zaterdag 2 augustus 2008

Uren met Cyriel Verschaeve

Het was lang zoeken naar een nationalistisch geïnspireerde artistieke duivelaanjager, maar uiteindelijk kan een weldenkend mens niet om Cyriel Verschaeve heen. Priester-dichter Verschaeve heeft in zijn leven bijzonder veel uitgespookt. Naast dichten tegen de sterren op, bewierookte hij religieuze kunst, schreef hij militant proza, beeldhouwde hij en hield hij van katten. Eeuwige roem heeft hij verdiend door zijn combinatie van zelfmoordneigingen, politiek en krukkige metaforen. De afgelopen weken zijn er verrassend veel vermeende nazi’s opgedoken. Maar over Verschaeve kunnen vriend en vijand het eens zijn: hij was een zwarte.

Verschaeves verzameld werk bevat acht dikke delen. Tel daarbij de ruim achttien afleveringen van het jaarboek Verschaeviana en het wordt snel duidelijk dat Verschaeve lezen plaats in beslag neemt. Schrijven was echter niet zijn fort. Dat is ook een van de conclusies van biograaf Romain Vanlandschoot in zijn onovertroffen biografie Kapelaan Verschaeve. Het oeverloze gelul van Verschaeve kent zijn gelijke niet in de Vlaamse literatuur. Om zijn iele talent te verdoezelen, pompte Verschaeve met een blaasbalg zijn zinnen op. Die bombastische woordenkramerij kan bij de ongeoefende lezer de indruk wekken dat Verschaeve ook werkelijk iets vertelt. Verschaeve vertelt echter niet, hij waagt zich niet aan verklaringen en wil de werkelijkheid niet doorgronden. Hij voelt en tracht die emotionele uitbarstingen zo secuur mogelijk op schrift te stellen.

De Dietse utopie

Op jonge leeftijd werd Verschaeve in de Duitse universiteitsstad Jena getroffen door een bekering tot het Germanendom. De Latijnse cultuur probeert zogezegd de feiten te ordenen, lijdt aan redeneerdwang, struikelt over het zoveelste ‘discours de la méthode’. De Germaanse cultuur daarentegen geeft zich aan de werkelijkheid over en voelt. Dat sloot beter aan bij Verschaeves geloof in een op God gebaseerd natuurrecht. Wat God aan de mensen heeft gegeven, is heilig: taal, grond en bloed. Evangelische waarden zijn eerder een vervelende bijkomstigheid in de geloofsbeleving van priester Verschaeve. Een van de grootste dieptepunten in zijn oeuvre is zijn boek Jezus, een omvangrijke vie romancée uit 1939 waarin Verschaeve de apostelen haast te vuur en te zwaard het woord laat verkondigen, en Paulus net niet een Stahlhelm draagt en Heinrich heet. Een wensdroom heet zoiets. De oorlog geeft Verschaeve de kans om zijn Dietse utopie ten volle te beleven. Groot-Nederland liep volgens hem tot aan de Somme. Pater Stracke trok die grens zelfs onder Parijs. Dat waren nog eens tijden.

En dan zijn er de onvermijdelijke dagboeken. In augustus 1944 wordt Verschaeve door de SS ontzet, naar Duitsland gevoerd en als ‘adviseur’ toegevoegd aan de door Jef van de Wiele georchestreerde Vlaamse regering in ballingschap. De terugtocht eindigt in Tirol, nabij Insbruck. Daar schrijft hij over Schiller, Rubens en andere lieflijke thema’s: ‘Ik wenste dat Duitsland in schoonheid zou ondergegaan zijn. Wie in schoonheid sterven mocht, zal zeker herleven.’ Onophoudelijk roept Verschaeve op zich te melden voor het Oostfront en te vechten. ‘Het geweten moet een oordeel kunnen vellen, zoals de soldaat moet kunnen sneuvelen.’ Eind jaren tachtig verscheen de wetenschappelijk verantwoorde editie van de dagboeken in Verschaeviana. De vele pagina’s ongecensureerde en niet eerder gepubliceerde nazistische rotzooi baarden opzien. Ze doen dat nog steeds.

Herstelgerichte dialoog

Intussen is het zover dat het belang van Verschaeve en zijn daden in de ogen van sommigen voor interpretatie vatbaar zijn. De meeste moderne nationalisten willen niets met de erfenis van Verschaeve te maken hebben, laat staan dat ze rooms-katholieke integristen zijn of allemaal een klare kijk hebben op wat er zich in de geschiedenis heeft afgespeeld vóór de Sint-Michielsakkoorden van 1993. Ter voorbereiding van hun grote sprong voorwaarts parafraseren ze met plezier de uitspraak van Ernest Renan over het dagelijkse plebisciet: de natie is een groep mensen die samen grootse dingen wil verwezenlijken. Fluisterend voegen ze er dan die andere uitspraak van Renan aan toe: essentieel voor een natie is ook dat er veel wordt vergeten.

Een aantal symbooldossiers moet voorgoed gesloten worden. De Franse filosoof Jean-Marc Ferry (ULB) voert in dit opzicht een lovenswaardig pleidooi voor een herstelgerichte dialoog tussen Vlamingen en Franstaligen. Maar een figuur als Verschaeve vergeten, dat is wel het laatste wat er moet gebeuren. Zijn in razernij geschreven tirades geven een pijnlijk scherp beeld van een artistieke extremist met een geperverteerd godsbeeld. Verschaeve is een misdadige dwaas geweest, maar ook een van de invloedrijkste Vlaamse schrijvers van de twintigste eeuw. Generaties katholieke nationalisten hebben zich aan zijn haat gelaafd, zijn bloedmythologie beleden en zich gewenteld in de heilige nederlaag die Verschaeve zo dierbaar was. Het kan geen kwaad om heel af en toe wat Verschaeve te lezen en zich ook van die passage in de geschiedenis bewust te zijn.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 23 juli 2008.)

vrijdag 11 juli 2008

Het geld is gans het volk

Toen Geert Wilders in mei Vlaanderen opeiste voor Nederland, kon hij op veel bijval rekenen van Vlaams Belangvoorzitter Bruno Valkeniers. De voormalige commercieel directeur van Hesse-Noord Natie acht het belang van de Antwerpse haven klaarblijkelijk ondergeschikt aan die van de Rotterdamse concurrent. Het is maar de vraag of zo'n toekomstbeeld champagnekurken doet knallen aan de dokken en in de bestuurskamers van het havenwezen. Laat staan dat iemand een zinnige verklaring kan geven voor de historische dimensie van Valkeniers' abdicatie. Voor historicus Olivier Boehme vormt dit geen probleem. Hij heeft over Groot-Nederlandse en andere nationalistische dada's een even monumentaal als baanbrekend boek geschreven: Greep naar de markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum.

