Posts tonen met het label Louis Paul Boon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Louis Paul Boon. Alle posts tonen

maandag 25 februari 2008

De wet van Gaston (Burssens)


(De titelpagina van Burssens' dichtbundel 12 Nigger-Songs.)

O Vlaanderen, land der Gastonnen! De populairste Gaston heet Berghmans. Deze wenende clown leerde zijn volk lachen. Een andere Gaston, Eyskens genaamd, was groothandelaar in raison d'état. Hij genoot grote faam als staatshervormer en negervriend. Gaston Geens, zaliger gedachtenis, belichaamde het apostolaat van de technologische revolutie. Zijn reconversie van keuterboer tot bladerunner had als motto 'wat we zelf doen, doen we beter'. De uitspraak van Geens brengt tot op heden ellende teweeg. Kijk naar wat er ons op 11 juli te wachten staat. De Belg in ons heeft tenminste het recht te doen alsof niets hem kan schelen. Als het van de Vlaamse regering afhangt, vinden we samen het Vlaming-zijn weer uit, moeten we hoera roepen en aanschuiven bij de van staatswege gesubsidieerde barbecue. Deze groteske uiting van domheid is een perfecte illustratie van de wet van Gaston: wie het wiel uitvindt, valt op zijn bakkes. Van alle Vlaamse Gastonnen is Gaston Burssens de enige geweest die de wet van Gaston op sublieme wijze heeft beschreven, met dank aan Paul van Ostaijen.

De dichter Burssens toonde hoe onmogelijk, onnozel, bovenwerkelijk, onderbewust of onecht werkelijkheid kan zijn. Zijn geliefde wapens waren het sofisme en het chiasme, met andere woorden, flauwekul verkopen en alles op zijn kop zetten. In zijn beste gedichten vindt Burssens het wiel uit en valt hij op zijn bakkes, omdat hij uit moedwil vergeet hoe hij het wiel moet gebruiken. 15 juli 1949: "Men moest niet altijd denken over de dingen die men doet. En vooral moest men het waarom en het waartoe radicaal kunnen uitsluiten. Het is lang niet gemakkelijk zo banaal te zijn. Moest het totaal onmogelijk zijn, ik zou nooit een woord op papier zetten." Onechtheid was voor Burssens geen doel, maar een middel. Zo bevat French en andere cancan (1935) pastiches die elk op een andere manier zijn vormgegeven. In 12 nigger-songs (1946) vertaalt Burssens de sonnetten van Vidye Kalombo, een denkbeeldige Katangees die "de oorlog heeft meegemaakt op alle fronten, ook in Vlaanderen". Dit onooglijke, uiterst onwelvoeglijke en dodelijk sarcastische bundeltje over de oorlog wordt in grootsheid slechts overtroffen door die andere openbaring in zakformaat, Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon. Het is geen toeval dat Boon en Burssens het goed konden vinden met elkaar. Zij deelden een afkeer voor droogkloten, hielden van averechtse kunstenaars en vonden Max Havelaar fantastisch. Burssens herlas Max Havelaar vaak. In zijn dagboeknotitie van 12 september 1949 noemt hij het een "verontstoffelijkt" boek, "een meesterwerk geschreven door Anonymus". Ook Max Havelaar beantwoordt aan de wet van Gaston. Het boek is zijn maker boven het hoofd gegroeid.

