Posts tonen met het label Jean-Yves Huwart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jean-Yves Huwart. Alle posts tonen

woensdag 16 april 2008

De verrijzenis van Guy Verhofstadt

('Marchienne-au-Pont, janvier 2006', een overdonderend beeld van Pierre-Yves Dallenogare.)

‘Ik trek nu geregeld naar China. Iedere keer als ik terugkom, heb ik de indruk in een bejaardentehuis terecht te komen.’
Jean-Luc Dehaene in De Tijd van 22 december 2007

Het kost tegenwoordig twee euro om rond te wandelen in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Voor wie van het christendom alleen een echo overhoudt, als van een rollende donder in de verte, is twee euro uiteraard een spotprijs. Bovendien zorgt de kathedraal voor een brandhaard van toerisme. Horde na horde staan de toeristen laaiend enthousiast De kruisafneming van Rubens te interpreteren. In die hol klinkende tempel van het voorbije geloof werd eind december het voormalige CVP-boegbeeld Frank Swaelen begraven. Swaelen kreeg een klassieke staatsbegrafenis, incluis de Belgische driekleur op zijn lijkkist. Sommige commentatoren vergrootten het verscheiden van Swaelen uit tot het einde van een generatie.
De kathedraal is ook een verraderlijke plek. Hier werd de plechtige begrafenismis opgedragen voor de notoir vrijzinnige Marnix Gijsen. Even verrassend was de dienst bij het overlijden van Hugo Schiltz. En het afscheid van Swaelen bracht zeer verschillende generaties christendemocraten samen in wat niet-katholieken vaak ervaren als de natuurlijke habitat van deze politici: de kerk. Niets is minder waar. Een katholieke overtuiging is niet bepaald het opvallendste gemeenschappelijke kenmerk van Vlaams minister-president Kris Peeters en de federale aspirant-eerste minister Yves Leterme. Vooral Peeters trachtte in het voorjaar van 2007, tijdens zijn kennismakingsinterviews als minister-president, te allen prijze duidelijk te maken dat hij een overtuigd randkatholiek was, met de nadruk op rand. Ook bij Leterme is het geloof een rollende donder in de verte. Het is de strijd om de macht die beide mannen bindt.

De christendemocratie was tot aan de carrière van mensen als Jean-Luc Dehaene en Herman Van Rompuy gebaseerd op machtsbehoud. De samenleving zat in de greep van de levensbeschouwelijke tegenstellingen. De katholieke zuil oefende macht uit op alle niveaus. Al heel lang is het katholieke geloof echter een minderheidsgeloof waarvan zelfs de herinnering aan (en de kennis van) voorbije glorie sterk taant. De meeste mensen die links of rechts nog bij een zuilgebonden organisatie zijn aangesloten geven aan dat lidmaatschap geen ideologische dimensie meer. Het was geen verrassing dat de schijnbare almacht van de CVP bij de federale verkiezingen van 1999 werd gebroken. Niet zonder moeite bouwde voormalig voorzitter Stefaan De Clercq de christelijke volkspartij in 2001 om tot de huidige CD&V, Christen-Democratisch en Vlaams. Het klassieke personalisme was intussen zo verdund dat de betekenis van de C in vaagheid gehuld ging.

Politiek is het verzamelen van massa en het gebruiken van macht. Omdat de traditionele machtsbasis van de CD&V niet groot genoeg is, heeft Yves Leterme het kartel met de NV-A mogelijk gemaakt. Die combinatie bracht Leterme het minister-presidentschap in 2004 en de overwinning bij de federale verkiezingen in 2007. Toen liep het fout. In La tragedie du président. Scènes de la vie politique beschrijft Franz-Olivier Giesbert het syndroom waaraan de voormalige Franse president Jacques Chirac leed: het niet kunnen gebruiken van de macht. Als geen ander slaagde Chirac erin succesvol campagne te voeren en mensen te mobiliseren, niet vanuit het mondaine Parijs, maar vanuit het landelijke departement Corrèze. Eens Chirac op zijn troon zat, werd hij het slachtoffer van immobilisme. Het drama van Yves Leterme is dat hij zijn niet te stuiten overwinning bij de federale verkiezingen zelfs niet heeft kunnen bekronen met een geslaagd formatieberaad. Eind december werd hij minister in het overgangskabinet Verhofstadt III – waaruit hij met Pasen als leider zou moeten verrijzen.

