donderdag 23 april 2009

Het verzameld werk in tijden van verwarring

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
‘Laten we de dingen toch eindelijk bij hun naam noemen. Wat blijft er van die hele klassieke litteratuur over als je het op de keper beschouwt?’
F. Bordewijk, Fantastische vertellingen

In tijden van crisis is het verzameld werk een obscene verschijning. Er is al zoveel. Moeten we geen voorrang verlenen aan nieuwe teksten, aan levende literatuur en sprekende schrijvers? Al die oude rommel. En, bovendien, waarom moeten al die boeken verschijnen? Waarom nemen uitgevers geen moratorium in acht? Waarom al die uitgevers? Nog botter is het voorstel dat Paul Greenberg onlangs lanceerde in The New York Times: betaal schrijvers om niet meer te schrijven en zich om te scholen. Wat met de boterberg is gelukt, moet ook mogelijk zijn met het fictie- en poëzieoverschot. Landbouw en literatuur, één strijd.
Veteranen van de honderdjarige oorlog tegen het cultuurrelativisme maken zich weer klaar voor wapengekletter. De intellectuele crisis, die esthetische en morele waarden heeft gedevalueerd, krijgt het gezelschap van een reële economische crisis. Bestaat er iets ergers dan een immorele consument zonder koopkracht? Bovendien vindt er in de media, en dus ook in de literatuur, een heuse paradigmawissel plaats. Web 2.0 voegt een nieuwe dimensie toe aan de manier waarop we met elkaar communiceren over de wereld, ons leven en de dingen die buiten het moment staan. In de rangen van de verdedigers van de Verlichting zaait web 2.0 paniek, omdat de digitalisering een van de laatste sterkhouders van de Westerse cultuur lijkt op te eten: het gedrukte boek. In die melodramatische omstandigheden wordt het verzameld werk nog meer dan vroeger een ultieme consecratie van de literaire tekst – onterecht. En elk gesprek hierover is een gesprek over de traditie, dat residu van onze kritische conflicten, over de plaats die we literatuur geven in onze samenleving.


Intellectuele emancipatie

Het eerder hysterische beeld van de letteren als continent op drift is hyperrealistisch en idioot tegelijkertijd. Idioot omdat er geen nulpunt van de literaire conjunctuur bestaat. De dood van de literatuur is de afgelopen eeuw zo vaak afgekondigd dat je doemdenken alleen nog ideologisch kan lezen. Want na ondergang komt verlossing (als je tenminste je stinkende best doet), en dat is net wat de doorsnee doemdenker, genre Roger Scruton, predikt: de literatuur als seculiere versie van de geloofsleer. Het is ook een handige manier om aan esthetisch verantwoorde uitsluiting te doen, want de ware doemdenker zal steeds weer nieuwe veronachtzaamde meesterwerken en ten onrechte vergeten schrijvers bejammeren. Zo bekeken is een traditie niet meer dan een hoogdravend gezelschapspel, met winnaars en verliezers. Ook het publiek, dat verondersteld wordt de traditie te eren en over te dragen, wordt met uitsluiting geconfronteerd. De Franse filosoof Jacques Rancière heeft die systematiek beschreven in De onwetende meester. Vijf lessen over intellectuele emancipatie.
Ongelijkheid is helaas van alle tijden. Rancière tracht aan te tonen hoe die ongelijkheid in stand wordt gehouden, vaak met de beste bedoelingen. Als tegenvoorbeeld vertelt Rancière het verhaal van de negentiende-eeuwse Franse professor Joseph Jacotot. Toen die in 1818 in Leuven lesgaf aan Vlaamse studenten die geen Frans spraken, besloot hij een experiment op te zetten. Jacotot liet zijn studenten zelf Frans leren met behulp van een simultaanvertaling van Les aventures de Télémaque van Fénelon. Het werkte. In plaats van zijn studenten te onderrichten op klassieke wijze, leerde hij hen een vreemde taal zonder les te geven. Op basis van dit experiment ontwikkelde Jacotot de theorie van de gelijke intelligentie. De klassieke relatie tussen leraar en leerling bestendigt de ongelijkheid, want er blijft altijd iemand die kennis bezit en iemand die kennisarm is. Jacotot draait de zaak om. Iedereen kan zijn eigen leraar zijn, mits discipline en eigen initiatief. Hoe moeilijk zo’n theorie van en voor autodidacten ook met de praktijk te verzoenen valt, Rancière’s interpretatie van Jacotot sluit aan bij de manier waarop een literaire traditie kan worden doorgegeven.


Bevrijd de onwetenden

Zou het, in navolging van Rancière, niet ondenkbaar zijn dat lezers hun literaire voorkeur zelf bepalen en dus meester worden van hun eigen leescultuur? Zo’n ontwikkeling – die eerder een vaststelling is – zou dan in contrast staan met de hiërarchische indeling van de klassieke literaire cultuur: een machtstructuur met priesters, diakens, dogma’s, rituelen en beate gelovigen. De vermeende ondergang van de leescultuur heeft dan te maken met het tekort aan leraars, net zoals monotheïstische erediensten kampen met een tekort aan geestelijken en dus aan intensiteit inboeten. De beate lezers moeten dus in dit scenario weer op het rechte pad worden gebracht, met behulp van leesbevorderingmissies, bijscholing en schuldbesef. Zij moeten weer gekerstend worden. Als godgewijden in de letteren willen de doemdenkers en hun paladijnen aanwezig zijn bij lichamelijk en materieel behoeftigen. Ook de hongerende mens op zoek naar levensvervulling en bekering maakt het voorwerp van hun bijzondere zorg uit. Het woord wordt verkondigd in canonieke en deutero-canonieke boeken: teksten die de kernboodschap van de cultus op sublieme wijze uitdrukken.
Elk verzameld werk is zo’n deutero-canonieke bron: canoniek materiaal (gekende of geprezen teksten dus) wordt samengebracht met onbekende werken, miscellanea en paralipomena. Die collecties krijgen dan meestal onder het label ‘verzameld werk’ een tweede kans. Het verzameld werk bevat eigenlijk niets nieuws, behalve de belofte dat minder gekende teksten verrassingen opleveren en dat de schrijver ervan zijn plek in het pantheon heeft veiliggesteld. Het verzameld werk vormt dan een relikwie die contemplatie bevordert, maar ook duidelijk maakt dat velen dat niveau niet bereiken. Het blijft een legitieme manier om literatuur te verkopen, maar heeft een andere betekenis gekregen. Steeds minder biedt een verzameld werk een strategie die de beschikbaarheid van literatuur bevordert, omdat de beschikbaarheid niet meer afhankelijk is van het fysieke boek. In een razend tempo wordt het geheugen van de Westerse cultuur gedigitaliseerd en gratis ter beschikking gesteld via immense platformen, zoals Europeana of DBNL. Tot voor kort hing de digitalisering af van het feit of een literaire tekst rechtenvrij was. Gelukkig maken we nu het ontstaan mee van een businessmodel voor gedigitaliseerde niet-rechtenvrije teksten. Net als bij andere mediaproducten worden de keuzemogelijkheden een belangrijke factor voor de literatuur; je kan een fysiek boek kopen, én een digitale versie die je down- en uploadt. Die ontwikkeling zal ongetwijfeld een grotere fragmentering van de literatuur teweegbrengen, net zoals de iPod de manier heeft veranderd waarop we muziek beluisteren. Het analoge verzameld werk wordt een (mythisch) object dat de Literatuur vertegenwoordigt, een simulacrum.
De digitalisering zorgt voor een totale beschikbaarheid die even totalitair kan zijn als de klassieke canonvorming. In de analoge oudheid deed het gerucht de ronde dat er ‘ingewijden’ waren die de literaire canon bepaalden of dat er een literaire canon bestond die de essentie van de cultuur, de gemeenschap, het morele bestel bewaarde. Het verzameld werk was een van de monumenten van een cultus, die het voordeel van de duidelijkheid bood en leed aan systeemdwang. Vandaag kunnen we dat verleden niet meer beleven. We kunnen het alleen nog bestuderen – overigens een waardevolle en noodzakelijke daad. Op klassieke wijze een canon samenstellen en doorgeven, staat haaks op onze hang naar keuzemogelijkheden. De toekomst en het verleden van de literatuur worden minder bepaald door afgewogen oordelen of de werkelijk bestaande morele waarde van teksten, dan wel door de wet van Moore – naar Gordon Moore, een van de oprichters van Intel. Die wet stelt dat het aantal transistoren op een computerchip door de technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt. De universele bibliotheek van Borges was een prachtig concept, zolang het alleen bestond op papier. Het plan is op zo’n uitmuntende wijze verwezenlijkt, dat we met zijn allen verdwalen in het digitale labyrint.
De mogelijkheden zijn immens en voor iedereen bereikbaar. Bovendien is de onwetende meester de regel geworden. De kennis van het hogere vormt niet meer de kern van een cultuur die door de meerderheid wordt beleden, maar is een optelsom van individuele ervaringen, die worden uitgewisseld met anderen. Een verzameld werk kan een bron van unieke leeservaringen zijn, maar heeft geen sacrale waarde meer.