De wet van Gaston was zeker van toepassing op Boon. Die wilde met zijn ontsporende boeken de ondergang van het socialisme, de spoken van de Kapellekensbaan en de angst voor de bom bezweren. Waar Boon waarschuwde voor het armageddon, zou Burssens het eerder aanmoedigen. Burssens schrijft op 10 juni 1949: "Dank zij de atoombom, de waterstofbom en wat er op volgt of niet meer op volgt, gaan wij de laatste oorlog tegemoet. Faute de combattants...! De inzet is nu: het Nihilum. Moest ik mij vergissen, het zou alleen maar jammer zijn." Het typeert Burssens, een man die in zijn dagboek liefst over uitersten bericht. Terwijl het onweert en bliksemt boven de Schelde beschrijft hij hoe de aangemeerde oceaanreuzen veranderen in spookschepen. Zijn hond Boy valt varkens en poedels aan, bijt een enorme waterrat dood en Burssens mijmert dat de mens met zijn concentratiekampen geen haar beter is dan een beest. Burssens doodt een insect en observeert nauwkeurig hoe het lijk wordt opgepeuzeld door zijn soortgenoten, die hij van "primitief-menselijke instincten" verdenkt. 24 december 1950: "In Mexico heeft een stier zijn horen tussen de ribben van een toreador gestoken. Goed zo!" In het voorjaar van 1950 barst de koningskwestie los en balanceert het land op de rand van de burgeroorlog. Burssens ervaart dit als een moment waarop de waanzin haar ware gelaat toont. 2 februari: "Het bloed vloeit nog niet; het komt hopelijk nog wel. Ik zie met een sadistisch verlangen het ogenblik tegemoet waarop zij elkander zullen verscheuren tot alleen nog hun staarten overblijven." Na de doden van Grâce-Berleur schrijft Burssens: "De eerste moordenaars zijn opgetreden en de eerste idioten zijn gevallen. De gendarmen hebben gisteren drie manifestanten doodgeschoten. Morgen mars op Brussel, met nog meer doden en nog meer moordenaars. Wel bekome het hun!" Burssens wil het groot anarchistisch geschut inzetten tegen die weerzinwekkende onzin. Het wordt volgens hem "weer eens tijd de schimmen van Bakoenin, Kropotkin, Reclus en Ravachol op te roepen om hen te verzoeken eens en voor altijd in ons midden te blijven". Een oproep die tot aanbeveling strekt, zeker nu de barbecue van 11 juli de wet van Gaston in werking doet treden.

In zijn dagboeken toont Burssens zich een sensibel en sinister observator. Hij heeft een hekel aan boekhouders van het hart zoals André Gide of Jules Renard, dagboekschrijvers die zichzelf net iets te enthousiast ontrafelen voor het oog van de lezer. Klinkt het niet, dan botst het. Burssens: "'t Was niet zozeer een vraag van duur // dan van sporadisch met de tijd te gokken. // Want ik heb nooit het wiel gestoken in de stokken // van 't rad van avontuur." Voor de oude Burssens was avant-garde een artistiek gestroomlijnde vorm van amor fati, ontdaan van de zo gehate "persoonlijke emoties". Wat doet een krasse knar die denkt dat Descartes zich heeft vergist en "coïto ergo sum" heeft willen schrijven? Hij voert gesprekken met geile Franstalige vrouwen. Hij voelt zich op zijn best bij een haperend bewustzijn, met behulp van slaapmiddelen of in de nabijheid van zijn hond. Wanneer Burssens rondrijdt in de wagen met Boy in de passagiersstoel ervaart hij gedachteloze gelukzaligheid. Zuivere lyriek loopt op vier poten en kwispelstaart. Of zweeft rondom Burssens heen als de geest van zijn vroeg gestorven wapenbroeder Paul van Ostaijen. Burssens tracht de herinnering aan de "geliefde argonaut" Van Ostaijen heel scrupuleus levendig te houden. Eens grotesk, altijd grotesk. 18 februari 1950: "Vierenvijftig jaar! Als ik mijn kale schedel betast heb ik de indruk dat ik mijn haren nog moet krijgen. Zo jong voel ik mij."

Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 3 juli 2002.

maandag 26 november 2007

De mythe van de naakte vrouw (Louis Paul Boon)





Het klopt wat de christendemocratische ideoloog Wouter Beke afgelopen week in deze krant schreef: mensen ontlenen hun betekenis aan de groep waartoe ze behoren. Gepensioneerden steunen op elkaars roestige schouders omdat het gemiddelde pensioen zelfs niet volstaat om een deftige rollator te kopen. Marokkanen/Walen (schrappen wat niet past) zijn dieven. Vlamingen zijn zo intens op elkaar gesteld dat ze gedeelde genen verzinnen: blauwe ogen, een verpletterend arbeidsethos, een hyperpositief zelfvertrouwen, innovatieve en competitieve overkill, en een alom geroemde volgzaamheid. Met de vrouwen gaat het niet anders. Ze putten hun eer uit het lidmaatschap van de roedel, de orde van de kousenband en de samenzwering van de pashokjes. Het is een groot raadsel waarom Beke zich in zijn boek De mythe van het vrije ik niet beroept op de Fenomenale Feminateek van Louis Paul Boon. Met zijn Feminateek, ‘een haast wetenschappelijk werk’, stelde Boon een typologie van de vrouw op met als doel het eeuwig vrouwelijke te openbaren. De vrouw midden de vrouwen dus. Misschien was Boontje in het diepst van zijn gedachten wel een tjeef. Misschien was niet het samenstellen van de Fenomenale Feminateek, maar wel het schrijven van Het Geuzenboek een daad van subordinerende humor. Misschien verdient Boontje het wel om een tweede keer postuum op een verkiezingslijst te staan, dit keer die van CD&V.

De Fenomenale Feminateek blijft het allergrootste fetisjistische meesterwerk uit de Nederlandstalige literatuur. Ja, je hebt Multatuli (het pak van Sjaalman), Jacob van Maerlant (Der Naturen Bloeme) en J.J. Voskuil (Het bureau). Maar alleen Boon heeft zo’n grondige taxonomie aangelegd: 144 delen met in totaal ruim 22.000 foto’s en knipsels, op papier gekleefd en voorzien van commentaar. In de jaren vijftig begon Boon, op dat moment redacteur van Vooruit, een verzameling naaktportretten, pin-ups en starlets aan te leggen. Het was de periode van de heropbouw. De in wetten vastgelegde economische expansie moest ervoor zorgen dat iedereen brave volgelingen van het taylorisme werd. Het maatschappelijke en economische leven werd in gelijke delen gehakt die elk een andere efficiënte bestemming en inrichting kregen. Een op de noden van de moderne tijd toegespitste strategie die iedereen in staat stelde om zich een ijskast, auto, tv-toestel en ingebouwde keuken aan te schaffen. De productielijnen van het geluk draaiden op volle toeren. Het ontbolsterende verlangen van de hardwerkende burger was niet te stillen. Als professioneel seismograaf registreerde Boon hoe zijn tijdgenoten de race naar het geluk aanvatten en als mascotte een beeldschone vrouw van al dan niet bedenkelijke zeden namen. De begeerte naar beelden van diep uitgesneden décolletés, wijkende bikinilijnen, Medusakapsels, naakte achterwerken en borsten, extatische gelaatsuitdrukkingen en uitnodigende poses bereikte een zeldzaam hoogtepunt. Boon moest steeds sneller knippen om al dat moois bij te houden.

Het Bruto Nationaal Geluk was een eerder nieuw fenomeen dat weinig impact had toen mensen het moesten stellen met ajuinsaus. Eens de overvloed toesloeg, werden arbeiders en bedienden echter aangespoord om te dromen van het verloren paradijs. ‘Stilaan, en elk jaar wat méér, veroverde het naakt de straat. Men zag het op het toneel, in de film, in kabarets, in de stripteasebars… Waarom zou het dan niet gewoon op straat mogen?’ schrijft Boon in de Feminateek. De cultus van de schoonheid gaf mannen de illusie dat ze via de afgebeelde vrouw het paradijs konden bereiken. In tegenstelling tot de zoon van God beloofde Marilyn Monroe een verlossing die snel en bij herhaling kon worden bereikt. En Boon, die knipte driftig door en zocht al verzamelend de betekenis van zijn verzameling.

