Posts tonen met het label Filip Rogiers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Filip Rogiers. Alle posts tonen

dinsdag 18 december 2007

Hoe Herman Brusselmans de wereld veranderde




(De man die werk vond: Bill Gates in 1985.)

In Shanghai Express (1932) wandelt Marlene Dietrich tijdens de openingsscène langs een trein op het perron. Het is een van de beroemdste travel shots uit de filmgeschiedenis. Aan Dietrichs wandeling komt maar geen einde. Het is alsof de beelden in een loop zitten. Uit elk treinraampje duikt er een Chinees op die naar de hooghartige vrouw met het kekke hoedje staart. "It took more than one man to change my name to Shanghai Lily", zegt Dietrich later in de film. Dat heb je dus na het magistrale openingsbeeld al beet. Ook de roman De man die werk vond (1985) van Herman Brusselmans lijdt aan onweerstaanbare genialiteit. Het hoofdpersonage Louis Tinner zit aan een bureau in een vergeten uithoek van een Brussels kantoorgebouw te wachten tot mensen een boek bij hem komen uitlenen. De mensenschuwe en angstige Tinner is bibliothecaris van beroep. Collega-ambtenaren moeten uitgerekend Tinner aanspreken om een boek te pakken te krijgen, terwijl hijzelf tot elke prijs met rust wil worden gelaten. Bladzijdenlang komen er bij het begin van het boek mensen het bureau van Tinner binnen. Een marteling die Tinner grinnikend, wanhopig en gelaten ondergaat. Een van de laatste zinnen van De man die werk vond luidt: "Verbanden zijn er niet, dacht hij, een tijdlang leef je, en dan ben je dood. De eerste dagen zijn de moeilijkste, later gaat het wel." Maar dat had je dus na de magistrale openingsscène al door.

De man die werk vond hoort thuis in de categorie onuitwisbare leeservaringen. De roman is zo goed dat je vele boeken heel slecht begint te vinden. Dat is althans mijn herinnering aan de eerste keer De man die werk vond, in 1987. Sindsdien heb ik de roman een aantal keer herlezen. Ik heb nog altijd geen enkele reden gevonden om mijn mening te herzien. Alles staat op zijn plaats in dit boek, wat een groot contrast vormt met de loden jaren tachtig, de rommelige periode waarmee Louis Tinner voor eeuwig verbonden zal blijven. Alles behalve de kopieer- en koffiemeisjes bij wie Louis' gepijnigde gedachten enige verpozing vinden - zij zijn ongetwijfeld verdwenen tijdens een sanering. En het motto met haarband van Mark Knopfler uiteraard. Ik heb nooit begrepen waarom die zoetsappige snarenplukker zijn naam achter heeft gelaten in dit prachtige boek.

Een nog groter raadsel blijft het cynisme dat Brusselmans ten laste werd gelegd - een attribuut dat wel op zijn plaats is vanaf de Ex-cyclus uit het begin van de jaren negentig. Een boek als De man die werk vond is veeleer het tegendeel van schaamteloos of ongevoelig. Louis Tinner zuigt de waanzin van de wereld op. Hij verdedigt zich door te incasseren, tot hij knakt. Op het eind valt hij neer op straat, geveld door verveling. Misschien was dit afgrondelijke lot er voor sommigen te veel aan. De immobiele eighties lieten weinig ruimte voor fantasie. Het ging niet goed, maar het zou beter gaan. Helden als de demonische bankier Gordon Gekko uit de film Wall Street (1987) - "greed is good" - beweerden dat de accumulatie van succes en rijkdom ons verlossen zou. Beklemmende braafheid was ook een optie. Het leek of de geschiedenis tot stilstand was gekomen. En aan het eind van de tunnel zou er licht schijnen. Eigenlijk gebeurde er geen reet. De romanfiguur Louis Tinner maakte dat pijnlijk duidelijk.

En dan is er nog het slappe gezeik van het fenomeen Herman Brusselmans. Vooral door voluit te ouwehoeren en sfeervol te bulshitten joeg hij zijn tegenstanders in de gordijnen. En die waren in de jaren tachtig talrijk. "Zijn literatuur is een kaakslag voor honderdduizenden jongeren die op een positieve manier willen werken, een gezin stichten, zich inzetten voor hun jeugdbeweging, voor hun parochie", zei toenmalig CVP-volksvertegenwoordiger Eric Van Rompuy in Humo van 7 september 1989. Van Rompuy had zich in tijdvak vergist. In diezelfde week demonstreerden tienduizenden DDR-burgers voor meer democratie. Een maand later was de muur gevallen en begon er een nieuw tijdperk. "Dat interview was niet mijn beste", verklaarde Van Rompuy vorig jaar in een gesprek met Filip Rogiers. Zoetwaterpessimisten als Van Rompuy hebben nooit begrepen dat Herman Brusselmans de belangrijkste moralist van Vlaanderen is.

