalisme is, dan een denkbeeldige variant, geen ideologie, maar een mythologie. Een herdenkingscultus van het aangedane leed, van de gebroeders Van Raemdonck tot de veroordeling van het Vlaams Blok door het Gentse Hof van Beroep. Een stichtelijk stripverhaal getekend in de weeë stijl van Joe English, met veel Keltische heldenkruisen en arrogante Franstalige officieren die Vlaamse boerenzonen, allemaal pacifisten en dichters in spe uiteraard, de dood injagen. Bij de recente 11 novemberviering aan de voet van de necropolis Douaumont greep de Franse president Nicolas Sarkozy de gelegenheid aan om alle gesneuvelden te herdenken. Na de entente van François Mitterand en Helmut Kohl in Verdun in 1984 is het uiteraard ingewikkeld geworden om nog origineel te gedenken. Maar dat is toch wat Sarkozy deed.
Sarkozy nam de talloze gefusilleerde soldaten van 1917 op in de eervolle herinnering. Een verzoening van dat gehalte is in Vlaanderen ondenkbaar, omdat we de geschiedenis van de afgelopen twee eeuwen zeer selectief beleven. Nog steeds wordt door velen de Eerste Wereldoorlog misbruikt om de haat tegen de Belgische staat te legitimeren. Uit de studie van het werk van de nationalistische propagandist Clemens De Landtsheer komt zeer scherp naar voren hoe belangrijk het was na de Eerste Wereldoorlog om de cultus rond de IJzerbedevaart zo strak mogelijk te leiden. Het is mede dankzij zijn film Met Onze Jongens aan den IJzer dat de clichés zo hardnekkig zijn. Maar goed, voor De Landtsheer en zijn gelijkgestemde generatiegenoten had die manipulatie nog een betekenis.
De nationalistische mythologie is vandaag een excuus geworden van mensen die het ook niet meer weten. Want wacht, hoe zat het nu weer? Nee, dan Wallonië. Daar wordt de Eerste Wereldoorlog veeleer vergeten, een opgraving niet te na gesproken. Deze zomer nog werden in het fort van Loncin de resten van soldaten De Bruycker, Desamore, Noé, Halain en 21 niet geïdentificeerde collega’s bijgezet in de crypte. Ze waren vorig jaar ontdekt tijdens de ontmijning van het fort. Die Belgische gesneuvelden passen uiteraard ook niet bij het Vlaamse slagveldtoerisme met weekendarrangement en streekgastronomie, dat door de Vlaamse regering als vervulling van de historische plicht wordt ervaren.

Misschien is er ook een positieve kant aan de vergeetachtigheid van onze samenleving. Als we dan toch per se de verzetstrijders, de weggevoerden, de gefusilleerden, de burgerslachtoffers, de dwangarbeiders, en de Franstalige en Brusselse militairen willen vergeten, dan kunnen we misschien meteen de hele oorlog vergeten. Doe maar meteen beide oorlogen. Dan beantwoorden we misschien aan wat Mabubhani een modern continent zou noemen, een plek waar mensen de blik op de toekomst gericht houden. De enige manier om dat in Europa te bewerkstelligen is door het politieke Europa meer uitvoerende macht te geven, zodat er een daadkrachtig en gezamenlijk economisch en sociaal beleid kan worden gevoerd. Net dat kunnen we pas doen als we ons onder meer bewust blijven van de oorzaken waarom de Europese Unie is ontstaan: oorlog. En zo belanden we door een wrede speling van het lot weer bij Douaumont, de gebroeders Van Raemdonck, Aimé Fiévez en al die andere ongelukkigen. Er is in onze tijd nog steeds geen andere optie dan de wreedheden en raadsels van de twintigste eeuw zo goed mogelijk te begrijpen.
Drie dagen voor het begin van die Eerste Wereldoorlog werd de socialistische voorman Jean Jaurès vermoord in een Parijs café, omdat hij een pacifist was, een internationalist en dus een verrader van het volk. Ruim honderd jaar later lopen in heel Europa de socialistische partijen voorop in de populistische haatmars tegen de Europese Unie, die al bezig is sinds het desastreuze Franse en Nederlandse referendum in 2005. En waar socialisten nog regeren, zoals in Nederland of in Wallonië, daar nemen ze de rol op van conservatieve patriotten die de kiezer de belofte van soevereine zelfbeschikking voorhouden. Ook hier dreigt Mahbubani weer gelijk te krijgen, omdat hij het Westen, ook economisch, ziet mislukken ten gevolge van isolationisme en kortzichtigheid.
Mahbubani predikt principes, partnerschappen en pragmatisme, drie eigenschappen die bijvoorbeeld niet werden getoond tijdens de zwartste dagen van de kredietcrisis. Op enkele tijd weken ging een aanzienlijk deel van de spaarquote die de westerse vergrijzing mee moet betalen in rook op. Een dieptepunt was de afwezigheid van Europa en de dolksteek van de nationalist Wouter Bos bij de ondergang van Fortis, die in wezen een Europese bank in wording was. Het verraad van Bos, dat eigenlijk ook het einde van de Benelux betekent, is wellicht het allersterkste symbool van een Europa in nood. Straks moeten we misschien nog blij zijn dat het IMF bestaat.

