Posts tonen met het label federale verkiezingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label federale verkiezingen. Alle posts tonen

zondag 13 januari 2008

Het onveiligheidsgevoel in België

Weinig maatschappelijke thema’s hebben het afgelopen decennium zo’n bepalende rol gespeeld als het onveiligheidsgevoel. Zowel de politiek, de publieke ruimte als ons individuele bestaan zijn er grondig door veranderd. Na al die jaren blijft nog steeds de vraag waar de reële onveiligheid eindigt en het onveiligheidsgevoel begint. Voor velen is veiligheid een wens. Voor Yves Leterme was het tijdens de verkiezingsavond van juni 2007 een belofte: meer zekerheid, meer veiligheid en een moderne staatshervorming.
Veiligheid is een amorf begrip. Anders dan de temperatuur of het waterpeil is het moeilijk meetbaar en altijd onderhevig aan interpretaties. Uiteraard zijn er de criminaliteitsstatistieken waarin de federale politie de geregistreerde feiten samenbrengt, maar zelfs die statistieken vormen vaak het onderwerp van discussie. En er is altijd een dark number. Niet alle gepleegde feiten worden aangegeven. Die lijsten van aangedaan leed maken alleszins duidelijk dat misdaad, agressie, overlast en geweld een onvervreemdbaar deel vormen van de mens, en dus van onze samenleving.
In de weken nadat Joe Van Holsbeeck op 12 april 2006 in het Centraal Station van Brussel was doodgestoken, hebben jongeren tussen vijftien en vierentwintig zich onveiliger gevoeld. Na enkele weken verdween dat acute gevoel. Een maand later, op 11 mei 2006, werden de racistische moorden in Antwerpen gepleegd. Die tragische feiten hadden dan weer geen invloed op het onveiligheidsgevoel van de burgers. Sommige geweldsfeiten waarover uitgebreid wordt bericht in de media, kunnen het onveiligheidsgevoel bij een specifieke bevolkingsgroep tijdelijk beïnvloeden – maar niet altijd. Die vaststelling kun je maken op basis van de Veiligheidsmonitor die sinds 1997 om de twee jaar wordt opgesteld in opdracht van de federale minister van Binnenlandse Zaken. Het is een van de weinige tastbare meetinstrumenten van het onveiligheidsgevoel. Het rapport is het resultaat van een telefonische enquête bij Belgen ouder dan vijftien. Voor de aflevering van 2006 werden ruim 43.000 mensen uitgebreid ondervraagd naar hun ervaringen over veiligheid en het functioneren van de politie. Een constante in de periode 1997-2006 is dat Vlamingen zich veiliger voelen dan Walen of Brusselaars. Vijfenzestigplussers, vrouwen en laaggeschoolden voelen zich dan weer bij elke meting opmerkelijk onveiliger dan andere bevolkingsgroepen. Dat is een paradox, want statistisch gezien lopen bejaarden en vrouwen minder veiligheidsrisico’s.