Het gaat Boehme om zeer concrete dingen: geld, macht en economische vooruitgang. Haast alle personages die in Greep naar de markt de revue passeren, hangen aan elkaar van schijnbare tegenstellingen. Herman Vos, bijvoorbeeld, een studax met politieke branie, die lid wordt van de Raad van Vlaanderen, veroordeeld wordt voor landverraad, een leidende rol speelt in de Frontpartij en uiteindelijk terechtkomt bij de unitaire socialistische partij. Het is ook deze Vos die in de jaren twintig, met geld van Rotterdamse havenbaronnen en de steun van Pieter Geyl, de krant De Schelde runt en Groot-Nederlands getinte vragen stelt in het parlement.

De periode die Boehme onderzoekt, biedt een Vlaamse beweging van uitersten. Ofwel is het een benepen reservaat vol groupuscules die elkaar rommelig bekampen. Ofwel een feitelijke vereniging van talentvolle mensen die vooruit willen in het leven. Activisten als Liederik (pseudoniem voor Joris Fassotte) droomden hardop van de Meir als de Vlaamse Wall Street. Aan brandende ambitie geen gebrek, maar tussen droom en daad stonden nogal wat obstakels. In de eerste plaats de Vlaamse beweging zelf. Boehme reconstrueert die sociaaleconomische omwenteling als een ideeënstrijd van een voorhoede. Na de relatief brave negentiende-eeuwse taalminnaars is het de beurt aan mannen die voluit de macht willen herverkavelen. De erfenis van Lodewijk de Raet speelt hierin een cruciale rol. De Raet was een van de eersten om de Vlaamse beweging te voorzien van een economische verantwoording. Bovendien, zo stelt Boehme bij herhaling, is De Raet de allereerste die de Vlaamse economie uit het luchtledige plukt en territoriaal bepaalt. De economische noden lagen volgens De Raet anders in Vlaanderen dan in Wallonië. Zover stonden we begin vorige eeuw dus ook al. In zijn verfrissend kritische boek toont Boehme dat het economische nationalisme vooral heeft geleid tot een nationalisme met economische middelen.

OLIVIER BOEHME, GREEP NAAR DE MARKT, LANNOOCAMPUS, LEUVEN, 1000 BLZ., 39,95 EURO.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in Knack van 25 juni 2008.)

zaterdag 5 juli 2008

Patrick Poivre d’Arvor: de tv-schrijver


(Poivre speelt ook op Canal+ een hoofdrol, en wel tijdens 'Les Guignols de l'Info'.)

Bij Poivre vervaagt de grens tussen tv en literatuur

‘Ik geloof niet zo in boekenprogramma’s. Dat worden al gauw gettoprogramma’s, gemaakt voor mensen die toch al veel lezen.’ En die uitspraak is nota bene van Henk Kraima, de directeur van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek. Hij deed ze in NRC Handelsblad (26 april) naar aanleiding van het verschijnen van de dvd-box Hier is... Adriaan van Dis. Voor de mensen die na de val van de muur zijn geboren: Hier is... Adriaan van Dis was van 1983 tot 1992 een legendarische literaire praatbarak op de VPRO. 1992! Het jaar dat Nevermind van Nirvana uitkwam, de staatsschuld in franken noteerde en Alfons burggraaf Verplaetse nog Fons Verplaetse was. Zo oud is… Adriaan van Dis. Believers blijven dat ene programma aanbidden. Van Dis verzoende de tv met kletsende schrijvers, morsige metaforen en diepgang. Van Dis redde de literatuur. Hij is zo’n uitmuntende redder geweest dat je durft hopen dat hij ook het milieu, de Lange Wapper en de honger in de wereld zou aanpakken.

Schrijven en presenteren

Hij kon het wel, de bamibal happende, tussen de tenen pulkende en zich in een zak muffe chips verstikkende meerwaardezoeker entertainen. En al dat sofaplezier werd aangewakkerd door eenvoudig gelul. Pratende mensen aan een tafel. Uniek was Van Dis niet. Andere intellectuele schermvedetten, zoals Bernard Pivot en Patrick Poivre d’Arvor deden hetzelfde voor een groter publiek. Die laatste Fransman, in de volksmond ‘poivre’ genoemd of PPDA, doet het nog steeds. Op TF1, na middernacht, tijdens het programma Vol de nuit. Poivre is, net als Van Dis, ondanks zijn tv-werk ook een schrijver. En dat niet zonder overtuiging. Op zijn zestiende begon de vroegrijpe Poivre hogere studies, kreeg hij zijn eerste kind en debuteerde hij met de liefdesroman Les Enfants de l'aube. Daarvan zijn er intussen meer dan anderhalf miljoen exemplaren verkocht in Frankrijk. Meer dan dertig boeken heeft de man op zijn naam. Ongeveer de helft schreef hij met zijn broer Olivier. Er zit heel wat zelfoverschatting in de romantische verhalen die Poivre verzint. Heimwee naar de pruikentijd, barokke boezems en een bombardement van pasteltinten. Poivre bootst graag de schilderijen met slagroom van Antoine Watteau na. Gelukkig heeft hij zichzelf nog.

Begin dit jaar verscheen het ophefmakende Madame, Monsieur, Bonsoir... Les dessous du premier JT de France. Het boek is geschreven door vijf anonieme journalisten van TF1 die werkelijk alle vuile was buiten hangen. Uiteraard speelt Poivre een hoofdrol. Hij presenteert al meer dan twintig jaar het achtuurjournaal van TF1, beter bekend als ‘la grande messe’. IJdel, opvliegend, lui, verwaand, hoogdravend, arrogant, neerbuigend. ‘Iedereen op de redactie probeert zijn verschroeiende woede-uitbarstingen te vermijden.’ De anekdotes in het boek zijn vernietigend. Poivre is een mannetje. Een van zijn betere uitspraken luidt: ‘We denken hier niet. We maken het nieuws.’