Bronnen

Christiane Timmerman, Ina Lodewyckx en Yves Bocklandt (red.), Grenzeloze solidariteit? Over migratie en mensen zonder papieren, Acco, Leuven, 2008.
Kishore Mahbubani, Can Asians Think? Understanding the Divide Between East and West, Random House, New York, 2001
Kishore Mahbubani, De eeuw van Azië. Een onafwendbare mondiale machtsverschuiving, Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2008.
Joseph E. Stiglitz, Globalization and Its Discontents, Norton, New York, 2003.
Roel Vande Winkel en Daniël Biltereyst, Filmen voor Vlaanderen, Roularta Books, Roeselare, 2008.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven, januari 2009).

woensdag 4 juni 2008

Het einde van de Eerste Wereldoorlog


(Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit.)

Meer dan zes miljoen Franse mannen hadden net als hij gevochten op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. En het lot had uitgerekend hem, Lazare Ponticelli, aangewezen om het licht te doven. Onder een statige grijze hemel werd de nagedachtenis van de laatste poilu geëerd rond de exercitievelden op de Parijse linkeroever. Die maandagochtend 16 maart was er eerst een misviering in de kathedraal Saint-Louis des Invalides. De volledige top van de Franse republiek stond paraat. Iedereen was zeer opgetogen even de aandacht af te kunnen wenden van de politiek. De centrumrechtse regering en president Sarkozy hadden immers een dag eerder een smadelijke nederlaag geleden bij de lokale verkiezingen. Ongetwijfeld hebben de aanwezigen meermaals zuchtend naar het plafond van de kathedraal gekeken, alwaar tientallen bataljonsbanieren herinneren aan de schermutselingen en slachtpartijen die het collectieve geheugen van de Republiek hebben gevormd. ‘L’armée c’est la nation’, zei Napoleon ooit.
Ook België heeft een staand leger dat de natie vertegenwoordigt. Met ruim veertigduizend werknemers en een jaarbudget van 2,7 miljard euro is Defensie een van de grootste bedrijven van het land. Ondanks herstructureringen, zoals het invoeren van een eenheidsstructuur, wordt de organisatie van het leger op de proef gesteld nu in de vier windstreken vredeshandhaving het parool is. In het kader van de mythische Europese defensie is het vormen van een kleinere en wendbaardere militaire organisatie essentieel. Maar die hervorming gaat moeizaam. Bovendien vormen de strijdkrachten een fremdkörper in een maatschappij die niet eerder in de moderne geschiedenis zo’n lange periode van vrede heeft gekend. Zeker na het abrupt afschaffen van de dienstplicht begin jaren negentig is het leger in het defensief gedrongen. Los van de maatschappelijke relevantie en de budgettaire last staat ook het bestaan van het leger zelf ter discussie.
Als dienstmaagd van de internationale verdragen en van de geopolitieke alchimisten heeft het Belgisch leger de afgelopen jaren een bescheiden deel van de veiligheidsrisico’s op zich genomen. Sinds 1992 zijn er negentwintig Belgische militairen omgekomen in het buitenland, met als dramatische dieptepunt de tien doden in Kigali. Niet meteen een voorbeeld van napoleontische zelfopoffering, maar de doden zijn wel degelijk te betreuren. Het aantal risicovolle opdrachten neemt echter toe, zoals in Afghanistan.
Na twee wereldoorlogen en een astronomisch toegenomen welvaart voelen weinig Europeanen de behoefte om zich vrijwillig aan flarden te laten schieten in een schimmig oorlogsgebied. Dit pacifisme van de koude grond won nog aan populariteit in de jaren negentig. Terwijl er op de hoek van onze straat voor het eerst in halve eeuw etnische slachtpartijen plaatsvonden, bleven we keurig in onze achtertuin schoffelen. We komen vandaag geen vrijwilligers tekort om het Europese federalisme te verzuipen in een plas van ranzige bekrompenheid. Maar de belangrijkste scène van het drama speelde zich af in ex-Joegoslavië waar de Europese Unie en haar lidstaten nu eens onwillig, dan weer impulsief en ondoordacht handelden. Het gebrek aan een doortastende en eensgezinde buitenlandstrategie is ons zuur opgebroken.
In verspreide slagorde, maar onder een gedeeld commando, hebben Britten, Fransen, Duitsers, Italianen en Belgen de orde bewaard in en rond Bosnië. Amerikaanse hulp was echter onontbeerlijk om de operatie rond te krijgen. Om die afhankelijkheid af te zwakken moeten Europese landen significant meer geld pompen in Defensie, moeten ze hun militaire organisaties doen samensmelten en moeten ze streven naar een Europese defensiemacht die niet volledig samenvalt met de NAVO. Tien jaar na Bosnië zijn we nog niet al te ver gevorderd op dat pad. De omstandigheden daarentegen zijn radicaal veranderd. Amerika kan zijn rol als militaire en financiële wereldleider nauwelijks aan. De naschokken van 9/11 hebben gezorgd voor nieuwe breuklijnen, zinloze militaire campagnes, tienduizenden doden en een astronomisch hoog Amerikaans oorlogsbudget. Tegelijkertijd is Europa minder dan ooit geneigd geld te investeren in Defensie. Ook hier past een napoleontische gemeenplaats: ‘On gouverne mieux les hommes par leurs vices que par leurs vertus.’
Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit. Aangezien er geen miraculeuze oplossing voor de stammenoorlog in de Balkan bestaat, zal door die onafhankelijkheid het conflict in een nieuwe dimensie terechtkomen. Kosovo is een van die plekken waar het Westen onder meer op morele gronden militair heeft ingegrepen. De voormalige Servische provincie is omgebouwd tot een protectoraat zonder noemenswaardige economie. Ter herinnering: in 1999 werd het gebied gepacificeerd door ruim veertigduizend westerse soldaten van de KFOR-troepenmacht, onder wie zevenduizend Amerikanen. Afgesloten van de Middellandse Zee en van de rest van Europa leidt Kosovo een quasi-vegetatief bestaan. Het lijkt een Europese kopie van de Gazastrook. De economische indicatoren geven een rampzalig beeld. De rechtstaat wordt bedreigd door georganiseerde misdaad, chronische armoede en bestuurlijke chaos. Bovendien is het twijfelachtig of in die lamentabele omstandigheden de minderheden zullen worden gerespecteerd. Zelfs het onafhankelijke Kosovo, hoe klein ook, is een verzameling van ongelijke delen. Van meet af aan had de Kosovaarse overheid geen grip op het overwegend Servische Noorden, waar het gros van het honderdnegentig man sterke contingent Belgische militairen zich bevindt. ‘Deze onafhankelijkheidsverklaring is een stap in de reeds lang aanslepende discussie over de statuskwestie van Kosovo’, verklaarde minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht. De discussie gaat immers door. Kosovo zal zich, net als zovele andere landen, zo snel mogelijk willen aansluiten bij de Europese Unie, wat de relaties met Rusland niet meteen zal verbeteren. Europa heeft haar vredesdividend node geïnvesteerd in de versnelde toetreding van de lidstaten van het voormalige Oostblok. Ook voor Kosovo zal de Europese Unie in de toekomst de hefboom vormen om vrede en een zekere welvarendheid te bereiken, voorspellen optimisten. Eind februari deelden actievoerders van Jong N-VA alvast suikerbonen en geboortekaartjes uit aan het gebouw van de Europese Commissie, als symbool van de geboorte van Europa’s nieuwste staat.
De onafhankelijkheid van Kosovo vormt voor nationalisten van diverse pluimage het bewijs dat het zelfbeschikkingsrecht der volkeren altijd zegeviert, aangezien dat nu eenmaal het belangrijkste ordenende principe in een nationalistische maatschappijvisie is. Er bestaat geen verschil tussen Kosovo, Zuid-Ossetië, Tsjetsjenië, Tibet, Baskenland, Catalonië, Schotland of Vlaanderen. Natievorming is natievorming. Björk riep begin maart tijdens een optreden in Shanghai de onafhankelijkheid van Tibet uit, maar ze had dat evengoed tijdens de komende IJzerbedevaart kunnen doen. Een geste die perfect zou passen in de aanhoudende hysterie rond de staatshervorming. Op de site van Gazet van Antwerpen liet de enthousiaste lezer D.F. op 25 februari althans deze hartenkreet achter: ‘Was ik maar in Kosovo geboren, daar hebben ze tenminste ballen aan hun lijf’. Wellicht moeten we, zoals Paul Eluard ooit beweerde, onze wereld aandachtiger bekijken om de diepere werkelijkheid te zien: ‘La terre est bleue comme une orange’. De kop boven het grote interview in La Libre Belgique (15 maart) met N-VA-voorzitter Bart De Wever luidde dan ook: ‘La Belgique n’existe plus.’
Nog steeds wordt de Belgische politiek met argusogen gevolgd in het buitenland. Vaak gaat het om ramptoerisme waarvan de focus een etmaal later op een willekeurige overstroming is gericht. Maar het valt evenmin uit te sluiten dat niet elke Europeaan te vinden is voor een subregionaal ingedeeld Europa of voor een staatsrechterlijke big bang op continentaal niveau; een ontwikkeling waar het in buitenlandse media gretig aangekondigde uiteenvallen van België op vooruit zou lopen. Hoe langer de crisis echter duurt, hoe hardnekkiger de clichés en vooroordelen worden. Alle betrokken partijen zitten gevangen in een negatieve spiraal van verbaal geweld en slopende tactische spelletjes die elk gesprek bemoeilijken en voor de hand liggende hervormingen tegenhouden. Een belangrijk deel van het regeerakkoord van Leterme I lag al maanden vast. Achteraf bekeken hebben de meeste onderhandelaars na de verkiezingen van juni 2007 vooral winst proberen te boeken door een politieke oplossing onmogelijk te maken. De verwijzing naar de finale implosie van de Belgische staat dient hierbij als een rookgordijn dat een aantal essentiële veranderingen verborgen houdt. Een van de belangrijkste is dat de Europese Unie een steeds grotere ,rol speelt in ons dagelijkse leven. Als de Belgische politiek de komende maanden geplaagd wordt door een chronische verkiezingskoorts, dan zal die kwaal veeleer psychosomatisch zijn. Uiteraard kunnen de gewestverkiezingen van 2009 ook de federale krachtverhoudingen grondig verstoren, maar het soortelijk gewicht van de Europese verkiezingen is groter.