Maatschappelijke fractuur

Toen in de lente van 1999 de dioxinecrisis uitbrak, besefte het hele land plots hoe kwetsbaar de voedselketen was. De angstpsychose die erop volgde, beïnvloedde zelfs de uitslag van de federale verkiezingen in juni van dat jaar. Eerder dan een uitzondering was dit massaal beleefde onveiligheidsgevoel een bizar hoogtepunt van een decennium dat door onveiligheidsgevoelens werd gedomineerd. Een van de vele lessen uit de dioxinecrisis is dat onveiligheid bijlange na niet alleen met criminaliteit of slachtofferschap te maken heeft. Bovendien heeft het weinig zin te spreken over kleine of grote, over reële of ingebeelde onveiligheid.
Hetzelfde geldt voor de onveiligheidsgevoelens die de voedingsbodem van ‘zwarte zondag’ vormden. De electorale doorbraak van het toenmalige Vlaams Blok op 23 november 1991 bracht een breuk in de samenleving aan het licht. Bijna een half miljoen kiezers stemden op politici die de schuld voor heel wat samenlevingsproblemen bij ‘de allochtonen’ legden. Over de betekenis van onveiligheidsgevoelens is sindsdien bijzonder veel inkt gevloeid. Onder meer het werk van socioloog Mark Elchardus is hierbij richtinggevend geweest. Met zijn onderzoeksgroep TOR (VUB) onderzoekt hij hoe Vlamingen reageren op maatschappelijke ontwikkelingen. Een rode draad in zijn publicaties is het onveiligheidsgevoel als maatschappelijk probleem. Onze maatschappij kiest de criminaliteit als verklaring voor het gevoel van kwetsbaarheid en bedreiging. Dit complexe systeem van angsten vat Elchardus samen met het begrip ‘onbehagen’. Criminaliteit is slechts een van de vele aanleidingen om zich kwetsbaar te voelen. De buurt waarin je woont, speelt een bepalende rol. Als een buurt wordt gekenmerkt door overlast, verloedering en etnische heterogeniteit is het onveiligheidsgevoel van de bewoners groter. Ook de mate waarin je sociaal geïntegreerd bent, bepaalt of je je veilig voelt. Financiële onzekerheid en negatieve toekomstverwachtingen zijn evenmin bevorderlijk voor het veiligheidsgevoel. Resultaat: volgens de metingen van Elchardus voelt de gemiddelde Vlaming zich behoorlijk angstig.
Een treffende illustratie van die verschillende vormen van onbehagen wordt gegeven in Luisteren naar mensen over onveiligheid, een omvangrijk rapport van de Koning Boudewijnstichting. De Stichting laat hierin gewone mensen aan het woord en geeft vijf ‘krachtlijnen voor meer veiligheid voor iedereen’. Het onveiligheidsgevoel moet ernstig worden genomen. Onveiligheid neemt vaak andere vormen aan. Een ongelijke geografische spreiding vraagt om een aanpak op maat. Onveiligheid treft iedereen, maar het is ook ieders verantwoordelijkheid. En veiligheid is een fundamenteel recht.
Luisteren naar mensen over onveiligheid toont aan hoe veiligheid binnen enkele jaren tijd van een stroef ideologisch thema is veranderd in een uiterst belangrijk maatschappelijk strijdpunt. Terwijl de bevolking vergrijst, de globalisering onze economie dooreenschudt, de kennisrevolutie nieuwe ongelijkheden schept en diversiteit kleur aan de samenleving geeft, hebben we er alle baat bij om de boel bij elkaar te houden. Bij het wegnemen en begeleiden van onzekerheid, kwetsbaarheid en onveiligheid krijgt de zorgsector een hoofdrol toebedeeld. Soms staat de zorg ten dienste van een gewapend bestuur dat overijverig is om de burgers te beschermen. Welzijnsbeleid wordt dan een verlengde van het veiligheidsbeleid. Het straathoekwerk is een berucht voorbeeld. Het sociale resultaat dat de straathoekwerker behaalt, wordt ook geïnterpreteerd als het inperken van overlast. De straathoekwerker als politieagent in burger heeft echter weinig kans op slagen. Welzijnswerk is en blijft het uitgangspunt. Zowat alle sectoren spelen hierbij een rol, zeker ook de penitentiaire sector. Het Gesundes Volksempfinden eist strengere straffen en meer gevangeniscellen. Maar in de praktijk blijkt het de gevangenis zelf te zijn die hulp nodig heeft. Voorstanders van een betere begeleiding van gevangenen, zoals strafpleiter Walter Van Steenbrugge, krijgen echter nauwelijk gehoor.

Vlaamse veiligheid

De Vlaamse Gemeenschap is verantwoordelijk voor persoonsgebonden materies. In het grote veiligheidsverhaal valt onder meer de sterke uitbouw van de eerstelijnszorg op, waarbij ‘preventie’ en ‘laagdrempeligheid’ de toverwoorden zijn. Vlaanderen is onderverdeeld in zestig zorgregio’s waar het zorgaanbod zo gespreid mogelijk wordt uitgebouwd. Het toegankelijke hulpaanbod, bijvoorbeeld via het netwerk van de Centra voor Algemeen Welzijnswerk, moet mensen ook ondersteunen bij het zelf aanpakken van hun problemen en bij het versterken van hun basisrechten, zodat de afhankelijkheid van de zorg niet te groot wordt. Er is ook een pragmatische reden voor die aanpak. Een stevige eerstelijnszorg biedt een remedie tegen wachtlijsten en beperkt de druk op het welzijnsbudget. Hoe meer mensen afhankelijk zijn van de zorgsector, hoe meer het budget onder druk komt te staan.
Een andere evolutie is de omschakeling van aanbodgestuurde naar vraaggestuurde zorg, zoals de Integrale Jeugdhulp. De competenties van de zorgsector zijn omvangrijk en bijzonder verscheiden. De uitdaging van de toekomst is ongetwijfeld de samenwerking tussen diensten, overheden, instellingen en projecten zo goed mogelijk te organiseren. Ook dat is eigen aan de hedendaagse zorgsector. De jarenlange inspanning om de kwaliteit van de zorg te verbeteren ging gepaard met een steeds scherper besef van individuele zorgvraag. Zorg op maat veronderstelt niet alleen een uitgebreid zorgaanbod, maar ook een sector die de cliënt niet ondergeschikt maakt aan de structuren. Overigens wordt de zorgsector hiertoe aangespoord door de cliënten zelf. Ze zijn mondiger geworden en kennen hun rechten beter.
De toename van de zorgvraag is ten dele toe te schrijven aan het feit dat mensen bewuster zijn geworden van hun situatie en minder tolerant tegenover onwelzijn. Die vaststelling staat los van de vraag of de toename in alle gevallen ook echt beantwoordt aan een reële behoefte. Tegelijkertijd hebben beleidsmakers begrepen dat een goed georganiseerde zorgsector de maatschappij leefbaarder kan maken. De zorgsector moet dus beantwoorden aan hooggespannen verwachtingen.

