woensdag 12 december 2007

Een toekomst voor onze steden




(Was Gogol een Antwerpenaar geweest, hij had niet over de Nevski Prospekt geschreven, maar over de Abdijstraat op het Kiel.)


Soms komt de verlossing akelig dichtbij. Zoals na de overwinning van Patrick Janssens bij de Belgische gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober jongstleden. Het zegevierende deel van Antwerpen verzwond haast in een draaikolk van euforie. ‘Ze’ waren een halt toegeroepen. De internationale pers, belust op een overwinning van extreemrechts, moest zich tevreden stellen met goed nieuws. Aan de overwinning ging een on-Belgische campagne vooraf die, deels spontaan, deels subliem geregisseerd, de steun aan Janssens fors deed toenemen. De sfeer in Antwerpen was die van de laatste der dagen. Hoeveel rechtvaardigen woonden er nog in de stad? Voldoende zo bleek om Antwerpen van de voorspelde ondergang te redden.

De strijd om Antwerpen was een strijd om de openbare ruimte: houden we de poorten van de stad open of laten we Antwerpen aan de Antwerpenaren. Nergens in België heeft dit vaak cynische en van elk moreel besef gestripte gevecht zo intens gewoed. Nergens, behalve in Brussel. Maar over die stad, de enige echte metropool in onze contreien, weten steeds meer Vlamingen steeds minder. Wat de reikwijdte van het bestuur betreft, richt de Vlaamse Gemeenschap zich in Brussel op een imaginair publiek van 300.000 mensen. Het werkelijke aantal Vlamingen is uiteraard vele malen kleiner. Socioloog Philippe Van Parijs voorspelde in Brussel Deze Week dat de Vlaming en dus ook het Nederlands zou verdwijnen uit de hoofdstad. In hetzelfde weekblad schreef Steven van Garsse hierover op 20 september: ‘Er zijn proportioneel meer in het Nederlands geregistreerde overlijdens in Brussel dan geboorten. Cru gesteld: de Vlaming in Brussel is een uitstervende soort, al gaat dat proces heel langzaam.’ Het is een realiteit die aansluit bij de diepe onderstroom van Vlaamse angsten en zwarte gedachten. We worden verjaagd uit onze eigen straat door mensen die alles behalve schorseneren met witte saus eten, ons werk afpakken, een andere taal spreken en veel kinderen maken. Dit doemdenken heeft, samen met het onveiligheidsgevoel, het maatschappelijke klimaat in Vlaanderen de afgelopen twintig jaar verziekt. En Brussel lijkt reddeloos verloren. Stefaan Huysentruyt in De Tijd van 4 november: ‘Brussel kan de Vlaamse publieke opinie zo langzamerhand gestolen worden.’ In zo’n wereldbeeld begint het buitenland een steenworp voorbij Vilvoorde.

Sinds 1947 heeft de overheid in Brussel geen talentelling meer georganiseerd – gelukkig. De openbare en bestuurlijke ruimte is er grondwettelijk tweetalig. Elke poging om die toestand af te stemmen op het werkelijke taalgebruik blijft, zolang België bestaat, politieke zelfmoord. Veel erger dan de sektarische steekspelen zijn de oneindig grote maatschappelijke problemen in de hoofdstad: armoede, werkloosheid, huisvestingsdrama’s, een knarsend overheidsapparaat, een verouderende autochtone bevolking, een toename van achtergestelde allochtone Belgen. Begin er maar aan. Abdiceren is een dus een aanlokkelijke, zij het weinig realistische optie. Onder meer de ondertekenaars van het Manifest voor een Zelfstandig Vlaanderen in Europa willen Brussel onderbrengen in een sale-and-leasebackoperatie. Vlaanderen zelfstandig, Brussel weg en na ons de zondvloed. De openbare ruimte wordt botweg gesaneerd. De gevreesde Brusselitis is een uitvergroting van problemen die ook in andere Belgische steden spelen, Antwerpen op kop. Onze maatschappelijke en economische voorspoed zal in toenemende mate afhangen van de mate waarin we de effecten van migratie een positieve wending kunnen geven.

Het debat over de openbare ruimte is een dovemansgesprek tussen de profeten van de verloedering (‘we durven niet meer op straat komen’) en de samenlevingspositivo’s (‘laat ons een straatfeest organiseren’). Twintig jaar angst voor extreemrechts heeft Vlaanderen en België bepaald niet meteen weerbaarder gemaakt. Al te vaak staren we als konijnen – om de beeldspraak van De Morgen-journalist Filip Rogiers te gebruiken – in de lichtbak van het Vlaams Belang. Moeten we sociale segregatie aanvaarden? Moeten we vrijheden opgeven in ruil voor een sterkere controle? Moeten we van vrijheid een individueel recht maken dat, net als godsdienst, liefst achter gesloten deuren wordt geconsacreerd? Naarmate het sociale weefsel desintegreert en het individualisme toeneemt, lijken we een groter belang te hechten aan een zuivere, hypergecontroleerde en probleemloze openbare ruimte. Het werkelijk schokkende nieuws is echter dat er nog steeds sociale cohesie bestaat. Alleen is ze niet meer uitsluitend gebaseerd op de klassieke familiebanden. Antropologe Ruth Soenen schreef hierover een zo goed als revolutionair boek: Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad. Hierin beantwoordt ze de vraag waGt ‘de gemeenschap’ vandaag kan betekenen. Een bijzonder groot deel van onze relaties is efemeer en speelt zich af in de openbare ruimte. Vluchtige ontmoetingen nemen de rol over van bloedbanden en clangevoel. Soenen breekt een lans voor de vele tijdelijke gemeenschapsvormen die we meemaken. Ze plaatst die tegenover meer traditionele gemeenschapsvormen die erop gericht zijn om een collectieve identiteit te creëren. Het oude gemeenschapsideaal veronderstelt echter een homogene groepsvorming, die te vaak mensen uitsluit, of reduceert tot hun maatschappelijke of etnische identiteit. Diversiteit volstaat niet om dit te doen werken.

Het kleine ontmoeten is een opvallend concreet boek. Wetenschappelijk onderzoek vormt haast een aanleiding om een brede kijk op de wereld te krijgen. Ruth Soenen, medewerker van het aan de KULeuven verbonden Onderzoekscentrum voor Interculturalisme, Migratie en Minderheden (IMMRC), pleit voor een ‘ambivalente samenleving’. Ze bedoelt hiermee dat we pas goed kunnen samenleven als we bereid zijn om tegenstellingen en diversiteit te aanvaarden. En dit op alle niveaus. Het meest frappante voorbeeld van die visie geeft Soenen in het hoofdstuk over het café van de vestiging van de Hema op het Antwerpse Kiel. Als je de samenleving wil begrijpen, volstaat het niet om in socio-economische of etnografische doelgroepen te denken. Je moet kijken naar de samenstelling van het publiek dat het café van de Hema bezoekt. Wie zijn ze, wat zeggen ze, hoe gedragen ze zich tegenover elkaar? De kleine, want onvoorziene ontmoetingen in het café van de Hema bieden een uniek inzicht in het stedelijke relatienetwerk. Het gevaar van het denken in socio-economische doelgroepen is dat mensen worden opgesloten in die doelgroep, dat hun fijnmazige relatienetwerk en hun gelaagde identiteit niet meer aan bod komen.

De kritiek die Soenen uit is gegrond en allerminst ongenuanceerd. ‘Een gemeenschap kun je niet alleen met intimi vormen,’ zegt Ruth Soenen. ‘Je moet ambivalentie toelaten in de gemeenschapsvorming: hou rekening met tegenstellingen, andersdenkenden, onbekenden. Pas als je dit toelaat, kun je een efficiënt doelgroepenbeleid voeren.’ Alles begint bij het besef van diversiteit. Daarom noemt Soenen het café van de Hema een ‘spiegel van de samenleving’. Ook de Antwerpse Tram 12 krijgt een belangrijke plek in Soenens onderzoek. Ze beschrijft de tram als een rijdende proeftuin, gevuld met mensen van zeer diverse pluimage. Die tram maakt een ronde door de hele stad, door goede en slechte wijken, en is dus een perfecte metafoor voor de hedendaagse stedelijke samenleving. Veel meer dan een verzameling sociale tegenstellingen, doelgroepen en afgescheiden buurten vormt de stad voor Ruth Soenen een netwerk. En waar kun je dat netwerk beter observeren dan op een tram waar je onbekende en vertrouwde mensen ontmoet.

Als sociaal experiment is de tram een vrij confronterende ervaring, zeker in Het kleine ontmoeten. Dat weten we sinds Gerard van Westerloo begin jaren tachtig in Vrij Nederland enkele vernietigende reportages publiceerde over de Amsterdamse tramlijn 16. De door Van Westerloo geportretteerde trambestuurders stonden in de vuurlinie van een intens veranderende wereld. Omdat de politiek hun klachten negeerde, noemden ze hen schamper ‘de socialen’ – want dat waren die politici hoegenaamd niet, ze bleven blind voor de werkelijkheid. Ruth Soenen zet een stap verder. Ze gebruikt de tram als laboratorium. Het basiswerk dat Soenen verricht, berust op participerende observatie. Ze kijkt naar de tramreizigers alsof ze een onbekende stam in de Amazone gadeslaat. Als je leest hoe we op de tram met elkaar omgaan en welke gedragsvariaties we vertonen, kun je je niet anders dan betrapt voelen. Het resultaat van de onderzoeksmethode van Soenen is sterk journalistiek of zelfs literair getint, wat Het kleine ontmoeten even bevattelijk als meeslepend maakt. De Franse schrijver Georges Perec heeft ooit een vergelijkbaar project uitgewerkt. In zijn schitterende roman Het leven. Een gebruiksaanwijzing beschrijft hij de samenleving aan de hand van de inwoners van een Parijs appartementsgebouw.