De federatie voert uit wat Europa beslist. De prijs- en muntstabiliteit is hiervan het pijnlijkste en meest zaligmakende voorbeeld. De eurozone, de euro en het rentebeleid van de Europese Centrale Bank (ECB) hebben een monetaire politiek op nationaal of regionaal niveau overbodig gemaakt. Dollargerichte bedrijven uit de BEL20, zoals Delhaize of UCB, kunnen hun wisselkoersrisico wel gedeeltelijk afdekken, maar richten hun kompas op Frankfurt, niet op overbodige nationale banken of regeringen die veroordeeld zijn tot het vaststellen van economische feiten. Meer dan welke Europese regering ook beïnvloedt Jean-Claude Trichet de concurrentiekracht van de ondernemingen. Als Trichet waarschuwt tegen de automatische indexering van de lonen, geeft hij voor gans de unie de marsrichting aan. Het is dankzij de supervisie van de ECB in het bijzonder en Europa in het algemeen dat de geledingen van de Belgische politiek zich op een haast evangelische manier kunnen vastbijten in de communautaire achterhoedegevechten. De prijs van slecht bestuur is veel lager dan vroeger. Devaluaties zijn niet meer mogelijk. De dalende koopkracht kan makkelijk toegeschreven worden aan internationale rampen, zoals de subprimecrisis en de bijhorende creditcrunch.
Dat het behoud van de solidariteit en van de welvaart zeer moedige politieke beslissingen vergt, tonen de bijdragen in de congresbundel Gedachten over sociaal federalisme. Leterme I heeft die moed nog niet getoond. Maar als het er echt om spant, regelt de samenleving zichzelf. De drie regionale werkgeversorganisaties – Voka (Vlaams netwerk van ondernemingen), UWE (Union Wallonne des Entreprises) en BECI (Brussels Entreprises Commerce and Industry) – ondertekenden op 10 maart een Solidariteitspact. Zo’n geste was niet eerder vertoond. De Belgische werkgevers verbinden zich ertoe om koste wat het kost vijfhonderdduizend nieuwe jobs te scheppen tegen 2020, en willen sociaaleconomische en ecologische beleidskeuzes op maat van de ‘gedifferentieerde noden van de ondernemingen in de regio’s en wat Wallonië betreft ook rekening [houdend] met subregionale verschillen’. Ook de christelijke en socialistische vakbonden ACV en ABVV, en de respectieve ziekenfondsen, plegen een historisch feit. Ze hielden voor het eerst in de geschiedenis een gezamenlijke 1 meiviering en ondertekenden tijdens een colloquium op 28 april een verklaring ter verdediging van het Belgische sociale model.
Onze welvaart is niet eeuwigdurend. Het kapitaal en de energiebronnen bevinden zich niet meer op de Louizalaan of in Marcinelle, maar in het Midden-Oosten, Rusland en Azië. Daar zijn ook de massale generaties hardwerkende nieuwe consumenten die zich liefst gisteren nog hadden bekeerd tot onze materialistische heilsfilosofie. De Europese economie staat onder druk, wat de gevolgen van de vergrijzing nog versterkt. De werkelijke politieke agenda draait dan ook om netelige onderwerpen als het verhogen van de pensioenleeftijd en van de werkzaamheidsgraad, het ter discussie stellen van verworven rechten, de omslag naar werkzekerheid, de keuze voor arbeidsmigratie, en het beheren en financieren van de fors toenemende zorgvraag en van de ecologische problemen. En dit alles tegen de achtergrond van een tot in de fundamenten veranderde samenleving die een schat aan ervaringen en kennis biedt, maar die genadelozer is geworden voor wie de verandering niet kan of wil volgen.
Niet zo lang geleden zouden we bij die toestand van overdruk heel makkelijk naar de wapens grijpen. Vandaag hebben we die conflicten geëxporteerd naar exotische oorden en sussen we ons geweten met een herinneringsgeloof in de twee wereldoorlogen. ‘Can we preserve a European past that is now fading from memory into history?’ vraagt historicus Tony Judt zich af. Het herinneringsgeloof met zijn slagveldrondleidingen en zijn bunkerromantiek ervaart Judt als een manier om penitentie te doen en het verleden af te sluiten. Ook dat is de banaliteit van het kwaad waar Hannah Arendt zo treffend over heeft geschreven. Toch lijkt de toestand op het eerste gezicht minder erg dan Judt doet uitschijnen. De Europese Unie werd gebouwd op het puin van de Tweede Wereldoorlog. Aan de verbindende kracht van de euro komt nog lang geen eind. Of dat volstaat om nog eens zestig jaar lang relatieve vrede te kennen, is een andere vraag.
Na de begrafenismis werd er voor het stoffelijk overschot van Lazare Ponticelli een parade gehouden op het binnenplein van Les Invalides. Ook de rest van de dag zou worden gevuld met toespraken, plechtige bijzettingen en onthullingen van plaquettes. Geen enkel detail van de republikeinse orgie ontging de camera’s. Het eerbetoon aan Ponticelli moest en zou uitgroeien tot een nationale hulde aan alle Franse oud-strijders en slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Tot vlak voor zijn dood heeft Ponticelli die feesten en stoeten radicaal geweigerd. Maar de laatste Franse overlevende van de Groote Oorlog is uiteindelijk het slachtoffer geworden van een geruststellend herdenkingsbombardement.