Integrale veiligheid

Veiligheidsplannen zijn op geen enkel overheidsniveau nog weg te denken. De (federale) staat heeft in onze samenleving het monopolie op geweld en heeft dus als uiterst belangrijke opdracht de burgers en hun bezittingen te beschermen. Geweld, agressie en criminaliteit zijn even oud als de mensheid, maar veranderen voortdurend. Van computercriminaliteit was twintig jaar geleden geen sprake, terwijl het vandaag een reëel gevaar is en een bron van onveiligheidsgevoelens. Het beleid moet voortdurend worden aangepast, getuige de door de federale Ministerraad goedgekeurde Kadernota Integrale Veiligheid (30 maart 2004): ‘Integrale veiligheid is het concept om criminaliteit, overlast en verkeersveiligheid in al hun aspecten in een zo breed mogelijke context te benaderen. De kerngedachte hierbij is de permanente aandacht voor zowel preventie, repressie als de opvolging van daders en slachtoffers.’ Die alomvattende aanpak komt tegemoet aan de complexe veiligheidsproblemen waarmee we worden geconfronteerd. Alleen door internationale samenwerking kun je een rondtrekkende dadergroep of een terroristische cel oprollen. Het bestrijden van sociale en ecologische fraude vergt niet zelden spitstechnologie en juridische krachttoeren. Oom agent lost dit niet in zijn eentje op.
De misdaden die Marc Dutroux midden jaren negentig pleegde, zorgden voor een revolutie van de manier waarop we met veiligheid omgaan. Zijn ontmaskering in de zomer van 1996 bracht een falend veiligheids- en politiebeleid aan het licht. Uit het onderzoek bleek dat de slechte organisatie en de openlijke concurrentie van overheidsdiensten, magistratuur en politie nefast waren geweest. Tijdens de openbare hoorzittingen van de parlementaire onderzoekscommissie werd voor iedereen duidelijk hoe vierkant het systeem draaide. Dit scherpe inzicht leidde tot de beruchte hervorming van de ordediensten: het zogeheten Octopusakkoord regelde de samensmelting van de politiediensten. Het duurde tot 2002 vooraleer de hervorming grotendeels werd doorgevoerd. ’s Lands veiligheid wordt sindsdien verzekerd door de federale en de lokale politie.
Door de massale publieke verontwaardiging in de zomer van 1996 kwam er ook meer aandacht voor de rechten van het slachtoffer en van het kind. Het volstond niet meer om veiligheid gelijk te stellen met repressie. Om de veiligheid te verzekeren moest op alle mogelijke manieren de volledige maatschappelijke context betrokken worden bij het beleid. Repressie, preventie en nazorg werden hoofdstukken van hetzelfde verhaal.
Het Nationale Veiligheidsplan (2004-2007) dat de werkingsprincipes van de eengemaakte politie bevat, legt dan ook de nadruk op de gemeenschapsgerichte politiezorg (‘community policing’). ‘Het streefdoel’, zo stelt de rondzendbrief van 27 mei 2003 over community policing, ‘is een in de samenleving geïntegreerde politie die ten dienste staat van de burger en samen met de diverse gemeenschappen naar oplossingen zoekt door zich te richten op de lokale omstandigheden die onveiligheid veroorzaken.’ De politiediensten trachten zo dicht mogelijk bij de burger te staan en organiseren de veiligheidszorg in samenspraak met andere actoren: de gemeente, het OCMW en scholen.

Vroeger was het beter?

De angst voor de bedreiging van het welzijn is een gevoel dat alle mensen delen. Het is al even menselijk om de omvang van de bedreiging te meten aan de hand van persoonlijke herinneringen: vroeger was het beter. Het hedendaagse onveiligheidsgevoel is niet te begrijpen zonder die irrationele interpretatie van heden en verleden erbij te betrekken. Toch is onveiligheid allerminst een nieuw thema. Zo beweerde de Canadese psycholoog Steven Pinker, auteur van het controversiële boek Het onbeschreven blad, in de Britse krant The Independent dat de wereld steeds veiliger wordt. Pinker bekijkt de geschiedenis van de mensheid van een afstand en stelt vast dat we vandaag veel minder last hebben van bijgeloof, slavernij, mensenoffers, grootschalige verminking, standrechtelijke executies, pogroms en politieke moorden. Onwaarschijnlijk? Volgens Pinker wijst elk systematisch historisch onderzoek naar onveiligheid op een duidelijke daling, ‘hoewel dit uiteraard gepaard gaat met een zigzagbeweging’.
Het is net die zigzagbeweging in de onveiligheidscurve die een stempel drukt op het collectieve gevoel. De twee wereldoorlogen hebben bijvoorbeeld niet meteen een positiever mensbeeld opgeleverd, maar de kans dat je vandaag in een willekeurige Vlaamse stad door geweld om het leven komt, is gering. De jonge historicus Antoon Vrints heeft hier onderzoek naar verricht. In zijn proefschrift Het theater van de straat. Publiek geweld, respectabiliteit en sociabiliteit in Antwerpen (ca. 1910-1950) trachtte hij te achterhalen hoe geweld en agressie zijn geëvolueerd. Ook Vrints raadt aan om met de nodige nuance over geweld en onveiligheid te praten. Na de racistische moorden in Antwerpen publiceerde hij een opmerkelijk opiniestuk in De Tijd: ‘Waar komt dan de indruk vandaan dat onze samenleving steeds gewelddadiger wordt? De hedendaagse preoccupatie met geweld kan worden begrepen als een indicatie dat de intolerantie tegenover geweld nog steeds sterker wordt. Vanuit moreel standpunt kan je die evolutie toejuichen. Ze houdt ook een risico in: de verontwaardiging vertroebelt de blik op geweld als betekenisvol fenomeen.’