Afrekening in het milieu

Toen RTBF-anker Eric Boever ten onrechte suggereerde dat de Franse president Sarkozy dronken was opgedaagd bij een persconferentie van de G8 in Moskou, moest Poivre heel hard lachen. Exact een jaar geleden vond Poivre het nodig om tijdens een live-interview met Sarkozy te verwijzen naar die Belgische grap. Bovendien vergeleek hij Sarkozy met een klein jongetje dat van puur enthousiasme alle kanten op springt. Het adjectief klein was er te veel aan. Eerder deze maand is Poivre eruit geflikkerd bij het achtuurjournaal van TF1. Die vernedering levert hem naar verluidt een ontslagbonus van 4 miljoen euro op. Martin Bouygues, hoofdaandeelhouder van TF1 en van het beursgenoteerde conglomeraat Bouygues, is de boezemvriend van Sarkozy. Een afrekening in het milieu dus.

Poivre is zijn eigen roman. De foto van het moment dat hij het nieuws van zijn ontslag vernam, stond breed in Paris Match. Net als zovele gebeurtenissen uit zijn leven. Poivre is publiek bezit in Frankrijk. Toen zijn tienerdochter in 1995 zelfmoord pleegde, was de hele natie op de hoogte van het feit dat ze aan anorexia leed. De avond van haar dood presenteerde hij stoïcijns het nieuws. Grote tv. En grote literatuur. Poivre schreef over haar ziekte het onvolprezen kleinood Lettres à l’absente. Het is een beklemmend eenvoudig egodocument over een man die zijn kind niet begrijpt. In de strafste scène van het boek probeert hij te communiceren met zijn dochter door het journaal op empathische wijze te presenteren. Veel verder kan je als tv-schrijver niet gaan.

Nu Poivre zonder werk is gevallen, kunnen we eindelijk het probleem van een literatuurprogramma op tv voorgoed oplossen. Poivre naar het Durchgangslager in Vilvoorde of Zaventem deporteren. Hem door de lokale taalgestapo Nederlands laten aanleren. En hem verplicht tewerkstellen bij de VRT. Nadien kan hij, liefst zonder ondertiteling, worden uitgeleend aan de VPRO.

Harold Polis

(Van dit stuk verscheen een ingekorte versie in De Morgen van 2 juli 2008.)

zondag 22 juni 2008

Over het dagboek van Matthieu Galey


(Matthieu Galey, lector bij Grasset, criticus bij L'Express, toeschouwer van het Franse literaire bedrijf en 'fascist van de goede smaak'.)

Voorbij de ijdelheid ligt het troosteloze moeras van de waanzin. De armen van geest komen terecht in gesloten instellingen en sterven naamloos. Echte gekken daarentegen bestellen hun eigen grafsteen en laten er 'homme de livres' in beitelen. Zo verging het Matthieu Galey, een invloedrijk Frans criticus uit de jaren zestig tot tachtig van vorige eeuw. Als jongeman beschrijft Galey met toenemende hysterie leeservaringen en orgieën van allerlei soort. In het grootste deel van zijn dagboek toont hij zich een ongenietbare kletsmeier die kitsch en roddels met mystiek verwart. Geruisloos neemt de literatuur de plaats in van de tastbare werkelijkheid. Zodra de omstandigheden dreigend worden, stelt Galey een schietstoel in werking die hem richting literaire luchtledigheid schiet. "Alle dingen blijven aan hun zelf overgelaten", preekte de grote landschapschrijver Streuvels. Galey zou daaraan toevoegen: en ze zijn het niet waard dat we ze een blik waard achten. Maar als Galey zich verwaardigt om een oordeel te vellen, is het raak. Eind 1973 treedt Marlene Dietrich op te Parijs. De blauwe engel is tweeënzeventig en draagt een met rubber opgevulde vleeskleurige concertjurk om haar kont een halve eeuw te verjongen. Galey noemt haar "irreëel", "een oude pad", tot ze begint te zingen en na het optreden zesendertig keer wordt teruggeroepen. Dietrich verenigt in zich "de onverenigbare eigenschappen van de lieve grootmoeder en de erotiek, de twee uiterste polen van het leven, de eeuwigheid". Ware Galey minder fatterig dan zou hij, een natiepaard met oogkleppen op gelijk, blind over zijn levenspad draven. Maar de wufte Galey lijkt eerder een poedel die achter het fatum aanholt en stuurloos langs de Parijse boulevards paradeert. De hel dat zijn uiteraard de andere mannelijke poedels, die het niet zo nauw nemen met de liefde. Galeys gemoed is permanent bezwaard. Jongens met godenlijven ontpoppen zich als opportunistische gluiperds. In andere gevallen verzuipt Galey de hooggestemde gevoelens in het moeras van de waanzin. De werkelijkheid kan nooit tippen aan de literatuur. Neerslachtig kwispelstaartend bereikt Galey de hoogste graad van levensmoeheid. Hij laat er zich op voorstaan op uitmuntende wijze aan te modderen. Met coltruien, Juliette Gréco of Sartriaanse verantwoordelijkheidszin heeft dit alles weinig te maken. De hypersensitieve letterenknecht Galey is te slim om iets te geloven, tenzij een geslaagde metafoor. Toch zal hij nooit de roman schrijven die iedereen van hem verwacht. Galey schept er een pervers genoegen in zich die daad te ontzeggen. Hij bewaart zijn ontgoocheling voor de boeken en theatervoorstellingen die hij recenseert, onder meer in Les nouvelles littéraires, het opinietijdschrift L'Express en het radioprogramma Masque et plume. Het hoogtepunt van zijn bestaan is wellicht de anonieme beller die hem aan de telefoon uitscheldt voor "fascist van de goede smaak".

De feestelijke sixties zijn nog slechts een herinnering wanneer de glans uit Galeys notities verdwijnt, midden jaren zeventig. Op dat moment schrijft Serge Gainsbourg aan L'homme à tête de chou (1977), de beste concept-lp uit de popgeschiedenis. In L'homme à tête de chou vertelt Gainsbourg het verhaal van Marilou, "beauté païenne", die liefde, lust, dood en ondergang belichaamt. L'homme à tête de chou is behekst door Marilou, tracht zijn obsessie te begrijpen en pelt de lagen van zijn kolenhoofd af tot er een mismaakt hoopje mens overblijft. De norse Galey haalt zijn neus op voor ordinaire popmuziek en verwijst niet naar Gainsbourg, maar voert een zelfontleding uit die, bewust of onbewust, tot hetzelfde resultaat leidt. Het feest is uit. De liefde is een perpetuum mobile dat lichamen verslindt en zowel dood als lust voortbrengt. Begin jaren tachtig krijgt dat mechanisme een bijnaam: aids. Tijdens de eerste grote paniekgolf wordt bij Galey een dodelijke spierziekte vastgesteld. Ook in de stijl van het dagboek is dit het grote keerpunt.