Harold Polis


Literatuur

Het Solidariteitspact is te downloaden op www.voka.be.
Tony Judt, ‘The problem of evil in Postwar Europe’, The New York Review of Books, 14 februari 2008.
Bea Cantillon en Veerle De Maesschalck (red.), Gedachten over sociaal federalisme, Acco, Leuven, 2008.

(Dit artikel verscheen eerder in Streven van mei 2008.)

woensdag 16 april 2008

De verrijzenis van Guy Verhofstadt

('Marchienne-au-Pont, janvier 2006', een overdonderend beeld van Pierre-Yves Dallenogare.)

‘Ik trek nu geregeld naar China. Iedere keer als ik terugkom, heb ik de indruk in een bejaardentehuis terecht te komen.’
Jean-Luc Dehaene in De Tijd van 22 december 2007

Het kost tegenwoordig twee euro om rond te wandelen in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Voor wie van het christendom alleen een echo overhoudt, als van een rollende donder in de verte, is twee euro uiteraard een spotprijs. Bovendien zorgt de kathedraal voor een brandhaard van toerisme. Horde na horde staan de toeristen laaiend enthousiast De kruisafneming van Rubens te interpreteren. In die hol klinkende tempel van het voorbije geloof werd eind december het voormalige CVP-boegbeeld Frank Swaelen begraven. Swaelen kreeg een klassieke staatsbegrafenis, incluis de Belgische driekleur op zijn lijkkist. Sommige commentatoren vergrootten het verscheiden van Swaelen uit tot het einde van een generatie.
De kathedraal is ook een verraderlijke plek. Hier werd de plechtige begrafenismis opgedragen voor de notoir vrijzinnige Marnix Gijsen. Even verrassend was de dienst bij het overlijden van Hugo Schiltz. En het afscheid van Swaelen bracht zeer verschillende generaties christendemocraten samen in wat niet-katholieken vaak ervaren als de natuurlijke habitat van deze politici: de kerk. Niets is minder waar. Een katholieke overtuiging is niet bepaald het opvallendste gemeenschappelijke kenmerk van Vlaams minister-president Kris Peeters en de federale aspirant-eerste minister Yves Leterme. Vooral Peeters trachtte in het voorjaar van 2007, tijdens zijn kennismakingsinterviews als minister-president, te allen prijze duidelijk te maken dat hij een overtuigd randkatholiek was, met de nadruk op rand. Ook bij Leterme is het geloof een rollende donder in de verte. Het is de strijd om de macht die beide mannen bindt.