Welzijn en onveiligheid

Onze samenleving tolereert niet alleen het geweld niet meer, het is de onveiligheid in de brede zin van het woord – al wat het welzijn bedreigt – die aan de kaak wordt gesteld. In het recente verleden hebben we een spectaculaire toename gezien van zowel de gezondheids- als de welzijnszorg. Demografische of sociologische oorzaken (zoals de vergrijzing of de toename van de eenoudergezinnen) zijn hierbij bepalend. Maar de toegenomen weerstand tegen vormen van onwelzijn speelt wellicht een even belangrijke rol, anders zouden we nog steeds asbest gebruiken bij de bouw van ziekenhuizen of probleemkinderen strikt repressief benaderen. Ook onze welvaart zorgt ervoor dat we onwelzijn en onveiligheid afwijzen. Als onze welvaartstaat niet zou bestaan, zouden we niet kunnen terugvallen op de hooggekwalificeerde zorg die we vandaag vanzelfsprekend vinden.
Omdat het onveiligheidsgevoel zo veelkantig is en ook steeds van vorm verandert, ontstaat de indruk dat het om iets louter subjectiefs gaat. Dat is onterecht. Al was het maar omdat een groot deel van het onveiligheidsgevoel door de samenleving op objectieve wijze wordt bestreden. Er is beleid ontwikkeld voor haast elke mogelijke dreiging, van arbeidsongevallen tot natuurrampen. We doen er met zijn allen alles aan om die grote en kleine risico’s tot nul te herleiden. Logisch, want door de toegenomen welvaart hebben we letterlijk veel meer te verliezen dan vroeger en door het vergrootglas van de media zijn we daar perfect van op de hoogte. Het multimediale project Een ongemakkelijke waarheid. Het gevaar van het broeikaseffect en wat we eraan kunnen doen van Al Gore was het recentste voorbeeld van zo’n massaal gedeeld inzicht. De geschiedenis van het onveiligheidsgevoel leert dat niets zo tot verandering inspireert als een massale paniekaanval. Er is altijd geluk bij een ongeluk.

Harold Polis

(Dit artikel verscheen in Streven van januari 2008 en is met correcties en actualiseringen overgenomen uit Weliswaar nr. 75 (april-mei 2007), blz. 4-6.)

Literatuur

Mark Elchardus en Wendy Smits, ‘Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos. Onveiligheidsgevoel in Vlaanderen 1998-2002’, in: Vlaanderen gepeild 2003, Administratie Planning en Statistiek. Te downloaden op .
‘Gewapende zorg’, themanummer van Alert. Tijdschrift voor zorg en sociale politiek, jrg.32 (2006), nr.1.
Luisteren naar mensen over onveiligheid. Algemeen verslag over onveiligheidsgevoelens, Koning Boudewijnstichting, Brussel, 2006, 220 blz.
Walter Van Steenbrugge, De affaire justitie. Bedenkingen van een strafpleiter, Meulenhoff-Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2007.
De Veiligheidsmonitor en de criminaliteitsstatistiek kun je downloaden op de site van de federale politie: . Om die cijfers correct te interpreteren kun je het best het boek Zwart op wit? Duiding van cijfers over onveiligheid en strafrechtsbedeling in België (VUBPress, Brussel, 2006) raadplegen.