Verbied de verbieders

Er bestaan nu eenmaal verschillen tussen mensen en groepen. Die verschillen zijn echter niet altijd ongewenst, wraakroepend of contraproductief. Zo is literatuur elitair omdat niet om het even wie goede boeken kan schrijven en niet iedereen de literaire traditie deelt. Maar de manier waarop er in literatuur wordt gereflecteerd over de werkelijkheid is voor iedereen bedoeld, of je nu op zoek bent naar verstrooiing, zingeving of een geschenk voor je lief. Het dilemma van cultuurrelativisme is dat je wel weet wat literatuur kan zijn, maar dat je niet mag zeggen wat het moet zijn. Het oordeel wordt ingeruild voor het compromis, zodat er geen sprake meer kan zijn van een canon en zodat het verzameld werk een souvenir wordt: je hebt nu die honderden bladzijden van zo’n schrijver gekocht, maar doe je ermee?
Het lijkt ondoenbaar om die ontwaarding te stoppen. Zeker als je de lat te laag legt, voegen cultuurpessimisten daar grif aan toe. De leescultuur wordt een chronisch gebrek aan kennis verweten. Enerzijds is het onmogelijk om de klok terug te draaien en de artes liberales weer te propageren op scholastieke wijze, anderzijds is het onmenselijk onderwijs te laten bepalen door de bruikbaarheid ervan en dus het vormingsideaal volledig los te laten. Die patstelling heeft tot de gekende excessen geleid: vorming is vervangen door rendement en nut, jonge mensen worden benaderd als eencellige idioten en curricula werden aangepast om ‘nauwer aan te sluiten bij hun leefwereld’. Rond heel die infantilisering is een industrie gebouwd die carrières en politieke mandaten produceert. In die context wordt een verzameld werk uitsluitend nog gemaakt voor bejaarde lezers die zich de oude cultuur nog in zich meedragen. Ontsnappen uit die impasse lijkt onmogelijk.
Een groot probleem is echter de doctrinaire gelijkheid die in het onderwijs heerst, en die door de rest van de samenleving wordt overgenomen. Die gelijkheid wordt steeds strenger opgelegd, met als recentste hoogtepunt de loterij die door de Franse gemeenschap werd georganiseerd om de schoolinschrijvingen te regelen. Laat dit nu net een praktijk zijn die Rancière niet afschrikt. Vorig jaar nog stelde hij voor om het Franse staatshoofd met een loterij te laten verkiezen. Dat zou een legitiem resultaat op leveren, omdat we volgens Rancière ontzettend gelijk zijn. Ondanks alle inspanningen is net die gelijkheidsdoctrine er niet in geslaagd om voldoende gelijke kansen en sociale mobiliteit te creëren, bijvoorbeeld voor kinderen van zwakkere groepen. De oorzaak zit misschien in onze opvatting van gelijkheid, stelt Rancière. In plaats van de gelijkheid als een doel te zien, ervaart hij die gelijkheid als een principe. Als je van gelijkheid een doel maakt, zegt Rancière, dan ga je ervan uit dat er sukkelaars bestaan die je tot volwaardige mensen moet omvormen (door onderwijs of bijstand). Bijna elke ‘natuurlijke’ verantwoording van ongelijkheid (aanleg, macht, afkomst, leeftijd, afkomst) wordt vandaag onaanvaardbaar geacht. Gelijkheid van rechten en plichten voor alle burgers vormt de ruggengraat van onze grondwet. Daarom legitimeren we sociale ongelijkheid vaak door te verwijzen naar de intellectuele ongelijkheid. Kortom, mensen zijn achtergesteld omdat we ze niet slim genoeg maken. Volgens Rancière is het net die logica die de ongelijkheid bevordert. Hij pleit daarentegen voor een herwaardering van de intellectuele emancipatie. Het is wel degelijk mogelijk om jezelf aan de omstandigheden te ontworstelen en hogerop te geraken. Rancière volgt hier de inzichten van Jacotot: emancipatie is een individuele uitdaging en kan geen collectieve politiek bepalen. Ze vormt geen onderwijssysteem en geen culturele onderneming. Maar emancipatie kan telkens weer het bewijs leveren van de gelijkheid van het intellectuele vermogen.
Hoe hoopvol die boodschap ook is, het blijft onduidelijk wat je ermee kan kopen. Tenzij je emancipatie een rol laat spelen in het gebruik van web 2.0 en daardoor de dreiging van een literatuur- en traditieloos universum omvormt tot een enorme kans, een niet eerder in de geschiedenis vertoonde kans om een kennissprong te maken die in potentie iedereen begunstigt.