De christendemocratie was tot aan de carrière van mensen als Jean-Luc Dehaene en Herman Van Rompuy gebaseerd op machtsbehoud. De samenleving zat in de greep van de levensbeschouwelijke tegenstellingen. De katholieke zuil oefende macht uit op alle niveaus. Al heel lang is het katholieke geloof echter een minderheidsgeloof waarvan zelfs de herinnering aan (en de kennis van) voorbije glorie sterk taant. De meeste mensen die links of rechts nog bij een zuilgebonden organisatie zijn aangesloten geven aan dat lidmaatschap geen ideologische dimensie meer. Het was geen verrassing dat de schijnbare almacht van de CVP bij de federale verkiezingen van 1999 werd gebroken. Niet zonder moeite bouwde voormalig voorzitter Stefaan De Clercq de christelijke volkspartij in 2001 om tot de huidige CD&V, Christen-Democratisch en Vlaams. Het klassieke personalisme was intussen zo verdund dat de betekenis van de C in vaagheid gehuld ging.

Politiek is het verzamelen van massa en het gebruiken van macht. Omdat de traditionele machtsbasis van de CD&V niet groot genoeg is, heeft Yves Leterme het kartel met de NV-A mogelijk gemaakt. Die combinatie bracht Leterme het minister-presidentschap in 2004 en de overwinning bij de federale verkiezingen in 2007. Toen liep het fout. In La tragedie du président. Scènes de la vie politique beschrijft Franz-Olivier Giesbert het syndroom waaraan de voormalige Franse president Jacques Chirac leed: het niet kunnen gebruiken van de macht. Als geen ander slaagde Chirac erin succesvol campagne te voeren en mensen te mobiliseren, niet vanuit het mondaine Parijs, maar vanuit het landelijke departement Corrèze. Eens Chirac op zijn troon zat, werd hij het slachtoffer van immobilisme. Het drama van Yves Leterme is dat hij zijn niet te stuiten overwinning bij de federale verkiezingen zelfs niet heeft kunnen bekronen met een geslaagd formatieberaad. Eind december werd hij minister in het overgangskabinet Verhofstadt III – waaruit hij met Pasen als leider zou moeten verrijzen.

In normale omstandigheden heet zo’n situatie een smadelijke nederlaag. Sinds juni 2007 zijn er echter geen normale omstandigheden. De politieke wereld waarin Frank Swaelen carrière maakte en zijn verantwoordelijkheid nam, bestaat niet meer. Swaelens generatie heeft een federale Belgische staatsstructuur gebouwd die overleeft bij de gratie van voortschrijdend inzicht en compromissen tussen de gewesten en gemeenschappen. De CVP stelde zich garant voor een zorgvuldig beheer van die federale structuur. De opvolgers van Swaelen hebben echter gekozen voor een confederalisme sui generis waarvan de contouren niet volledig scherp zijn. De verkiezingsoverwinning van het kartel CD&V/NV-A is in belangrijke mate te danken aan het meesterlijke gebruik van die flou artistique.

Het consumptiefederalisme heeft zijn bruikbaarheid verloren op het moment dat de bodem van de federale kas is bereikt, na de Lambermontakkoorden van 2001. Politieke deals kunnen niet meer worden afgekocht door rijkelijk middelen over te hevelen naar de regio’s. De nadruk tijdens het federale overleg ligt daardoor als vanzelf op efficiënt bestuur en op een sanering van politieke loodgieterij uit vorige fases van de staatshervorming. Het onderhandelen van efficiënt beheer weegt zwaarder dan het verdelen van geld (dat er niet is). Als vanzelf heeft die nieuwe spelregel de regeringsformatie maandenlang geblokkeerd.

In een interview met De Morgen (29 december 2007) noemde Karel De Gucht de campagne van CD&V/NV-A populistisch. Zelfs als je de politieke ontgoocheling van de VLD’er verrekent, blijft zijn vaststelling pijnlijk waar. Enige tijd vóór de verkiezingen beschreef De Gucht de populistische techniek in het essay Pluche. Over de banalisering van extreemrechts. De vorm is voor De Gucht ondergeschikt aan de inhoud. Non multa, sed multum. Alleen op die manier kan een democratie haar vrijheden niet laten misbruiken in de naam van onvrijheid. In nogal wat passages lijkt de chaos van het mislukte formatieberaad te worden beschreven, hoewel Pluche ruim een maand vóór de verkiezingen verscheen. ‘De grootste vijand van een democratie’, stelt De Gucht, ‘is de oververhitting die ze zelf voortbrengt in tijden van onzekerheid. Populisme komt het sterkst uit de verf als er, in een wervelstorm van onbegrijpelijke maatschappelijke evoluties, geen andere keuze lijkt te zijn dan of het status-quo of de grote sprong voorwaarts.’ Eerder dan een hedendaagse haruspex is De Gucht hier een koele observator van de onmogelijke en vage beloftes van het kartel. Voor de aangekondigde grote staatshervorming was er tijdens de formatie noch een tweederdemeerderheid, noch een plan, noch een gesprekspartner. Dat zowat iedereen na twee mislukte formatierondes overtuigd was van de wenselijkheid van een hervorming, werd door CD&V als een overwinning verkocht.