zaterdag 20 oktober 2007

België: het volgende hoofdstuk



Twintig jaar lang heeft Vlaanderen zich blindgestaard op het ‘vreemdelingenprobleem’. Een hele generatie heeft carrière gemaakt op kosten van een maatschappelijk thema. Het maakte weinig verschil of je nu vond dat het eigen volk eerst moest komen of dat je al dansend op N'ssi, N'ssi van Cheb Khaled een bijdrage dacht te leveren aan een verdraagzame samenleving. Het nettoresultaat van beide houdingen is van een ontnuchterende futiliteit. Vele Belgen van allochtone origine kampen, zeker ook in Vlaanderen, nog steeds met een onaanvaardbare economische en sociale achterstand. Van een rationele discussie over een toekomstgericht migratiebeleid is vandaag geen sprake. Als de grenzen op slot gaan en de grijze demografische vooruitzichten onveranderd blijven, dan komt België in 2050 ruim 984.000 arbeidskrachten te kort om de bezetting van de huidige arbeidsmarkt op peil te houden. 984.000. Dit homerische cijfer staat in Mind the gap, een recente studie over de toekomstige Europese arbeidsmarkt, die in opdracht van Randstad werd geschreven.
Noch de vergrijzing, noch het migratiebeleid, noch Europa kwamen aan bod tijdens de campagne voor de Belgische federale verkiezingen. Nochtans komt nu de federale regering van de laatste kans aan de macht. In 2010 scheurt de voorhang van de tempel, zo wordt het al jaren voorspeld, slaat de vergrijzing toe, en moeten we ons tevreden stellen met een blauwe kiel en aardappelen met ajuinsaus. Via een communautaire omweg kreeg de vergrijzing toch een plek: de splitsing van het werkgelegenheidsbeleid. De fameuze Lissabonnorm stelt dat Europese economieën tegen 2010 een activeringsgraad van 70% moeten halen. In Vlaanderen schommelt de activeringsgraad momenteel rond de 65%, in Wallonië rond de 58%. In de opgefokte communautaire sfeer klonk dit als: ‘We moeten van die Walen af!’ Waarop de verkramping onder de Franstaligen totaal was.
Vandaag hebben ‘de Walen’ de rol van ‘de allochtonen’ overgenomen in het Vlaamse populisme. ‘Federalist’ is een scheldwoord geworden, nog erger dan ‘Belg’. Separatisme en confederalisme gaan met opzet gehuld in een flou artistique. Populistische retoriek vierde dan ook hoogtij tijdens de campagne. In de loop van het voorjaar hadden Le Soir, De Morgen, De Standaard en La Libre Belgique in gemeenschappelijke artikelenreeksen en peilingen een ernstige poging ondernomen om het wederzijdse vijandbeeld tot ware proporties terug te brengen. Dat was hoopvol. De audiovisuele campagne ging echter ten onder aan eenzijdigheid. Als de rol van de pers die van tegenmacht is, dan heeft de staatsomroep gefaald. ‘Hervormen in deze is de scheiding voorbereiden,’ schreef campagneanker Siegfried Bracke in de laatste dagen van de campagne op de blog van de VRT-nieuwsdienst. ‘Erg? Vind ik niet, nee. Ook ik ben feitelijk separatist.’ Het was geen toeval dat er pas na 10 juni Franstaligen aan het woord kwamen bij de VRT. Nee, dan Didier Reynders. De MR-baas beschuldigde de RTBF ronduit van (socialistische) partijpolitieke spelletjes. Een verwijt dat ook luid weerklonk na de fake RTBF-reportage Bye bye Belgium.
Even opvallend was de agressie van de politieke sleutelfiguren. De MR enerzijds en de PS en CDH anderzijds gooiden met modder naar elkaar. De wederzijdse afkeer van Verhofstadt en Leterme maakt hen ongeschikt voor male bonding. ‘Ce qui me frappe le plus,’ zei Vincent de Coorebyter, directeur van het Crisp, in La Libre Belgique van 7 juni, ‘c’est la coexistence de cette virulence dans la campagne et d’une convergence, tout à fait inédite, des programmes.’ De uitslag van 10 juni leverde een zelden geziene versnippering van het politieke landschap op, met partijen die op inhoudelijk vlak vaak moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn.
Pas toen de tv-debatten begonnen, kreeg de federale campagne enig animo. Die laatste weken voor 10 juni waren vooral een oefening in mannetjesmakerij. De zendtijd die de staatszender vrijmaakte voor de campagne was indrukwekkend en stond niet in verhouding tot het resultaat. Wie naar tegensprekelijke debatten zocht, kreeg inspiratieloze overhoringen (zoals het met veel bombarie aangekondigde ‘groot debat’), halve scheldpartijen of gewoonweg onzin. Het dieptepunt viel tijdens de laatste campagneweek toen de dochter van Vera Dua (Groen!) minutenlang werd uitgehoord over de grootouderwens van haar moeder. De eer van het interessantste debat komt ironisch genoeg Kanaal Z toe. Op die nichezender voerden Johan Vande Lanotte, Guy Verhofstadt en Yves Leterme op 9 juni een technisch, maar revelerend debat over werk, financiën en sociale zekerheid. Ook de RTBF bood soelaas met politieke portretten van een preconciliaire lengte waarin antwoorden langer mochten zijn dan tien seconden.