‘De waarheden die we zo ver weg gaan zoeken, zijn alleen van waarde als we er het slijk afspoelen,’ schreef Boons tijdgenoot Claude Lévi-Strauss in Tristes tropiques – nog steeds een ontregelend boek. Diep in de Braziliaanse wouden onderzocht etnoloog Lévi-Strauss de handel en wandel van stammen als de Caduveo, de Bororo, de Nambikwara en de Tupi-Karahib. De beschrijving van al die bizarre rituelen, overgangsrites, peniskokers en door het neusbeen geprikte bamboescheuten gaf Lévi-Strauss een scherper besef van wat beschaving is: een evenwichtsoefening tussen aanbidding en destructie. Het in 1955 verschenen Tristes tropiques staat niet zo ver af van wat Boon deed in Europese Koninginnen met Kronen van Karton (een onderdeel van de Fenomenale Feminateek). Ook Boon schetst de contouren van een verloren gegane beschaving: ‘Uit 28 Europese landen zijn ze hier, in woord en beeld. Ze streken ontzaglijk veel dollars op, maar met eerst het stijgen en daarna het zakken hunner tieten, steeg en daalde daarna ook hun roem. De tijd dezer koninginnen is voorbij. Ze worden een massaproduct, net als al het andere in onze zogenaamde welvaart- en wegwerpmaatschappij, reeds ingeblikt of in diepvries verkrijgbaar is.’

Wat Boon de ‘kutterele revolutie’ noemde, bleek niet meer dan een tijdelijke opstoot in de productie van starlets. Mei ’68 en het massale ontbloten der tieten leverden het bewijs dat moraal niet eeuwig, universeel en van God gegeven is, maar een sociale constructie die door individuen wordt gevormd. In de roman De meisjes van Jesses reconstrueerde Boon de omstandigheden waarin Charles Manson en zijn hippieaanhangers door het lint gingen. Manson, die als een nieuwe heiland een waanzinnige openbaring predikte, staat in De meisjes van Jesses symbool voor de inwisselbaarheid van de moraal. Het is uiteraard geruststellender om naar prentjes van blote vrouwen te loeren.

Van de Tupi-Karahib in het regenwoud tot de afdeling Perzische vrouwen in de Fenomenale Feminateek is een kleine stap. De Perzische vrouwen zijn zelfs, volgens meneerke Boîn (het alter ego van Boon dat Europese Koninginnen met Kronen van Karton schreef), nog schaarser bedekt dan hun zusters in de jungle. Of ze dezelfde normen en waarden delen, is echter een andere vraag, die in de mythe van de naakte vrouw geen rol speelt. De vrouwen uit de Feminateek zijn ontdaan van al hun attributen, behalve van hun weelderige vormen. De mythe leeft verder. Nadat de borsten van Scarlett Johansson door het Amerikaanse roddelblad Touch Magazine werden bekroond als de mooiste ter wereld, viel de actrice ook met haar achterwerk in de prijzen. Esquire riep haar uit tot ‘the sexiest woman alive’. ‘Er zijn meisjes met een veel mooiere kont dan de mijne,’ zei Johansson. ‘Waarom bekronen ze mijn hersenen niet? Of mijn nieren? Of neen, waarom niet mijn galblaas.’ Als Boontje vandaag nog zou knippen, zou Johansson meteen een prominente plaats krijgen in de afdeling ‘Wat vind je van mijn kont?’ En als ze heel lief naar Wouter Beke lacht, krijgt ze vast een gratis CD&V-lidkaart.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder begin 2007 in de krant De Morgen. Afbeelding uit de Feminateek, copyright Meulenhoff/Manteau en erven Boon.)