Hoe dan ook, Brusselmans veroverde onze akkers en steden vermomd als Mooie Jonge God. In zijn hoedanigheid van lefgozer leek hij alomtegenwoordig. Boekwinkels, kelders, cafés, jeugdhuizen, bibliotheken, Kempense schuren: Brusselmans bracht overal het woord en entertainde het volk. Een affiche van een in oktober 1987 in Leuven door Behoud de Begeerte georganiseerd optreden vat die met volle overgave gevoerde campagne goed samen. Dit is geen aankondiging van een dia-avond over de stilte als metafoor in de Vlaamse literatuur. Hier wordt reclame gemaakt voor een langharige trapezeartiest of voor de reïncarnatie van John Bonham, de oerdrummer van Led Zeppelin. Enkele decennia na de uitvinding van de transistorradio, de vinylplaat en de wahwahpedaal had de popcultuur eindelijk het Vlaamse proza bereikt. Alweer een raadsel: waarom heeft Herman Brusselmans toen nooit een grote literaire prijs gekregen? Grappig, gevat, kwaad, belezen, talent zat, ambitieus en succesvol. Kan een schrijver nog meer doen om op handen gedragen te worden? Spijtig genoeg onderging hij dat gebrek aan 'officiële erkenning' niet zonder moeite, zo blijkt uit interviews die hij in die periode gaf. Nogal wat ernstige mensen hebben toen besloten dat hij geen echte literatuur schreef.

De poster van de Leuvense optredens is ook om andere redenen historisch. De Morgen staat vermeld als sponsor. Het was het eerste boekjaar van de NV De Nieuwe Morgen. Enkele weken na de optredens, op 28 oktober 1987, werd VTM opgericht. Brusselmans vermoedde toen nog niet dat hij jaren later tegen de commerciële omroep ten strijde zou trekken. Zijn Guggenheimer-trilogie is een hilarische aanklacht tegen de geïnstitutionaliseerde lelijkheid en tegen een systeem dat domheid voedt. De razernij in die legendarische boeken staat ver van de haast gestileerde angst in De man die werk vond.

"Het is niet denkbeeldig dat de succesformule die hij nu hanteert vlug dépassé zal zijn, misschien zelfs niet de jaren tachtig zal overleven", orakelde Luc Lannoy in 1998 in het bij het Davidsfonds verschenen boekje Geboekstaafd. Vlaamse prozaschrijvers na 1945. De feiten hebben hem ongelijk gegeven. In het najaar wordt Herman Brusselmans vijftig. De succesformule werkt nog steeds en hopelijk nog zeer lang.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 14 februari 2007.)

woensdag 12 december 2007

Een toekomst voor onze steden




(Was Gogol een Antwerpenaar geweest, hij had niet over de Nevski Prospekt geschreven, maar over de Abdijstraat op het Kiel.)


Soms komt de verlossing akelig dichtbij. Zoals na de overwinning van Patrick Janssens bij de Belgische gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober jongstleden. Het zegevierende deel van Antwerpen verzwond haast in een draaikolk van euforie. ‘Ze’ waren een halt toegeroepen. De internationale pers, belust op een overwinning van extreemrechts, moest zich tevreden stellen met goed nieuws. Aan de overwinning ging een on-Belgische campagne vooraf die, deels spontaan, deels subliem geregisseerd, de steun aan Janssens fors deed toenemen. De sfeer in Antwerpen was die van de laatste der dagen. Hoeveel rechtvaardigen woonden er nog in de stad? Voldoende zo bleek om Antwerpen van de voorspelde ondergang te redden.

De strijd om Antwerpen was een strijd om de openbare ruimte: houden we de poorten van de stad open of laten we Antwerpen aan de Antwerpenaren. Nergens in België heeft dit vaak cynische en van elk moreel besef gestripte gevecht zo intens gewoed. Nergens, behalve in Brussel. Maar over die stad, de enige echte metropool in onze contreien, weten steeds meer Vlamingen steeds minder. Wat de reikwijdte van het bestuur betreft, richt de Vlaamse Gemeenschap zich in Brussel op een imaginair publiek van 300.000 mensen. Het werkelijke aantal Vlamingen is uiteraard vele malen kleiner. Socioloog Philippe Van Parijs voorspelde in Brussel Deze Week dat de Vlaming en dus ook het Nederlands zou verdwijnen uit de hoofdstad. In hetzelfde weekblad schreef Steven van Garsse hierover op 20 september: ‘Er zijn proportioneel meer in het Nederlands geregistreerde overlijdens in Brussel dan geboorten. Cru gesteld: de Vlaming in Brussel is een uitstervende soort, al gaat dat proces heel langzaam.’ Het is een realiteit die aansluit bij de diepe onderstroom van Vlaamse angsten en zwarte gedachten. We worden verjaagd uit onze eigen straat door mensen die alles behalve schorseneren met witte saus eten, ons werk afpakken, een andere taal spreken en veel kinderen maken. Dit doemdenken heeft, samen met het onveiligheidsgevoel, het maatschappelijke klimaat in Vlaanderen de afgelopen twintig jaar verziekt. En Brussel lijkt reddeloos verloren. Stefaan Huysentruyt in De Tijd van 4 november: ‘Brussel kan de Vlaamse publieke opinie zo langzamerhand gestolen worden.’ In zo’n wereldbeeld begint het buitenland een steenworp voorbij Vilvoorde.