De federale verkiezingen hebben een schok door de Belgische staat gejaagd. Nogal wat commentatoren ontdekten in de verkiezingsuitslag het bewijs dat de Vlaming een communautaire stem heeft uitgebracht. Partijen die zich geen uitsproken Vlaams profiel hebben aangemeten, zouden daarvoor zijn afgestraft. Volgens die redenering zou de SP.a/Spirit de zwakste score in jaren hebben neergezet omdat ex-voorzitter Johan Vande Lanotte bijvoorbeeld begin dit jaar heeft verklaard dat de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde een probleem van de Franstaligen is. Om aanspraak te maken op stemmenwinst had Vande Lanotte de mantra moeten afratelen dat die splitsing niet meer dan vijf minuten politieke moed vergde. Dat de Vlamingen de kieskring konden splitsen zonder overleg met de Franstalige landgenoten. In tegenstelling tot nogal wat van zijn collega’s vertolkte Vande Lanotte de ratio – of beter, de professorale ratio, het gelijk van de docent – en liet hij het niet na om erop te wijzen dat in België, net als in om het even welk geciviliseerd land, institutionele afspraken worden gemaakt met alle betrokken partners.
Bovendien heeft in België alles een prijs. Eenvoudige politieke waarheden bestaan hier niet. Uit een onderzoek van VUB-professor Jo Buelens dat enkele dagen na de verkiezingen openbaar werd gemaakt, bleek dat het aantal Vlaamse zetels zou dalen bij een splitsing van de huidige kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. In Brussel zou er geen enkele Vlaamse kandidaat zijn verkozen. De simulatie van Buelens stuitte op heftige kritiek van de burgemeester van Gooik, Michel Doomst (CD&V). Nochtans hadden vier Vlaamse éminences grises van de Brusselse politiek eind april gewezen op het gevaar van een ‘verticale’ splitsing met aparte lijsten voor Brussel en Vlaams-Brabant. Hugo Weckx, Annemie Neyts, Lydia Deveen en Vic Anciaux waarschuwden in hun Brusselnota voor ondoordachte institutionele beslissingen.
Brussel-Halle-Vilvoorde, BHV voor de vrienden, is uitgegroeid tot een symbooldossier dat moeiteloos de vergelijking kan doorstaan met het Voerense circus uit de jaren tachtig. Er wordt veel geroepen, gevlagd en geklauwd in BHV, maar vooralsnog blijft een definitieve oplossing uit. Naar aanleiding van de regionale verkiezingen van juni 2004 gaf het kartel CD&V/N-VA de splitsing een prominente plek in haar programma. Het kartel zou niet in een Vlaamse regering stappen die de splitsing van BHV niet ‘onverwijld’ tot stand zou brengen. De vermaledijde onverwijlde splitsing werd opgenomen in het Vlaamse regeerakkoord, terwijl de beslissing niet op Vlaams, maar op federaal niveau moet worden genomen. In een veeleer wanhopige poging trachtte de federale regering de splitsing – die dus niet in het federale regeerakkoord stond – met biechtstoelprocedures, onderhandelingen en gesoebat te regelen. Op 10 mei 2005 was er een akkoord dat de verkiezing van de volksvertegenwoordigers splitste, in ruil voor bijkomende bevoegdheden van de Franse Gemeenschap in de Vlaamse rand. Spirit trok er echter te elfder ure de handen van af. Het akkoord viel in het water. De details van de deal waren een ‘kaakslag’. De hyperbolen van Vlaamse verontwaardiging gaven een buitenstaander de indruk dat de Belgen elkaar met zelfmoordaanslagen zouden bedreigen.
Spirit werd als beloning voor die principiële houding zo goed als vernietigd door de kiezer. Op federaal niveau houdt de splinterpartij van de voormalige Volksunie twee senatoren over. Het trieste lot van Spirit toont dat de ‘communautaire stem’ van de Vlaming tijdens de federale verkiezingen veeleer relatief is. Slechts een kleine minderheid van de bevolking begrijpt waar het byzantijnse BHV-dossier echt over gaat en beseft hoe precair de situatie van de Brusselse Vlamingen kan worden. Vandaag genieten ze nog van de 300.000-regel: de Vlaamse Gemeenschap organiseert in Brussel diensten voor een doelpubliek van 300.000 mensen. Maar die grootheden staan uiteraard niet in verhouding tot het nominale gewicht van de Brusselse Vlamingen. En als er straks tijdens een of andere nachtelijke marathononderhandeling een pizza te veel of te weinig wordt besteld, zouden de ketten wel eens geofferd kunnen worden tot nut van het algemeen. Separatisten hebben in elk geval nog nooit zelfs maar het begin van een realistische oplossing aangedragen voor Brussel. Wie een overzicht wil van al die geschifte, onmogelijk en zelfs onmenselijke ‘noodoplossingen’ voor Brussel, moet zeker het artikel ‘Brussels, do you speak-a my language?’ van Dirk Jacobs in de bundel Waar België voor staat lezen.