Mensen zijn niet noodzakelijk geïnteresseerd in hooggestemde politieke projecten, stelt Ruth Soenen. Ze zien daarentegen wel allemaal wat er gebeurt op een tram. De relaties daar zijn concreet en tastbaar. Je moet dus als overheid een slimme ‘trampolitiek’ volgen. Mensen zijn er niet noodzakelijk aan gewend om samen in een kleine ruimte te staan of te zitten. Ouderen hebben andere verwachtingen bij een tramrit dan jongeren. Die botsing van culturen leid tot ruzies over luidruchtig of onbeleefd gedrag, bevestigt de polarisatie en de vooroordelen. In haar boek doet Soenen, op basis van haar onderzoek, zeer concrete voorstellen. Om veiligheid te verbeteren is een controleur bijvoorbeeld geschikter dan een lijnspotter. De controleur heeft een duidelijke functie. Het interieur van de tram, de tramhaltes en de metrostations moeten erop gericht zijn om problemen te vermijden. Vaak gaat het om kleine ingrepen die een enorme impact kunnen hebben op het welbevinden van de reiziger. Na de gewelddadige dood van NMBS-machinist Guido Demoor op bus 23 is Soenen gevraagd om mee te schrijven aan het nieuwe veiligheidsplan van De Lijn.

Ruth Soenen wil wetenschap bedrijven die in de sociale realiteit is geworteld. Dit engagement heeft als voordeel dat ze kritisch staat tegenover ideologieën. Gemeenschapsdenken versus individualisme bijvoorbeeld. Net daarom kun je Het kleine ontmoeten ook lezen als een oefening in gezond verstand. Haar vurige pleidooi voor ambivalentie kan nuttig zijn voor zeer uiteenlopende sectoren. Zo zal Ruth Soenen zich de komende jaren bezighouden met de publieke ruimte en hoopt ze als antropologe samen te werken met architecten. Een multidisciplinaire aanpak gaat niet zelden gebukt onder de ondraaglijke lichtheid van het bestaan, maar in dit geval is het tegendeel waar. Hoe onderbouwd Het kleine ontmoeten ook is, de kracht van het verhaal berust op een uiterst eenvoudige en gedegen methode: blijf kritisch denken. Om uitspraken te doen over de samenleving vindt Ruth Soenen het nodig om die samenleving goed te observeren. De klassieke socio-economische tegenstellingen volstaan niet meer om greep te krijgen op de snel veranderende samenleving. Je moet netwerken in kaart brengen.

De netwerken die Soenen onderzoekt, bevinden zich in de stad. Vlaanderen is steeds meer een breed uitgemeten geheel van steden en voorsteden. Afhankelijk van de manier waarop je die stedelijkheid meet, kun je maximaal 80% van Vlaanderen als stedelijk gebied beschouwen. Die ontwikkeling wordt uitgebreid behandeld in De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden (2003), het witboek van het Project Stedenbeleid van de Vlaamse Gemeenschap. Ook in het witboek luidt een van de vaststellingen dat je geen klassieke verklaringen meer kunt toepassen op de Vlaamse stedelijke werkelijkheid.

Als Vlaanderen een immer uitdijende stedelijke olievlek is, dan beïnvloedt dit ook de manier waarop we samenleven: veranderende gezinsstructuren, globalisering, migratie, vergrijzing. De verstedelijking versnelt die ontwikkelingen nog. De afgelopen jaren heeft de stad dan ook een hoofdrol gespeeld in het Vlaamse politieke en maatschappelijke leven. Onveiligheid is een bij uitstek stedelijk fenomeen. Je hebt een duidelijk en hedendaags stedenbeleid nodig om zowel de werkelijke als de gepercipieerde onveiligheid aan te pakken. Nadenken over de stad is dus pure noodzaak. Het kleine ontmoeten biedt een verfrissend nieuwe kijk om de stedelijke samenleving. En bovendien heeft Soenen een realistische, prikkelende en positieve boodschap. De wereld is veranderd en net de stedelijkheid kan helpen om ons aan te passen.

Nee, onze beschaving gaat niet ten onder. Het is bovendien maar zeer de vraag of het maatschappelijke debat uitsluitend moet gaan over de teloorgang van de publieke ruimte of de erosie van het sociale weefsel. De stelling die Soenen bewijst, is dat het afbrokkelen van de traditie allerminst betekent dat stadbewoners niet meer sociaal zouden zijn. Het kleine ontmoeten speelt een belangrijke rol. Ook de commercialisering van de stad (winkelstraten en –centra) biedt nieuwe mogelijkheden om mensen te ontmoeten. Het is fout om de stad uitsluitend te bekijken als een geheel van socio-economische groepen en ongelijkheden, waarbij mensen vooral worden bepaald door de groep(en) waartoe ze behoren. We moeten ook oog hebben voor het efemere, het voorbijgaande, schrijft Ruth Soenen. We moeten te weten komen hoe ons sociale leven in de publieke ruimte echt verloopt. Mensen gaan in de ambivalente stedelijke samenleving op een andere manier relaties aan. En die zijn niet slechter of beter dan vroeger. Ze zijn anders. Daarom hebben we steden op mensenmaat nodig.

Harold Polis

Ruth Soenen, Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad, Garant, 2006.
De reportage van Gerard van Westerloo is opgenomen in Niet spreken met de bestuurder, Bezige Bij, 2004.
Het witboek De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden kun je volledig downloaden.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van december 2006.)

Bezoek België voor het te laat is (deel 1)




(Woensdag 13 december 2006. Nietsvermoedende cafégangers praten rustig verder terwijl op het scherm achter hen Bye-bye Belgium in volle gang is.)

De vermeende ondergang van de Belgische natie is het grote politieke thema van de afgelopen jaren. Vooral na de federale verkiezingen van 2003 heeft de georganiseerde zelfkwelling aan belang gewonnen. De Belgische natie volgt een federale logica en werkt bij consensus, zodat de echte nationale wapenspreuk niet ‘eendracht maakt macht’ is, maar wel het ‘pantha rei’ van Herakleitos. De permanente onderhandeling wordt echter door een deel van de politiek afgewezen: Franstaligen ‘weigeren’ over de staatshervorming te praten en Nederlandstaligen ‘weigeren’ met Franstaligen te praten. De grote aandacht voor die olijke boksmatch verdoezelt enkele minder gekende feiten. De verkozenen des volks slagen er bijvoorbeeld niet meer in het gesprek met anderstalige collega’s aan te gaan. Naast alle hooggestemde verklaringen voor die verwijdering, rest de ontnuchterende vaststelling dat het land wordt bestuurd door de zwakste generatie naoorlogse politici.

De middelpuntvliedende krachten zijn in het Belgische model altijd sterk geweest, sterker dan in Europese natiestaten waar patriottisme wel een rol van betekenis speelt of waar communautaire tegenstellingen worden gedragen door meer dan twee opponenten. Het Belgische dispuut is sinds kort uitgebreid met twee ingrijpende attributen: domheid en lafheid. Hoewel het aantal mandaten stevig is toegenomen, rammelt het politieke systeem en is er nauwelijks nog een publieke arena die naam waardig. Na de Sint-Michielshervorming van 1993 werd duidelijk dat de federale logica niet alleen de instellingen, maar ook de omgangsvormen radicaal zou veranderen. In plaats van zich aan te passen, hebben politiek en media zich op een halve generatie tijd volledig teruggetrokken op het eigen erf. We hebben van de domheid een deugd gemaakt.

Het onvermogen om een hedendaagse visie op Vlaanderen en België te ontwikkelen heeft ertoe geleid dat we de opzichtige verkwisting van domheid heel wat vinden. Al doet iedereen of er niets verkwist wordt. Integendeel, nergens ter wereld is er zo’n hoge concentratie progressieven gemeten. Wat de fotosynthese betekent voor het leven op aarde, betekent de verandering voor de Belgische politiek: een voorwaarde. Onder het mom van verandering glijden delen van Wallonië weg in een moeras. Als politieke beweging heeft de PS zich in palliatieve zorgen bekwaamd en de halve Waalse bevolking mee in het ziekbed getrokken. Onder het mom van verandering kijken Vlaamse politici voortdurend over hun rechterschouder en bestuderen ze het verzameld werk van Filip Dewinter. Het lijk van de Vlaamse Beweging wordt aanbeden om gelijk welke idiotie te verantwoorden. Als Maagdenburgse halve bollen zitten de veranderingsdriftige deelstaten Vlaanderen en Wallonië aan elkaar vastgeklonken. Twee achtspannen van paarden mogen nog zo hard trekken, die twee helften krijgen ze nooit uit elkaar. Mateloze hervormingen als kenmerk van immobilisme. Van die Europese cursus vormen België en haar deelstaten de beste leerlingen.

De Vlaamse samenleving heeft amper het feit verteerd dat er ‘vreemdelingen’ op Vlaamse gewijde grond wonen – Franstalige Vlamingen bestaan uiteraard officieel niet – of daar duikt alweer een nieuwe zondebok op: de Walen. In het onvolprezen L’image du Flamand en Wallonie. Essai d’analyse sociale et politique (1830-1914) beschrijft historicus Yves Quairiaux hoe de Vlaming een eeuw geleden in het collectieve geheugen van de Waalse publieke opinie het etiket van een onbetrouwbare, vuile, ongemanierde en laffe stakingsbreker kreeg. De Waalse delfstoffenindustrie floreerde toen volop en genereerde de welvaart die van België een economische grootmacht maakte. Honderd jaar later zijn de rollen omgekeerd. Uitblinkers als GlaxoSmithKline in Genval, Hamon in Mont-St-Guibert of IBA in Louvain-la-Neuve kunnen weinig veranderen aan het slechte imago dat Wallonië en de Walen in Vlaanderen hebben. De Waal is achtereenvolgens ‘gréviculteur’, lui, profiteur en ‘pistonné’. De irrationaliteit en de etnische vooroordelen die hieraan ten grondslag liggen, kunnen nooit de basis vormen van een rechtvaardige democratie, laat staan dat ze een gesprek mogelijk maken.

De logica van de Belgische staatshervorming heeft ertoe geleid dat gemeenschappelijke belangen worden behandeld in het zogenaamde gesprek ‘van gemeenschap tot gemeenschap’. Een van de mogelijke onderwerpen van dat gesprek is de staatshervorming zelf, een proces dat in de loop van 2007 een nieuwe wending zal krijgen. Tal van bronnen bevestigen echter wat velen allang in stilte vreesden: de hoofdrolspelers die straks de onderhandelingen moeten voeren, kennen elkaar niet. Filip Rogiers tracht in het overzichtsartikel ‘Babel aan de Noordzee’ (in De Morgen van 30 december 2006) de praktische oorzaken te achterhalen van dit schisma. De politieke families trekken niet meer samen op. De politici van de twee taalrollen praten onderling nauwelijks met elkaar. Er wordt gecommuniceerd met behulp van ultimata en publieke beledigingen.