In normale omstandigheden heet zo’n situatie een smadelijke nederlaag. Sinds juni 2007 zijn er echter geen normale omstandigheden. De politieke wereld waarin Frank Swaelen carrière maakte en zijn verantwoordelijkheid nam, bestaat niet meer. Swaelens generatie heeft een federale Belgische staatsstructuur gebouwd die overleeft bij de gratie van voortschrijdend inzicht en compromissen tussen de gewesten en gemeenschappen. De CVP stelde zich garant voor een zorgvuldig beheer van die federale structuur. De opvolgers van Swaelen hebben echter gekozen voor een confederalisme sui generis waarvan de contouren niet volledig scherp zijn. De verkiezingsoverwinning van het kartel CD&V/NV-A is in belangrijke mate te danken aan het meesterlijke gebruik van die flou artistique.

Het consumptiefederalisme heeft zijn bruikbaarheid verloren op het moment dat de bodem van de federale kas is bereikt, na de Lambermontakkoorden van 2001. Politieke deals kunnen niet meer worden afgekocht door rijkelijk middelen over te hevelen naar de regio’s. De nadruk tijdens het federale overleg ligt daardoor als vanzelf op efficiënt bestuur en op een sanering van politieke loodgieterij uit vorige fases van de staatshervorming. Het onderhandelen van efficiënt beheer weegt zwaarder dan het verdelen van geld (dat er niet is). Als vanzelf heeft die nieuwe spelregel de regeringsformatie maandenlang geblokkeerd.

In een interview met De Morgen (29 december 2007) noemde Karel De Gucht de campagne van CD&V/NV-A populistisch. Zelfs als je de politieke ontgoocheling van de VLD’er verrekent, blijft zijn vaststelling pijnlijk waar. Enige tijd vóór de verkiezingen beschreef De Gucht de populistische techniek in het essay Pluche. Over de banalisering van extreemrechts. De vorm is voor De Gucht ondergeschikt aan de inhoud. Non multa, sed multum. Alleen op die manier kan een democratie haar vrijheden niet laten misbruiken in de naam van onvrijheid. In nogal wat passages lijkt de chaos van het mislukte formatieberaad te worden beschreven, hoewel Pluche ruim een maand vóór de verkiezingen verscheen. ‘De grootste vijand van een democratie’, stelt De Gucht, ‘is de oververhitting die ze zelf voortbrengt in tijden van onzekerheid. Populisme komt het sterkst uit de verf als er, in een wervelstorm van onbegrijpelijke maatschappelijke evoluties, geen andere keuze lijkt te zijn dan of het status-quo of de grote sprong voorwaarts.’ Eerder dan een hedendaagse haruspex is De Gucht hier een koele observator van de onmogelijke en vage beloftes van het kartel. Voor de aangekondigde grote staatshervorming was er tijdens de formatie noch een tweederdemeerderheid, noch een plan, noch een gesprekspartner. Dat zowat iedereen na twee mislukte formatierondes overtuigd was van de wenselijkheid van een hervorming, werd door CD&V als een overwinning verkocht.

Tijdens de maandenlange formatie hing de politieke chaos als een mistbank over het land. Er zijn geen winnaars uit naar voren gekomen. In de eerste plaats hebben de politiek en de democratie averij opgelopen. Het georganiseerde misverstand leidde niet tot een eerbaar compromis, maar tot een parade van beginselvaste cynici en calculerende idealisten die met elkaar onderhandelden via de pers. In separatistische kringen werd de chaos op gejuich onthaald. Belangrijker is dat iedereen al volop aan de gewestverkiezingen van 2009 werkt. Zeker in de Franstalige politiek, waar er een zelden geziene vuile oorlog om het marktleiderschap woedt, bemoeilijkt de verkiezingscarrousel moedige beslissingen. Een vooroorlogs stroef communicerende Yves Leterme claimde bij herhaling de morele overwinning omdat hij woord had gehouden. Ook bij deze bewering bleef het onduidelijk wat de ex-formateur echt had bereikt. Toen Leterme ten tweede male zijn formatieopdracht moest teruggeven aan de koning, kreeg hij bij het betreden van het CD&V-hoofdkwartier een staande ovatie. Het was een van de dieptepunten in de naoorlogse Belgische politiek.

Het moeilijke politieke speelveld van de Belgische federatie maakt in tijden van crisis simplistische argumenten bijzonder aantrekkelijk. Meestal gaan die voorstellen gehuld in een waas van gezond verstand en moralisme. Rechts van het centrum is er een libertaire tendens die de afkeer van de overheid verbergt achter het afwijzen van de Belgische federatie. In tegenstelling tot Margaret Thatcher zal Jean-Marie Dedecker niet met The Constitution of Liberty van Friedrich Hayek op tafel slaan, hoewel Hayek een duidelijke invloed heeft op de teneur van het LDD-programma, en op LDD-satellieten zoals de Vlaamse liberale politieke club Nova Civitas en de onlangs opgerichte ‘denktank’ Cassandra. Dat zogezegde diepblauwe gedachtegoed vervult bij de liberale broederstrijd dezelfde rol die priester Adolf Daens enkele jaren geleden postuum kreeg toebedeeld. Eind jaren negentig legde het toenmalige Vlaams Blok een claim op de geestelijke nalatenschap van Adolf Daens door 1 meivieringen aan hem op te dragen. De partij had een significant deel van het traditionele arbeiderselectoraat overgenomen, maar werd bestreden door de vakbonden.