De laatste twee jaar van Galeys leven, 1985 en 1986, ontstaan dagboeknotities van een ijzingwekkende kracht. Galey onderneemt een afscheidstournee langs Zuid-Amerika, China, Zuid-Afrika. Met de adem van de dood in de nek analyseert Galey onderweg elke prikkel, elke gedachte, elke ontmoeting die hij de moeite waard acht. Het montere cynisme dat hij daarbij uitdraagt, is onweerstaanbaar op een buitengewoon onaangename manier. Er zit geen greintje theater meer in. De confrontatie is totaal. "Wanhoop", zo schrijft Galey, "is een gebrek aan fantasie." Zelfs zijn dagboek moet eraan geloven omdat het een te eenzijdig, te gekunsteld beeld geeft van zijn leven. "De rest zal doodgewoon verdwenen zijn. De seks en het werk, die de belangrijkste plaats in het leven innemen, worden vanzelf uitgewist. Ze vormen het nuttige steigerwerk om het op te bouwen, maar zijn gênant om bij stil te staan."

Het Frankrijk van die jaren beleeft de nadagen van de Koude Oorlog, een feest van conceptuele kunst. Mitterrand verbouwt Parijs. De Franse geheime dienst brengt de Greenpeace-boot Rainbow Warrior tot zinken. Christo verpakt de Pont Neuf. De invalide Galey onthoudt vooral de bomaanslagen die de Franse hoofdstad teisteren. De spanning in het Midden-Oosten jaagt hem als kwart jood meer angst aan dan zijn aangekondigde dood. Wanneer Galey de xenofobe uitbarstingen van zijn oude vader navertelt, weet hij zich geen houding te geven. Achter die onwennigheid gaat de tragiek van de jaren tachtig schuil, een periode die zich onderscheidde door een ideologisch bankroet en krampachtig in stand gehouden machtsverhoudingen. Het is of samen met Galey een oude wereld naar de verdoemenis gaat. Hij had het zelf voorspeld in 1980, bij de massale opkomst voor de begrafenis van Sartre: "Je zou bijna kunnen zeggen dat ze zichzelf ter aarde bestellen."

Galey is een kind van de naoorlogse naïviteit, toen objectiviteit of esthetiek nog dromen waren die men vrijelijk kon verkondigen. De heiligen stonden op hun sokkels te wachten om verbrijzeld te worden. Galey deed nauwelijks mee. Hij verkoos een dienende rol te spelen. Als lector van uitgeverij Grasset. Als eeuwige criticus. Als spreekbuis van grote literaire namen. Met open ogen, het interviewboek dat Galey met Marguerite Yourcenar maakte, is het wapenfeit waarmee hij zijn plaats in de officiële geschiedenis veroverde. In plaats van zijn leven te geven aan eigen werk, besloot hij zich te slachtofferen op het altaar van de kunst. 13 februari 1986: "Laatste beeld: het sneeuwt. Onbevlekte Hemelvaart."

Boris Jeltsin, Getuigenis van een opposant. Dagboek 1988-1989


(Boris Jeltsin op 22 augustus 1991. Een dag na de mislukte communistische couppoging. Iedereen met CNN op de kabel kijkt live naar Jeltsins gloriemoment.)

Dat het zo snel zou gaan, had zelfs de meest helderziende waarzegger niet voorspeld. In 1989 stortte het Warschaupact in elkaar en bekenden de vazalstaten van Moskou zich tot de vrije markt. Revoluties gedijen het best bij warm weer. Duizenden Oost-Duitse gezinnen vluchtten in hun Trabant naar Tsjecho-Slowakije en sliepen er onder de blote hemel. Even later nam de massa het Berlijnse niemandsland in en bouwde een feestje op de muur. Families vielen elkaar in de armen, iconoclasten sloopten de betonnen grens met de voorhamer, een overenthousiaste vrouw toonde haar borsten aan de wereld. Het leverde fantastische tv op. De zomer van 1989 leek eeuwig te duren, maar in Moskou was de winter al aangebroken. Toen de laatste acolieten van Leonid Breznjev doodvielen, kwam Gorbatsjov aan het bewind. Vanaf 1985 zette hij een voorzichtige vernieuwingspolitiek op de sporen. De perestrojka was zijn wanhoopspoging om het Sovjet-Russische imperium te redden. Ondanks zijn hervormingsgezinde imago, handhaafde Gorbatsjov de dictatoriale waanzin van zijn voorgangers. Hij bleef oorlog voeren in Afghanistan, liet Armeniërs afknallen en stuurde tanks naar de Baltische staten. Gorbatsjov was ook een uitermate belabberd politiek denker, een eigenschap die hem onverklaarbaar veel sympathie in het Westen opleverde. Onder luid trompetgeschal verscheen in 1987 Gorbatsjovs klassieker Perestrojka. Een nieuwe visie voor mijn land en de wereld. Het boek bood historisch-materialistisch gezwets van het allerlaagste niveau. Gorbatsjov was eigenlijk op zoek naar een elegante manier om het status-quo te bewaren en westerse overheidssteun in de wacht te slepen. "Laat het Westen maar denken dat het kapitalisme het hoogste is wat de beschaving heeft bereikt. Het is hun goed recht dat te denken. Wij zijn het er eenvoudigweg niet mee eens. En laat de geschiedenis maar uitmaken wie er gelijk heeft." Wat een pijnlijke grap.

De tegendraadse Moskouse partijsecretaris Boris Jeltsin noteert in zijn tot memoires omgebouwd dagboek hoe Gorbatsjov eind jaren tachtig de voeling met de werkelijkheid verliest. De vergaderingen van het partijbureau ontaarden in bureaucratische hoogmissen. Gorba- tsjov laat zich inkapselen door de nomenclatuur en accepteert geen kritiek. De generatiegenoten Jeltsin en Gorbatsjov zijn openlijke rivalen. "Ik denk dat Gorbatsjov niet zonder een Jeltsin kan. Als hij hem niet had gehad, had hij hem moeten bedenken", schrijft Jeltsin. In het politbureau presenteert hij zich als de doener, de aanjager, de horzel in de nek van de alwetende, enigszins ascetische oppersovjet Gorbatsjov. Getuigenis van een opposant is een sterk staaltje propaganda, geschreven op een moment dat Jeltsin het nog moest maken. Jeltsin - "ik ben geen makkelijk mens" - drijft het zo ver dat hij zich politieke maagdelijkheid toemeet: "Ik had de hele tijd het gevoel dat ik een zonderling, of eerder nog een vreemdeling tussen die mensen was, dat ik niet paste in die omgeving met voor mij onbegrijpelijke verhoudingen." Beide verlichte machtspolitici betwisten elkaar de titel van redder des vaderlands. En terwijl de intriges van het partijbureau hallucinante proporties aannemen, valt de muur. Het is of de toplaag van de communistische regimes de hele tijd komedie heeft gespeeld en laat zien hoe het systeem in waarheid altijd is geweest: een tochtige bouwval waarvan de fundamenten wegzakken in modder.