Gelukkig wordt er nog wel gezwansd. Op woensdagavond 13 december 2006 werd het programma Questions à la une van de RTBF onderbroken voor een ‘zonet binnengelopen bericht’: het Vlaamse parlement had eenzijdig de onafhankelijkheid van Vlaanderen uitgeroepen. Na deze revolutionaire boodschap volgde er een uitgebreide fake reportage die de kijkers van de RTBF in vertwijfeling achterliet. Het was een van de meest historische momenten uit de Belgische televisiegeschiedenis, alleen te vergelijken met grote emotioneel geladen live-uitzendingen, zoals de begrafenis van Koning Boudewijn, de barragewedstrijd Nederland-België in 1986 of de witte mars. De reacties lieten niet op zich wachten. Regisseur Philippe Dutilleul en de RTBF werden bijna unisono verketterd, zowel in Vlaanderen, Brussel als Wallonië.

Philippe Dutilleul is een van de belangrijkste Belgische reportagemakers van de afgelopen jaren. Hij verdiende zijn strepen bij het ongeëvenaarde programma Striptease dat van 1985 tot 2002 onder meer op de RTBF liep en bedacht ook de opvolger ervan: Tout ça (ne nous rendra pas le Congo). Striptease bracht reportages over het dagelijkse leven, zonder franjes of opdringerige regie-ingrepen. Die ‘cinéma du réel’ heeft een onuitwisbare stempel gedrukt op de Belgische film (de gebroeders Dardenne en gelijkgestemde regisseurs) en op het betere tv-reportagewerk in Vlaanderen en Wallonië. Dutilleul is dus allesbehalve de onnozelaar die sommige Vlaamse journalisten en politici van hem hebben willen maken. Alleen heeft hij, door de nieuwsverslaggeving tijdens primetime te kapen, feit door fictie vervangen. Zijn journalistieke fout heeft wellicht vooral te maken met de objectiviteit die aan het uitzenduur kleeft. De avond na de uitzending van Dutilleuls Bye-bye Belgium opende het Eén-programma Man bijt hond om 17,45 uur met een reportage over een groep Franstalige extremisten. Er werd getoond hoe een terrorist naar de vermeende villa van Yves Leterme reed om die op te blazen. Een andere acteur stond voor de deur van het Vlaams parlement met een vrij authentiek ogende bomgordel onder zijn regenjas. De suggestie van die, door het productiehuis Woestijnvis gemaakte, hoax was veel ernstiger dan de letterlijk misplaatste satire van Dutilleul. Toch kraaide er geen haan naar.

Ook in het gelijknamige boek, Opération BBB, beoefent Dutilleul zijn geliefde ‘cinéma du réel’, zij het dat het resultaat nogal scherp de zwakte van de tv-uitzending aan het licht brengt. In het ruim zeshonderd pagina’s dikke boek reist Dutilleul zijn onderwerp achterna, langs opiniemakers, politici en andere bekende Vlamingen, Brusselaars en Walen. Dutilleul geeft in het boek ruim baan aan een niet-representatief staal van Vlaamse cultuurpessimisten als Matthias Storme, Boudewijn Bouckaert of Marc Platel. Ook zoekt hij voortdurend naar de bevestiging van een stelling die op vooringenomenheid en domheid berust. Niet alle Vlamingen willen het einde van België. Bovendien stammen niet alle Vlamingen af van vaders die als lid van de Zwarte Brigade Limburgse dorpen hebben gebrandschat. Om nog maar te zwijgen van de compleet ridicule veronderstelling dat afstammelingen van leden van de Zwarte Brigade mee de schuld van hun voorouders zouden moeten dragen. Het feit dat er meer Walen dan Vlamingen aan het Oostfront zijn gesneuveld is blijkbaar nog steeds een taboe.

Dutilleul zou een half punt hebben gehad als hij met de bewijzen op tafel had aangetoond dat sommige Vlaamsnationalisten blijven koketteren met het debacle van de Tweede Wereldoorlog. In 2004 nog werd tijdens de rechtsradicale IJzerwake in Steenstrate de honderdtwintigste verjaardag van VNV-leider en antisemiet Staf De Clercq gevierd. De regie dat stichtelijke gebeuren was in handen van Luc Lemmens, een Antwerps N-VA-gemeenteraadslid. Tijdens die viering werd de veroordeling van het Vlaams Blok door het Hof van Beroep te Gent gelijkgeschakeld met de repressie na de Tweede Wereldoorlog. Ook nu er steeds minder getuigen van de Tweede Wereldoorlog resten, blijft zo’n met revanchisme opgesmukt eerbetoon aan Staf De Clercq een daad waarmee je jezelf volledig buitenspel zet. Maar moeten ‘de Vlamingen’ boeten voor het psychopathologische revisionisme van een groupuscule onnozelaars? Dutilleul gaat dus net als de door hem geviseerde foute Vlaming ten onder aan de hedendaagse Belgische ziekte: het elkaar bestoken met clichés. Zijn boek is dus niet meer dan een document en vooral interessant voor wie niet weet wat de Franstaligen denken en wie Vincent de Coorebyter of Luc Beyer de Rijcke zijn.

Als mensen elkaar zo slecht begrijpen, kunnen het alleen Belgen zijn. Aan slecht karakter ontbreekt het hen ook niet, want Dutilleuls Bye-bye Belgium was voor minister-president Yves Leterme een welkome aanleiding om de Franstaligen, en dan vooral de krant Le Soir, te beschuldigen van stemmingmakerij. De Franstalige PS zou een negatief klimaat creëren zodat de Vlaamse eisen bij de staatshervorming gestigmatiseerd worden als separatistisch. PS-boegbeeld Laurette Onkelinx noemde Leterme in april 2006 immers ‘un homme dangereux’, een belediging die de onzekere Leterme niet heeft verteerd. Samenwerken valt de Belgische politici dus zwaar. Die politieke kortsluiting is geen uitzondering in Europa.

De naakte eenvoud van de Belgische grondwet staat symbool voor de problemen van de moderne natiestaat. Het eerste artikel van de gecoördineerde grondwet van 17 februari 1994 luidt: ‘België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.’ Die ene zin bevat de complete geschiedenis van het land. Het is ook een zeer boude uitspraak, vooral omdat iedereen het federalisme anders invult. De flou artistique die hiermee gepaard gaat, zal altijd de instellingen verzwakken en een bron van inspiratie vormen voor politici die het civisme aan hun laars lappen. In de buurlanden is de staat er echter niet minder slecht aan toe, vooral in Nederland en Frankrijk.

Sinds de late jaren negentig leidt de Nederlandse politiek aan een levensbedreigende metafysische sclerose. Mede door dit ziektebeeld heeft de Nederlandse samenleving zeer lang kunnen spelen alsof er geen vuiltje aan de lucht was – Nederland, zo kreette Vrij Nederland, was af. Na Fortuyn en de politieke moorden is Nederland wanhopig naar zichzelf op zoek en is de politieke instabiliteit nog lang niet opgelost. De afgelopen maanden leek het Haagse Binnenhof meer op een exercitieterrein voor wereldvreemde regenten. Intussen mort dat volk. ‘Misschien’, zo schreef H.J. Schoo in de Volkskrant van 30 december 2006, ‘moet die Opstand der Burgers wel eerst nog heviger gaan woeden, wil de les ten volle doordingen. Machthebbers en hun paladijnen die van hun ongeduld met de kiezer getuigen, wijzen daar in elk geval op.’

Frankrijk glijdt dan weer af in somberte en onpeilbare apathie. Niet voor niets noteren er nergens op Europese beurzen meer rust- en verzorgingstehuizen dan op de Parijse CAC40. L’exception Française is vooral een excuus om reactionair gedrag te verkopen als een progressief programma. Het drama van de Franse politiek is dat zowat elke belangrijke Franse politicus van de afgelopen jaren verduiveld goed weet het Frankrijk aan schort. De voorlaatste in de rij is de door acute hoogmoed neergestorte Dominique de Villepin. In zijn Le cri de la Gargouille (2002) beschrijft hij zeer exact waar Frankrijk schrik voor heeft: actie. De analyse Nicolas Sarkozy maakt in Témoignage (2006) verschilt niet fundamenteel van die van zijn aartsvijand. Het Franse socio-economische immobilisme vernietigt welvaart en kapitaal, en institutionaliseert segregatie en ongelijkheid. Het pijnlijkste bewijs hiervan is het onvermogen van de Franse politiek om de vermaledijde vijfendertigurenweek te schrappen. Bovendien heeft de Franse staat altijd geleden onder te veel centralisme en te veel Parijs.

De kloof tussen burgers en politiek – een kloof die in het België van de jaren tachtig is uitgevonden – heeft in Frankrijk en Nederland de vorm van een ravijn aangenomen. De Belgische politiek heeft de fameuze kloof zo ontzettend intens gethematiseerd dat heel wat Vlaamse politici en Michel Daerden zich van de weeromstuit hebben omgeschoold tot labiele idioten in de hoop ‘het volk’ niet van zich te vervreemden. Het dieptepunt van die evolutie is ongetwijfeld de komst van de familie in de Belgische politiek. Niet eerder hebben politici hun partners en kinderen zo massaal ingezet op radio, tv en verkiezingsdrukwerk. Niet eerder hebben zovele politici hun carrière en hun emolumenten te danken partners en familieleden. Als je de ogen sluit lijkt de Franse revolutie een verzinsel en leven we nog steeds in de feodaliteit die bij Karel de Grote is begonnen.