woensdag 2 mei 2007

Heimwee naar Himmler



De Eerste of de Tweede Wereldoorlog, whatever. Nadat Canvas ons jarenlang heeft gebombardeerd met oorlogsdocumentaires, het geheugen van de laatste getuigen vervaagt en er zelfs over doofstomme groottantes van nazi-kopstukken biografieën zijn geschreven, is het strijdgewoel aan het luwen. Tot daar de schijn. In werkelijkheid leren we nu pas ten volle beseffen wat voor een onwerkelijke verspilling van mensen en middelen die twee oorlogen zijn geweest. Een boek als Na de oorlog. Een geschiedenis van Europa na 1945 van de in Antwerpen geboren Canadese historicus Tony Judt toont de werkelijke dimensies van de Volkerslacht die ons de hele twintigste eeuw heeft beziggehouden. De oorlogen hebben de wereld bepaald waarin wij moeten onze weg moeten vinden. Tot daar de feiten. En nu de literatuur.

Er is uiteraard Louis Paul Boon, de man die aan de eeuwige terugkeer van hetzelfde in alle groteske onvermijdelijkheid ruim anderhalve strekkende meter dichtbedrukte bladzijden heeft gewijd. En de op 11 april overleden Kurt Vonnegut, de Amerikaanse GI die tijdens het Ardennenoffensief krijgsgevangen werd gemaakt en per ongeluk in het bombardement op Dresden terechtkwam – zie Slaughterhouse-Five. En Catch 22 van Joseph Heller. En Ferdinand Bardamu, het mistroostige hoofdpersonage uit Voyage au bout de la nuit van Céline. En Norman Mailer, een krasse knar die dit jaar het eerste deel van zijn trilogie over Hitler publiceerde: de satanische roman The Castle in the Forest. Dulce et decorum est pro patria mori? Zowel Mailer, Vonnegut, Heller, Céline als Boon, al deze reuzen, oorlogsschrijvers bij uitstek, hebben literaire waarheid nooit ervaren als waarheid van een bedenkelijk allooi. Voor hen is literatuur een onderzoek naar de waarheid die hun epoche vormgeeft. Sommigen zullen dat exorcisme noemen, ongeoorloofd taalmisbruik of flauwekul. Maar is de gangbare imitatie van de werkelijkheid, met haar voorspelbare formats en vermoeidheid, dan zoveel beter? Als dat zo is, dan moeten we dringend het uit clichés en goedkope sentimentaliteit opgetrokken oeuvre van Heinz G. Konsalik herontdekken. Wereldwijd werden er ruim 83 miljoen exemplaren verkocht van het werk van deze oud-Kriegsberichter aan het Oostfront.

Nee, dan Curzio Malaparte. Een Duits-Italiaanse bastaardzoon, doordrongen van de Europese cultuur. Een opportunistische potsenmaker. En een luxejournalist, zeg maar diplomaat. Deze enigszins duistere figuur heeft een van de beste romans over de Tweede Wereldoorlog geschreven, Kaputt. Tijdens is nog accurater dan over. Malaparte schreef het boek in 1943, toen het allemaal nog vrolijk bezig was. De reportages die hij als oorlogscorrespondent aan het Russische front maakte, werden ook in 1943 gebundeld (het niet in het Nederlands vertaalde Il Volga nasce in Europa) en vormden het werkmateriaal voor Kaputt. Dit boek is een vijfhonderd pagina’s lange nachtmerrie, een raamvertelling over een continent dat aan scherven ligt. Kinderen worden gevild, de Kroatische fascistenleider Ante Pavelic rukt de ogen van zijn tegenstanders uit, joden creperen als beesten, van de Dnepr tot aan Stalingrad woedt er een slachting die haar weerga niet kent. Curzio Malaparte is een bevoorrechte getuige van dat bloederige en wufte schouwspel. Hij geeft de waanzin weer, zonder verklaring. Er is geen moraal. Te midden van het puin en de ellende is Malaparte mondain, flirterig, wellustig, geeft hij tal van variaties op de apodictische schoonheid van de vrouw, voert hij wondermensen op die aan zichzelf ten onder gaan en toont hoe de dood ons allen uitlacht – en niet andersom.