Op zoek naar lezers

Uiteraard is een nieuwe schoolbus en een degelijk uitgerust klaslokaal van het allergrootste belang, net zoals het primordiaal is dat een landmeter kan meten en een metser kan metsen. Maar de intrinsieke intellectuele emancipatie kan niet worden aangeleerd als een vaardigheid, hoe graag we dat ook zouden willen. Je kan mensen wel vormen zodat ze tot emancipatie in staat zijn, en die emancipatie moet een centrale rol krijgen in de samenleving. De literatuur moet een nieuwe plek vinden in die constellatie.
Verzamelde werken worden gelegitimeerd door verzamelaars en mensen die niet meer overtuigd moeten worden. Lezers lezen echter geen verzamelde werken, maar losse teksten of apart uitgegeven romans. Een verzameld werk kan ons de mogelijkheid bieden om ruwe diamanten uit de collectie op te delven en die vondst te gebruiken om andere lezers te overtuigen. In Le Nouvel Observateur schreef Philippe Sollers eind vorig jaar een ontroerend stuk over de verzamelde tv-kritieken van François Mauriac, de katholieke Franse Nobelprijswinnaar die zo’n verpletterende invloed heeft gehad op Nederlandstalige schrijvers van zijn generatie, Gerard Walschap op kop. In die tv-kritieken komt Mauriac naar voren als een genadeloos observator die de brug slaat tussen zijn wereld van gisteren en de moderniteit. Zo’n vondst noopt tot herlezen (bijvoorbeeld de roman Le Nœud de vipères) van een oeuvre dat toch eerder een belegen of degelijke indruk wekt – zo heeft leescultuur altijd gewerkt. Maar goed, dat inzicht van Sollers vergt toch wel wat voorkennis. En omdat die voorkennis gemiddeld genomen gering zal zijn, verliezen velen hun koelbloedigheid en roepen ze op tot een met zachte dwang uitgevoerde intellectuele (maar eigenlijk morele) heropvoeding van de massa, die zo’n oekaze uiteraard op gejuich zou ontvangen. Daar sta je dan met je verzameld werk.
Op de marktplaats worden roepers bevoorrecht, of het nu om zemenlappen of romans gaat. Web 2.0 vertoont veel gelijkenissen met de markt, omdat de rangorde allesbepalend is. Toch kan die literatuur niet zonder geheugen, zonder teksten en feiten die niet noodzakelijk in een rangorde zichtbaar zijn. Sterker nog, literatuur is verleden tijd. De spanning tussen literatuur en werkelijkheid wordt gemeten aan de herinnering en haar vele vermommingen. Elke poging om bij de tijd te blijven lijkt gedoemd om te mislukken, zeker nu literatuur enigszins machteloos achter de grote hedendaagse vormvernieuwing aan hinkt. Negentiende-eeuwse meesters als Balzac en Dostojewski ontwierpen kathedralen, monumentale romans die de paradoxen van hun tijd huisvestten. Hun leesbaarheid is de onze niet meer. Na twee wereldoorlogen, radio, tv en de globalisering beleven we een alomvattende pluraliteit van morele ijkpunten, geloofsovertuigingen, groepsmythes en culturele sferen. In een ijltempo verbreedt de kloof tussen burgers die zich goed voelen bij dat nomadische bestaan en burgers die zich in hun diepste wezen bedreigd weten door de genadeloos oprukkende wereld. Beide groepen hebben gelijk. Het probleem is dat er nauwelijks nog over een gemeenschappelijke taal beschikken om die ervaringen uit te wisselen en begrip te tonen. In een ideëel verleden is literatuur zo’n taal geweest, zeker toen de geschreven cultuur nog een natievormende dimensie of een morele betekenis had. Uiteraard houdt die toestand al zeer lang aan. Maar web 2.0 heeft die ontwikkeling fundamenteel versneld. We zijn op zoek naar lezers, naar elkaar, naar deelgenoten, naar onszelf. Web 2.0 helpt en hindert ons bij die vermoeiende oefening, drukt ons met de neus op de feiten: literatuur is op zoek naar een tweede adem, naar een doorleefd verband, naar deelgenoten, naar mede-autodidacten.
Nee, dan het verzameld werk. Traag, lomp, afstandelijk, meer verplichting dan keuze, en om die reden alleen al niet geschikt voor de hedendaagse consument. Gemakkelijk slachtoffer van het culturele populisme: wie koopt die dingen nog? In al zijn onhandige overdaad bezegelt het verzameld werkt het lot van de moderne schrijver. Hij opereert in een negorij die verlicht moet worden.

Meer is meer

Alles is leesbaar en beschikbaar, dankzij web 2.0. Dit verandert de inzet van heel wat discussies op fundamentele wijze. Meer is meer. Bereikbaarheid wordt ogenschijnlijk steeds minder een issue. Dat er steeds meer boeken worden gemaakt, lijkt echter steeds minder keuzemogelijkheden op te leveren. Het grootste deel van de tijd weten we eenvoudigweg niet wat er is verschenen. Alle mainstreammedia hebben het opgegeven om voluit te berichten over literatuur. Ook zij zijn niet bij machte om alle nieuwigheden te rapporteren, en bovendien past die bezigheid in geen enkel zakelijk profiel. De media hebben de volwassenheid bereikt en dus moeten ze keuzes maken. Volledigheid en grondigheid zijn symptomen van een vieze ziekte. Als het belijden van aperte onbenulligheid en apodictische prietpraat garant staat voor orgiastische ervaringen, dan bieden hedendaagse media de tantrische variant aan. In de Spaanse herberg van de media is zelfs het vinden van goed beargumenteerde nieuwskeuzes een heikele onderneming. En als dit voor literatuur al zo moeilijk is, hoe erg moet het dan niet gesteld zijn met de ernstiger dingen des levens, de berichtgeving over onze democratie, politiek, internationaal nieuws. Terwijl het aantal manieren waarop we nieuws vergaren de afgelopen jaren exponentieel is toegenomen, lijkt het nieuws anoniemer te worden. Dat is een kantelmoment voor de publieke toekomst van de literatuur.
Net als het schrijversschap is het verzameld werk belangrijker dan de onderdelen. Of je nu de schrijver beleeft als een volledig autonoom subject dat teksten aflevert als resultaat van de innerlijke zieleroerselen, of je beschouwt die schrijver als een modernistische mimespeler die op kritische wijze de wereld tracht te bezweren, literatuur heeft een sterk generiek karakter. Om literatuur een rol te laten spelen bij web 2.0 is het wenselijk om daar tegenin te gaan en elke literaire tekst zijn eigenheid en perspectief te laten bewaren; als beleving van de romantische autonomie of van de avant-gardistische drang om de beperkingen van diezelfde autonomie te doorbreken.

Mag ik dit gesprek van u?

Het openbare gesprek over literatuur heeft lange tijd de waarde van teksten en hun schrijvers bepaald, en heeft zelfs een bijdrage geleverd aan de opbouw van de moderne samenleving. Dat is nu niet meer zo. Het humanisme als historisch fenomeen, de door een grote groep mensen gedeelde studie van de bronnen van de westerse beschaving, is voorbij. In het beste geval is het humanisme vervangen door archiefonderzoek. Het publieke debat hierover heeft de vorm aangenomen van archeologie waarvan de resultaten op colloquia worden besproken.
Omdat ook mainstream media afhaken, verhuist het openbare gesprek over literatuur naar festivals, ‘amateurs’, poëzieavonden, bloggers, leesclubs, zelfhulpgroepen, bekende mensen die eindejaarsvragen beantwoorden, en hopelijk zoveel mogelijk naar het net. Die losvaste vereniging van enthousiastelingen is vaak nog de enige omgeving waar literatuur in de volle breedte aan bod komt en waar blijkt dat de literaire ervaring ten enenmale de ontspanningscultus overstijgt.
Dit alles heeft uiteraard alleen zin als de legitimering van literatuur mee de betekenis ervan bepaalt. Elk onderdeel van ons dagelijkse leven kan worden losgekoppeld van zijn betekenis. En dat geldt zeker voor literatuur, schrijvers en teksten, die ook een bestaan als consumptieartikelen leiden. In die context heeft een verzameld werk evenveel betekenis als een familieverpakking koekjes of een belachelijk dure sierlamp. Het verzameld werk kampt met een niet gering aantal mogelijke nadelen: de kostprijs is immens, de auteur of zijn erven liggen dwars, de editeur haalt de deadline niet, (delen van) archieven blijven gesloten, het object is een logistieke ramp (vanwege het gewicht of de omvang) en heeft een nadelige impact op de balans, voorraadschuwe boekhandels geven niet thuis, ketens bestellen niet wegens de geringe commerciële verwachtingen, media bespreken het verzameld werk niet wegens te moeilijk (of ze bespreken het eerste deel als evenement en daarna niets meer; of er wordt geen recensent gevonden).
Zonder het grote gesprek over literatuur verliest een verzameld werk zijn functie. Zo’n alomvattende collectie teksten geeft aan ingewijden van de literaire cultuur de kans om de deur naar de schatkamer te openen. Maar dan moeten er wel voldoende ingewijden of souvenirjagers zijn. Een discussie over de canon wordt niet zelden gevoerd om een status quo in stand te houden en dus argumenten te vinden die pleiten voor de ongelijkheid in kennis. William Marx is het archetype van de diepe denker die de toegang tot de tempel wil beperken tot een select publiek. Dat de literatuur niet de status heeft die ze zou moeten hebben, beweert Marx in zijn potsierlijke essay Het afscheid van de literatuur, heeft niets met de literatuur te maken, maar met de instelling van het publiek. De lezer is namelijk een luiaard die voor gemak en ontspanning kiest.
In de redenering van Rancière is de canon geen oplossing, maar een groot deel van het probleem. De manier waarop de afgelopen jaren in Nederland en helaas ook steeds vaker in Vlaanderen een literaire canon misbruikt wordt als ideologisch instrument (bij gemeenschapsvorming of inburgering) bevestigt dit. Bijna zonder uitzondering wordt er van zo’n canon een negentiende-eeuws waanbeeld geschetst: een eentalig, monocultureel, homogeen (en analoog) systeem dat op ieders hard schijf moet worden gezet. Het is alsof de literatuur wordt teruggebracht tot een zuivere allegorie. Een wereld die uitsluitend naar zichzelf verwijst en daardoor ten langen leste betekenisloos wordt, omdat zij elke band met de werkelijkheid ontbeert en die werkelijkheid zelfs verloochent. Die vermaledijde werkelijkheid is immers zowel vlak, chaotisch, eenvoudig en onbegrijpelijk. In die omstandigheden wordt het belang van literatuur groter, niet het verzameld werk, maar vooral de schrijver die in zijn verhalen literatuur en werkelijkheid op elkaar loslaat.
Dit is allesbehalve een pleidooi voor sentimentaliteit, toegepaste literatuur en gelegenheidslyriek, maar wel voor literatuur die door een meerderheid wordt beleefd als een belangrijk communicatiemiddel. In plaats literatuur te gebruiken als een excuus voor het tekort aan gelijkheid van onderwijskansen, de ontlezing, de ondergang van het avondland, de problemen van de multiculturele samenleving, de neergang van de ‘kwaliteitsmedia’, of de kloof tussen ‘het volk’ en ‘de elite’, zouden we de literatuur moeten teruggeven aan de literatuur: door haar te behandelen als een zichzelf permanent vernieuwend hedendaags medium, dat zowel analoog als digitaal is, en door meer vertrouwen hebben in het oordeelsvermogen van de lezer als individu. Het is vandaag de vandaag de enige toekomstgerichte optie, tenzij je de literatuur de plek wil geven die keramiek in de beeldende kunst heeft: een sympathieke, wat achterhaalde techniek. In dat opzicht is het verzameld werk doorgaans een oefening in heimwee naar een overzichtelijke wereld. Een lege doos dus, die we opnieuw moeten vullen.