De Belgische politiek leek na de zomer van 2007 op een lekkend vat chemisch afval. De problemen waren gekend (en niet zelden de oplossingen ook), maar niemand waagde te saneren. Eigenlijk hebben alle betrokkenen zich vroeg of laat verstopt achter een symbooldossier om niet te hoeven handelen. Een aantal van die symbooldossiers zou voorgoed gesloten moeten worden. De Franse filosoof Jean-Marc Ferry (ULB) voert in dit opzicht een lovenswaardig pleidooi voor een herstelgerichte dialoog tussen Vlamingen en Franstaligen. De vroegere discriminatie van het Nederlands en de sociale gevolgen ervan moeten ten volle erkend. Het is een bepalende episode in de Belgische geschiedenis. Kinderen zijn nooit verantwoordelijk voor de daden van hun ouders, maar de geschiedenis hoeft zich niet herhalen, eerst als een tragedie, dan als een komedie. Ook moeten we moedig en nieuwsgierig de Vlaamse pijnlijke episodes erkennen. Het is niet omdat we pas in de jaren tachtig een grondige kennis van de Wereldoorlogen beginnen op te bouwen, dat dit onderzoek vandaag minder belangrijk is geworden. Het beste bewijs wordt geleverd door het door de Belgische senaat bestelde rapport Gewillig België. Overheid en jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel van het totaal onvoorbereide overheidsapparaat ging na mei 1940 verrassend snel moreel failliet. Dat feit kan alleen tot nederigheid inspireren.

In de Belgische communautaire verhoudingen krijgt de dialectiek van de koude grond een veel te grote rol toebedeeld, met pathos en stilstand tot gevolg. Die politique politicienne wordt nog versterkt door de fors toegenomen fragmentering van het politieke landschap, die zowel links als rechts ronduit ridicule proporties aanneemt. Zonder afbreuk te doen aan de complexiteit van onze instellingen lijkt het de moeite waard om na te gaan of er niet moet worden gestreefd naar een meerderheidsstelsel. We moeten af van de illusie dat wie het algemeen belang wil dienen door politiek te bedrijven zich moet gedragen alsof hij vrijblijvend lid is van de zoveelste pressiegroep.

De democratie en haar instellingen zijn ook te kwetsbaar om te worden overgeleverd aan dogma’s en verstarring. Daarom is de politieke drang tot vernieuwing geen holle marketing, maar de essentie zelf van een gezonde democratie. Op zoek naar uitwegen uit het moeras van de formatie is meermaals verwezen naar het beruchte artikel 35 van de Belgische grondwet: ‘De federale overheid is slechts bevoegd voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen.’ Artikel 35 is bij de Sint-Michielsakkoorden met opzet niet geconcretiseerd. Het voeren van een federaal kerntakendebat en het opstellen van een definitieve lijst met federale verantwoordelijkheden, zou een heleboel symbooldossiers afsluiten en zou de staatshervormingcarrousel afremmen, zoniet stoppen. De vraag is niet of dit politiek haalbaar zou zijn, maar of dit wenselijk is.

Het definitieve einde van het proces van de staatshervorming is zoiets als Fukuyama’s einde van de geschiedenis. Het klinkt goed, maar dan vooral in de beslotenheid van een studeerkamer. De politiek en haar dienaars kwijten zich beter van hun taak naarmate ze zich bewust zijn van hun werkelijke statuur en zich nooit de illusie eigen maken in de plaats van de samenleving en de burgers te denken. Dat bevlogen realisme vormt in hoge mate de kern van de nota Verhofstadt, de visietekst waarmee Guy Verhofstadt op 8 januari vriend en vijand verraste. De liberale voorman heeft vaak het niet onterechte verwijt gekregen dat er tijdens de twee regeringen Verhofstadt een communautair status-quo is nagestreefd. En de onder zijn supervisie afgesloten Lambermontakkoorden hebben de financiering van de federale staat lek geslagen, vandaar Letermes oude verwijt ‘maxigeld voor minibevoegdheden’. De volgende fase van de Belgische staatshervorming is onvermijdelijk, al was het maar omdat bij een ongewijzigd beleid de federale staat niet meer aan zijn financiële verantwoordelijkheden zal kunnen voldoen. Elke voorspelling van de gevolgen van de vergrijzing toont hoe immens de uitdaging is. De federatie moet zich schrap zetten om die klap op te vangen.