Het operetteachtige einde van de communistische illusie heeft als nadeel gehad dat het geloof in historische predestinatie is toegenomen. Een wereld waarin ideologie zogezegd een louter melancholische waarde heeft, toont de werkelijkheid zoals ze is, naakt, rauw, barbaars. De maakbaarheid van de maatschappij is verbannen naar de voetnoten bij de sociaal gecorrigeerde vrijhandel. Het democratische repertoire is geslonken tot gratis openbaar vervoer. Want ja, de natiestaat verkruimelt en politici hebben alleen nog macht op regionaal niveau. De rest is een kwestie van 'systeem paraplu'. Het verdrag van Maastricht noemt dit subsidiariteit. Europa wordt geregeerd door de zwarte hand: een irrationele vrije markt en een ondoorzichtige bureaucratie. Dat laatste deelt de Europese Unie met de voormalige Sovjet-Unie. Jeltsin heeft dan ook een punt wanneer hij eind jaren tachtig de mislukking van de perestrojka toeschrijft aan het partijapparaat. De apparatsjiks laten zich rondrijden in hun ZIL, proppen zich vol met steur op het terras van hun datsja, schuiven verantwoordelijkheden door en laten het land verpieteren. In 1991 was het ermee gedaan. Het einde van de Koude Oorlog kende geen winnaars. Ook het oude Europese ideaal van Schuman en consorten stierf een roemloze dood, begin jaren negentig op een markt in Sarajevo, te midden van aan flarden geschoten huisvrouwen.

In Getuigenis van een opposant schetst Jeltsin een ontluisterend beeld van de fata morgana waar de laatste communisten zich terugtrekken. Het boek bevat ook een waarschuwing: wacht tot ik, Jeltsin de zuivere, de macht in handen krijg! Na de implosie van de Sovjet-Unie is gebleken hoe Jeltsin, behekst door anticommunistische demonen, op dictatoriale wijze heeft getracht de Russische bouwval te restaureren. De proletenzoon heeft de sovjetburgers herdoopt tot bezitters. Hijzelf is ten onder gegaan aan financiële schandalen en belangenvermenging.

Voor liefhebbers van politieke thrillers is Getuigenis van een opposant verplichte lectuur. Net als de dagboekmemoires die Jeltsin tijdens de late jaren negentig schreef, bevat Getuigenis van een opposant een praktische cursus machtswellust. Jeltsin snijdt voortdurend hoog op over de trucs waarmee hij zijn tegenstanders neutraliseert. Het valt daarbij op hoe weinig aandacht hij schenkt aan buitenlandse politiek en politieke ideeën tout court. De val van de muur komt nauwelijks ter sprake. Het Kremlin heeft toch geen vat op de situatie gehad en bovendien is de modale Rus druk bezig met overleven. Een goed politicus weet vooral welke thema's zijn kiespubliek niet aanspreken. En dus weidt Jeltsin uit over de economische depressie en... openbaar vervoer.

In augustus 1989 becommentarieert de Hongaarse historicus John Lukacs in zijn dagboek de val van de muur: "Veel mensen, zelfs hele regeringen waren overdonderd. Ze hadden beter moeten weten." Jeltsin wist het hoe dan ook beter en beantwoordde volkomen aan Lukacs' interpretatie van het communistische debacle. Als antwoord op Het einde van de geschiedenis van Francis Fukuyama schreef Lukacs Het einde van de moderne tijd, waarin hij de impact van ideologische conflicten relativeert. Volgens hem heeft de twintigste eeuw vooral te lijden gehad onder nationalisme. Als je die redenering doortrekt, klinkt het logisch dat het sovjetregime begraven is door een ex-communistische president die zich ontpopte als een gelovige patriot. Volgens een oud sovjetgebruik kreeg Jeltsin onlangs een berg in Kirgizië naar zich genoemd. Goed dat er nog zekerheden zijn.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 27 november 2002.)

woensdag 4 juni 2008

Het einde van de Eerste Wereldoorlog


(Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit.)