Harold Polis

Bronnen

Paul Greenberg, ‘Bail out the writers!’, in: The New York Times van 9 december 2008.
William Marx, Het afscheid van de literatuur. De geschiedenis van een ontwaarding 1700-2000, Vertaling Katelijne De Vuijst, Querido, 2008.
Jacques Rancière, De onwetende meester. Vijf lessen over intellectuele emancipatie. (Vertaald en ingeleid door Jan Masschelein), Acco, 2007.
Philippe Sollers, ‘Mauriac à la une’, in: Le Nouvel Observateur van 27 november 2008.

(Deze tekst verscheen, onder de titel 'De lege doos', in het allerlaatste nummer van het tijdschrift Yang, nummer vier van de jaargang 2008.)

dinsdag 17 maart 2009

Workshop boekencultuur anno 2009

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
KASK & Hogeschool Gent nodigen uit:

Het boek: wat/nu?
Studiedag over de toekomst van het boek

Donderdag 23 april 2009 in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, Hogeschool Gent
Van 9 AM - 6 PM
Registratie: 10 euro, gratis voor studenten

Schrijf je in op deze webpagina.

Het boek is een ding, een artefact, een leesmachine. Een boek wordt geschreven, gezet, vormgegeven en uitgegeven. Deze evidentie wordt anno 2009 op de helling gezet. De digitale revolutie richt volgens sommigen veel schade aan: mensen ‘lezen’ niet meer intensief, maar zappen, lezen heel fragmentair en oppervlakkig. Er is een grote discrepantie tussen analoog en digitaal lezen.

Het ‘papieren boek’ wordt bedreigd. Andere leesattitudes dringen zich op. Men leest fundamenteel anders op een scherm, een e-book of de gsm. Ook de uitgevers van boeken, kranten en tijdschriften begeven zich op virtuele paden. Het is evident dat ook typografen en vormgevers voor nieuwe uitdagingen staan. Er zal immers meer aandacht en energie besteed worden aan lettertypes voor het scherm.

Auteurs, kunstenaars en lezers schuwen het experiment niet. Gesofisticeerde software en apparatuur prikkelen de cultuurminnaar.

Het ‘papieren boek’ is dus ‘maar’ een medium onder de media geworden. Zijn wij, de nieuwe lezers, op weg naar een nieuwsoortig elektronisch humanisme?

Programma

Voormiddag (Lezingen):

9.00: onthaal & koffie
9.30: inleiding Danny Dobbelaere
10.00: Uitgeven in 2009/De toekomst van het uitgeven: Philip Vanneste (Innovatiecentrum, Kortrijk)
10.30: Paper events. Archeologie & actualiteit van het kunstenaarsboek: Johan Pas (Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen)
11.00: pauze (koffie)
11.30 uur: Schermtypografie (of: lezen, schrijven en zetten tussen analoog en digitaal): Fred Smeijers (letterontwerper/professor digital typography aan de Hochschule für Grafik und Buchkunst, Leipzig)
12.00: E-literatuur. De schrijverlezer; hypertext; literatuur als verbale kunst; naar een nieuwe tekstcultuur...: Arie Altena (Frank Mohr Instituut Interactive Media and Environments Groningen)

12.30: lunch

Namiddag (Workshops):

14.00: inleiding workshops
14.30: start workshops (verschillende locaties)
1/ Uitgeven in 2009
Harold Polis (Meulenhoff/Manteau)


2/ Kunstenaarsboek
Hans Theys (Uitgever/docent KASK)

3/ Schermtypografie
Gerard Unger (letterontwerper/professor typografie Leiden, Reading)

4/ E-literatuur
Dirk Leyman (De Morgen)

5/ Meertalige typografie
Jo De Baerdemaeker (letterontwerper /doctorandus Reading University)

16.30: Plenaire zitting/verslaggeving;
coördinatie: Hans Vandevoorde (VUB/UG)
Aansluitend: Slotwoord Gerard Unger
18.00: einde

Tentoonstellingen in de marge:
-topstukken uit de collectie van de bibliotheek en het archief KASK
-boekwerken van studenten

Adres:
Lezingen in zaal Horta, KASK, Jozef Kluyskensstraat 2, 9000 Gent.

zondag 1 maart 2009

Rolande met de Bles


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Elisabeth Teissier speelde Rolande in de kille verfilming van Roland Verhavert. Hier een van haar andere glansrollen, Moira in de B-film La rose échorchée.)

Dat het allemaal potverteerders en profiteurs zijn. Beleggers wisten toch waaraan ze begonnen? Al die aandeelhouders, grootkapitalisten, herenboeren: naar de openbare onderstand ermee, of een derderangsstrand in Turkije. Tot slot sturen we Rolande met de bles op hen af, de vervaarlijke lichtekooi uit de lichtstad. Geen familiefortuin ontsnapt aan haar roofzucht. Die Parijse slet is het hardste personage dat Herman Teirlinck heeft bedacht. Ongrijpbaar en verpletterend tegelijk. Ze knijpt de gefortuneerde mannen die voor haar charmes vallen zachtjes dood.

Teirlinck is al een oude man wanneer hij de sensuele verwoestingen beschrijft die Rolande aanricht. Dat schrijven ging niet zonder slag of stoot, getuige de doorwrochte titel: Rolande met de Bles. De XXXX brieven aan Rolande door Renier Joskin de Lamarache. Nederlandse tekst met liminaire nota (1944). Aanvankelijk wilde Teirlinck het boek zelfs in het Frans beginnen, in een poging om de Franse briefroman te benaderen. Net als in Les Liaisons Dangereuses van Cholderlos de Laclos brengt Teirlinck de dwaalwegen van de verleiding zo meedogenloos mogelijk in kaart. Het verhaal wordt geënsceneerd als een schaduwgevecht. Rolande komt in de roman nergens rechtstreeks aan het woord. Het drama wordt tot leven gewekt in de brieven die de Brabantse adelborst Renier de Lamarache aan Rolande stuurt.