Sinds 1947 heeft de overheid in Brussel geen talentelling meer georganiseerd – gelukkig. De openbare en bestuurlijke ruimte is er grondwettelijk tweetalig. Elke poging om die toestand af te stemmen op het werkelijke taalgebruik blijft, zolang België bestaat, politieke zelfmoord. Veel erger dan de sektarische steekspelen zijn de oneindig grote maatschappelijke problemen in de hoofdstad: armoede, werkloosheid, huisvestingsdrama’s, een knarsend overheidsapparaat, een verouderende autochtone bevolking, een toename van achtergestelde allochtone Belgen. Begin er maar aan. Abdiceren is een dus een aanlokkelijke, zij het weinig realistische optie. Onder meer de ondertekenaars van het Manifest voor een Zelfstandig Vlaanderen in Europa willen Brussel onderbrengen in een sale-and-leasebackoperatie. Vlaanderen zelfstandig, Brussel weg en na ons de zondvloed. De openbare ruimte wordt botweg gesaneerd. De gevreesde Brusselitis is een uitvergroting van problemen die ook in andere Belgische steden spelen, Antwerpen op kop. Onze maatschappelijke en economische voorspoed zal in toenemende mate afhangen van de mate waarin we de effecten van migratie een positieve wending kunnen geven.

Het debat over de openbare ruimte is een dovemansgesprek tussen de profeten van de verloedering (‘we durven niet meer op straat komen’) en de samenlevingspositivo’s (‘laat ons een straatfeest organiseren’). Twintig jaar angst voor extreemrechts heeft Vlaanderen en België bepaald niet meteen weerbaarder gemaakt. Al te vaak staren we als konijnen – om de beeldspraak van De Morgen-journalist Filip Rogiers te gebruiken – in de lichtbak van het Vlaams Belang. Moeten we sociale segregatie aanvaarden? Moeten we vrijheden opgeven in ruil voor een sterkere controle? Moeten we van vrijheid een individueel recht maken dat, net als godsdienst, liefst achter gesloten deuren wordt geconsacreerd? Naarmate het sociale weefsel desintegreert en het individualisme toeneemt, lijken we een groter belang te hechten aan een zuivere, hypergecontroleerde en probleemloze openbare ruimte. Het werkelijk schokkende nieuws is echter dat er nog steeds sociale cohesie bestaat. Alleen is ze niet meer uitsluitend gebaseerd op de klassieke familiebanden. Antropologe Ruth Soenen schreef hierover een zo goed als revolutionair boek: Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad. Hierin beantwoordt ze de vraag waGt ‘de gemeenschap’ vandaag kan betekenen. Een bijzonder groot deel van onze relaties is efemeer en speelt zich af in de openbare ruimte. Vluchtige ontmoetingen nemen de rol over van bloedbanden en clangevoel. Soenen breekt een lans voor de vele tijdelijke gemeenschapsvormen die we meemaken. Ze plaatst die tegenover meer traditionele gemeenschapsvormen die erop gericht zijn om een collectieve identiteit te creëren. Het oude gemeenschapsideaal veronderstelt echter een homogene groepsvorming, die te vaak mensen uitsluit, of reduceert tot hun maatschappelijke of etnische identiteit. Diversiteit volstaat niet om dit te doen werken.

Het kleine ontmoeten is een opvallend concreet boek. Wetenschappelijk onderzoek vormt haast een aanleiding om een brede kijk op de wereld te krijgen. Ruth Soenen, medewerker van het aan de KULeuven verbonden Onderzoekscentrum voor Interculturalisme, Migratie en Minderheden (IMMRC), pleit voor een ‘ambivalente samenleving’. Ze bedoelt hiermee dat we pas goed kunnen samenleven als we bereid zijn om tegenstellingen en diversiteit te aanvaarden. En dit op alle niveaus. Het meest frappante voorbeeld van die visie geeft Soenen in het hoofdstuk over het café van de vestiging van de Hema op het Antwerpse Kiel. Als je de samenleving wil begrijpen, volstaat het niet om in socio-economische of etnografische doelgroepen te denken. Je moet kijken naar de samenstelling van het publiek dat het café van de Hema bezoekt. Wie zijn ze, wat zeggen ze, hoe gedragen ze zich tegenover elkaar? De kleine, want onvoorziene ontmoetingen in het café van de Hema bieden een uniek inzicht in het stedelijke relatienetwerk. Het gevaar van het denken in socio-economische doelgroepen is dat mensen worden opgesloten in die doelgroep, dat hun fijnmazige relatienetwerk en hun gelaagde identiteit niet meer aan bod komen.