Een staatshervorming zal ook Wallonië ten goede komen. Wie Le second declin de la Wallonie van Jean-Yves Huwart heeft gelezen, weet op welk een dramatische manier het bestuur van het Waalse gewest en de Franstalige gemeenschap tijdens de jaren negentig is tekortgeschoten. Er wordt steeds verwezen naar de ondergang van de delfstoffenindustrie om de economische achterstand van Wallonie te verklaren. In januari nog was er de emotionele sluiting van een cokesfabriek in Marchienne-au-Pont, als tastbare getuigenis van die nog steeds aan de gang zijnde aderlating van de Waalse industrie. Een populaire bestemming voor ramptoeristen zijn de industriële spooksteden van Arcelor langs de spoorlijn Namen-Charleroi. Tijdens de voorspoedige jaren negentig echter, toen de budgettaire magerzucht van Jean-Luc Dehaene België de monetaire unie binnenleidde en de welvaart veiligstelde, heeft een groot deel van de politieke klasse in Wallonië het verzuimd te handelen naar wat er zich onder hun ogen afspeelde. Van de vele pijnlijke vaststellingen die je hieraan kunt koppelen is zeker een van de ergste dat de overheid zich hier boven de burger heeft geplaatst. Ook in Vlaanderen is, ondanks het klatergoud van het goede bestuur, het overheidsbeslag indrukwekkend. In Wallonië is het echter vele malen te groot. Amerikaanse politici die elkaar big government verwijten, kennen Wallonië niet. Het immobilisme heeft er de innovatie van de economie fors belemmerd. Bovendien waren vele plannen, acties en oproepen tot aan het Marshallplan slecht georganiseerd, versplinterd, niet voldoende ernstig. De acute terughoudendheid van sommige Franstalige politici tegenover de nieuwe stappen in de staatshervorming heeft dan ook meer te maken met een geconditioneerde reflex dan met een gehechtheid aan België of aan de federale verworvenheden.

Wat Verhofstadt in de achttien pagina’s van zijn nota zet, is een toonbeeld van conventionele wijsheid. Onder dat begrip verstond wijlen John Kenneth Galbraith het tastbaar maken van aanvaardbare maatschappelijke en politieke feiten: de consensus. Het doorgeven van meer verantwoordelijkheden aan de regio’s koppelen aan het versterken van de federatie is, zowel op een ideëel niveau als in de door Verhofstadt geschetste details, de best mogelijke basis voor een hernieuwd federaal pact. Galbraith schrijft echter: ‘The enemy of conventional wisdom is not ideas but the march of events.’ De deadline van het octopusoverleg (Pasen) is nog ver weg.

Harold Polis

Karel De Gucht, Pluche. Over de banalisering van extreemrechts, Houtekiet, Antwerpen, 2007.
Jean-Yves Huwart, Le second declin de la Wallonie. En sortir, Racine, Brussel, 2007.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van februari 2008.)

zaterdag 27 oktober 2007

Bezoek België voor het te laat is (deel 2)



‘België is een klein land
Ook wat zijn oppervlakte betreft
Het wordt elke dag kleiner steeds maar kleiner.
Bezoek België voor het te laat is.
België is kleiner dan je denkt.’
Paul Snoek

Na de Belgische federale verkiezingen van 10 juni werd onbestuurbaarheid als tijdelijke oplossing aanvaard door alle partijen. Oude communautaire pacificatietechnieken weigerden dienst. Hysterie kreeg ruim baan. ‘De Vlamingen’ stonden tegenover ‘de Walen’. Taal, cultuur en etnie vielen weer gezellig samen. En voor het eerst in ruim een halve eeuw werd de Kroonraad samengeroepen. Om alle schijnbewegingen, pokerspelletjes en scheldpartijen te kunnen doorgronden, was een diploma hogere Belgiëkunde nodig (en een telelens). Geen wonder dat sommige buitenlandse correspondenten de rol losten en nog slechts van één sensationele nieuwsflash droomden: België barst. Onder meer The Economist en Le Nouvel Observateur sloegen eind augustus de plank mis. Nadat De Telegraaf een dolkomische petitie had gelanceerd om Vlaanderen bij Nederland te krijgen en nadat de promotoren van ‘romp-België’ (het land minus het Vlaamse gewest) vruchteloos aanstuurden op een fusie met het groothertogdom Luxemburg (eerste minister Juncker kon zich hier niet snel genoeg van distantiëren), was het de beurt aan de rattachisten onder ons. In Le Figaro van 3 september legde Alexandre Adler een Franse claim op België. ‘Nos compatriotes d’outre-Quiévrain’, zoals het koosnaampje van Franstalige Belgen luidt, waren al van Frankrijk – al was het maar omdat ze niet Luik, maar het onooglijke Namen als hoofdstad hadden gekozen. Nu de Vlamingen nog. Volgens Adler had de Franse diplomatie er te lang naar gestreefd om Vlaanderen binnen België te houden, want een onafhankelijk Vlaanderen zal qua francofilie zijns gelijke niet kennen in Europa.