In Les Liaisons Dangereuses is het de pruikentijd die eraan moet geloven. Het Franse ancien régime wordt in dat boek voorgesteld als het toppunt van decadentie en corruptie. Ook Teirlinck toont een samenleving die aan zichzelf ten onder gaat. Renier vecht tijdens de Eerste Wereldoorlog als piloot aan het front. In 1917 ligt hij halfblind in een Parijs ziekenhuis, waar hij wordt verzorgd door een verpleegster met wondere gaven, Rolande genaamd. Wanneer Renier haar na de oorlog weer opzoekt, blijkt ze in een peperdure hoerenkast te werken. Een schoonheidssalon, zo noemt Teirlinck het. Dat klinkt uiteraard preutser dan het is.

In die Académie de Beauté wordt de sensualiteit bedreven als een wetenschap. Dat maakt een enorme indruk op Renier, die besluit om er zijn erfenis in te investeren. Vanaf dan loopt het fout. Want Parijs is ver weg van zijn plechtstatig kasteel aan de rand van het Pajottenland, tussen Edingen en Halle. Renier denkt en handelt als een bezetene. Hij laat zijn verloofde in de steek, schoffeert zijn familie en dumpt zijn enige zoon bij de paters jezuïeten. Halsoverkop vlucht hij naar Parijs, vast van plan om zich in de armen van Rolande te storten. Uit Reniers brieven blijkt echter dat hij jaagt op een schim. Rolande verzint de ene uitvlucht na de andere om Renier te ontwijken. En wanneer Rolande uiteindelijk toch toegeeft en korte tijd in zijn Brabants kasteel komt wonen, nadat hij iedereen er heeft weggejaagd, draait de affaire op een volslagen mislukking uit. ‘Ik heb het aan mijn eigen tong gehoord wat ge dan zijt, mevrouw: de klassieke entôleuse, een alledaagse oplichtster, een slet.’

Alles in Rolande met de Bles ademt ondergang. Het geslacht van de Lamaraches sterft roemloos uit. Reniers eerste vrouw bezwijkt in het kraambed. Zijn enige zoon is gehandicapt – hij mist een hand. En Renier zelf, de trotse landjonker, vervolmaakt zich als talentloze fils-à-papa, een omhooggevallen drol die in de toekomst van gisteren leeft.

Niemand kan Rolande krijgen. En de man die het toch waagt om aan haar jarretelles te frunniken stort zichzelf in het verderf. Uiteraard valt die eer een Vlaming te beurt, een onnozelaar en plattelandsaristocraat op de koop toe. Iemand die zich veilig waant in zijn dorp en zenuwachtig wordt van de grootstad. Renier wordt overmand door een treiterig gevoel van treurnis. Het is geen razernij. Machteloosheid drijft hem in de armen van het ongeluk. En dat noodlot kan niet anders dan Parijs zijn, de plek die de passie vermoordt en dromen klein maakt. Het is een populair thema geweest bij de vele twintigste-eeuwse Vlaamse kunstenaars die een omweg langs Parijs hebben gemaakt. Lees Een zachte vernieling van Hugo Claus. Maar geen enkel personage uit die traditie handelt zo amoreel als de Rolande van Herman Teirlinck.

Rolande is zelfs prehistorisch slecht. Toen Teirlinck haar bedacht, werd hij ‘door de sappen der aarde met kracht aangegrepen’. Geheel in de sfeer van de late jaren dertig verheerlijkte Teirlinck de levenslust en de onoverwinnelijke natuur. Terwijl er toch bijzonder weinig te bejubelen was en vitalisten niet zelden warmliepen voor Hitler. Maar Teirlinck was nu eenmaal een onvoorspelbare man van ‘twaalf ambachten en dertien overwinningen’ (dixit August Vermeylen). En dus stelde hij moeder natuur voor als een hoer uit Parijs. Faut le faire.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Standaard der Letteren van 27 februari 2009.)

dinsdag 10 februari 2009

Een dubbellezing over e-books en ambachtelijke boeken

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
22 februari 2009 / 11 uur
Harold Polis en Rein Ergo
Een dubbellezing over e-books en ambachtelijke boeken

Kunnen het papieren en digitale boek samen bestaan? Is het e-book een hype van voorbijgaande aard of staan we werkelijk op een keerpunt? Wat is de plaats van het ambachtelijk vervaardigde kunstenaarsboek in dat nieuwe tijdperk? Welke relevantie heeft een boek dat zich bewust buiten zijn tijd plaatst?

Harold Polis, een overtuigd uitgever van papieren meesterwerken, durft in de toekomst kijken en heeft de mond vol van e-books en e-bookreaders. Hij toont hoe het digitale boek een perfecte (en zelfs welkome) aanvulling is op de gedrukte cultuur.

Rein Ergo sluit met de uitgave van kunstenaarsboeken aan bij de ambachtelijke traditie van le livre de peintre. Hij vertelt een verhaal over begeestering en passie, over behoedzaam benaderde schoonheid.

Harold Polis (º1970) is uitgever bij Meulenhoff/Manteau, verzorgde edities van werk van Louis Paul Boon, Marnix Gijsen en Jef Geeraerts en schrijft onder meer voor De Morgen en Streven.

Rein Ergo (°1960) is de drijvende kracht achter Ergo Pers, een uitgeverij van kunstenaarsboeken waarin schrijvers en beeldende kunstenaars, zoals Claus en Alechinsky, Kouwenaar en Constant, elkaar ontmoeten.

De lezing vindt plaats in de Nottebohmzaal van de
Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience

Hendrik Conscienceplein 4
2000 Antwerpen

Toegang 5 euro
Gelieve te reserveren
Reserveren kan op het telefoonnummer 03 206 87 10 of via mail op consciencebibliotheek@stad.antwerpen.be

Het verlangen naar een gemeenschap


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Helmut Kohl en François Mitterand houden elkaars hand vast aan de voet van het grote knekelkasteel Douaumont, nabij Verdun, op 22 september 1984.)


‘Neen, ik durf geen uitspraken meer te doen. Dit ging mijn begripsvermogen te boven. Had iemand me een paar maanden geleden gezegd wat er met sommige banken zou gebeuren, ik had gezegd: laat u verzorgen.’
André Bergen (CEO van KBC) in Trends, 23 oktober 2008

Het aantal Cassandra’s dat het rampjaar 2008 heeft voorspeld, neemt nog elke dag toe. Als de geschiedenis toeslaat, wil iedereen daar nu eenmaal bij zijn. In een verschroeiend tempo ontaardde de Amerikaanse kredietcrisis tot een globale implosie van de financiële markten. Grote delen van de westerse wereld zitten volop in een recessie. De meest dramatische scenario’s kondigen niet alleen het failliet aan van hele bedrijfstakken en industrieën die tot op heden ‘too big to fail’ leken, maar beloven ook de ondergang van staten. IJsland vormt de bevestiging van die trieste profetie. Hongarije, Wit-Rusland en Oekraïne bereiden zich voor om ten onder te gaan. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gaf IJsland een lening van ruim 2 miljard dollar.
Hetzelfde IMF veroorzaakte in de jaren negentig wereldwijd drama’s door leningen te verstrekken in ruil voor een orthodoxe deregulering van de lokale economie: Mexico (1998), Argentinië (2001), Brazilië (1998), Rusland (1998) of Thailand (1997). De lijst is indrukwekkend pijnlijk en krijgt dramatische proporties in het revelerende Globalization and Its Discontents van Nobelprijswinnaar economie Joseph Stiglitz. In plaats van landen in ontwikkeling of in nood bij te staan met financiële middelen en expertise, heeft het IMF zich lange tijd gedragen als een blinde zeloot van de doctrine van de onzichtbare hand. Het was Adam Smith die dat klassieke begrip muntte: ‘de onzichtbare hand’ in het economische systeem zorgt ervoor dat er een zo groot mogelijke welvaart voor iedereen tot stand komt. De werkt niet altijd, zo stelt Stiglitz, zeker niet in een eerder onduidelijke economische omgeving waar de markt onvoldoende sterk is uitgebouwd. En toch legde het IMF haar doctrine op zonder rekening te houden de lokale context. Toen de Thaise baht in 1997 in elkaar stortte, duurde het niet lang eer ook de reële economie onderuitging. Intussen hadden heel wat Aziatische economieën, munten en beurzen slagzij gemaakt. IMF of geen IMF.