De kritiek die Soenen uit is gegrond en allerminst ongenuanceerd. ‘Een gemeenschap kun je niet alleen met intimi vormen,’ zegt Ruth Soenen. ‘Je moet ambivalentie toelaten in de gemeenschapsvorming: hou rekening met tegenstellingen, andersdenkenden, onbekenden. Pas als je dit toelaat, kun je een efficiënt doelgroepenbeleid voeren.’ Alles begint bij het besef van diversiteit. Daarom noemt Soenen het café van de Hema een ‘spiegel van de samenleving’. Ook de Antwerpse Tram 12 krijgt een belangrijke plek in Soenens onderzoek. Ze beschrijft de tram als een rijdende proeftuin, gevuld met mensen van zeer diverse pluimage. Die tram maakt een ronde door de hele stad, door goede en slechte wijken, en is dus een perfecte metafoor voor de hedendaagse stedelijke samenleving. Veel meer dan een verzameling sociale tegenstellingen, doelgroepen en afgescheiden buurten vormt de stad voor Ruth Soenen een netwerk. En waar kun je dat netwerk beter observeren dan op een tram waar je onbekende en vertrouwde mensen ontmoet.

Als sociaal experiment is de tram een vrij confronterende ervaring, zeker in Het kleine ontmoeten. Dat weten we sinds Gerard van Westerloo begin jaren tachtig in Vrij Nederland enkele vernietigende reportages publiceerde over de Amsterdamse tramlijn 16. De door Van Westerloo geportretteerde trambestuurders stonden in de vuurlinie van een intens veranderende wereld. Omdat de politiek hun klachten negeerde, noemden ze hen schamper ‘de socialen’ – want dat waren die politici hoegenaamd niet, ze bleven blind voor de werkelijkheid. Ruth Soenen zet een stap verder. Ze gebruikt de tram als laboratorium. Het basiswerk dat Soenen verricht, berust op participerende observatie. Ze kijkt naar de tramreizigers alsof ze een onbekende stam in de Amazone gadeslaat. Als je leest hoe we op de tram met elkaar omgaan en welke gedragsvariaties we vertonen, kun je je niet anders dan betrapt voelen. Het resultaat van de onderzoeksmethode van Soenen is sterk journalistiek of zelfs literair getint, wat Het kleine ontmoeten even bevattelijk als meeslepend maakt. De Franse schrijver Georges Perec heeft ooit een vergelijkbaar project uitgewerkt. In zijn schitterende roman Het leven. Een gebruiksaanwijzing beschrijft hij de samenleving aan de hand van de inwoners van een Parijs appartementsgebouw.

Mensen zijn niet noodzakelijk geïnteresseerd in hooggestemde politieke projecten, stelt Ruth Soenen. Ze zien daarentegen wel allemaal wat er gebeurt op een tram. De relaties daar zijn concreet en tastbaar. Je moet dus als overheid een slimme ‘trampolitiek’ volgen. Mensen zijn er niet noodzakelijk aan gewend om samen in een kleine ruimte te staan of te zitten. Ouderen hebben andere verwachtingen bij een tramrit dan jongeren. Die botsing van culturen leid tot ruzies over luidruchtig of onbeleefd gedrag, bevestigt de polarisatie en de vooroordelen. In haar boek doet Soenen, op basis van haar onderzoek, zeer concrete voorstellen. Om veiligheid te verbeteren is een controleur bijvoorbeeld geschikter dan een lijnspotter. De controleur heeft een duidelijke functie. Het interieur van de tram, de tramhaltes en de metrostations moeten erop gericht zijn om problemen te vermijden. Vaak gaat het om kleine ingrepen die een enorme impact kunnen hebben op het welbevinden van de reiziger. Na de gewelddadige dood van NMBS-machinist Guido Demoor op bus 23 is Soenen gevraagd om mee te schrijven aan het nieuwe veiligheidsplan van De Lijn.

Ruth Soenen wil wetenschap bedrijven die in de sociale realiteit is geworteld. Dit engagement heeft als voordeel dat ze kritisch staat tegenover ideologieën. Gemeenschapsdenken versus individualisme bijvoorbeeld. Net daarom kun je Het kleine ontmoeten ook lezen als een oefening in gezond verstand. Haar vurige pleidooi voor ambivalentie kan nuttig zijn voor zeer uiteenlopende sectoren. Zo zal Ruth Soenen zich de komende jaren bezighouden met de publieke ruimte en hoopt ze als antropologe samen te werken met architecten. Een multidisciplinaire aanpak gaat niet zelden gebukt onder de ondraaglijke lichtheid van het bestaan, maar in dit geval is het tegendeel waar. Hoe onderbouwd Het kleine ontmoeten ook is, de kracht van het verhaal berust op een uiterst eenvoudige en gedegen methode: blijf kritisch denken. Om uitspraken te doen over de samenleving vindt Ruth Soenen het nodig om die samenleving goed te observeren. De klassieke socio-economische tegenstellingen volstaan niet meer om greep te krijgen op de snel veranderende samenleving. Je moet netwerken in kaart brengen.