Te midden van al die onnozelheden is er één zekerheid: de Belgische federatie en haar inwoners zijn op zichzelf aangewezen. Het land heeft nood aan een hernieuwde federale solidariteit, een communautaire entente en een staatshervorming die de federale competenties voorgoed vastlegt. Hoewel de zetelverdeling in het parlement een afgetekende roomsblauwe meerderheid mogelijk maakte, verzandden de slecht voorbereide coalitiebesprekingen in communautair geknoei. Het kartel CD&V-NVA leverde met Leterme een winnaar met 800.000 Vlaamse voorkeurstemmen. Een verrassende toekomstvisie of een fundamentele herdenking van de financiering van de overheid lagen echter niet aan de grondslag van deze zege. CD&V-NVA heeft drie verkiezingen na elkaar geleerd te strijden voor de macht, onder meer door op uitmuntende wijze het paarse beleid zwart te maken. Het hoogtepunt was de beenveeg waarmee Leterme zijn opponent Verhofstadt tijdens het VTM-kopstukkendebat onderuithaalde: “Wie gelooft Guy Verhofstadt nog, wie gelooft de VLD nog?” De gretigheid en het krediet waarmee Leterme aan zijn rol van volkstribuun begon, volstonden echter niet om meteen gelijk te krijgen bij de coalitievorming.

Even opmerkelijk was de analyse die de SP.a van de eigen verkiezingsnederlaag maakte. Wat ging fout? werd geschreven door, onder anderen, Koen Pelleriaux, adviseur van Johan Vande Lanotte. Een eenduidige verklaring van de socialistische afstraffing geeft de analyse niet. In de beschrijving van de voor de SP.a ongunstige context klinkt wel de grondthese door die socioloog Pelleriaux vijf jaar tevoren verwoordde in Demotie en burgerschap. De culturele constructie van ongelijkheid in de kennismaatschappij: de oude sociaal-economische kloof is ethisch-cultureel geworden. Hoger- en lageropgeleiden verstaan elkaar niet meer. Niet de afkomst, maar de scholing bepaalt de ongelijkheid. Pelleriaux was ten tijde van Demotie en burgerschap eerder somber wat de uitkomst van dit nieuwe maatschappelijke conflict betrof. Vooral omdat de samenleving nog geen aangepast pacificatiemodel had gevonden. Wel zag hij voor de toenmalige SP kansen om de ethisch-culturele kloof te overbruggen, omdat het electoraat van de partij zich aan weerszijden van de nieuwe maatschappelijke breuklijn bevond. Wat ging fout? bevestigt het einde van die droom: “De maatschappelijke evoluties en de veranderende samenleving zetten socialistische partijen steeds meer onder druk. […] Het lijkt steeds moeilijker te worden om een brug te slaan tussen de verschillende kiezersgroepen.”

Het succes van CD&V/NVA en de opdoffer voor de SP.a zijn twee kanten van dezelfde medaille. De Britse socioloog Richard Sennett zou er een klassiek voorbeeld van ‘het politieke platform’ in herkennen, een concept dat hij uitwerkt in zijn zijn essaybundel De cultuur van het nieuwe kapitalisme. ‘Het VW-platform is een gewoon chassis waarvan kleine materiële verschillen in waarde worden opgeblazen tot merken,’ schrijft hij. ‘Moderne politiek heeft een vergelijkbare vorm, die we gewoonlijk consensuspolitiek noemen.’ De programma’s van democratische partijen in West-Europa komen in grote lijnen met elkaar overeen. Iedereen wil gunstige economische omstandigheden creëren zodat de thuismarkt aansluiting kan vinden bij de globalisering. In de rol van de staat ontdekt Sennett een veel belangrijker gemeenschappelijk kenmerk van de Westerse politieke bewegingen: ‘De staat blijft in sterke mate sturen en wordt bepaald niet zwakker.’ Macht en autoriteit groeien echter uit elkaar, wat voordelig is voor administraties die almaar krachtiger worden en steeds minder verantwoording dienen af te leggen aan de burgers. Die stille bureaucratische revolutie volgt de ontwikkelingen in het bedrijfsleven en in de haute finance, waar beslissingen tot stand komen volgens onschendbare protocollen die de maatschappelijke of ecologische kosten doorschuiven naar de individuele consument.