Destijds zat ook Singapore in het oog van de storm. Ongetwijfeld is dit voor Singaporees Kishore Mahbubani, die op dat moment een hoge diplomatieke post bekleedde, een bepalend moment geweest. Het verklaart zijn virulente kritiek op het IMF, een organisatie die aan legitimiteit inboet omdat ze onder meer geen rekening houdt met de werkelijke economische machtsverhoudingen. Het zijn de Verenigde Staten en Europa die in het IMF tot op heden de lakens uitdelen, terwijl de BRIC-landen Brazilië, Rusland, India en China volgens de cijfers recht hebben op meer invloed. Dat conservatisme noemt Mahbubani haast suïcidaal en surrealistisch. In De eeuw van Azië beschrijft hij hoe op wereldniveau de macht verdwijnt uit het Westen en naar het Oosten verhuist: ‘Het is ook duidelijk dat de grote denkers van dit moment, vooral die uit het Westen, klemzitten in het verleden en niet bereid of in staat zijn onder ogen te zien dat ze hun wereldbeeld moeten bijstellen. Als ze dat niet doen, zullen ze strategische fouten maken, mogelijk met rampzalige gevolgen.’
Azië, daar zit nog muziek in de handel en zijn de mensen hongerig naar vooruitgang. De stringente morele bezwaren die westerse landen opperen bij de autarkie en de dictatoriale demarches van de Chinese staat zijn achterhaald, zegt Mahbubani. Het argument dat ‘de internationale gemeenschap’ gelijkstaat met het Westen is betekenisloos, want het houdt geen rekening met de 5,6 miljard mensen die niet in het Westen wonen. De beschaving beperken tot het Rijnlandmodel houdt geen steek. Het is namelijk ook een feit dat door de communistische maakbaarheid honderden miljoenen mensen omhoog zijn gestuwd, gevoed en onderwezen. Dat Aziatische nationalisme is geen novum. Lang voor de desastreuze geldcrisis verkondigden allerhande despoten reeds dat de westerse superioriteit op los zand berustte en dat de democratie niet toepasbaar was op de Aziatische wereld. De voormalige Singaporese premier Lee Kuan Yew was een van de herauten van de zogeheten Aziatische waarden. Volgens hem zijn Aziaten meer geïnteresseerd in stabiel leiderschap dan in democratie. De rol van de overheid mocht aanzienlijk zijn. Bovendien speelden westerse dogma’s als persvrijheid, mensenrechten en individualisme geen zaligmakende rol. Mahbubani gaf die inzichten vlijtig weer in het controversiële Can Asians Think?
Afrika is een acuut voorbeeld van de toegenomen Aziatische macht. Zo pompt China massale hoeveelheden geld in Congo, in ruil voor grondstoffen. Er zijn geen morele voorwaarden verbonden aan de Chinese investeringen, in tegenstelling tot de hulp en samenwerking die België biedt. Het corrupte regime van president Kabila lijkt eerder een objectief voordeel te bieden. Mahbubani omschrijft die tendens als een ontwestersing, als de delegitimatie van het westerse gezag. Vele feiten geven hem gelijk. Na de zoveelste escalatie in Noord-Kivu opperde minister van Buitenlandse Zaken De Gucht in november het plan om Europese, en dus ook Belgische, troepen toe te voegen aan de Monuc-vredesmacht. Dat ging niet door. Het militaire contingent bestaat momenteel voor het grootste deel uit Bangladeshi, Indiërs, Pakistani en Uruguayanen, Nepalezen en Zuid-Afrikanen.
Europa levert geen kanonnenvlees, en beperkt zich in hoofdzaak tot oekazen, verontwaardiging en diplomatie. De rol van België lijkt af te stevenen op een symbolisch minimum, dat bovendien grotendeels uit vervagende herinneringen bestaat. Die ontwikkeling wordt nog kracht bijgezet door de Belgische communautaire crisis. In een niet onverdienstelijke poging aansluiting te vinden bij de cynische manipulaties van wijlen Joseph-Désiré Mobutu, die dankbaar gebruikmaakte van de tegenstellingen in de Wetstraat, gaf Joseph Kabila aan premier Yves Leterme de raad om leiderschap te tonen. Bij de eedaflegging als eerste verkozen Congolese president, op 6 december 2006, had Kabila al een voorschot op de ondergang genomen door ‘la fin de la récréation’ af te kondigen. Intussen staat zijn land alweer op de rand van een majeure regionale oorlog. België is bij het drama aanwezig als een notulant, net op het moment dat de honderdste verjaardag van het ontstaan van de voormalige kolonie wordt gevierd. Kongo-Vrijstaat ging op 15 november 1908 over in de handen van de Belgische staat. De Congolese historicus Isidore Ndaywel è Nziem, auteur van het naslagwerk Histoire générale du Congo, bestempelde in La Libre Belgique (15 november 2008) zeer zuinig de nationale grenzen en identiteit als de belangrijkste erfenis uit het koloniale tijdperk. Honderd jaar na Leopold II worden er carrières gemaakt door de Belgische grenzen te ontrafelen. De ironie van de geschiedenis in volle actie.