Meer dan zes miljoen Franse mannen hadden net als hij gevochten op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. En het lot had uitgerekend hem, Lazare Ponticelli, aangewezen om het licht te doven. Onder een statige grijze hemel werd de nagedachtenis van de laatste poilu geëerd rond de exercitievelden op de Parijse linkeroever. Die maandagochtend 16 maart was er eerst een misviering in de kathedraal Saint-Louis des Invalides. De volledige top van de Franse republiek stond paraat. Iedereen was zeer opgetogen even de aandacht af te kunnen wenden van de politiek. De centrumrechtse regering en president Sarkozy hadden immers een dag eerder een smadelijke nederlaag geleden bij de lokale verkiezingen. Ongetwijfeld hebben de aanwezigen meermaals zuchtend naar het plafond van de kathedraal gekeken, alwaar tientallen bataljonsbanieren herinneren aan de schermutselingen en slachtpartijen die het collectieve geheugen van de Republiek hebben gevormd. ‘L’armée c’est la nation’, zei Napoleon ooit.
Ook België heeft een staand leger dat de natie vertegenwoordigt. Met ruim veertigduizend werknemers en een jaarbudget van 2,7 miljard euro is Defensie een van de grootste bedrijven van het land. Ondanks herstructureringen, zoals het invoeren van een eenheidsstructuur, wordt de organisatie van het leger op de proef gesteld nu in de vier windstreken vredeshandhaving het parool is. In het kader van de mythische Europese defensie is het vormen van een kleinere en wendbaardere militaire organisatie essentieel. Maar die hervorming gaat moeizaam. Bovendien vormen de strijdkrachten een fremdkörper in een maatschappij die niet eerder in de moderne geschiedenis zo’n lange periode van vrede heeft gekend. Zeker na het abrupt afschaffen van de dienstplicht begin jaren negentig is het leger in het defensief gedrongen. Los van de maatschappelijke relevantie en de budgettaire last staat ook het bestaan van het leger zelf ter discussie.
Als dienstmaagd van de internationale verdragen en van de geopolitieke alchimisten heeft het Belgisch leger de afgelopen jaren een bescheiden deel van de veiligheidsrisico’s op zich genomen. Sinds 1992 zijn er negentwintig Belgische militairen omgekomen in het buitenland, met als dramatische dieptepunt de tien doden in Kigali. Niet meteen een voorbeeld van napoleontische zelfopoffering, maar de doden zijn wel degelijk te betreuren. Het aantal risicovolle opdrachten neemt echter toe, zoals in Afghanistan.
Na twee wereldoorlogen en een astronomisch toegenomen welvaart voelen weinig Europeanen de behoefte om zich vrijwillig aan flarden te laten schieten in een schimmig oorlogsgebied. Dit pacifisme van de koude grond won nog aan populariteit in de jaren negentig. Terwijl er op de hoek van onze straat voor het eerst in halve eeuw etnische slachtpartijen plaatsvonden, bleven we keurig in onze achtertuin schoffelen. We komen vandaag geen vrijwilligers tekort om het Europese federalisme te verzuipen in een plas van ranzige bekrompenheid. Maar de belangrijkste scène van het drama speelde zich af in ex-Joegoslavië waar de Europese Unie en haar lidstaten nu eens onwillig, dan weer impulsief en ondoordacht handelden. Het gebrek aan een doortastende en eensgezinde buitenlandstrategie is ons zuur opgebroken.
In verspreide slagorde, maar onder een gedeeld commando, hebben Britten, Fransen, Duitsers, Italianen en Belgen de orde bewaard in en rond Bosnië. Amerikaanse hulp was echter onontbeerlijk om de operatie rond te krijgen. Om die afhankelijkheid af te zwakken moeten Europese landen significant meer geld pompen in Defensie, moeten ze hun militaire organisaties doen samensmelten en moeten ze streven naar een Europese defensiemacht die niet volledig samenvalt met de NAVO. Tien jaar na Bosnië zijn we nog niet al te ver gevorderd op dat pad. De omstandigheden daarentegen zijn radicaal veranderd. Amerika kan zijn rol als militaire en financiële wereldleider nauwelijks aan. De naschokken van 9/11 hebben gezorgd voor nieuwe breuklijnen, zinloze militaire campagnes, tienduizenden doden en een astronomisch hoog Amerikaans oorlogsbudget. Tegelijkertijd is Europa minder dan ooit geneigd geld te investeren in Defensie. Ook hier past een napoleontische gemeenplaats: ‘On gouverne mieux les hommes par leurs vices que par leurs vertus.’
Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit. Aangezien er geen miraculeuze oplossing voor de stammenoorlog in de Balkan bestaat, zal door die onafhankelijkheid het conflict in een nieuwe dimensie terechtkomen. Kosovo is een van die plekken waar het Westen onder meer op morele gronden militair heeft ingegrepen. De voormalige Servische provincie is omgebouwd tot een protectoraat zonder noemenswaardige economie. Ter herinnering: in 1999 werd het gebied gepacificeerd door ruim veertigduizend westerse soldaten van de KFOR-troepenmacht, onder wie zevenduizend Amerikanen. Afgesloten van de Middellandse Zee en van de rest van Europa leidt Kosovo een quasi-vegetatief bestaan. Het lijkt een Europese kopie van de Gazastrook. De economische indicatoren geven een rampzalig beeld. De rechtstaat wordt bedreigd door georganiseerde misdaad, chronische armoede en bestuurlijke chaos. Bovendien is het twijfelachtig of in die lamentabele omstandigheden de minderheden zullen worden gerespecteerd. Zelfs het onafhankelijke Kosovo, hoe klein ook, is een verzameling van ongelijke delen. Van meet af aan had de Kosovaarse overheid geen grip op het overwegend Servische Noorden, waar het gros van het honderdnegentig man sterke contingent Belgische militairen zich bevindt. ‘Deze onafhankelijkheidsverklaring is een stap in de reeds lang aanslepende discussie over de statuskwestie van Kosovo’, verklaarde minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht. De discussie gaat immers door. Kosovo zal zich, net als zovele andere landen, zo snel mogelijk willen aansluiten bij de Europese Unie, wat de relaties met Rusland niet meteen zal verbeteren. Europa heeft haar vredesdividend node geïnvesteerd in de versnelde toetreding van de lidstaten van het voormalige Oostblok. Ook voor Kosovo zal de Europese Unie in de toekomst de hefboom vormen om vrede en een zekere welvarendheid te bereiken, voorspellen optimisten. Eind februari deelden actievoerders van Jong N-VA alvast suikerbonen en geboortekaartjes uit aan het gebouw van de Europese Commissie, als symbool van de geboorte van Europa’s nieuwste staat.
De onafhankelijkheid van Kosovo vormt voor nationalisten van diverse pluimage het bewijs dat het zelfbeschikkingsrecht der volkeren altijd zegeviert, aangezien dat nu eenmaal het belangrijkste ordenende principe in een nationalistische maatschappijvisie is. Er bestaat geen verschil tussen Kosovo, Zuid-Ossetië, Tsjetsjenië, Tibet, Baskenland, Catalonië, Schotland of Vlaanderen. Natievorming is natievorming. Björk riep begin maart tijdens een optreden in Shanghai de onafhankelijkheid van Tibet uit, maar ze had dat evengoed tijdens de komende IJzerbedevaart kunnen doen. Een geste die perfect zou passen in de aanhoudende hysterie rond de staatshervorming. Op de site van Gazet van Antwerpen liet de enthousiaste lezer D.F. op 25 februari althans deze hartenkreet achter: ‘Was ik maar in Kosovo geboren, daar hebben ze tenminste ballen aan hun lijf’. Wellicht moeten we, zoals Paul Eluard ooit beweerde, onze wereld aandachtiger bekijken om de diepere werkelijkheid te zien: ‘La terre est bleue comme une orange’. De kop boven het grote interview in La Libre Belgique (15 maart) met N-VA-voorzitter Bart De Wever luidde dan ook: ‘La Belgique n’existe plus.’