De recente Amerikaanse kredietcrisis is het meest cynische voorbeeld van de kloof tussen macht en autoriteit. In juli alleen al werden de huizen van ruim 180.000 Amerikaanse gezinnen in beslag genomen. De afgelopen jaren werd het geld zo goedkoop gemaakt dat zelfs insolvabele consumenten een lening kregen. Die risicovolle leningen werden herverpakt en verdeeld onder de spelers van het globale financiële conglomeraat. Dit zorgde ervoor dat eind augustus ook de liquiditeit van enkele Europese banken bijna was opgedroogd. Om de paniekreactie te bezweren maakten overheidsinstellingen zoals de Amerikaanse Federal Reserve en staatslui zoals de Franse president Sarkozy het publiek wijs dat monetaire interventies de crisis zouden oplossen. De Europese Centrale Bank oogt beïnvloedbaar door de politiek omdat er geen politieke unie bestaat en omdat de Europese federalistische idee is opgeborgen. Sarkozy, zelf een koele minnaar van het federalistische gedachtegoed, zag er dan ook geen graten in om te eisen dat de ECB de rente zou verlagen. Een hogere rente is immers een probleem voor landen die niet ascetisch budgetteren, met een moeilijke schuldbalans leven of electorale beloften moeten financieren. Frankrijk past zonder meer in die beschrijving, maar België nog meer.

Als er in Europa iets werkt, dan wel de markt en de munt. De stabiliteit die de euro ons biedt, heeft er mee voor gezorgd dat de coalitievorming van de federale regering kon worden opgefleurd met tijdverlies en communautair borstgeroffel. Zonder Europa was België de afgelopen zomer een speelbal van speculanten geweest. De euro nam de ‘moral hazard’ weg bij de onderhandelaars op Hertoginnedal, nota bene de plek waar in 1956 onderhandelingen werden gevoerd die tot de ondertekening van de Verdragen van Rome zouden leiden. Het gebrek aan urgentie verlaagde de inzet van de formatiegesprekken en maakte de behandelde thema’s allengs vluchtiger en meer symbolisch. De notariële methode die formateur Yves Leterme volgde tijdens de besprekingen paste eigenlijk perfect bij die wat morose manier van politiek bedrijven. In De kracht van de mensen/La force des gens brachten de formateur en zijn ploeg een aantal zeer terechte maatschappelijke en economische inzichten samen, die echter niet tot een plan leidden. Wie op voortschrijdend inzicht had gehoopt, kwam bedrogen uit. Begin augustus lekte er een nieuwe versie van de nota uit, een fors geredigeerd worddocument dat zo vol glossen stond dat het meer op een palimpsest leek dan op de blauwdruk van een regeerakkoord. Uiteraard is die veelstemmige chaos het wezen van elke onderhandeling, maar in dit ene geval bleek de onafheid van het document een symptoom van een schrikbarend ziektebeeld: de coalitiebespreking zat muurvast. De indruk ontstond dat er in het kasteel van Hertoginnedal bureaucraten zaten en geen politici die popelden om de kunst van het mogelijke te beoefenen.

Het toekomstige landsbestuur zit met forse dossiers: de vergrijzing, de financiering van de pensioenen en de noodzaak om de doelstellingen van het Generatiepact fors te overstijgen. Om van de pacificatie van maatschappelijke tegenstellingen nog te zwijgen. Het communautair herverkavelen van de macht volstaat niet als antwoord op die uitdagingen. Sociaal-economisch stond de oranjeblauwe partijen voldoende dicht bij elkaar. Het behoud van de welvaartstaat lag zowel MR, CD&V/NVA, Open VLD als CDH na aan het hart. In tegenstelling tot twintig jaar geleden heeft een Europese lidstaat echter minder mogelijkheden om de welvaart rechtstreeks te verdedigen of te bevorderen. Ooit vormden fiscale en monetaire maatregelen het geliefkoosde wapen. We hebben dat wapen ingeleverd bij de Europese Unie die een succesvolle vorm van grensoverschrijdend protectionisme organiseert. De EU heeft in ruil geen duidelijk afgelijnd politiek of maatschappelijk project te bieden, hoogstens een cultureel. Het gevolg hiervan is dat de door Richard Sennett beschreven kloof tussen macht en autoriteit enorme proporties aanneemt en de nationale politieke systemen verzwakt. Het delicate politieke evenwicht in België lijdt er in elk geval onder. Devaluatie van de nationale politiek? De federale reorganisatie getuigt vanaf de Sint-Michielsakkoorden van dezelfde vervreemdende improvisatie als de uitbreiding van de EU. In La libre Belgique (8 september) schreef socioloog Felice Dassetto (UCL) hierover: “Les fédéralistes qui souhaiteraient penser la Belgique autrement que comme un ‘.be’ d’indivision devraient aussi tenir compte du fait que le fédéralisme est une construction. Comme le sont toutes entités politiques, qu’elles soient flamande, wallonne, catalane, française, autrichienne ou autre encore. Toutes résultent d’une tension entre une réalité commune déjà-là et un projet à venir qui construit à son tour une réalité qui est là. Rien n’est donné comme naturel et rien ne s’invente de rien. Tout se construit.”