Is het een voordeel dat politici zeldzaam dicht bij hun kiezers staan? Is nabijheid de belangrijkste factor van een westerse democratie? Bij gebrek aan Europees forum is het haast onmogelijk om deze toestand uit te klaren – wij allen zijn Europeanen bij benadering, een schimmige dubbele nationaliteit, een siertotem die uitsluitend op de Grote Momenten wordt gebruikt. In België, waar er in beide gemeenschappen een politiek van nabijheid wordt gevoerd, staan de gemeenschappen zelf met de rug naar elkaar. Dat is, zelfs los van de communautaire carrousel, een bedenkelijke situatie. Het gesprek tussen Vlamingen en Franstaligen moet hoe dan ook plaatsvinden, omdat zelfs zonder de Belgische federatie er zeer vele gedeelde verantwoordelijkheden zijn.

Harold Polis


Yves Quairiaux, L’image du Flamand en Wallonie. Essai d’analyse sociale et politique (1830-1914), Editions Labor, 2006.
Dominique de Villepin, Le cri de la Gargouille, Albin Michel, 2002.
Nicolas Sarkozy, Témoignage, Xo, 2006.
Emmanuel Gerard en Karel Van Nieuwenhuyse (red.), Scripta politica. Politieke geschiedenis van België in documenten, Acco, 2005.
Philippe Dutilleul, Opération BBB (Bye Bye Belgium). L’évènement télévisuel, Editions Labor, 2006.
Els Witte & Alain Meynen, De geschiedenis van België na 1945, Standaard Uitgeverij, 2006.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van februari 2007.)

De vergrijzing in België




(Links een portret van de zwartgallige Britse econoom Thomas Malthus, bedenker van onder meer de 'Malthusiaanse catastrofe': de overbevolking regelt zichzelf door een toename van de sterftegevallen.)

Nee, lang niet alle fenomenen van onze postindustriële samenleving zijn beheersbaar. We zijn zo gesteld op het vermijden van risico’s dat onvoorziene omstandigheden tot blinde paniek leiden. In België is bijvoorbeeld sinds enkele maanden de aarde volop aan het opwarmen. Nu iedereen zich de boodschap uit Een ongemakkelijke waarheid van Al Gore heeft ingeprent, lijken zelfs de autoloze zondagen en de fietshappenings van vroeger op verraad. Om het broeikaseffect terug te dringen, worden de inspanningen groter, totaler en heroïscher. We móéten erin geloven.
Een smogalarm komt nooit alleen. Dezelfde onbestemde angst wordt opgewekt door de gevolgen van de vergrijzing, een fenomeen dat alle Europese lidstaten kwelt. Meer nog dan het ongebreidelde energieverbruik zou het kantelen van de demografische driehoek een hoofdstuk kunnen zijn in Barbara Tuchmanns The March of Folly. Een kind had kunnen voorspellen dat de dalende nataliteit tot weinig feestelijke resultaten zou leiden. En plots was het zover. Op 15 maart meldde Luc Coene, voorzitter van de afdeling Financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën, dat het federale België tot 2050 een strak begrotingsbeleid zou moeten voeren. Een halve eeuw lang besparen? Die bindende voorspelling heeft uiteraard politieke betekenis. Tijdens de laatste communautaire rondes hebben de gewesten en gemeenschappen meer extra geld dan bevoegdheden gekregen. Het budget van de federale staat daarentegen is gekrompen, terwijl zij de last van de vergrijzing voor het grootste deel torst. Er moet dus worden onderhandeld over een herverdeling van middelen en bevoegdheden. Net zoals de Chinezen leningen over meerdere generaties afsluiten, gaan wij bepalen hoe zuinig onze kleinkinderen moeten leven. De mondialisering ten top. De turbulentie en noodzakelijke compromissen die gepaard gingen met het Generatiepact hebben alvast duidelijk gemaakt dat de vergrijzing geen detail is dat met een nachtje onderhandelen wordt opgelost. We benaderen de zaak nog steeds veel te rooskleurig en voeren mede daardoor een politiek die het algemeen belang niet dient.
We voelen de zware adem van de geschiedenis in onze nek. De indruk wordt gewekt dat we niet veel tijd meer hebben om ons lot te bepalen. Onze beurt is over. Onze verzorgingsstaat lijkt uit te doven.

Ouderen grijpen de macht

Soms is de toekomst voorspellen makkelijk: ook 2007 wordt beheerst door het debat over de toekomst van onze welvaartsstaat. Een opvallend kenmerk is de vaak onoordeelkundige vermenging van technische feiten en maatschappelijke keuzes. Menigmaal wordt de toekomst van de welvaartstaat voorgesteld als een zuiver instrumentele (en voor sommigen communautaire) aangelegenheid: als we hier wat schrapen en daar wat plamuren, komt alles wel goed. Die schijnbaar objectieve aanpak houdt echter zelden rekening met de maatschappelijke impact van de ingrepen. De vele facetten van het debat komen helder aan de orde in twee boeken die vorig jaar verschenen: Red de welvaartsstaat, samengesteld door vier journalisten van het financieel-economische magazine Trends, en Naar grijsland van econoom Koen de Leus.
Er zijn meer ouderen, de groep hoogbejaarde ouderen neemt toe en door de dalende nataliteit zijn er minder jonge werkkrachten. Daarbij komt de te lage arbeidsparticipatiegraad: jongeren beginnen later te werken, oudere werknemers worden vroeg afgeschreven, te weinig werkende vrouwen, achterstelling van minderheden… De combinatie van vergrijzing en lage arbeidsparticipatie is weinig rooskleurig. In Red de welvaartsstaat wordt meermaals verwezen naar uitspraken van Jan Smets, voorzitter van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Hij stelt dat we vandaag de gevolgen van het dalende arbeidsaanbod schromelijk onderschatten, omdat er nog veel werklozen zijn en er dus een grote arbeidsreserve is. Na 2010, het jaar waarin de kanteling van de demografische driehoek zeer tastbaar wordt, is het uit met de pret.
2010 is uitgegroeid tot het symbooljaar van het Belgische vergrijzingsepos. Onterecht, want 2010 ontleent zijn symboliek aan statistieken die elk jaar veranderen. Dat blijkt ook uit verslagen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing die jaarlijks een ‘geactualiseerde evaluatie van de budgettaire kost van de vergrijzing’ berekent. De wet van de grote getallen is genadeloos, evengoed voor de kost van de vergrijzing en die van de zorg: een procent meer of minder brengt immense verschuivingen teweeg.
Het grote debat over de welvaartsstaat biedt echter één zekerheid: hoe objectief de cijfers ook lijken, uiteindelijk is er altijd een maatschappelijke keuze in het geding. Neem de stijgende kost van de (gezondheids)zorg. Die is grotendeels toe te schrijven aan de technologische vooruitgang. Moet je dan met een beperkt budget a) alle technologie voor iedereen betaalbaar maken, b) sommige technologie uit de sociale zekerheid halen, of c) technologische hoogstandjes voorbehouden aan wie er het meest nood aan heeft? Elke keuze zal ethische en politieke dilemma’s opleveren. Betaalt de patiënt of de samenleving de ingewikkelde hartoperatie van de tachtigplusser? En is die operatie belangrijker dan, bijvoorbeeld, de peperdure fertiliteitsbehandeling van twee dertigers die lang hebben gewacht om aan kinderen te beginnen? In dit opzicht is de mening van Etienne de Callataÿ het noteren waard. Deze hoofdeconoom bij Bank Degroof denkt dat de vergrijzing ook de politiek kan verzwakken. Omdat de stem van de ouderen zwaarder weegt, neemt de druk toe om geen ingrijpende keuzes te maken en de factuur van de vergrijzing door te schuiven naar de volgende generatie.

Meer vrije markt en deregulering

Bejaarden geven liever geld aan de verzorging voor hun hond dan aan een krantenabonnement of nieuwe kleren. Het is een van de vele nutteloze feiten die Koen de Leus aanhaalt om zijn punt te maken: de mens is een consument die zelf zijn toekomst bepaalt. Naar grijsland tracht zo concreet mogelijk te beschrijven wat de economische gevolgen van de vergrijzing kunnen zijn. De alsmaar toenemende kost van de gezondheidszorg is ook voor De Leus de grote boosdoener. Oudere mensen hebben meer medische kosten, maar ze beschikken ook over een groter persoonlijk budget voor gezondheidszorg. Het wordt dus moeilijker om te bepalen waar de medische noodzaak eindigt en de consumptie begint. De Leus pleit ervoor om de heilige huisjes niet te sparen: onze verzorgingsstaat moet grondig worden herdacht.
In zijn analyses toont De Leus durf en eruditie, én een te beperkte visie op welzijn. De maatschappelijke kost van de vergrijzing reikt nu eenmaal verder dan de aankoopprijs van een looprek. Door de mens, meer bepaald de gepensioneerde babyboomer, te reduceren tot een productie-eenheid met een spaarrekening wordt het verhaal van De Leus niet aannemelijker. En dat is onterecht. De grote verdienste van Naar grijsland is dat heel wat angstaanjagende concepten uit het vergrijzingsdebat tot de ware proporties worden teruggebracht. De theorie van de asset meltdown bijvoorbeeld: vandaag draait de economie nog behoorlijk omdat er flink wordt gespaard, maar zodra de vergrijzing echt toeslaat zullen steeds meer bejaarden hun spaargeld opeten, wat uiteindelijk leidt tot een economische ijstijd. Het grijze, verarmende Europa versus de jonge, boomende BRIC-landen. De Leus geeft echter goede argumenten waarom het niet zover hoeft te komen. België staat, net als de rest van Europa, voor een fundamentele keuze: hoe pas je de economie aan dat de welvaart bewaard blijft voor volgende generaties? De remedies die De Leus voorstelt zijn uitgesproken liberaal: meer vrije markt en deregulering. Zijn doelstelling is echter algemeen aanvaard: er moeten meer mensen aan het werk. De Leus pleit vurig voor een vrij verkeer van diensten en dus voor de verketterde Bolkestein-richtlijn. Als zelfs maar een deel van de immense veranderingen die De Leus beschrijft werkelijkheid wordt, dan kun je nu al geld inzetten op het heropenen van de Europese discussie over de dienstensector.
Nogmaals, deugdelijk bestuur is een voorwaarde om de vergrijzing het hoofd te bieden, maar begrijpen we de feiten goed genoeg om ook op de kleintjes te kunnen letten? Het is naïef en zelfs gevaarlijk te denken dat we de klus klaren door louter en alleen een nieuwe fiscaliteit in te voeren die arbeid fundamenteel minder belast. Bestaat er wel een gouden greep? Die vraag houdt de onderzoekers van Covive bezig (het antwoord is overigens negatief). Dit interuniversitaire consortium voert onderzoek naar de socio-economische impact van de vergrijzing in Vlaanderen en Europa. De reader Ouderen in Vlaanderen van 1975 tot 2005 is zonder meer een van de interessantste publicaties van het jaar. Covive slaagt er nog niet in het globale verhaal te vertellen, maar de deelonderzoeken hebben geen nood aan een groot gebaar. De cijfers spreken boekdelen. Uit dertig jaar socio-economische, demografische en beleidsmatige ontwikkelingen halen de onderzoekers drie grote vaststellingen: we moeten heel wat clichés ontkrachten, verkeerde inschattingen bijsturen en werken aan een integrale aanpak van de vergrijzing.