De netwerken die Soenen onderzoekt, bevinden zich in de stad. Vlaanderen is steeds meer een breed uitgemeten geheel van steden en voorsteden. Afhankelijk van de manier waarop je die stedelijkheid meet, kun je maximaal 80% van Vlaanderen als stedelijk gebied beschouwen. Die ontwikkeling wordt uitgebreid behandeld in De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden (2003), het witboek van het Project Stedenbeleid van de Vlaamse Gemeenschap. Ook in het witboek luidt een van de vaststellingen dat je geen klassieke verklaringen meer kunt toepassen op de Vlaamse stedelijke werkelijkheid.

Als Vlaanderen een immer uitdijende stedelijke olievlek is, dan beïnvloedt dit ook de manier waarop we samenleven: veranderende gezinsstructuren, globalisering, migratie, vergrijzing. De verstedelijking versnelt die ontwikkelingen nog. De afgelopen jaren heeft de stad dan ook een hoofdrol gespeeld in het Vlaamse politieke en maatschappelijke leven. Onveiligheid is een bij uitstek stedelijk fenomeen. Je hebt een duidelijk en hedendaags stedenbeleid nodig om zowel de werkelijke als de gepercipieerde onveiligheid aan te pakken. Nadenken over de stad is dus pure noodzaak. Het kleine ontmoeten biedt een verfrissend nieuwe kijk om de stedelijke samenleving. En bovendien heeft Soenen een realistische, prikkelende en positieve boodschap. De wereld is veranderd en net de stedelijkheid kan helpen om ons aan te passen.

Nee, onze beschaving gaat niet ten onder. Het is bovendien maar zeer de vraag of het maatschappelijke debat uitsluitend moet gaan over de teloorgang van de publieke ruimte of de erosie van het sociale weefsel. De stelling die Soenen bewijst, is dat het afbrokkelen van de traditie allerminst betekent dat stadbewoners niet meer sociaal zouden zijn. Het kleine ontmoeten speelt een belangrijke rol. Ook de commercialisering van de stad (winkelstraten en –centra) biedt nieuwe mogelijkheden om mensen te ontmoeten. Het is fout om de stad uitsluitend te bekijken als een geheel van socio-economische groepen en ongelijkheden, waarbij mensen vooral worden bepaald door de groep(en) waartoe ze behoren. We moeten ook oog hebben voor het efemere, het voorbijgaande, schrijft Ruth Soenen. We moeten te weten komen hoe ons sociale leven in de publieke ruimte echt verloopt. Mensen gaan in de ambivalente stedelijke samenleving op een andere manier relaties aan. En die zijn niet slechter of beter dan vroeger. Ze zijn anders. Daarom hebben we steden op mensenmaat nodig.

Harold Polis

Ruth Soenen, Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad, Garant, 2006.
De reportage van Gerard van Westerloo is opgenomen in Niet spreken met de bestuurder, Bezige Bij, 2004.
Het witboek De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden kun je volledig downloaden.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van december 2006.)

Bezoek België voor het te laat is (deel 1)




(Woensdag 13 december 2006. Nietsvermoedende cafégangers praten rustig verder terwijl op het scherm achter hen Bye-bye Belgium in volle gang is.)

De vermeende ondergang van de Belgische natie is het grote politieke thema van de afgelopen jaren. Vooral na de federale verkiezingen van 2003 heeft de georganiseerde zelfkwelling aan belang gewonnen. De Belgische natie volgt een federale logica en werkt bij consensus, zodat de echte nationale wapenspreuk niet ‘eendracht maakt macht’ is, maar wel het ‘pantha rei’ van Herakleitos. De permanente onderhandeling wordt echter door een deel van de politiek afgewezen: Franstaligen ‘weigeren’ over de staatshervorming te praten en Nederlandstaligen ‘weigeren’ met Franstaligen te praten. De grote aandacht voor die olijke boksmatch verdoezelt enkele minder gekende feiten. De verkozenen des volks slagen er bijvoorbeeld niet meer in het gesprek met anderstalige collega’s aan te gaan. Naast alle hooggestemde verklaringen voor die verwijdering, rest de ontnuchterende vaststelling dat het land wordt bestuurd door de zwakste generatie naoorlogse politici.

De middelpuntvliedende krachten zijn in het Belgische model altijd sterk geweest, sterker dan in Europese natiestaten waar patriottisme wel een rol van betekenis speelt of waar communautaire tegenstellingen worden gedragen door meer dan twee opponenten. Het Belgische dispuut is sinds kort uitgebreid met twee ingrijpende attributen: domheid en lafheid. Hoewel het aantal mandaten stevig is toegenomen, rammelt het politieke systeem en is er nauwelijks nog een publieke arena die naam waardig. Na de Sint-Michielshervorming van 1993 werd duidelijk dat de federale logica niet alleen de instellingen, maar ook de omgangsvormen radicaal zou veranderen. In plaats van zich aan te passen, hebben politiek en media zich op een halve generatie tijd volledig teruggetrokken op het eigen erf. We hebben van de domheid een deugd gemaakt.