Nog steeds wordt de Belgische politiek met argusogen gevolgd in het buitenland. Vaak gaat het om ramptoerisme waarvan de focus een etmaal later op een willekeurige overstroming is gericht. Maar het valt evenmin uit te sluiten dat niet elke Europeaan te vinden is voor een subregionaal ingedeeld Europa of voor een staatsrechterlijke big bang op continentaal niveau; een ontwikkeling waar het in buitenlandse media gretig aangekondigde uiteenvallen van België op vooruit zou lopen. Hoe langer de crisis echter duurt, hoe hardnekkiger de clichés en vooroordelen worden. Alle betrokken partijen zitten gevangen in een negatieve spiraal van verbaal geweld en slopende tactische spelletjes die elk gesprek bemoeilijken en voor de hand liggende hervormingen tegenhouden. Een belangrijk deel van het regeerakkoord van Leterme I lag al maanden vast. Achteraf bekeken hebben de meeste onderhandelaars na de verkiezingen van juni 2007 vooral winst proberen te boeken door een politieke oplossing onmogelijk te maken. De verwijzing naar de finale implosie van de Belgische staat dient hierbij als een rookgordijn dat een aantal essentiële veranderingen verborgen houdt. Een van de belangrijkste is dat de Europese Unie een steeds grotere ,rol speelt in ons dagelijkse leven. Als de Belgische politiek de komende maanden geplaagd wordt door een chronische verkiezingskoorts, dan zal die kwaal veeleer psychosomatisch zijn. Uiteraard kunnen de gewestverkiezingen van 2009 ook de federale krachtverhoudingen grondig verstoren, maar het soortelijk gewicht van de Europese verkiezingen is groter.
De federatie voert uit wat Europa beslist. De prijs- en muntstabiliteit is hiervan het pijnlijkste en meest zaligmakende voorbeeld. De eurozone, de euro en het rentebeleid van de Europese Centrale Bank (ECB) hebben een monetaire politiek op nationaal of regionaal niveau overbodig gemaakt. Dollargerichte bedrijven uit de BEL20, zoals Delhaize of UCB, kunnen hun wisselkoersrisico wel gedeeltelijk afdekken, maar richten hun kompas op Frankfurt, niet op overbodige nationale banken of regeringen die veroordeeld zijn tot het vaststellen van economische feiten. Meer dan welke Europese regering ook beïnvloedt Jean-Claude Trichet de concurrentiekracht van de ondernemingen. Als Trichet waarschuwt tegen de automatische indexering van de lonen, geeft hij voor gans de unie de marsrichting aan. Het is dankzij de supervisie van de ECB in het bijzonder en Europa in het algemeen dat de geledingen van de Belgische politiek zich op een haast evangelische manier kunnen vastbijten in de communautaire achterhoedegevechten. De prijs van slecht bestuur is veel lager dan vroeger. Devaluaties zijn niet meer mogelijk. De dalende koopkracht kan makkelijk toegeschreven worden aan internationale rampen, zoals de subprimecrisis en de bijhorende creditcrunch.
Dat het behoud van de solidariteit en van de welvaart zeer moedige politieke beslissingen vergt, tonen de bijdragen in de congresbundel Gedachten over sociaal federalisme. Leterme I heeft die moed nog niet getoond. Maar als het er echt om spant, regelt de samenleving zichzelf. De drie regionale werkgeversorganisaties – Voka (Vlaams netwerk van ondernemingen), UWE (Union Wallonne des Entreprises) en BECI (Brussels Entreprises Commerce and Industry) – ondertekenden op 10 maart een Solidariteitspact. Zo’n geste was niet eerder vertoond. De Belgische werkgevers verbinden zich ertoe om koste wat het kost vijfhonderdduizend nieuwe jobs te scheppen tegen 2020, en willen sociaaleconomische en ecologische beleidskeuzes op maat van de ‘gedifferentieerde noden van de ondernemingen in de regio’s en wat Wallonië betreft ook rekening [houdend] met subregionale verschillen’. Ook de christelijke en socialistische vakbonden ACV en ABVV, en de respectieve ziekenfondsen, plegen een historisch feit. Ze hielden voor het eerst in de geschiedenis een gezamenlijke 1 meiviering en ondertekenden tijdens een colloquium op 28 april een verklaring ter verdediging van het Belgische sociale model.
Onze welvaart is niet eeuwigdurend. Het kapitaal en de energiebronnen bevinden zich niet meer op de Louizalaan of in Marcinelle, maar in het Midden-Oosten, Rusland en Azië. Daar zijn ook de massale generaties hardwerkende nieuwe consumenten die zich liefst gisteren nog hadden bekeerd tot onze materialistische heilsfilosofie. De Europese economie staat onder druk, wat de gevolgen van de vergrijzing nog versterkt. De werkelijke politieke agenda draait dan ook om netelige onderwerpen als het verhogen van de pensioenleeftijd en van de werkzaamheidsgraad, het ter discussie stellen van verworven rechten, de omslag naar werkzekerheid, de keuze voor arbeidsmigratie, en het beheren en financieren van de fors toenemende zorgvraag en van de ecologische problemen. En dit alles tegen de achtergrond van een tot in de fundamenten veranderde samenleving die een schat aan ervaringen en kennis biedt, maar die genadelozer is geworden voor wie de verandering niet kan of wil volgen.
Niet zo lang geleden zouden we bij die toestand van overdruk heel makkelijk naar de wapens grijpen. Vandaag hebben we die conflicten geëxporteerd naar exotische oorden en sussen we ons geweten met een herinneringsgeloof in de twee wereldoorlogen. ‘Can we preserve a European past that is now fading from memory into history?’ vraagt historicus Tony Judt zich af. Het herinneringsgeloof met zijn slagveldrondleidingen en zijn bunkerromantiek ervaart Judt als een manier om penitentie te doen en het verleden af te sluiten. Ook dat is de banaliteit van het kwaad waar Hannah Arendt zo treffend over heeft geschreven. Toch lijkt de toestand op het eerste gezicht minder erg dan Judt doet uitschijnen. De Europese Unie werd gebouwd op het puin van de Tweede Wereldoorlog. Aan de verbindende kracht van de euro komt nog lang geen eind. Of dat volstaat om nog eens zestig jaar lang relatieve vrede te kennen, is een andere vraag.
Na de begrafenismis werd er voor het stoffelijk overschot van Lazare Ponticelli een parade gehouden op het binnenplein van Les Invalides. Ook de rest van de dag zou worden gevuld met toespraken, plechtige bijzettingen en onthullingen van plaquettes. Geen enkel detail van de republikeinse orgie ontging de camera’s. Het eerbetoon aan Ponticelli moest en zou uitgroeien tot een nationale hulde aan alle Franse oud-strijders en slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Tot vlak voor zijn dood heeft Ponticelli die feesten en stoeten radicaal geweigerd. Maar de laatste Franse overlevende van de Groote Oorlog is uiteindelijk het slachtoffer geworden van een geruststellend herdenkingsbombardement.