Verkeerde inschattingen

Wetenschappelijk onderzoek is alleen grappig als je onderzoeksresultaten confronteert met waarheden van gisteren. Vooral demografen blinken uit in die oefening. Uit hun tabellen blijkt bijvoorbeeld dat we eind jaren zeventig de verwachte geboortegraad stevig hebben overschat en de ontgroening onderschat. Volgens Johan Surkyn, een demograaf van de VUB, overschatten we de vruchtbaarheid zelfs systematisch. Dit betekent niet dat we optimistisch denken over de bevolkingsevolutie. Het is bon ton te jammeren over het lot van onze welvaartstaat. Door de toename van de levensverwachting en de daling van het aantal geboortes, zouden we welvaart moeten inleveren. Het vruchtbaarheidscijfer in België lag begin jaren zeventig nog rond het vervangingsniveau van 2,1 kind per moeder. Na de babyboom kwam echter de babybust. Ruim dertig jaar later schommelen we rond 1,6 kind per moeder. Het tekort aan kinderen, en dus aan toekomstige werkkrachten, levert het beste bewijs van onze ‘neergang’. Niet waar, zegt Surkyn. Zoals we het aantal geboortes hebben overschat, zo hebben we de positieve gevolgen van migratie onderschat. Migratie is dan wel geen remedie tegen vergrijzing, de instroom van hoofdzakelijk jonge mensen remt al vele jaren de dalende bevolkingstrend af. Bovendien hebben we een gekleurd en te negatief beeld van migratie. Op Vlaams niveau bijvoorbeeld komt ruim een derde van de migranten uit België zelf. Surkyn: ‘Het is dus vanuit menselijk standpunt, maar evenzeer in sociaal-economische zin, aangewezen ervoor te ijveren dat het human capital dat aanwezig is in de migrantenstroom ontwikkeld en gevaloriseerd wordt.’
Nog zo’n punt is onze angst voor sociale desintegratie. Leen Heylen (Universiteit Antwerpen) onderzoekt of en hoe de individualisering het sociale weefsel van ouderen aantast. Verrassend genoeg vindt Heylen weinig redenen tot paniek. Eenzaamheid blijft een maatschappelijk probleem, maar ouderen participeren wel degelijk, zij het anders dan vroeger. Hun contactpatroon bijvoorbeeld is divers, wat niet betekent dat er meer eenzaamheid ontstaat. De individualisering is er ook voor ouderen. Zij stellen eenvoudigweg hun verwachtingen bij. De belangrijkste conclusie uit dit onderzoek is wellicht dat je niet meer kan spreken over ‘de ouderen’. Bejaarden zijn een bijzonder heterogene groep geworden.

Clichés ontkrachten

De manier waarop gezinnen en families zich ontwikkelen, heeft een zware invloed op de ouderenzorg. Benedicte De Koker, Thérèse Jacobs en Edith Lodewijckx (Universiteit Antwerpen) onderzochten die invloed in de periode 1975-2005. We zijn ervan overtuigd dat onze maatschappij gebukt gaat onder een gebrek aan zorg en een overschot aan egoïsme. Het lijkt alsof steeds minder mensen willen zorgen voor zieke of familieleden. De cijfers uit het onderzoek spreken dit tegen. Hoewel de intensiteit van de mantelzorg daalt, zorgen we met meer liefde dan vroeger. Mantelzorg mag een minder vanzelfsprekende bezigheid worden, het gebeurt met een grote motivatie en dus is de zorgbelasting kleiner.
We zorgen niet meer omdat het moet, maar omdat we het graag doen. Ook het feit dat we steeds meer vinden dat respect in familieverband moet worden verdiend, speelt een rol. Kijk maar naar de beruchte onderhoudsplicht. Ruim 53% van de Vlamingen tussen twintig en vierenzestig wijst de huidige wettelijke regeling af. In de leeftijdsgroep tussen vijftig en vierenzestig loopt die afwijzing op tot 60%. De meeste ouderen, vooral die met kinderen, wijzen de gedwongen familiale solidariteit af. Uit de enquête Zorg in Vlaanderen van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie (CBGS) blijkt dan weer een zeer grote bereidheid om zorg te verlenen aan een niet-inwonend familielied. En uiteraard zijn het nog steeds voornamelijk de vrouwen die zorgtaken opnemen. De nieuwe man is nog niet voor morgen.
Dit lijkt enigszins geruststellend, maar in vele (stedelijke) gebieden vergrijst de bevolking zienderogen. Alles wijst erop dat ons zorgsysteem in zijn voegen kraakt. De bevolkingsevolutie heeft een situatie doen ontstaan van acute nood, een wachtlijstcultuur die steeds zwaarder drukt op het budget van de overheid. Of is dit voor een groot deel perceptie? Ignace Leus, directeur Afdeling Zorg van de Christelijke Mutualiteit, waarschuwde in een reactie op het onderzoek van De Koker, Jacobs en Lodewijckx voor zelfgenoegzaamheid, zeker wat de ouderenzorg betreft: ‘We mogen de ogen niet sluiten voor het feit dat de absolute aantallen exploderen. Tot 2010 beleven we een relatief stille periode, maar vanaf dat moment zullen we een explosie meemaken.’ Leus neemt dan zelfs het woord ‘verschrikkelijk’ in de mond. Hij pleit onomwonden voor een Marshallplan voor de opvang van bejaarden.

Is meer ook beter?

Meer levensjaren zijn alleszins niet noodzakelijk betere levensjaren, zo blijkt uit het onderzoek Demografie van de gezondheid in Vlaanderen van Patrick Deboosere (Vrije Universiteit Brussel). ‘Veel meer dan de puur demografische of economische afhankelijksheidsratio’s, zal de toekomst worden bepaald door de gezondheidsafhankelijkheidsratio,’ schrijft hij. Zullen we, met andere woorden, in staat zijn om voldoende zorg te mobiliseren wanneer er steeds meer oude zieke mensen bijkomen? Zelfs na een lange periode waarin onze levensverwachting elk jaar een seizoen won, zitten we niet aan de limiet. De gemiddelde leeftijd kan nog omhoog, maar brengt Deboosere ook tot enkele ontnuchterende vaststellingen. We komen in de problemen als de vergrijzing zou doorgaan zonder dat de geneeskunde zich verder ontwikkelt. Met steeds meer en steeds oudere bejaarden zal de ziekte van Alzheimer bijzonder zwaar wegen op het budget. Het belang van preventie neemt fors toe, maar ook dat van farmaceutische innovatie. Wellicht zal die ontwikkeling ook tot ethische dilemma’s leiden. Moet de maatschappij de verantwoordelijkheid nemen voor al onze gezondheidsrisico’s? Dure research die nog duurdere geneesmiddelen moet opleveren waarmee dure hoogbejaarde zieken nog langer in leven moeten worden gehouden? Het wordt geen eenvoudige discussie.
Hetzelfde geldt voor het ouderenzorgaanbod. Tussen 1975 en 2005 is het in Vlaanderen – zowel in de thuiszorg als in de residentiële zorg – verruimd en gedifferentieerd. De thuiszorg is in Vlaanderen beter uitgebouwd dan in Wallonië en Brussel. Maar Vlaanderen behoort niet meer tot de koplopers in Europa en het ouderenzorgaanbod in Vlaanderen blijft erg gefragmenteerd.
Bea Cantillon, coördinator van Covive, wil de feiten voor zich laten spreken. De realiteit is veel complexer dan schema’s en clichés, en ze is vatbaar voor verandering. Cantillon noemt de toestand niet hopeloos, wel zorgelijk. Onze verzorgingsstaat heeft een achterstand opgelopen in vergelijking met twintig jaar geleden. Het ziet er minder gunstig uit dan we zelf willen geloven. Die vaststelling staat ook in Postremus inter pares, een recent rapport van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (CSB) waarin de socio-economische prestaties van België worden vergeleken met andere Europese landen.
De zeer diverse onderzoeken die Covive voert, vormen de aanzet van een breed verhaal over onze nabije toekomst. Die integrale aanpak is broodnodig, want in de vergrijzing komen haast alle belangrijke maatschappelijke thema’s samen. Bovendien delen we de vergrijzing met onze buurlanden. In de onlangs verschenen Nederlandse essaybundel De vergrijzing leeft schrijft socioloog Kees Schuyt: ‘Vergrijzing is geen ramp. Een ramp komt onverwacht. De vergrijzing zagen we al jaren aankomen. De enige overeenkomst tussen een ramp en de vergrijzing is dat ook bij de vergrijzing overheidsinstanties langs elkaar heen werken. Maar er hoeven eigenlijk helemaal geen dramatische en draconische beslissingen te worden genomen, als we tenminste niet te lang wachten.’
Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Harold Polis

Dolf van den Brink en Frank Heemskerk, De vergrijzing leeft. Kansen en keuzen in een veranderende samenleving, Bert Bakker, Amsterdam, 2006, 19,95 euro. ISBN 90-351-3021-9.
Roeland Byl, e.a., Red de welvaartsstaat. [Met een voorwoord van Mark Eyskens], Roularta Books, Roeselare, 2005, 196 blz. ISBN 90-5466-697-8.
Koen de Leus, Naar grijsland. Uitvaart van onze welvaart. Met een voorwoord van Yves Leterme, Roularta Books, Roeselare, 2006, 328 blz., ISBN 90-5466-913-6.
De jaarverslagen van de Commissie voor de Vergrijzing staan op de website van het Federaal Planbureau: http://www.plan.be. Voor meer informatie over Covive, zie www.covive.be.
Het rapport Postremus inter pares kan je volledig downloaden.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van maart 2007.)

zondag 9 december 2007

Het einde van de verzorgingsstaat (aflevering 1)




(Margareth Thatcher en Ronald Reagan op wandel in Camp David, 16 november 1986.)