Nogal wat spelers geven een steile interpretatie aan de constructie van ‘de politieke gemeenschap’. Naar aanleiding van de federale verkiezingen hebben haast alle partijen radicalere communautaire standpunten ingenomen. Ook die ontwikkeling past in de diagnose van Richard Sennett. Naarmate de consensuspolitiek breder wordt verspreid, neemt de drang toe om symbolen op te blazen. Kiezers worden geprikkeld door verschillen. Dus trachten politieke partijen details te vergulden in de hoop de aandacht van het publiek te trekken. Die politieke marketing gaat volgens Sennett hand in hand met “de onstuitbare obsessie van pers en publiek met afzonderlijke eigenschappen van politici”. Die collectieve bewustzijnsvernauwing doet de mensen vergeten hoe alomtegenwoordig de consensuspolitiek wel niet is. In het opbod voor, tijdens en na de verkiezingscampagne zaten de politieke partijen van beide taalgroepen opgesloten in hun kamp. De enige manier om zich te onderscheiden was nog harder dan voordien roepen, een olympische beginselvastheid verkondigen of heel intens zichzelf zijn. Daarom wordt er geen ruzie gemaakt over de toenemende armoede in Brussel, maar wel over de splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, de ultieme prikkel in de Belgische conflictdynamiek. En het Vlaams parlement heeft zijn fameuze resoluties al in 1999 eenzijdig gestemd. Je moet echt in de buitenbaan lopen om nog op te vallen. Dialoog is een vies woord. Federalisme wordt gelijkgeschakeld met la Belgique de papa.

Over de Vlaamse sociaal-economische marsrichting is er bij zakennationalisten een consensus: eerst de Walen en Brusselaars afschrijven, en dan de Vlamingen harder, langer en met meer toegevoegde waarde laten werken om de groei veilig te stellen. Werkgeversorganisaties zoals Voka en Unizo stellen zich in deze discussie bijna corporatistisch op. Beide mannen verkiezen ook een staatshervorming boven het landsbestuur. Uit het gezamenlijke interview dat Philippe Muyters (gedelegeerd bestuurder van Vlaams Netwerk van Ondernemingen) en Karel Van Eetvelt (gedelegeerd bestuurder van de Unie van Zelfstandige Ondernemers) gaven aan Knack (12 september) blijkt een enorme heimwee naar de tijd dat drukkingsgroepen de macht van de verkozenen des volks overvleugelden.

Muyters geeft een voluntaristische invulling aan de staatshervorming: “Er moeten dringend maatregelen worden genomen. De werkgelegenheidsgraad bijvoorbeeld moet omhoog en de overheid moet efficiënter werken.” De achterliggende boodschap van die uitspraak is dat Brusselaars en Walen stilstand verkiezen en Vlaanderen afremmen. Het is maar hoe je het bekijkt. Iemand als Jean-Yves Huwart, journalist bij Trends/Tendances, gaat in zijn analyse van de malaise en de uitdagingen van Wallonië zeer ver. Huwart verdedigt zeer aannemelijke en genuanceerde inzichten in zijn boek Le second déclin de la Wallonie. Het is opzienbarend dat de Vlaamse publieke opinie haast kritiekloos het waanbeeld aanvaard dat Wallonië en Brussel uitsluitend worden bevolkt door cultuurimperialisten die elk jaar een gratis auto krijgen van een Vlaams gezin, op kosten van de ziekenkas leven en de natuurlijke ontplooiing van het Vlaamse volk in de weg staan. De potsierlijke escalatie van bitterheden en verwijten heeft er intussen voor gezorgd dat de al dan niet subtiele anti-Franstalige propaganda is overgenomen als een mainstream strandpunt. Huwart mag dus nog zo intelligent over de Waalse problemen schrijven, we hebben besloten doof te blijven voor verhalen die een bepaald Vlaamse gelijk niet klakkeloos bevestigen. En we doen alsof Brussel niet meer bestaat.