Om al die redenen is Kaputt een boek dat ook een film wil zijn, een documentaire, een hoorspel, een veldslag, een volkerenmoord, een opera en een status questionis van de menselijke aard. Europa, zo beweert Malaparte, gaan ten onder aan angst. Dat ene gevoel is de drijfveer van de Duitse waanzin: angst voor de zwakkere, de onzuivere, de Jood, de katholiek, de zigeuner. Vele romans zouden verplichte lectuur moeten zijn, maar zeker ook dit ene onovertroffen Europese meesterwerk. Malaparte beschrijft in Kaputt de gruwel op zo’n tastbare manier dat hij je de illusie geeft de gruwel te kennen, alsof die kennis een amulet is waarmee je de kwade geest van Heinrich Himmler op een afstand houdt. O zoete illusie! In een van de beste scènes uit de roman gaat het hoofdpersonage in Helsinki aan de zuip met Himmler. Ze zweten nadien samen de alcohol uit in een sauna. Nee, een vrolijke Frans is Himmler niet, eerder een droevige Teutoonse ambtenaar met een ziekenfondsbril en een pover geslacht, “twee noten in een slaphuidig zakje, gekreukt als een zakje van papier”. Dit is geen door de goden gezonden wraakengel, maar helaas een gewone man.
Kaputt was meteen na de Tweede Wereldoorlog een groot succes en werd in het Nederlands uitgegeven door Angèle Manteau. Ernst Bruinsma beschrijft in Kwaliteit als credo. Een geschiedenis van uitgeverij Manteau (1938-1953) hoe Manteau een voorschot van 10.000 oude franken betaalde om de rechten binnen te halen – in die tijd een aanzienlijk bedrag. Toen de vertaling in 1948 verscheen, was het resultaat schitterend. Malaparte en Manteau leerden elkaar ook zeer goed kennen. In 2001 veilde het Leidse antiquariaat AioloZ hun correspondentie. “Hij was een onmogelijke Italiaan,” vertelde Manteau in 1998 aan Johan Anthierens, “in suggestieve pakjes gekleed, die mij voor een lesbienne versleet omdat ik niet op zijn avances inging. Hij had een dusdanige dunk van zijn viriele onweerstaanbaarheid dat hij alleen mijn 'pot'-zijn als verklaring voor dat blauwtje kon inroepen. Hij is nu internationaal vergeten, suddert in Frankrijk door in de Livre de poche. In Amerika belandde hij bij een verkeerde uitgever (Dutton Books, vandaag een imprint van Penguin, nvdr.), wat zijn literaire doodvonnis betekende.” In 2005 verscheen er een nieuwe vertaling bij De Arbeiderspers. Maar wie echt wil weten hoe complex Malaparte was, moet zijn postuum uitgegeven Journal d’un étranger à Paris (1967) lezen waarin hij getuigt van zijn grote liefde voor zijn tweede vaderland. Malaparte nam als zestienjarige – een kindsoldaat – dienst in het Franse leger en vocht aan het front in de Argonne, een gebied dat de uit Dinant afkomstige Manteau ongetwijfeld goed kende.
Journal d’un étranger à Paris schreef Malaparte in 1947 en 1948. Achter de weelderige portretten van de Parijse salons schuilt een akelige wanhoop. Op onnavolgbare wijze noteert Malaparte zijn gesprekken met Fransen die zonder uitzondering het noorden kwijt zijn. De oorlog is voorbij. Wat nu? Ze zouden dolblij moeten zijn dat de gruwel achter de rug is. Maar ze klagen en zeuren. Het lijkt of ze heimwee hebben naar Himmler. Wij zijn niet in staat lessen te trekken uit het verleden. Het is die aangeboren amoraliteit, die redeloze onverschilligheid waarvan Malaparte in Kaputt het ziektebeeld heeft geschetst.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in van 2 mei 2007.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...