Omdat we het wel hebben gehad met boeken, belicht 'Sic' ook minder bekende aspecten van het Vlaamse genie. Deze week: beroemde muren. Niet die van Geraardsbergen, maar de blinde muur aan de Ommeganckstraat te Antwerpen. Het is een literaire, ja zelfs geëngageerde muur. Volgend jaar, tijdens Antwerpen Wereldhoofdstad van het Boek, komen alle Japanners ernaar kijken. Eerst met de bus naar het Rubenshuis en vervolgens met tram 11 naar de blinde muur aan de Ommeganckstraat. Bij mist of regen kan men er rond middernacht de schim van Pol de Mont voorbij zien zweven (hij woonde in nummer 30). Voor een bescheiden fooi hoor je de kelderstem van De Mont - leraar, romantisch dichter, groot didacticus der Vlaamse letteren - vertellen over de eeuwige terugkeer. De Franstalige Antwerpse schrijver Guy Vaes heeft ooit de stad beschreven als een palimpsest. We mogen Guy Vaes echter niet geloven, want hij behoort tot een zeer verdachte, stemgerechtigde, niet-erkende minderheid (de Franstalige Vlamingen). Bovendien is hij een schrijver en zo iemand valt nog minder te vertrouwen, aangezien het kunstenaarsstatuut alleen beeldhouwers en trapezewerkers erkent. Niettemin: de stad als palimpsest (een moeilijk woord voor 'kladpapier dat vijfdubbel wordt gebruikt') toont haar volle pracht en praal aan de Ommeganckstraat. Daar staat in witte golvende letters geschreven: "Verafstoot, dwaze kloodt, jy maakt onze toekomst dood!"

Recht tegenover het bewuste deel blinde muur bevindt zich het hoofdkwartier van enkele ABVV-afdelingen. De slogan is aangebracht op het eind van de jaren tachtig, toen Guy Verhofstadt in de regering-Martens VI voor het eerst een ministerambt bekleedde. 'Verafstoot' verwijst naar Guy Verhofstadt, alias Gwij Verafstoot, een van de personages uit het beste satirische stripalbum van de eighties: Pest in het paleis (1983) van Jan Bosschaert en Guido Van Meir. De hijgerige Streber uit de strip is een getrouwe kopie van Verhofstadts imago uit die dagen. Men mocht hem eenvoudigweg niet.

Een oud Arabisch spreekwoord zegt: 'elke hond blaft voor zijn deur'. Dit klopt helemaal, op de hond na, want aan de andere kant van de muur in de Ommeganckstraat ligt de Zoo van Antwerpen en daar maken vooral de apen lawaai. Leden van het ABVV daarentegen kunnen iets waar apen of honden niet toe in staat zijn: met luide stem tegen sociaal onrecht protesteren. Crisis! Sommigen spreken het uit alsof ze een goudklomp moeten inslikken. Dat het slecht gaat, tot daar aan toe, maar een crisis! Tijdens de jaren tachtig volstonden zelfs de goudmijnen van Kilo-Moto niet om iedere Belg een klomp goud in de mond te gunnen. De crisis nam zulke proporties aan dat ze een precieuze grondstof werd. Eigen crisis eerst. Verhofstadt beet er zijn tanden op stuk.

Het neoliberale wonderkind Verhofstadt was al sinds eind jaren zeventig aan het pleiten voor een scherpere ideologische profilering. De Partij voor Vrijheid en Vooruitgang bekende zich tot het ware geloof. "Niet U, maar de staat leeft boven zijn stand." Er heerste toen een algehele politieke instabiliteit, een ramp in tijden van economische tegenspoed. De staatskas werd zo erbarmelijk beheerd dat we er een blijvend litteken van overhielden, een torenhoge staatsschuld. Begin jaren tachtig bereikte de ellende een climax, met kolossale werkloosheidscijfers tot gevolg. Iedereen eiste de crisis voor zich op. Sociale onrechtvaardigheid had zelfs een aangepast kapsel: de gelakte pothelm van Margaret Thatcher. Naarmate de Britse premier genadelozer besparingen decreteerde, kreeg ze in heel Europa steeds meer enthousiaste navolgers. De mannen en vrouwen van stavast predikten daadkracht, lastenverlaging, privatisering en aangepaste kapsels. Verhofstadts ambitie was zo allesverterend dat hij vergat naar de kapper te gaan. 'Da joenk' wou zelf met de friseerschaar aan de slag. Hij, de beste leerling van de klas, wou de macht van de belangengroepen kortwieken. Eén keer raden wie er in die duistere jaren de uitgelezen schietschijf van de vakbonden was. In 1988 verdween de PVV uit de regering en begon Verhofstadt aan een miraculeuze restyling. Nieuwe generaties gorilla's bevolkten het apenkot van de Zoo. Verfomfaaide ideologieën stierven een stille dood. Intussen bleef onze blinde muur onaangeroerd achter en reed tram 11 talloos vele keren door de Ommeganckstraat. De mythische Verafstoot-lijn toont het sjofele Vlaanderen zoals het was en is: goed in openbare werken, slecht in maatschappelijk onderhoud. Na de Ommeganckstraat knarst tram 11 door de Provinciestraat, de Nevski Prospect waar de hele wereld samenkomt, en de bemiddelde helft van Zurenborg. Daar schreef Herman de Coninck in 1991 een vrolijk niemendalletje over tram 11:

Tingeling, tingeling door de stad. Het openbaar vervoer doet aan beschaving, Aan feestelijkheid, aan wanordehandhaving.

Ach, 1991, het einde van de geschiedenis proefde zoet, al was het maar voor even. Enkele jaren later moesten er opzichters aan te pas komen om de reizigers van tram 11 weer een gevoel van veiligheid te geven. Hetzelfde anders. De Berlijnse muur is dan wel gevallen, die van de in verval geraakte Ommeganckstraat staat nog pal overeind. Zelfs de crisis is er weer. Tingeling, tingeling!

Crisis! Men telt bibberend zijn centen, klaagt het onrecht in de wereld aan en heeft nachtmerries over Crassus, de triumvir die kokend goud door zijn strot kreeg gegoten. In 53 voor Christus waren trouweloze Parthen de boosdoeners. Voor ons zijn de fiscus, de staat of het grootkapitaal schuldig. Of de anderen uiteraard, die kind noch maagschap hebben en van ver komen om onze welvaart te delen. Het vreemde aan de crisis van de jaren tachtig is dat ze zeer velen zeer veel rente van obligaties heeft opgeleverd. Met die rente zijn onder meer veranda's, cd-spelers en reizen naar Spanje betaald. Dat was leuk voor de mensen. Soortgelijke gevoelens kan men helaas ook bij de crisis van de jaren negentig koesteren, bij de crisis van de jaren nul flink wat minder.

Brute pech voor wie na 1970 is geboren. Ze komen wellicht niet meer aan het feest en betalen voor een pensioen dat nooit het hunne zal zijn. Weinig politici hebben de moed om te handelen naar dat inzicht, laat staan dat ze het met zoveel woorden durven te zeggen. Wel zijn er psychotisch positieve bewindslui te over om de Vlaming een gebrek aan ondernemerschap te verwijten. Tingeling, tingeling! Straks, zodra de demografische driehoek perfect gekanteld is, zullen we als honden beginnen te sterven - na de Olympische Spelen uiteraard. Vlaanderen verandert dan in een immense kennel. De voorbereidingen hiertoe zijn vandaag in volle gang. Eén troost: de aangewezen protestslogan is ons nagelaten door een vorige generatie. Gratis en voor niets, in de Ommeganckstraat.

Harold Polis

(Dit artikel verscheen in De Morgen van 5 november 2003.)

Het einde van de verzorgingsstaat (aflevering 2)




(Op de foto links een sfeerbeeld van een betoging van de UDEP (Unie voor mensen zonder papieren) in juli van dit jaar. De betoging trekt hier door de Ommeganckstraat. Links een huizenrij die intussen is gesloopt voor de uitbreiding van de Zoo. De graffiti waarvan sprake in dit artikel staat op een blinde muur dichtbij de Carnotstraat.)

Twee jaar geleden (in 2003, nvdr) waarschuwden wij op deze plaats voor het omen van de Antwerpse Ommeganckstraat. Het bevindt zich iets voorbij de halte van tram 11, komende van de al even fameuze Carnotstraat. Daar staat in witte verf de volgende boodschap geschilderd: "Verafstoot, dwaze kloodt, jy maakt onze toekomst dood!" De kreet is inmiddels ruim twintig jaar oud en heeft in de loop der tijden een klassieke status verworven. Wij hoeven echter niet de diepe kennis van Hermes Trismegistos te bezitten om de verborgen boodschap achter deze woorden te vermoeden. Guy Verhofstadt is schuldig. Hij was schuldig in de jaren tachtig van de vorige eeuw (toen het omen op de muur werd gekalkt). En vandaag is hij nog altijd even schuldig, wellicht zelfs meer. Vade retro, Guy Verhofstadt!

De auteur van het omen van de Ommeganckstraat is niet bekend. Alle vermoedens wijzen in de richting van een dronken vakbondsmilitant van het ABVV. Ongetwijfeld een al te spontane arbeider die de kwast voor de kost hanteerde. Bedienden hebben immers twee linkerhanden en huren voor hun decoratiewerken een niet-gesyndiceerde, Nederlandsonkundige Poolse medemens. Het is ook duidelijk wanneer de arbeider zijn daad heeft gesteld: ergens tussen 1985 en 1988, toen Verhofstadt vice-premier en minister van Begroting was in de regering-Martens VI. De jaren tachtig van de vorige eeuw waren uiteraard een tijd van verlichting. Hugo Claus bekende dat de jeugd meer redenen had om naar de Talking Heads te luisteren dan gedichten te lezen. Miet Smet orakelde dat de fall out van Tsjernobyl niet over ons land zou trekken. En de jonge Verhofstadt kreeg de kans om het regeerakkoord neoliberaal te kleuren.