In Belgique où vas-tu, een interview in boekvorm afgenomen door La Libre Belgique-journalist Christian Laporte, schetst Pierre-Yves Monette de omvang van het BHV-debacle. Ook voor de Franstaligen is de situatie verre van ideaal. Monette ziet drie voorwaarden om uit de huidige communautaire crisis te raken: een waarachtig en herijkt federalisme, federale loyaliteit en een rechtvaardig verdeelde beveiliging van de minderheden in de federatie. Dat laatste punt veronderstelt uiteraard een evenwichtige oplossing voor BHV, ‘le véritable talon d’Achille de la Belgique’. Sommige Vlaamse media hebben zich gespecialiseerd in de karikaturale voorstelling van BHV, waarmee ze vaak kritiekloos extremistische standpunten overnemen. Belgique où vas-tu vormt een ernstig afgewogen standpunt dat een even belangrijke plaats in het debat zou moeten krijgen. Overigens vertrouwt Monette op ieders gezond verstand: ‘C’est précisément parce que les enjeux sont immenses que je pense que la sagesse en l’imagination finiront par s’imposer.’
Monette maakt op omstandige wijze duidelijk wat de grote institutionele uitdaging voor de Franstalige Belgen inhoudt. Walen en Brusselaars moeten voor eens en voor altijd gewest en gemeenschap samenbrengen en een beleidsniveau ontwerpen dat krachtdadig kan besturen. In tegenstelling tot Vlaanderen is het bestuur in Franstalig België uitgesmeerd over het Brusselse Gewest, de Franstalige Gemeenschap en het Waalse Gewest. Drie parlementen, drie machtscentra, drie coalities die gevoed moeten worden, betaald, gehuisvest en voorzien van zinvolle activiteiten. Bijzonder veel Franstaligen zijn dit circus meer dan beu, omdat het systeem volstrekt vierkant draait. Dit zijn de institutionele besognes die ook door Didier Reynders naar voren worden geschoven als ‘primordiaal’. In het door Hervé Hasquin geschreven rapport Vlaanderen. Is er nog een toekomst voor België? vormt die Franstalige institutionele hervorming een belangrijk punt. Deze tekst van het Centre Jean Gol, die enkele weken vóór de verkiezingen in het Frans én in het Nederlands op het net werd gezet, bevat een interpretatie van de Waalse, Brusselse en Belgische politiek die ten enenmale slecht gekend is door de Vlamingen en die, alleszins in de audiovisuele mediadebatten, niet aan bod is gekomen. Ook Franstaligen willen vooruit en ontwaren in de hervorming van hun beleidsniveaus een belangrijke hefboom. Toen Reynders meteen na 10 juni de urgentie van een staatshervorming naar Vlaams model (met overheveling van bevoegdheden naar de gewesten) minder belangrijk achtte, was dat vooral omdat de federatie in dat scenario meer macht zou geven aan de PS. Dit zou het onder meer moeilijker maken om de Franstalige beleidsniveaus te hervormen. Reynders had dus zeker een punt, ware het niet dat hij als meestercynicus de hele kwestie ook ten dienste stelde van het communautaire spel.
11 september was ook voor de Belgische politiek een keerpunt, beweerde Walter Pauli op 9 juni in De Morgen. De aanslagen braken het elan van paars en brachten een grondstroom in beweging die, net als in de rest van de wereld, dreef op angst, onzekerheid en protectionisme. Bovendien beleefde de Belgische politiek na 11 september een aantal ingrijpende schandalen. In 2004 moest oud MR-voorzitter Daniel Ducarme, op dat moment minister-president van het Brusselse Gewest, aftreden wegens belastingfraude. In 2003 werd er een onderzoek in gesteld naar valsheid in geschrifte en het privégebruik van Visakaarten bij de top van de Antwerpse politie. Die Visacrisis breidde zich uit tot de hele stedelijke administratie en verplichtte het Antwerpse schepencollege ontslag te nemen. En tot slot brak in 2005 in Charleroi het schandaal van de huisvestigingsmaatschappij La Carolorégienne los. Terwijl de Visacrisis voor een belangrijk deel (de aangeklaagde schepenen) gevoed werd door desinformatie, massahysterie en poujadisme, blijft het schandaal in Charleroi tot op vandaag met recht en reden de gemoederen beroeren. De almacht van de PS in Wallonië wordt afgebroken net op de plek waar het dienstbetoon, cliëntelisme en sociale misère het sterkst zijn. De rotte plekken van Wallonië saneren, het economische weefsel weer tot leven wekken, ernstig besturen: allemaal uitdagingen die volgens de MR en Reynders alleen mogelijk zijn als de ‘stalinistische macht’ van de PS wordt gebroken. Uiteindelijk wilde ook PS-voorzitter Di Rupo niets anders dan de ‘parvenus’ verwijderen uit zijn partij en goed besturen. Toen hij er echter niet in slaagde die veranderingen snel genoeg door te voeren, werd hij zelf een deel van het probleem. Reynders liet de verkiezingscampagne escaleren tot een scheldpartij tegen de PS en hield daarbij het kompas gericht op de Franse présidentielles waarin zijn zelfgekozen zielsverwant Nicolas Sarkozy de republiek veroverde door ‘le changement’ te prediken – en dat thema van Di Rupo te stelen. De sclerose van de Franse PS heeft wellicht meer te maken met een onevenwichtig programma en een aanzienlijk intern slagveld, maar ook in de door te veel macht verlamde Franstalige Belgische PS zit een grote groep die een doctrinair immobilisme nastreeft en doet alsof Bad Godesberg niet heeft bestaan.