Tijdens de maandenlange formatie hing de politieke chaos als een mistbank over het land. Er zijn geen winnaars uit naar voren gekomen. In de eerste plaats hebben de politiek en de democratie averij opgelopen. Het georganiseerde misverstand leidde niet tot een eerbaar compromis, maar tot een parade van beginselvaste cynici en calculerende idealisten die met elkaar onderhandelden via de pers. In separatistische kringen werd de chaos op gejuich onthaald. Belangrijker is dat iedereen al volop aan de gewestverkiezingen van 2009 werkt. Zeker in de Franstalige politiek, waar er een zelden geziene vuile oorlog om het marktleiderschap woedt, bemoeilijkt de verkiezingscarrousel moedige beslissingen. Een vooroorlogs stroef communicerende Yves Leterme claimde bij herhaling de morele overwinning omdat hij woord had gehouden. Ook bij deze bewering bleef het onduidelijk wat de ex-formateur echt had bereikt. Toen Leterme ten tweede male zijn formatieopdracht moest teruggeven aan de koning, kreeg hij bij het betreden van het CD&V-hoofdkwartier een staande ovatie. Het was een van de dieptepunten in de naoorlogse Belgische politiek.

Het moeilijke politieke speelveld van de Belgische federatie maakt in tijden van crisis simplistische argumenten bijzonder aantrekkelijk. Meestal gaan die voorstellen gehuld in een waas van gezond verstand en moralisme. Rechts van het centrum is er een libertaire tendens die de afkeer van de overheid verbergt achter het afwijzen van de Belgische federatie. In tegenstelling tot Margaret Thatcher zal Jean-Marie Dedecker niet met The Constitution of Liberty van Friedrich Hayek op tafel slaan, hoewel Hayek een duidelijke invloed heeft op de teneur van het LDD-programma, en op LDD-satellieten zoals de Vlaamse liberale politieke club Nova Civitas en de onlangs opgerichte ‘denktank’ Cassandra. Dat zogezegde diepblauwe gedachtegoed vervult bij de liberale broederstrijd dezelfde rol die priester Adolf Daens enkele jaren geleden postuum kreeg toebedeeld. Eind jaren negentig legde het toenmalige Vlaams Blok een claim op de geestelijke nalatenschap van Adolf Daens door 1 meivieringen aan hem op te dragen. De partij had een significant deel van het traditionele arbeiderselectoraat overgenomen, maar werd bestreden door de vakbonden.

De Belgische politiek leek na de zomer van 2007 op een lekkend vat chemisch afval. De problemen waren gekend (en niet zelden de oplossingen ook), maar niemand waagde te saneren. Eigenlijk hebben alle betrokkenen zich vroeg of laat verstopt achter een symbooldossier om niet te hoeven handelen. Een aantal van die symbooldossiers zou voorgoed gesloten moeten worden. De Franse filosoof Jean-Marc Ferry (ULB) voert in dit opzicht een lovenswaardig pleidooi voor een herstelgerichte dialoog tussen Vlamingen en Franstaligen. De vroegere discriminatie van het Nederlands en de sociale gevolgen ervan moeten ten volle erkend. Het is een bepalende episode in de Belgische geschiedenis. Kinderen zijn nooit verantwoordelijk voor de daden van hun ouders, maar de geschiedenis hoeft zich niet herhalen, eerst als een tragedie, dan als een komedie. Ook moeten we moedig en nieuwsgierig de Vlaamse pijnlijke episodes erkennen. Het is niet omdat we pas in de jaren tachtig een grondige kennis van de Wereldoorlogen beginnen op te bouwen, dat dit onderzoek vandaag minder belangrijk is geworden. Het beste bewijs wordt geleverd door het door de Belgische senaat bestelde rapport Gewillig België. Overheid en jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel van het totaal onvoorbereide overheidsapparaat ging na mei 1940 verrassend snel moreel failliet. Dat feit kan alleen tot nederigheid inspireren.

In de Belgische communautaire verhoudingen krijgt de dialectiek van de koude grond een veel te grote rol toebedeeld, met pathos en stilstand tot gevolg. Die politique politicienne wordt nog versterkt door de fors toegenomen fragmentering van het politieke landschap, die zowel links als rechts ronduit ridicule proporties aanneemt. Zonder afbreuk te doen aan de complexiteit van onze instellingen lijkt het de moeite waard om na te gaan of er niet moet worden gestreefd naar een meerderheidsstelsel. We moeten af van de illusie dat wie het algemeen belang wil dienen door politiek te bedrijven zich moet gedragen alsof hij vrijblijvend lid is van de zoveelste pressiegroep.