Er heerste toen een wat lijzige sfeer in dit land. De zware schokgolven van het begin van de jaren tachtig - de indexsprongen, de devaluatie, de haast onbestaande groei - brachten een herstelbeleid op gang dat eeuwig leek te duren. Op het einde van de Koude Oorlog zaten we volstrekt voldaan te wachten tot de geschiedenis als een ballon leeg zou lopen. Baby Thatcher Guy smeet zijn kont tegen de krib. De troon van de op status-quo beluste vakbondsdynastieën moest vallen. Gedaan met de verworven rechten van het profitariaat. Weg met de vetgemeste, door emolumenten en politieke beloftes verslapte staat. Verhofstadt was te gretig. Zijn christen-democratische tegenstanders maakten van hem een karikatuur. Verhofstadt als een moderne Robespierre, een kille beeldenstormer. Over die Robespierre, 'l'incorruptible', had Mirabeau georakeld: "Deze man is gevaarlijk, hij gelooft in alles wat hij zegt." Exit Guy Verhofstadt.

Twintig jaar later voelen we de zware adem van de geschiedenis in onze nek. De indruk wordt gewekt dat we niet veel tijd meer hebben om ons lot te bepalen. Onze beurt is over. Onze verzorgingsstaat dooft uit. Ons enige economische vooruitzicht is een massale toeloop van rijke Chinese toeristen. We zijn het spoor bijster. Net als de rest van Europa zijn ook wij op zoek naar een nieuwe heiland, een witte raaf die Hans Magnus Enzensberger zeer toepasselijk "een held van de terugtocht" heeft genoemd. Enzensberger verwees daarmee uitdrukkelijk naar mensen als Jaruzelski en Gorbatsjov. Twijfelachtige helden misschien, maar tegelijkertijd machthebbers van wie het politieke handelen erop gericht was vermolmde structuren af te breken, uitgewoonde ideologieën te laten sterven en tijdperken af te sluiten. Eenzelfde ambitie die ten grondslag heeft gelegen aan Verhofstadts politiek engagement. Alleen lijkt hij vandaag opnieuw de verkeerde man op het verkeerde moment, vermoeid door jaren aan de top, schaakmat gezet door zijn coalitiepartners, onmachtig door de neergang in zijn eigen partij. Hij is zichzelf aan het overleven.

Een aanzienlijk deel van zijn politieke opponenten is hoegenaamd niet geïnteresseerd in de komst van die "held van de terugtocht". De links-rechtstegenstelling speelt, helaas, geen enkele rol meer in dit nationale debacle. Iedereen heeft boter op zijn hoofd, ook de feestvierende christen-democratie die Trudy de geit al naar de Wetstraat wil sturen. Of Trudy ook een zinnig plan heeft voor onze sociale zekerheid, blijft tot op heden een raadsel. Katholieken noemen zoiets een mysterie.

Intussen stinkt het in de Ommeganckstraat. Straks, wanneer de algemene staking van het ABVV wordt gevierd, zal er misschien een geestelijke erfgenaam van de jaren tachtig ten tweeden male de kwast hanteren en het omen bekrachtigen dat tegenover het bondslokaal op de muur staat. Dit keer zou het een daad van volstrekte onmacht zijn. En net zoals de top van het ABVV zichzelf tijdens het loopbaaneindedebat een brevet van onvermogen heeft toegekend, zal de vervende militant al stakend het bezemhok van de geschiedenis openen. Dat bezemhok staat vol oude borstels die ooit nieuw waren en heel goed hebben gevaagd. Maar nu niet meer. Ook enkele kilometers verder, in de veel minder schilderachtige Nationalestraat, waar de christelijke vakbond huist, heerst de harde wet van stof en spinrag, en verkiest men blind te blijven voor de terugtocht die op gang is gekomen. Vaarwel vakbond. Ik heb, voornamelijk om praktische redenen, tien jaar lang mijn bijdrage aan het ABVV gestort, maar ik wil geen lid meer zijn van een club die, als het er echt op aankomt, de domheid boven de ratio verkiest, de lafheid boven het gezond verstand.

In zijn De oorlog tegen Jugurtha beschrijft Sallustius de crisis van de Romeinse republiek de eerste eeuw voor het begin van onze jaartelling. De gefrustreerde burgers namen het op tegen hun eigen staat. "Het is onterecht", noteert Sallustius, "dat de mens klaagt over zijn natuur; die zou zwak en kortstondig zijn en meer bepaald worden door toeval dan door eigen kwaliteiten. Want men kan zich niets groters of schitterenders indenken. Het ontbreekt de menselijke natuur meer aan eigen inzet dan aan kracht of tijd." Uiteraard was Sallustius een oude zeur met een onwaarschijnlijk zwartgallige kijk op de mens (en bovendien leed hij zelf aan de tekortkomingen die hij zo verachtte bij zijn medeburgers), maar met enkele honderden jaren voorsprong heeft hij als een van de eerste zo helder onder woorden gebracht hoe hard een samenleving in verwarring geraakt wanneer er geen "held van de terugtocht" voorradig is. "Verafstoot, dwaze kloodt, jy maakt onze toekomst dood!" Het had op een blinde muur nabij het forum romanum kunnen staan, toen de witte toga's er nog voortschreden.

Vaarwel Ommeganckstraat. Het omen is uitgewerkt. De kreet op de blinde muur van de zoo is definitief geschiedenis geworden. Een topstuk van ons politiek erfgoed. De afbraak wenkt.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen in De Morgen van 5 oktober 2005.)

woensdag 5 december 2007

'Que dieu ne m'abandonne jamais!' (Over Blaise Pascal)




(De illustratie links toont de Pascaline calculator uit 1642.)

God voor beginners is een cursus zonder groepssessies. Je sluit je op, gooit de sleutel uit het raam en wacht geduldig op de vlammende tongen. Wellicht de bekendste beoefenaar van die methode is Blaise Pascal, het zeventiende-eeuwse schizofrene genie dat de katholieke kerk op haar grondvesten deed daveren. Tijdens de nacht van 23 november 1654 beleeft Pascal het inzicht dat zijn leven definitief in het teken van God zal stellen. Pascal zit op dat moment al enkele dagen verschanst in zijn Parijse appartement. Gekweld door maagpijn eet en drinkt hij nauwelijks, hij weigert alle bezoek en glijdt weg in een staat van opperste concentratie. Hoe uiteenlopend Pascals biografen die gebeurtenis ook beschrijven, de mystieke dimensie ervan staat buiten kijf. Pascal herbeleeft de beproeving van Christus in de Hof van Olijven en bepaalt zijn snijpunt tussen leven en dood. Met enkele nerveuze pennentrekken noteert Pascal de omvang en reikwijdte van zijn goddelijke inzicht. Dat vel papier noemt hij zijn 'Mémorial'. Hij laat het in de voering van zijn jas naaien, die hij tot aan zijn dood zal dragen. Pedagogisch verantwoord kun je Pascals gedrag niet echt noemen. 'Papa, papa! Die meneer doet Jezus na!' Je wordt vandaag voor minder doorverwezen naar de psychiatrie. Nochtans stuiten we hier op de kern van wat hedendaagse inquisiteurs het normenenwaardendebat noemen: de gevreesde culturele eigenheid van de westerse beschaving. Afzien zit ons in het bloed. Wij houden ervan te lijden (of doen graag alsof) en denken daarmee iets te bereiken. Die houding is deels cultureel bepaald. Jezus stierf voor onze zonden, maar herrees uit de doden. De hele christelijke iconografie varieert op zonde, boete, pijn en verlossing. Alle katholieken zijn coureurs in het diepst van hun gedachten.

Sinds vele jaren leven we opnieuw in een missiegebied. Het geloof is verdampt, wat onder meer verklaart waarom we nooit meer de Tour de France zullen winnen. Op enkele restkatholieken na begrijpt niemand nog de diepere zin van het religieus getinte lijden. De christelijke mystiek die Pascal bedrijft, lijkt afkomstig van een andere planeet. Wie zich van die vervreemding een beeld wil vormen, is aangewezen op onderzoek, zoals de Encyclopedie van de mystiek (2003). In dat schitterende naslagwerk wordt op een zo nuchter mogelijke manier beschreven hoe mystici dachten en waarom. Om het mysterie van het leven beter te begrijpen, hielden de meeste mystici zich obsessief met dood en aftakeling bezig. Zo was ook Blaise Pascal, een morbide asceet voor wie alles lag bedekt onder een doodskleed. Je kunt het bij Pascal bezwaarlijk over 'laatste woorden' hebben. Zijn hele leven was een voorbereiding op het verblijf in boventijdelijke regionen. Heden ik, morgen gij. Geïnteresseerd? Lees dan Time Management for Catholics (newadvent.catholiccompany.com).

Lijden is een katholieke sport, met knechten, kopmannen, caféploegen en een elite. De pijncultus die Pascal bedreef, was uitgesproken elitair. God was voor Pascal namelijk een even grote abstractie als de wiskundige ruimte die hij als wetenschapper trachtte in te delen. Tijdens de 'nuit de feu' van 23 november 1654 hult God zich nadrukkelijk in stilzwijgen. Er klinkt geen hemels klaroengeschal. Er zijn geen wolken die stralend openbreken. Rondom Pascal strekt zich de absolute negorij uit, een nietsheid zonder bevoorradingspunten of oases, zonder helpdesk of handleiding. God speelt verstoppertje met Pascal. In zijn Pensées noteert hij wat God hem toefluistert: "Console-toi, tu ne me chercherais pas si tu ne m'avais trouvé." Die onmetelijk afwezige God is een klassieke paradox in de christelijke mystiek. Om verlossing te bereiken, moet de gelovige kunnen genieten van de goddelijke genade. Maar wat als God alleen de deur opent voor mystieke hoogvliegers die zich van alles en iedereen onthechten? Het antwoord ligt verspreid over de honderden notities waarmee Pascal een apologie voor eigen gebruik opstelde, de befaamde Pensées. Nog steeds behoren de Pensées tot de meest gelezen mystieke geschriften. Hoewel ze niet voor publicatie bedoeld zijn, lijkt het alsof de Pensées uit de pen van een aforistisch genie komen. Ze plaatsen Pascal ongewild op de hoogte van eerder pragmatische ingestelde tijdgenoten als La Bruyère of La Rochefoucauld. Beide bepruikte heren blinken uit in het schrijven van lichtelijk cynische vuistregels. Hun aforismen hebben als doel greep te krijgen op wereldse gebeurtenissen, hoftoestanden en macht, terwijl Pascal eerder het tegendeel verlangt.