Harold Polis


Literatuur

Het Solidariteitspact is te downloaden op www.voka.be.
Tony Judt, ‘The problem of evil in Postwar Europe’, The New York Review of Books, 14 februari 2008.
Bea Cantillon en Veerle De Maesschalck (red.), Gedachten over sociaal federalisme, Acco, Leuven, 2008.

(Dit artikel verscheen eerder in Streven van mei 2008.)

zondag 18 mei 2008

Requiem voor de literaire gek


(Friedrich Nietzsche, omstreeks juni-augustus 1899, gefotografeerd door Hans Olde. Terwijl de twintigste eeuw moet nog beginnen, is de grootste filosoof van de moderne tijd onherroepelijk opgeslokt door de waanzin.)

Ooit aanbeden en geprezen. Maar sinds Nietzsche toch niet meer wat hij geweest is: de literaire gek.

Cultuurpessimisten opgelet! De onttovering van de wereld is oud nieuws. Toen God bovenaan stond en de doortocht van een komeet op het einde der tijden wees, had je tenminste nog verrassingen en bedreigingen die niet te voorzien waren. Al heel lang leven we echter in een berekend universum dat ontdaan is van magie en verbazing. Volgens socioloog Max Weber belaagt die onttovering de menselijke vrijheid. Het is alsof we gevangen zitten in een ijzeren kooi. En dus zoekt iedereen enthousiast naar de nooduitgang.

In de negentiende eeuw leek het alsof de onpeilbare menselijke geest een uitweg bood. Heel wat kunstenaars zochten hun heil in roesverwekkers en romantisch escapisme. Maar de grote ontdekking van de moderne tijd was de hysterie. Neuroloog Jean-Martin Charcot bouwde het Parijse Hôpital de la Salpêtrière uit tot een van de belangrijkste psychiatrische centra in Europa. Charcot bracht patiënten onder hypnose, hield talloze demonstraties en voedde de illusie dat het onderbewuste een magisch geheim bevatte.

Surrealisten namen psychoanalyse bijzonder ernstig. André Breton verkondigde in het Manifeste du Surréalisme dat vooral de gedachte belangrijk was, los van alle controle die door de rede wordt uitgeoefend, los van elke esthetische of morele vooringenomenheid. Geen wonder dat nogal wat (ex-)surrealisten een voorliefde voor gekken ontwikkelden. De gek was immers de waarheid op het spoor. Raymond Queneau zat drie jaar in de Bibliothèque Nationale ter voorbereiding van het essay Aux confins des ténèbres. Les fous littéraires. Hierin beschrijft Queneau de literaire gek als iemand zonder leraars of leerlingen die de ultieme buitenissigheden bedenkt. De archipoëet Paulin Gagne bedacht in 1866 de filantropofagie: mensen die zich broederlijk laten opeten door de slachtoffers van de honger die de wereld geselt. Dat was een groot succes.

De Franstalige Belgische schrijver André Blavier, bibliothecaris in Verviers, stak zijn goede vriend en collega-patafysicus Raymond Queneau naar de kroon. Blavier publiceerde in 1982 het encyclopedische meesterwerk Les fous littéraires: een beschrijving van ruim 3.000 wanhopige uitvinders, duvelstoejagers, ontwerpers van universele talen en dies meer. Amateurs vergeleken bij de allergrootste propagandist van amorele, grensoverschrijdende kennis: Friedrich Nietzsche.

Op de ochtend van 3 januari 1889 werd Nietzsche in Turijn opgepakt door twee agenten. We zullen nooit weten wat er toen echt is gebeurd. De mythe wil dat Nietzsche zich op de Piazza Carlo Alberto bevond, zag hoe een paard werd mishandeld en het dier ter hulp snelde. Hij omhelsde het paard en stortte in. Als verpleger aan het front van de Frans-Pruisische oorlog van 1870 had Nietzsche difterie, dysenterie en syfilis opgelopen. Die laatste infectie zou hem waanzinnig hebben gemaakt. Meteen na de noodlottige januaridag schreef en verstuurde Nietzsche een aantal krankzinnige brieven, de 'Wahnbriefe' genoemd, waarvan hij er enkele tekende als 'Nietzsche Caesar'. En zo eindigde de belangrijkste Europese denker uit de moderne tijd als een menselijk wrak dat wegzonk in betekenisloze diepten.

Het is onmogelijk om een eenduidige interpretatie te geven van Nietzsches zeer uiteenlopende oeuvre. De filosoof met de hamer hanteerde een provocatieve en emotionele stijl, grossierde in loodzware metaforen en was op zijn best in zijn onnavolgbare aforismen. Hoe fel hij de consistentie van zijn teksten ook op de proef stelde, alles paste in een ruimer geheel. Nietzsche heeft geen klassiek en netjes ingedeeld filosofisch bouwsel achtergelaten, maar een totaaltekst waarin de vertelstijl even belangrijk is als wat er wordt verteld. Zijn luidruchtigheid doet vermoeden dat hij voor een planetair miljoenenpubliek schreef. Maar het was vooral oorverdovend stil in zijn werkkamer.

Twee vrouwen dragen een grote verantwoordelijkheid voor Nietzsches immense faam: zijn aanbidster Lou Andreas-Salomé en zijn zuster Elisabeth Förster-Nietzsche. De laatste publiceerde in 1901 Der Wille zur Macht, het zogezegde magnum opus van haar broer. Dit boek werd enorm populair, tot in de Duitse loopgraven van de Eerste Wereldoorlog toe. In de jaren zestig werd Der Wille zur Macht ontmaskerd als een vervalsing. De zuster had de broer naar hartenlust herschreven, geïnterpreteerd en bedacht met het antisemitisme dat haar zo dierbaar was. De schaamteloos romantische mythe van de onbegrepen denker Friedrich Nietzsche werd echter als eerste gemunt door de professionele muze Lou Andreas-Salomé in haar autobiofictie Friedrich Nietzsche in seinen Werke.

Al wie de originele teksten van Nietzsche voor het eerst onder ogen krijgt, hapt naar adem. Weinig schrijvers zijn zo makkelijk verkeerd te interpreteren. Zijn beroemdste uitspraak, "God is dood", volgt uit de vaststelling dat wetenschap en secularisering de christelijke schepper overbodig hebben gemaakt als bron van betekenis en moraal. In Gods plaats komt de wisselende, nooit definitieve, altijd onaffe en partijdige waarheid. Nietzsche is eigenlijk de geestelijke vader van YouTube waar het onderscheid tussen gekte, idiotie en ernst van geen enkel belang meer is.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 7 mei 2008.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...