De democratie en haar instellingen zijn ook te kwetsbaar om te worden overgeleverd aan dogma’s en verstarring. Daarom is de politieke drang tot vernieuwing geen holle marketing, maar de essentie zelf van een gezonde democratie. Op zoek naar uitwegen uit het moeras van de formatie is meermaals verwezen naar het beruchte artikel 35 van de Belgische grondwet: ‘De federale overheid is slechts bevoegd voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen.’ Artikel 35 is bij de Sint-Michielsakkoorden met opzet niet geconcretiseerd. Het voeren van een federaal kerntakendebat en het opstellen van een definitieve lijst met federale verantwoordelijkheden, zou een heleboel symbooldossiers afsluiten en zou de staatshervormingcarrousel afremmen, zoniet stoppen. De vraag is niet of dit politiek haalbaar zou zijn, maar of dit wenselijk is.

Het definitieve einde van het proces van de staatshervorming is zoiets als Fukuyama’s einde van de geschiedenis. Het klinkt goed, maar dan vooral in de beslotenheid van een studeerkamer. De politiek en haar dienaars kwijten zich beter van hun taak naarmate ze zich bewust zijn van hun werkelijke statuur en zich nooit de illusie eigen maken in de plaats van de samenleving en de burgers te denken. Dat bevlogen realisme vormt in hoge mate de kern van de nota Verhofstadt, de visietekst waarmee Guy Verhofstadt op 8 januari vriend en vijand verraste. De liberale voorman heeft vaak het niet onterechte verwijt gekregen dat er tijdens de twee regeringen Verhofstadt een communautair status-quo is nagestreefd. En de onder zijn supervisie afgesloten Lambermontakkoorden hebben de financiering van de federale staat lek geslagen, vandaar Letermes oude verwijt ‘maxigeld voor minibevoegdheden’. De volgende fase van de Belgische staatshervorming is onvermijdelijk, al was het maar omdat bij een ongewijzigd beleid de federale staat niet meer aan zijn financiële verantwoordelijkheden zal kunnen voldoen. Elke voorspelling van de gevolgen van de vergrijzing toont hoe immens de uitdaging is. De federatie moet zich schrap zetten om die klap op te vangen.



Een staatshervorming zal ook Wallonië ten goede komen. Wie Le second declin de la Wallonie van Jean-Yves Huwart heeft gelezen, weet op welk een dramatische manier het bestuur van het Waalse gewest en de Franstalige gemeenschap tijdens de jaren negentig is tekortgeschoten. Er wordt steeds verwezen naar de ondergang van de delfstoffenindustrie om de economische achterstand van Wallonie te verklaren. In januari nog was er de emotionele sluiting van een cokesfabriek in Marchienne-au-Pont, als tastbare getuigenis van die nog steeds aan de gang zijnde aderlating van de Waalse industrie. Een populaire bestemming voor ramptoeristen zijn de industriële spooksteden van Arcelor langs de spoorlijn Namen-Charleroi. Tijdens de voorspoedige jaren negentig echter, toen de budgettaire magerzucht van Jean-Luc Dehaene België de monetaire unie binnenleidde en de welvaart veiligstelde, heeft een groot deel van de politieke klasse in Wallonië het verzuimd te handelen naar wat er zich onder hun ogen afspeelde. Van de vele pijnlijke vaststellingen die je hieraan kunt koppelen is zeker een van de ergste dat de overheid zich hier boven de burger heeft geplaatst. Ook in Vlaanderen is, ondanks het klatergoud van het goede bestuur, het overheidsbeslag indrukwekkend. In Wallonië is het echter vele malen te groot. Amerikaanse politici die elkaar big government verwijten, kennen Wallonië niet. Het immobilisme heeft er de innovatie van de economie fors belemmerd. Bovendien waren vele plannen, acties en oproepen tot aan het Marshallplan slecht georganiseerd, versplinterd, niet voldoende ernstig. De acute terughoudendheid van sommige Franstalige politici tegenover de nieuwe stappen in de staatshervorming heeft dan ook meer te maken met een geconditioneerde reflex dan met een gehechtheid aan België of aan de federale verworvenheden.

Wat Verhofstadt in de achttien pagina’s van zijn nota zet, is een toonbeeld van conventionele wijsheid. Onder dat begrip verstond wijlen John Kenneth Galbraith het tastbaar maken van aanvaardbare maatschappelijke en politieke feiten: de consensus. Het doorgeven van meer verantwoordelijkheden aan de regio’s koppelen aan het versterken van de federatie is, zowel op een ideëel niveau als in de door Verhofstadt geschetste details, de best mogelijke basis voor een hernieuwd federaal pact. Galbraith schrijft echter: ‘The enemy of conventional wisdom is not ideas but the march of events.’ De deadline van het octopusoverleg (Pasen) is nog ver weg.

Harold Polis

Karel De Gucht, Pluche. Over de banalisering van extreemrechts, Houtekiet, Antwerpen, 2007.
Jean-Yves Huwart, Le second declin de la Wallonie. En sortir, Racine, Brussel, 2007.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van februari 2008.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...