Het onvermogen om een hedendaagse visie op Vlaanderen en België te ontwikkelen heeft ertoe geleid dat we de opzichtige verkwisting van domheid heel wat vinden. Al doet iedereen of er niets verkwist wordt. Integendeel, nergens ter wereld is er zo’n hoge concentratie progressieven gemeten. Wat de fotosynthese betekent voor het leven op aarde, betekent de verandering voor de Belgische politiek: een voorwaarde. Onder het mom van verandering glijden delen van Wallonië weg in een moeras. Als politieke beweging heeft de PS zich in palliatieve zorgen bekwaamd en de halve Waalse bevolking mee in het ziekbed getrokken. Onder het mom van verandering kijken Vlaamse politici voortdurend over hun rechterschouder en bestuderen ze het verzameld werk van Filip Dewinter. Het lijk van de Vlaamse Beweging wordt aanbeden om gelijk welke idiotie te verantwoorden. Als Maagdenburgse halve bollen zitten de veranderingsdriftige deelstaten Vlaanderen en Wallonië aan elkaar vastgeklonken. Twee achtspannen van paarden mogen nog zo hard trekken, die twee helften krijgen ze nooit uit elkaar. Mateloze hervormingen als kenmerk van immobilisme. Van die Europese cursus vormen België en haar deelstaten de beste leerlingen.

De Vlaamse samenleving heeft amper het feit verteerd dat er ‘vreemdelingen’ op Vlaamse gewijde grond wonen – Franstalige Vlamingen bestaan uiteraard officieel niet – of daar duikt alweer een nieuwe zondebok op: de Walen. In het onvolprezen L’image du Flamand en Wallonie. Essai d’analyse sociale et politique (1830-1914) beschrijft historicus Yves Quairiaux hoe de Vlaming een eeuw geleden in het collectieve geheugen van de Waalse publieke opinie het etiket van een onbetrouwbare, vuile, ongemanierde en laffe stakingsbreker kreeg. De Waalse delfstoffenindustrie floreerde toen volop en genereerde de welvaart die van België een economische grootmacht maakte. Honderd jaar later zijn de rollen omgekeerd. Uitblinkers als GlaxoSmithKline in Genval, Hamon in Mont-St-Guibert of IBA in Louvain-la-Neuve kunnen weinig veranderen aan het slechte imago dat Wallonië en de Walen in Vlaanderen hebben. De Waal is achtereenvolgens ‘gréviculteur’, lui, profiteur en ‘pistonné’. De irrationaliteit en de etnische vooroordelen die hieraan ten grondslag liggen, kunnen nooit de basis vormen van een rechtvaardige democratie, laat staan dat ze een gesprek mogelijk maken.

De logica van de Belgische staatshervorming heeft ertoe geleid dat gemeenschappelijke belangen worden behandeld in het zogenaamde gesprek ‘van gemeenschap tot gemeenschap’. Een van de mogelijke onderwerpen van dat gesprek is de staatshervorming zelf, een proces dat in de loop van 2007 een nieuwe wending zal krijgen. Tal van bronnen bevestigen echter wat velen allang in stilte vreesden: de hoofdrolspelers die straks de onderhandelingen moeten voeren, kennen elkaar niet. Filip Rogiers tracht in het overzichtsartikel ‘Babel aan de Noordzee’ (in De Morgen van 30 december 2006) de praktische oorzaken te achterhalen van dit schisma. De politieke families trekken niet meer samen op. De politici van de twee taalrollen praten onderling nauwelijks met elkaar. Er wordt gecommuniceerd met behulp van ultimata en publieke beledigingen.

Gelukkig wordt er nog wel gezwansd. Op woensdagavond 13 december 2006 werd het programma Questions à la une van de RTBF onderbroken voor een ‘zonet binnengelopen bericht’: het Vlaamse parlement had eenzijdig de onafhankelijkheid van Vlaanderen uitgeroepen. Na deze revolutionaire boodschap volgde er een uitgebreide fake reportage die de kijkers van de RTBF in vertwijfeling achterliet. Het was een van de meest historische momenten uit de Belgische televisiegeschiedenis, alleen te vergelijken met grote emotioneel geladen live-uitzendingen, zoals de begrafenis van Koning Boudewijn, de barragewedstrijd Nederland-België in 1986 of de witte mars. De reacties lieten niet op zich wachten. Regisseur Philippe Dutilleul en de RTBF werden bijna unisono verketterd, zowel in Vlaanderen, Brussel als Wallonië.