Zijn grote aantrekkingskracht dankt Pascal echter aan achttien polemische brieven die bekendheid hebben verworven onder de titel Les Provinciales. Pascal tekende ze als Louis Montalte, een van zijn vele pseudoniemen, en liet ze door zijn medestanders in het geheim drukken. Telkenmale werden duizenden exemplaren van de brieven verkocht in colportage. Op het continent was het wellicht de eerste keer dat journalistiek zo'n nadrukkelijke invloed had op de publieke opinie. Pascal bewijst zich in Les Provinciales als een meesterlijke stilist die - alweer ongewild - bij gratie van zijn literair genie eerder een rationalist lijkt dan een christelijk mysticus. Les Provinciales is een meervoudige frontale aanval op de jezuïeten. Pascal maakt de societate jesu met de grond gelijk, de reden waarom collegestudenten vroeger Les Provinciales verslonden als het nauwkeurige verslag van een geuzenstrijd. Het gemak waarmee Pascal de theologische beginselen van de jezuïeten vernietigt, zou bij een argeloze lezer de onterechte indruk kunnen wekken dat Pascal ook het geloof zelf afvalt. In werkelijkheid tracht de christelijke fundamentalist Pascal te bewijzen dat zijn godsbeeld zuiverder is dan het met wereldse neigingen aangelengde geloof van de jezuïeten.

Die orde maakte in de zeventiende eeuw het mooie weer met een succesvolle marketing van de christelijke geloofsbelijdenis. Het christendom zou de ketterse moderniteit alleen bedwingen als het woord Gods hardnekkig en doelbewust werd verkondigd. Bovendien hielden de jezuïeten er een veel minder strakke interpretatie van de goddelijke genade op na. De apostolische tactiek van de jezuïeten was er eenvoudigweg op gericht wereldse veranderingen in te lijven en onschadelijk te maken. Om in de hemel te geraken, hoefde je dus helemaal niet uit stigmata te bloeden. Iedereen kwam in aanmerking voor verlossing, wat niet iedereen besefte. Warempel, een socialistische of anderzijds verkiezingsfähige gedachte! In de zeventiende eeuw echter was casuïstiek de geijkte term voor zulke drogredeneringen. Elke generatie karottentrekkers verdient haar Blaise Pascal, een dwarse opponent die genadeloos en principieel de kromme argumenten van de tegenpartij uiteenranselt. Met een Pascal erbij blijft de koers interessant.


Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen op 3 maart 2004.)

dinsdag 4 december 2007

Catch 107 quater



Leo Tindemans, Dagboek van de Werkgroep-Eyskens (1973)

In België zit de geschiedenis een spadesteek diep. Geen bouwterrein zonder archeologische vondst. Bij de werken aan het Deurganckdok leggen de graafmachines het ene karveel na het andere bloot. Het zal niemand verbazen als straks blijkt dat Atlantis een deelgemeente van Doel was. Tot onze collectie historische artefacten behoren ook papieren koninkrijken. De grenzen daarvan worden afgedwongen met amendementen en omzendbrieven. We hebben de kanonnen omgesmeed tot paperclips en noemen dit beschaving. Echte oorlog is iets voor woeste bergvolkeren, zoals de Nepalezen. We steunen hen hierin gaarne. We zijn minnaars van het vrije initiatief.

Een van de belangrijkste papieren koningen is zonder meer Leo Tindemans geweest, de man met wie het anders werd. Tindemans speelde een hoofdrol bij de voorbereiding van de eerste fase van de staatshervorming in 1970. Wie een quizavond organiseert en zelf de broodrooster mee naar huis wil nemen, hoeft slechts één vraag te stellen: "Hoeveel paragrafen in de grondwet zijn er door de regering-Eyskens eind 1970 veranderd?" Over die veranderingen zijn boeken geschreven, zoals het Dagboek van de Werkgroep-Eyskens.

Begin jaren zeventig maakte het hyperrealisme in de kunst furore. Mensen en dingen werden tot in het kleinste detail nageschilderd, met grote nadruk op de eigenaardigheden. Dagboek van de Werkgroep-Eyskens is de politieke variant van het hyperrealisme. Ter voorbereiding van de eerste staatshervorming vergaderden achtentwintig politieke tenoren dagenlang in de zaal van de Wetstraat 16, waar elke vrijdag de ministerraad bijeenkwam.

Tindemans zelf noemt de lokatie "sinister". Een understatement. Er bestaat een actiefoto van de Werkgroep, genomen in de bewuste zaal. Als lijkbidders na de dienst zitten de aanwezigen rond een tafel die niet toevallig de vorm van een doodskist heeft. Elke pagina van het Dagboek van de Werkgroep-Eyskens ademt een akelige leegte. Tindemans, toenmalig minister van Communautaire Betrekkingen en secretaris van de 'werkgroep', geeft in zijn dagboek de discussies klinisch weer. Ruim dertig jaar later beschrijft Jan Blommaert in Ik stel vast hoe hedendaagse politiek een vorm van entertainment is geworden. Hij vergelijkt onder meer Dagboek van de Werkgroep-Eyskens en De Keien van de Wetstraat van Hugo de Ridder, twee boeken over dezelfde politieke periode. De Ridders reconstruerende stijl is genoegzaam bekend. Hij heeft daarmee de politiek gevulgariseerd. Toch is Dagboek van de Werkgroep-Eyskens intrigerender, al was het maar omdat Tindemans de schijn van objectiviteit ophoudt. Hoe droger de debatten, hoe heviger de onderkoelde melancholie doorklinkt, de ware ondertoon van dit journaal.

Mijn exemplaar bevat deze opdracht van Tindemans: "Opdat later zou geweten worden hoe het allemaal gebeurde." Kon ik maar naar huis, lijkt iedereen te denken. Spijtig genoeg schrijft Tindemans stroef, anders had zijn boek zonder meer een klassieke status bereikt. Er is geen betere inleiding tot het fenomeen België denkbaar dan deze kale weergave van enkele dagen Belgische verwarring.

De christen-democraat Tindemans heeft zijn hele carrière lang Mozes gespeeld. Als hij sprak, was het of hij voorlas uit Deuteronomium 4,1: "Luister dan, Israël, naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer, en handel daarnaar." Wellicht heeft hij net iets te lang aan de rechterhand van vader Eyskens gezeten. Bij Eyskens' regeringsverklaring over de staatshervorming noteert Tindemans: "De meest dorre woorden kunnen door Eyskens, als hij dat werkelijk wil, in het Parlement worden uitgesproken, als golden het schibbolets waar de wereld op wacht om vernieuwd te worden." Diezelfde Gaston Eyskens zou, in de nasleep van de eerste staatshervorming, politiek vermoord worden door Wilfried Martens, aan wie Tindemans Dagboek van de Werkgroep-Eyskens heeft opgedragen. Ook Martens wilde Mozes achterna. Het zijn mannen die de waarheid prediken, maar niet altijd spreken. Af en toe citeert Tindemans uit zijn persoonlijke dagboek, nooit voldoende om te weten te komen wat hij echt denkt. Vaststaat dat Tindemans en Eyskens, net als de meeste toenmalige bewindslui, oprecht meenden dat ze in één keer het land konden hervormen. De federale staat is in tal van episodes ontstaan. Toen de gouden jaren zestig het Rijnlandmodel tot bloei deden komen, brokkelde het unitaire België af. De oude structuur voldeed niet meer om de welvaart te beheren. Dit acute besef werd aangewakkerd door Leuven-Vlaams of de opkomst van de taalpartijen, de Volksunie zaliger en het FDF. Terwijl The Beatles de babyboomers deden dromen van vrijheid, vergaderde de politieke klasse zich suf om de wankele Belgische weegschaal te herijken. De technocraten boekten hun overwinning nog voor er een verdwaalde hippie "de verbeelding aan de macht!" had geroepen. De leden van de Werkgroep-Eyskens waren er aanvankelijk van overtuigd dat een akkoord over de culturele en economische autonomie van de Belgische regio's ook een definitieve oplossing voor Brussel mogelijk zou maken.

Niets was minder waar. Tot op vandaag staat de globale oplossing ter discussie en gaat de verbouwing van België onverminderd voort. Men kan zich afvragen wat zo'n toestand met een bevolking doet. Misschien laat het ons wel Siberisch koud. Misschien herinneren we ons vooral de excessen van de staatshervorming. Het communautaire gekissebis als bezigheidstherapie voor politici die een aanleiding zoeken om hun macht te bestendigen. De verwrongen beeldvorming aan weerszijden van de taalgrens. Het grootvadertrauma van generaties Vlaamse kleuters, met dank aan de immer grommende Robert Senelle die een keer te veel op de tv kwam om woedend uit de grondwet voor te lezen.

Het fameuze grondwetsartikel 107quater regelde in 1970 de oprichting van de drie gewesten. Het zou tot de Egmontonderhandelingen van 1977 duren eer de federale staat van start kon gaan. Sindsdien hoopt men bij elke institutionele ronde het eindpunt te bereiken en schrijft men telkens weer een nieuw hoofdstuk van de kroniek van een aangekondigde schipbreuk. Deze Belgische dynamiek is zo mogelijk nog lastiger te bevatten dan de transsubstantiatie die onze voorouders elke zondag hun tong deed uitsteken. Als dit najaar de memoires van Leo Tindemans verschijnen, moeten we als tegengif ons nationale epos herlezen, Het beleg van Laken van Walter van den Broeck. Dat eindigt als volgt: "Breng hen tot staan! Zij dwalen! Dit is niet de weg naar huis, dit is de weg naar de waan! Want wie de fluiter volgt voorbij de boord, wordt zelf door 't zilte schuim gesmoord!"

Harold Polis

(Deze tekst verscheen in De Morgen op 20 september 2002.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...