Nee, we weten het niet meer. We zijn ook niet meer wie we geweest zijn. Migratie, en dan vooral de illegale migratie, confronteert ons genadeloos met de zwakke punten van het systeem. Die illegale subculturen hebben een eigen netwerk met dienstverlening. Dit schimmige systeem laat het de illegalen toe om te overleven. Maar hun echte droom is een normaal leven te leiden en te integreren in de Belgische samenleving. Zolang ze echter geen verblijfsvergunning hebben is een volwaardige opname in die reguliere samenleving onmogelijk. Ze zijn gebonden aan een samenleving die hun verblijf niet erkent en dus hun rechten ter discussie stelt. Dit zogenoemde koppelingsprincipe (de volledige toegang tot de verzorgingsstaat blijft beperkt tot mensen met een legale status) vormt de kern van elke beleidsdiscussie over mensen zonder papieren.
Het is opvallend dat we beschikken over onvoldoende cijfermateriaal over de diverse aspecten van illegale immigratie. Alle auteurs van de onlangs verschenen essaybundel Grenzeloze solidariteit? pleiten voor meer onderzoek, maar ook voor een snelle en correcte asielprocedure die gebaseerd is op duidelijke criteria. Telkens weer worden er nieuwe juridische achterpoortjes gezocht om de legale status af te dwingen. Het bestaande beleid leidt tot overlevingsstrategieën, stellen Petra Heyse en Inge van Nieuwenhuyze in hun besluit bij het boek: ‘Wellicht zal elk nieuw beleid tot nieuwe strategieën leiden die hierop afgestemd zijn.’
Ook de reguliere samenleving zoekt naar overlevingsstrategieën. Het oude België, dat van het koloniale rubber en de inlandse delfstoffenindustrie, is opgehouden te bestaan. Het oude Vlaanderen, dat van de massale assemblage en productie van halfafgewerkte producten, is aan een zwanenzang bezig. Tegelijk zijn de negentiende-eeuwse demonen en illusies verdwenen. In een tijdvak dat zulke vernuftige hindernissen opwerpt voor iedereen die vooruit wil, zijn de communautaire disputen holle rituelen zonder publiek. De nationalistische drogredenen lijken elke dag meer op een incantatie van de duisternis die de vorige generaties hebben willen verjagen. Er rust een zware schuld op hen die de afgelopen twee jaar het compromis hebben weggehoond en een etnisch geïnspireerd discours hebben toegelaten.
De toekomst van de Belgische samenleving wordt, zeker in de centrumsteden, in sterke mate bepaald door burgers die niet noodzakelijk of niet in dezelfde mate behoren tot een ‘historisch gegroeide etnoculturele identiteit die mag gelden als primordiale autochtonie’. De schier wetenschappelijke definitie komt van N-VA boegbeeld Bart De Wever. Net zoals het geloof in de heropstanding van Jezus Christus voor een meerderheid van de bevolking een herinnering is geworden, heeft het nationalisme in Vlaanderen eigenlijk geen inhoud meer. Na de paarse jaren werd ook bij ons ‘la fin de la récréation’ afgekondigd, met een grote, voor sommigen finale, communautaire armworsteling als hoogtepunt. De Vlaamse instellingen bestaan echter al en werken goed, zodat de inzet van de discussie eerder administratief en logistiek gekleurd is. Als dat nationalisme is, dan een denkbeeldige variant, geen ideologie, maar een mythologie. Een herdenkingscultus van het aangedane leed, van de gebroeders Van Raemdonck tot de veroordeling van het Vlaams Blok door het Gentse Hof van Beroep. Een stichtelijk stripverhaal getekend in de weeë stijl van Joe English, met veel Keltische heldenkruisen en arrogante Franstalige officieren die Vlaamse boerenzonen, allemaal pacifisten en dichters in spe uiteraard, de dood injagen. Bij de recente 11 novemberviering aan de voet van de necropolis Douaumont greep de Franse president Nicolas Sarkozy de gelegenheid aan om alle gesneuvelden te herdenken. Na de entente van François Mitterand en Helmut Kohl in Verdun in 1984 is het uiteraard ingewikkeld geworden om nog origineel te gedenken. Maar dat is toch wat Sarkozy deed.
Sarkozy nam de talloze gefusilleerde soldaten van 1917 op in de eervolle herinnering. Een verzoening van dat gehalte is in Vlaanderen ondenkbaar, omdat we de geschiedenis van de afgelopen twee eeuwen zeer selectief beleven. Nog steeds wordt door velen de Eerste Wereldoorlog misbruikt om de haat tegen de Belgische staat te legitimeren. Uit de studie van het werk van de nationalistische propagandist Clemens De Landtsheer komt zeer scherp naar voren hoe belangrijk het was na de Eerste Wereldoorlog om de cultus rond de IJzerbedevaart zo strak mogelijk te leiden. Het is mede dankzij zijn film Met Onze Jongens aan den IJzer dat de clichés zo hardnekkig zijn. Maar goed, voor De Landtsheer en zijn gelijkgestemde generatiegenoten had die manipulatie nog een betekenis.
De nationalistische mythologie is vandaag een excuus geworden van mensen die het ook niet meer weten. Want wacht, hoe zat het nu weer? Nee, dan Wallonië. Daar wordt de Eerste Wereldoorlog veeleer vergeten, een opgraving niet te na gesproken. Deze zomer nog werden in het fort van Loncin de resten van soldaten De Bruycker, Desamore, Noé, Halain en 21 niet geïdentificeerde collega’s bijgezet in de crypte. Ze waren vorig jaar ontdekt tijdens de ontmijning van het fort. Die Belgische gesneuvelden passen uiteraard ook niet bij het Vlaamse slagveldtoerisme met weekendarrangement en streekgastronomie, dat door de Vlaamse regering als vervulling van de historische plicht wordt ervaren.

Misschien is er ook een positieve kant aan de vergeetachtigheid van onze samenleving. Als we dan toch per se de verzetstrijders, de weggevoerden, de gefusilleerden, de burgerslachtoffers, de dwangarbeiders, en de Franstalige en Brusselse militairen willen vergeten, dan kunnen we misschien meteen de hele oorlog vergeten. Doe maar meteen beide oorlogen. Dan beantwoorden we misschien aan wat Mabubhani een modern continent zou noemen, een plek waar mensen de blik op de toekomst gericht houden. De enige manier om dat in Europa te bewerkstelligen is door het politieke Europa meer uitvoerende macht te geven, zodat er een daadkrachtig en gezamenlijk economisch en sociaal beleid kan worden gevoerd. Net dat kunnen we pas doen als we ons onder meer bewust blijven van de oorzaken waarom de Europese Unie is ontstaan: oorlog. En zo belanden we door een wrede speling van het lot weer bij Douaumont, de gebroeders Van Raemdonck, Aimé Fiévez en al die andere ongelukkigen. Er is in onze tijd nog steeds geen andere optie dan de wreedheden en raadsels van de twintigste eeuw zo goed mogelijk te begrijpen.
Drie dagen voor het begin van die Eerste Wereldoorlog werd de socialistische voorman Jean Jaurès vermoord in een Parijs café, omdat hij een pacifist was, een internationalist en dus een verrader van het volk. Ruim honderd jaar later lopen in heel Europa de socialistische partijen voorop in de populistische haatmars tegen de Europese Unie, die al bezig is sinds het desastreuze Franse en Nederlandse referendum in 2005. En waar socialisten nog regeren, zoals in Nederland of in Wallonië, daar nemen ze de rol op van conservatieve patriotten die de kiezer de belofte van soevereine zelfbeschikking voorhouden. Ook hier dreigt Mahbubani weer gelijk te krijgen, omdat hij het Westen, ook economisch, ziet mislukken ten gevolge van isolationisme en kortzichtigheid.
Mahbubani predikt principes, partnerschappen en pragmatisme, drie eigenschappen die bijvoorbeeld niet werden getoond tijdens de zwartste dagen van de kredietcrisis. Op enkele tijd weken ging een aanzienlijk deel van de spaarquote die de westerse vergrijzing mee moet betalen in rook op. Een dieptepunt was de afwezigheid van Europa en de dolksteek van de nationalist Wouter Bos bij de ondergang van Fortis, die in wezen een Europese bank in wording was. Het verraad van Bos, dat eigenlijk ook het einde van de Benelux betekent, is wellicht het allersterkste symbool van een Europa in nood. Straks moeten we misschien nog blij zijn dat het IMF bestaat.

Bronnen

Christiane Timmerman, Ina Lodewyckx en Yves Bocklandt (red.), Grenzeloze solidariteit? Over migratie en mensen zonder papieren, Acco, Leuven, 2008.
Kishore Mahbubani, Can Asians Think? Understanding the Divide Between East and West, Random House, New York, 2001
Kishore Mahbubani, De eeuw van Azië. Een onafwendbare mondiale machtsverschuiving, Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2008.
Joseph E. Stiglitz, Globalization and Its Discontents, Norton, New York, 2003.
Roel Vande Winkel en Daniël Biltereyst, Filmen voor Vlaanderen, Roularta Books, Roeselare, 2008.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven, januari 2009).

En dan nu een streepje romantiek


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Julio Cortazar in een nis op de Pont Neuf, jaren vijftig. Toen kon een mens nog schaamteloos romantisch zijn. Cortazar kijkt even wezenloos voor zich uit als de gemartelde Chinees op die ene gruwelijke foto die Georges Bataille altijd bij zich droeg.

maandag 8 december 2008

"Zwaanst na nie!"

(De illustere Jan Schodts met de dames van de VTM-nieuwsdienst. Circa 1989, bij het prille begin van VTM. De zender werd van meet af aan verantwoordelijk gesteld voor de ondergang van het Avondland, afdeling Vlaanderen.)
Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Over 'De Seefhoek' in Panorama (BRT) van 17 november 1988.