Regionalisten wijzen sinds mensenheugenis op de weldaden van het Europa van de regio’s. De waarheid is echter dat de Europese Unie na de dramatische referenda in Frankrijk en Nederland en na de overhaaste uitbreiding van de afgelopen jaren meer dan ooit dienst doet als slagveld van nationale belangen. Een onafhankelijk Vlaanderen zou in die constructie nog vele malen minder meetellen dan de Belgische federatie. De hardnekkigheid waarmee sommigen de splitsing van het land bepleiten heeft evenveel met kleinburgerlijk defaitisme te maken als met ideologische doelstellingen. Politiek kan nooit de individuele verantwoordelijkheden van de burgers opheffen en problemen oplossen die we zelf, ieder voor zich of in groep, moeten aanpakken. Het onvermogen om de tragische onvolmaaktheid van het leven in het reine te komen is echter net een van de hedendaagse West-Europese kwalen: migratie en globalisering halen elke zekerheid onderuit. Het ruim een eeuw geleden door Miguel De Unamuno beschreven ‘tragische levensgevoel’ blijft een van de bronnen van het nationalisme dat – en dit geldt zeker voor het Vlaams Belang en voor het ‘civiele nationalisme’ van de NVA – in de onafhankelijkheid de verlossing ziet van de aan het maatschappelijke leven inherente aporieën. Bij sommige Vlaamsnationalisten komt daar nog een diepe, irrationele haat tegen Belgische staat bij, haat die niet zelden wordt beleefd als een monumentale haatcultuur, met symbolen, rituelen en feestdagen. Een van de meer vindingrijke haters is Geert Bourgeois, de Izegemse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme. Hij presteert het bijvoorbeeld om de historische schuld van het kolonialisme ten laste te leggen van ‘de Franstalige elites’. Nederlandstaligen hebben, zo schrijft Bourgeois op zijn weblog, uitsluitend goede werken verricht in de voormalige kolonie, wat meteen de reden is waarom Congolozen nog steeds de Vlamingen verkiezen boven ‘het officiële België en andere Franstalige instanties’. Nog even en de ‘Nederlandstalige Midden-Afrikaanse culturele ruimte’ van pater Arthur Verthé herrijst na een halve eeuw uit haar as. Als ingenieur van de geest huldigt Bourgeois het gekende adagium dominer pour servir. Negers, Belgen, Franstaligen of onzuivere Vlamingen, het lijkt toch één pot nat. Nog even en de geest van Frantz Fanon wordt aanroepen. Peau flamand, masques belges…

Sennetts consensuspolitiek bestaat echt. Het zijn de richtinggevende thema’s zoals welvaart, groei, vergrijzing en migratie die ons allen bezighouden, los van moedertaal, afkomst of politieke gezindheid. De georganiseerde stammentwist die pas na de federale verkiezingen in volle hevigheid is losgebarsten toont alleszins aan hoe belangrijk het is om het individu niet op te sluiten in de homogene volksgemeenschap, een constructie die door discriminatie en sofismen wordt geschraagd. Alleen redelijkheid, respect en dialoog kunnen voor vrijheid en vooruitgang zorgen in een samenleving die op middellange termijn alleen maar veelkleuriger, complexer en meertaliger wordt. En wat de uitkomst van de richtinggevende thema’s van de consensuspolitiek betreft, daar zullen we net als de rest van Europa het hoofd op moeten breken. De wonderoplossing is tot op heden niet gevonden.

Harold Polis


Bibliografie

Richard Sennett, De cultuur van het nieuwe kapitalisme, J.M. Meulenhoff, Amsterdam, 2007.
Jean-Yves Huwart, Le second déclin de la Wallonie, Racine, 2007.
Wat ging fout? Analyserapport over het resultaat van sp.a-spirit op 10 juni 2007 kan je volledig downloaden.
Koen Pelleriaux, Demotie en burgerschap : de culturele constructie van ongelijkheid in de kennismaatschappij, Brussel, VUBpress, 2001.


(Deze tekst is afgesloten op 15 september en verscheen in het oktobernummer van het tijdschrift Streven.)

'Dode bladeren' verschijnt op 6 oktober

  Op 6 oktober verschijnt bij uitgeverij Tristan   Dode bladeren , een boek waaraan ik de afgelopen jaren heb gewerkt. Op het omslag staat ...