Philippe Dutilleul is een van de belangrijkste Belgische reportagemakers van de afgelopen jaren. Hij verdiende zijn strepen bij het ongeëvenaarde programma Striptease dat van 1985 tot 2002 onder meer op de RTBF liep en bedacht ook de opvolger ervan: Tout ça (ne nous rendra pas le Congo). Striptease bracht reportages over het dagelijkse leven, zonder franjes of opdringerige regie-ingrepen. Die ‘cinéma du réel’ heeft een onuitwisbare stempel gedrukt op de Belgische film (de gebroeders Dardenne en gelijkgestemde regisseurs) en op het betere tv-reportagewerk in Vlaanderen en Wallonië. Dutilleul is dus allesbehalve de onnozelaar die sommige Vlaamse journalisten en politici van hem hebben willen maken. Alleen heeft hij, door de nieuwsverslaggeving tijdens primetime te kapen, feit door fictie vervangen. Zijn journalistieke fout heeft wellicht vooral te maken met de objectiviteit die aan het uitzenduur kleeft. De avond na de uitzending van Dutilleuls Bye-bye Belgium opende het Eén-programma Man bijt hond om 17,45 uur met een reportage over een groep Franstalige extremisten. Er werd getoond hoe een terrorist naar de vermeende villa van Yves Leterme reed om die op te blazen. Een andere acteur stond voor de deur van het Vlaams parlement met een vrij authentiek ogende bomgordel onder zijn regenjas. De suggestie van die, door het productiehuis Woestijnvis gemaakte, hoax was veel ernstiger dan de letterlijk misplaatste satire van Dutilleul. Toch kraaide er geen haan naar.

Ook in het gelijknamige boek, Opération BBB, beoefent Dutilleul zijn geliefde ‘cinéma du réel’, zij het dat het resultaat nogal scherp de zwakte van de tv-uitzending aan het licht brengt. In het ruim zeshonderd pagina’s dikke boek reist Dutilleul zijn onderwerp achterna, langs opiniemakers, politici en andere bekende Vlamingen, Brusselaars en Walen. Dutilleul geeft in het boek ruim baan aan een niet-representatief staal van Vlaamse cultuurpessimisten als Matthias Storme, Boudewijn Bouckaert of Marc Platel. Ook zoekt hij voortdurend naar de bevestiging van een stelling die op vooringenomenheid en domheid berust. Niet alle Vlamingen willen het einde van België. Bovendien stammen niet alle Vlamingen af van vaders die als lid van de Zwarte Brigade Limburgse dorpen hebben gebrandschat. Om nog maar te zwijgen van de compleet ridicule veronderstelling dat afstammelingen van leden van de Zwarte Brigade mee de schuld van hun voorouders zouden moeten dragen. Het feit dat er meer Walen dan Vlamingen aan het Oostfront zijn gesneuveld is blijkbaar nog steeds een taboe.

Dutilleul zou een half punt hebben gehad als hij met de bewijzen op tafel had aangetoond dat sommige Vlaamsnationalisten blijven koketteren met het debacle van de Tweede Wereldoorlog. In 2004 nog werd tijdens de rechtsradicale IJzerwake in Steenstrate de honderdtwintigste verjaardag van VNV-leider en antisemiet Staf De Clercq gevierd. De regie dat stichtelijke gebeuren was in handen van Luc Lemmens, een Antwerps N-VA-gemeenteraadslid. Tijdens die viering werd de veroordeling van het Vlaams Blok door het Hof van Beroep te Gent gelijkgeschakeld met de repressie na de Tweede Wereldoorlog. Ook nu er steeds minder getuigen van de Tweede Wereldoorlog resten, blijft zo’n met revanchisme opgesmukt eerbetoon aan Staf De Clercq een daad waarmee je jezelf volledig buitenspel zet. Maar moeten ‘de Vlamingen’ boeten voor het psychopathologische revisionisme van een groupuscule onnozelaars? Dutilleul gaat dus net als de door hem geviseerde foute Vlaming ten onder aan de hedendaagse Belgische ziekte: het elkaar bestoken met clichés. Zijn boek is dus niet meer dan een document en vooral interessant voor wie niet weet wat de Franstaligen denken en wie Vincent de Coorebyter of Luc Beyer de Rijcke zijn.

Als mensen elkaar zo slecht begrijpen, kunnen het alleen Belgen zijn. Aan slecht karakter ontbreekt het hen ook niet, want Dutilleuls Bye-bye Belgium was voor minister-president Yves Leterme een welkome aanleiding om de Franstaligen, en dan vooral de krant Le Soir, te beschuldigen van stemmingmakerij. De Franstalige PS zou een negatief klimaat creëren zodat de Vlaamse eisen bij de staatshervorming gestigmatiseerd worden als separatistisch. PS-boegbeeld Laurette Onkelinx noemde Leterme in april 2006 immers ‘un homme dangereux’, een belediging die de onzekere Leterme niet heeft verteerd. Samenwerken valt de Belgische politici dus zwaar. Die politieke kortsluiting is geen uitzondering in Europa.