Dit is een artikel voor wie zich arm maar proper voelt. Naar verluidt ging dat in de late jaren tachtig heel vlot. De kleine man was nog geen domme rechtse klootzak en socialisten deden nog aan klassenstrijd. Marx noemde de club der kleine mannen de Lazaruslaag van de samenleving. Zij waren geknecht, maar zouden hun rechten bevechten en heropstaan. Bij ons kregen de kleine mannen respect en vakantiegeld dankzij vakverenigingen, het sociaal pact en de preken van Jozef Cardijn. En toen kwam Paul Jambers. Hij doste zich uit in Pierre Cardin maar dacht aan Jozef. Jambers was de ongekroonde koning van het programma Panorama. De BRT leed aan duiding (zelfbevlekking die tot hoger bewustzijn leidt) en had geen ervaring met kijkcijfers (zelfbevlekking die het beendermerg wegvreet). Ja, dan Jambers! Hij laafde zich aan rauw realisme en schuwde de controverse niet. Journalistieke ingrepen bleven beperkt tot off-screen inleidingen. De camera liep ook op gênante momenten. En omdat het Vlaamse geweten nooit overuren maakt, kon Jambers de middelmaat in al haar pracht en praal tonen. Hij manipuleerde de kijkers zoals eertijds de landelijk aalmoezenier het gemoed van zijn kajotters bespeelde. Met mededogen en strengheid. Toen Jambers voor zichzelf begon, kerstende zijn camera jan en alleman. Jambers Productions zou in die apostolische ijver zelfs klopjachten houden op de laatste in het wild levende kleine mannen. Gezocht: dokwerkers met een borstvergroting. Het was makkelijk opvallen omdat journalisten nog rammel van de minister kregen bij een te scherpe vraag. Toen Mobutu weer eens enkele dozijnen studenten had laten afknallen op de campus van de universiteit van Lubumbashi, kwam Leo Tindemans in het achtuurjournaal van de BRT ongestoord oreren dat "wij pas kunnen interveniëren zodra de situatie gedecrispeerd is". Een ander berucht Tindemans-in-Congo-citaat vat deze periode krachtig samen: "Lakke lakke bomma patatten met saucissen!" De BRT wekte een doffe, uitgebluste, hopeloze indruk. Bovendien werd de berichtgeving van de openbare omroep algemeen te links bevonden. "BRT weg ermee!", luidde het opschrift van een populaire VNJ-zelfklever uit die jaren. Wanhopige journalisten spraken van het laatste stalinistische bolwerk. Te links of te rechts, te dik of te dun, het liep niet aan de Reyerslaan. Alleen TikTak slaagde erin nieuwe kijkers te ronselen. Onder dit omineuze gesternte begon Jambers aan zijn zegetocht, met als typevoorbeeld zijn Panorama-reportage over de in Millet-jassen gehulde losers op de speelplaats. Iedereen had het gezien (wat moest een mens anders op donderdagavond) en iedereen sprak er schande van. In tegenstelling tot wat velen denken is de meest beruchte Panorama-reportage uit de jaren tachtig echter niet van Paul Jambers, wel van de sigarenrokende Paul Muys. Panorama toonde op 17 november 1988 om 21 uur een reportage van Paul Muys "over de Seefhoek, waar veel Blokkers en migranten wonen". Tijdens dezelfde aflevering liet Jambers vier geslaagde migrantenvrouwen aan het woord. De vermaledijde duiding in optima forma: zowel de cowboys als de indianen in beeld brengen.

Opschudding alom toen een tooghanger uit de Seefhoek de Vlaamse gezinnen schuimbekkend toeriep dat Hitler nog niet zo dom was geweest. Het moest volgens de stem van de Seefhoek maar eens over en uit zijn met de makakse medemens. Vooral het besluit van de tirade bleef de kijkers bij: "Zwaanst na nie!" Bij benadering zou je de kreet kunnen vertalen als 'doe nu niet onnozel'. Dit pleidooi voor gezond verstand verspreidde een ranzige stank, alsof de gore Seefhoekmens een portie in afgekeurde reuzel gebakken friet met mayonaise tegen het scherm had gekwakt. Van Kortrijk tot Wuustwezel had de Vlaming een vuile smaak in de mond. De kreet werd een symbool. Langs de spoorlijn tussen Antwerpen en Breda stond het jarenlang op een paardenhok geschilderd. "Zwaanst na nie!" Vettig Vlaanderen toonde zijn middenvinger.

In het collectieve televisiegeheugen vormt de reportage van Paul Muys een grens. Het Romeinse rijk hield met haar limes woestelingen tegen die de Sabijnse maagdenroof wilden overdoen. De afbrokkeling van de grens luidde het verval van de beschaving in. En zo liep het ogenschijnlijk ook aan het eind van de jaren tachtig. De spectaculaire groei van het Vlaams Blok viel samen met de verkruimelende almacht van de staatszender. Terwijl VTM onze dag begon te kleuren leek het einde van weldenkende televisie nabij (men sprak over het 'verjambersen' van de nieuwsgaring). De barbaren stonden volgens cultuurpessimisten als het ware in de Romeinse fonteinen te pissen. Met enige duiding hadden zij zich wis en zeker op de bril gezet. De ondergang van het avondland werd vaker afgekondigd dan Dallas werd heruitgezonden. Maar zoals de prostaat van François Mitterrand ooit heeft gezegd: "Un con qui avance va toujours plus loin qu'un intellectuel qui reste assis." De duiding legde het af tegen de terreur der knallende champagnekurken. Sindsdien kijkt Vlaanderen verdeeld, zijn de kleine mannen verdacht, hebben ze leiding nodig of moeten ze worden beschermd tegen laagvliegende intellectuelen. De booswicht uit de reportage van Paul Muys bleek achteraf lid van de communistische partij. Hij verpersoonlijkte in zijn eentje de politieke en maatschappelijke ommezwaai aan het eind van de jaren tachtig. Oude zekerheden stonden bij het grof huisvuil. Oude kameraden verlieten de rode stoet en balden de vuisten in dienst van een aangebrand ideaal. "Zwaanst na nie!" kwam als een schok van herkenning en bracht ook geruststelling. Ach, racisme bestond, maar zat verborgen in de riolen van vervallen volksbuurten. Het volstond tandenloze steuntrekkers respect voor andere culturen bij te brengen. En weet je wat, we geven die sukkelaars ook een nieuw straatinterieur. De klap op de vuurpijl was het systeem-Cools. Bob Cools zat in het Antwerpse stadhuis driftig krantenknipsels over criminele 'Zuid-Afrikaanse jongeren' te hamsteren. Hij stuurde ze op naar migrantenverenigingen met de boodschap: doe daar iets aan! Opgeruimd staat netjes. De weg naar de Wetstraat leidt nu eenmaal niet langs de Seefhoek. Anderhalve maand eerder hadden de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1988 een fors aantal proteststemmen opgeleverd. Het Vlaams Blok haalde een landelijke score van 5,3 procent. In de Seefhoek koos zelfs 28,5 procent van de malcontente kleine mannen voor extreem-rechts. Dat was ongezien en vooral onbegrijpelijk. 'Dwarskijker' Willy Courteaux schreef in Humo over de ontluisterende Panorama-reportage: "Geef de laagste sociale klasse iemand op wie zij op hun beurt kunnen neerkijken en ze grijpen de kans met beide handen. Racisme als klassenstrijd van de onderontwikkelden." De geschiedenis heeft ons geleerd hoe afgrondelijk diep de breuklijn is die eind jaren tachtig aan het licht kwam. De gapende kloof heeft alles en iedereen opgeslokt, van Cardijn tot Cools. Zelfs de kleine mannen-epiek van Jambers is vandaag een relict uit vervlogen tijden. Media en politici gedroegen zich toen als zoutpilaren. Ze ondernamen wanhopige pogingen om het kwaad te bezweren. De vaststellingen klopten, maar de oplossingen werden onthaald op een welgemeend "Zwaanst na nie!" Sindsdien hebben we ons bekwaamd in het elkaar signalen geven naar de burger en de politiek toe. De Vlaming is een wandelende gevarendriehoek geworden.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 16 juli 2003.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...