De overwinning van Reynders is eclatant, compenseert het verlies van Open VLD en biedt ook op federaal niveau mogelijkheden, al was het maar omdat liberalen en christendemocraten in sociaaleconomische dossiers toch overeenstemming kunnen bereiken. Zonder de socialisten dus, die op een roomsrode samenwerking hadden gehoopt. Zij moeten de kelk tot de bodem ledigen en het tweede grote partijschandaal op twintig jaar tijd verteren. Nog niet zo heel lang geleden verbaasde iedereen er zich over dat extreemrechts in Franstalig België geen voet aan de grond kreeg. Er leek geen sociologisch plafond te bestaan voor het Vlaams Blok en er was geen enkele politieke opponent die de twijfelachtige erfgenamen van Staf De Clercq de pas kon afsnijden. De PS daarentegen had de Luikse extremisten rond de clan Happart in de partij gebracht en de voedingsbodem voor extreemrechts weggenomen. Bovendien beheerde de PS de sociaaleconomische ellende als een goede huisvader, met als typevoorbeeld de zonder meer heroïsche oud-PS-burgemeester van La Louvière, Willy Taminiaux, iemand die in zeer moeilijke omstandigheden ook op de kleintjes lette. De ‘politique de proximité’ volstaat vandaag niet meer, zeker niet in een klimaat waarin de weerzin tegen de PS, zeker in Vlaanderen, psychotische trekken vertoont.
In Marchienne de Vie, een ontroerende reportage van Olivier Richard uit 1995, is er een memorabele scène waarin Jean-Claude Van Cauwenberghe, de keizer van Charleroi, een volksvergadering voorzit. Hij doet dat met nauwelijks verholen minachting voor de aanwezigen. Ruim tien jaar later, op 11 juni 2007, plaatst Elio Di Rupo de PS-afdeling van Charleroi, en dus Van Cauwenberghe, onder curatele – too little, too late. Op het radionieuws van La Première komt die middag Van Cauwenberghe aan het woord die zich met veel aplomb akkoord verklaart met ‘de beslissing van Brussel’. Later zal ongetwijfeld blijken dat de haast surrealistische hoogmoed van Van Cauwenberghe een van de motorische momenten is geweest van de huidige politieke crisis. ‘Tout homme va toujours au bout de son pouvoir,’ zei François Mitterrand. Van Cau is er ver over gegaan.
De eer komt Yves Leterme toe om de Belgische politiek weer te herleiden tot de kern: de strijd om de macht. Leterme heeft zijn overwinning van 10 juni lang en goed voorbereid, onder meer door de communautaire tegenstellingen meesterlijk te bespelen. Uiteraard heeft hij vorig jaar in La Liberation beweert dat de Franstaligen in de rand niet slim genoeg zijn om Nederlands te leren, maar meestal liet hij het vuile werk over aan de N-VA. Voorzitter Bart De Wever ontpopte zich tot een botte debater die elke ochtend een Franstalige tussen zijn boterham legt en de sentimentaliteit, bijvoorbeeld in zijn publieke relatie met Jean-Marie Dedecker, niet schuwt. Maar zoals Sarkozy ooit verklaarde: ‘La fidelité c’est pour les sentiments, l’efficacité pour le gouvernement.’ Het is zeer de vraag of het neothomistische verstandshuwelijk van de CD&V en de N-VA standhoudt, en of communautaire maagdelijkheid van Bart De Wever bewaard blijft in een langgerekte regeringsonderhandeling. Straks moeten ook De Wever en Leterme de krachtmeting aangaan met BHV, een gebied dat qua symbolische afgrondelijkheid alleen te vergelijken valt met de Hindu Kush in Afghanistan, het gebergte waar zowel de Britse koloniale legers als de Amerikaanse coalitietroepen zich te pletter hebben gelopen. Welke regeling er straks ook getroffen wordt, een gefaseerde staatshervorming of een sociaaleconomisch programma met een institutioneel zoenoffer, niemand zal zijn politieke zuiverheid kunnen handhaven.

Harold Polis

(Dit stuk werd afgesloten op 18 juni.)


Geert Buelens, Jan Goossens en David Van Reybrouck (red.), Waar België voor staat. Een toekomstvisie, Meulenhoff/Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2007.
Pierre-Yves Monette, Belgique où vas-tu. Entretiens avec Christian Laporte, Mardaga, Waver, 2007.
Vlaanderen. Is er nog een toekomst voor België?, Centre Jean Gol, 2007. Te downloaden op http://www.mr.be/Le-Mouvement/Centre-Jean-Gol/index.php
Rudy Aernoudt, Brussel. Het kind van de rekening, Roularta Books, Roeselare, 2007.
De Brusselnota kun je downloaden op
Piet Emmer, Ernst Berkhout en Christan Dustmann, Mind the gap. International Database on Employment, 2007. Te downloaden op: http://www.seo.nl/binaries/publicaties/rapporten/2007/968.pdf

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...