De naakte eenvoud van de Belgische grondwet staat symbool voor de problemen van de moderne natiestaat. Het eerste artikel van de gecoördineerde grondwet van 17 februari 1994 luidt: ‘België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.’ Die ene zin bevat de complete geschiedenis van het land. Het is ook een zeer boude uitspraak, vooral omdat iedereen het federalisme anders invult. De flou artistique die hiermee gepaard gaat, zal altijd de instellingen verzwakken en een bron van inspiratie vormen voor politici die het civisme aan hun laars lappen. In de buurlanden is de staat er echter niet minder slecht aan toe, vooral in Nederland en Frankrijk.

Sinds de late jaren negentig leidt de Nederlandse politiek aan een levensbedreigende metafysische sclerose. Mede door dit ziektebeeld heeft de Nederlandse samenleving zeer lang kunnen spelen alsof er geen vuiltje aan de lucht was – Nederland, zo kreette Vrij Nederland, was af. Na Fortuyn en de politieke moorden is Nederland wanhopig naar zichzelf op zoek en is de politieke instabiliteit nog lang niet opgelost. De afgelopen maanden leek het Haagse Binnenhof meer op een exercitieterrein voor wereldvreemde regenten. Intussen mort dat volk. ‘Misschien’, zo schreef H.J. Schoo in de Volkskrant van 30 december 2006, ‘moet die Opstand der Burgers wel eerst nog heviger gaan woeden, wil de les ten volle doordingen. Machthebbers en hun paladijnen die van hun ongeduld met de kiezer getuigen, wijzen daar in elk geval op.’

Frankrijk glijdt dan weer af in somberte en onpeilbare apathie. Niet voor niets noteren er nergens op Europese beurzen meer rust- en verzorgingstehuizen dan op de Parijse CAC40. L’exception Française is vooral een excuus om reactionair gedrag te verkopen als een progressief programma. Het drama van de Franse politiek is dat zowat elke belangrijke Franse politicus van de afgelopen jaren verduiveld goed weet het Frankrijk aan schort. De voorlaatste in de rij is de door acute hoogmoed neergestorte Dominique de Villepin. In zijn Le cri de la Gargouille (2002) beschrijft hij zeer exact waar Frankrijk schrik voor heeft: actie. De analyse Nicolas Sarkozy maakt in Témoignage (2006) verschilt niet fundamenteel van die van zijn aartsvijand. Het Franse socio-economische immobilisme vernietigt welvaart en kapitaal, en institutionaliseert segregatie en ongelijkheid. Het pijnlijkste bewijs hiervan is het onvermogen van de Franse politiek om de vermaledijde vijfendertigurenweek te schrappen. Bovendien heeft de Franse staat altijd geleden onder te veel centralisme en te veel Parijs.

De kloof tussen burgers en politiek – een kloof die in het België van de jaren tachtig is uitgevonden – heeft in Frankrijk en Nederland de vorm van een ravijn aangenomen. De Belgische politiek heeft de fameuze kloof zo ontzettend intens gethematiseerd dat heel wat Vlaamse politici en Michel Daerden zich van de weeromstuit hebben omgeschoold tot labiele idioten in de hoop ‘het volk’ niet van zich te vervreemden. Het dieptepunt van die evolutie is ongetwijfeld de komst van de familie in de Belgische politiek. Niet eerder hebben politici hun partners en kinderen zo massaal ingezet op radio, tv en verkiezingsdrukwerk. Niet eerder hebben zovele politici hun carrière en hun emolumenten te danken partners en familieleden. Als je de ogen sluit lijkt de Franse revolutie een verzinsel en leven we nog steeds in de feodaliteit die bij Karel de Grote is begonnen.

Is het een voordeel dat politici zeldzaam dicht bij hun kiezers staan? Is nabijheid de belangrijkste factor van een westerse democratie? Bij gebrek aan Europees forum is het haast onmogelijk om deze toestand uit te klaren – wij allen zijn Europeanen bij benadering, een schimmige dubbele nationaliteit, een siertotem die uitsluitend op de Grote Momenten wordt gebruikt. In België, waar er in beide gemeenschappen een politiek van nabijheid wordt gevoerd, staan de gemeenschappen zelf met de rug naar elkaar. Dat is, zelfs los van de communautaire carrousel, een bedenkelijke situatie. Het gesprek tussen Vlamingen en Franstaligen moet hoe dan ook plaatsvinden, omdat zelfs zonder de Belgische federatie er zeer vele gedeelde verantwoordelijkheden zijn.

Harold Polis


Yves Quairiaux, L’image du Flamand en Wallonie. Essai d’analyse sociale et politique (1830-1914), Editions Labor, 2006.
Dominique de Villepin, Le cri de la Gargouille, Albin Michel, 2002.
Nicolas Sarkozy, Témoignage, Xo, 2006.
Emmanuel Gerard en Karel Van Nieuwenhuyse (red.), Scripta politica. Politieke geschiedenis van België in documenten, Acco, 2005.
Philippe Dutilleul, Opération BBB (Bye Bye Belgium). L’évènement télévisuel, Editions Labor, 2006.
Els Witte & Alain Meynen, De geschiedenis van België na 1945, Standaard Uitgeverij, 2006.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van februari 2007.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...