woensdag 2 mei 2007

Heimwee naar Himmler



De Eerste of de Tweede Wereldoorlog, whatever. Nadat Canvas ons jarenlang heeft gebombardeerd met oorlogsdocumentaires, het geheugen van de laatste getuigen vervaagt en er zelfs over doofstomme groottantes van nazi-kopstukken biografieën zijn geschreven, is het strijdgewoel aan het luwen. Tot daar de schijn. In werkelijkheid leren we nu pas ten volle beseffen wat voor een onwerkelijke verspilling van mensen en middelen die twee oorlogen zijn geweest. Een boek als Na de oorlog. Een geschiedenis van Europa na 1945 van de in Antwerpen geboren Canadese historicus Tony Judt toont de werkelijke dimensies van de Volkerslacht die ons de hele twintigste eeuw heeft beziggehouden. De oorlogen hebben de wereld bepaald waarin wij moeten onze weg moeten vinden. Tot daar de feiten. En nu de literatuur.

Er is uiteraard Louis Paul Boon, de man die aan de eeuwige terugkeer van hetzelfde in alle groteske onvermijdelijkheid ruim anderhalve strekkende meter dichtbedrukte bladzijden heeft gewijd. En de op 11 april overleden Kurt Vonnegut, de Amerikaanse GI die tijdens het Ardennenoffensief krijgsgevangen werd gemaakt en per ongeluk in het bombardement op Dresden terechtkwam – zie Slaughterhouse-Five. En Catch 22 van Joseph Heller. En Ferdinand Bardamu, het mistroostige hoofdpersonage uit Voyage au bout de la nuit van Céline. En Norman Mailer, een krasse knar die dit jaar het eerste deel van zijn trilogie over Hitler publiceerde: de satanische roman The Castle in the Forest. Dulce et decorum est pro patria mori? Zowel Mailer, Vonnegut, Heller, Céline als Boon, al deze reuzen, oorlogsschrijvers bij uitstek, hebben literaire waarheid nooit ervaren als waarheid van een bedenkelijk allooi. Voor hen is literatuur een onderzoek naar de waarheid die hun epoche vormgeeft. Sommigen zullen dat exorcisme noemen, ongeoorloofd taalmisbruik of flauwekul. Maar is de gangbare imitatie van de werkelijkheid, met haar voorspelbare formats en vermoeidheid, dan zoveel beter? Als dat zo is, dan moeten we dringend het uit clichés en goedkope sentimentaliteit opgetrokken oeuvre van Heinz G. Konsalik herontdekken. Wereldwijd werden er ruim 83 miljoen exemplaren verkocht van het werk van deze oud-Kriegsberichter aan het Oostfront.

Nee, dan Curzio Malaparte. Een Duits-Italiaanse bastaardzoon, doordrongen van de Europese cultuur. Een opportunistische potsenmaker. En een luxejournalist, zeg maar diplomaat. Deze enigszins duistere figuur heeft een van de beste romans over de Tweede Wereldoorlog geschreven, Kaputt. Tijdens is nog accurater dan over. Malaparte schreef het boek in 1943, toen het allemaal nog vrolijk bezig was. De reportages die hij als oorlogscorrespondent aan het Russische front maakte, werden ook in 1943 gebundeld (het niet in het Nederlands vertaalde Il Volga nasce in Europa) en vormden het werkmateriaal voor Kaputt. Dit boek is een vijfhonderd pagina’s lange nachtmerrie, een raamvertelling over een continent dat aan scherven ligt. Kinderen worden gevild, de Kroatische fascistenleider Ante Pavelic rukt de ogen van zijn tegenstanders uit, joden creperen als beesten, van de Dnepr tot aan Stalingrad woedt er een slachting die haar weerga niet kent. Curzio Malaparte is een bevoorrechte getuige van dat bloederige en wufte schouwspel. Hij geeft de waanzin weer, zonder verklaring. Er is geen moraal. Te midden van het puin en de ellende is Malaparte mondain, flirterig, wellustig, geeft hij tal van variaties op de apodictische schoonheid van de vrouw, voert hij wondermensen op die aan zichzelf ten onder gaan en toont hoe de dood ons allen uitlacht – en niet andersom.

Om al die redenen is Kaputt een boek dat ook een film wil zijn, een documentaire, een hoorspel, een veldslag, een volkerenmoord, een opera en een status questionis van de menselijke aard. Europa, zo beweert Malaparte, gaan ten onder aan angst. Dat ene gevoel is de drijfveer van de Duitse waanzin: angst voor de zwakkere, de onzuivere, de Jood, de katholiek, de zigeuner. Vele romans zouden verplichte lectuur moeten zijn, maar zeker ook dit ene onovertroffen Europese meesterwerk. Malaparte beschrijft in Kaputt de gruwel op zo’n tastbare manier dat hij je de illusie geeft de gruwel te kennen, alsof die kennis een amulet is waarmee je de kwade geest van Heinrich Himmler op een afstand houdt. O zoete illusie! In een van de beste scènes uit de roman gaat het hoofdpersonage in Helsinki aan de zuip met Himmler. Ze zweten nadien samen de alcohol uit in een sauna. Nee, een vrolijke Frans is Himmler niet, eerder een droevige Teutoonse ambtenaar met een ziekenfondsbril en een pover geslacht, “twee noten in een slaphuidig zakje, gekreukt als een zakje van papier”. Dit is geen door de goden gezonden wraakengel, maar helaas een gewone man.
Kaputt was meteen na de Tweede Wereldoorlog een groot succes en werd in het Nederlands uitgegeven door Angèle Manteau. Ernst Bruinsma beschrijft in Kwaliteit als credo. Een geschiedenis van uitgeverij Manteau (1938-1953) hoe Manteau een voorschot van 10.000 oude franken betaalde om de rechten binnen te halen – in die tijd een aanzienlijk bedrag. Toen de vertaling in 1948 verscheen, was het resultaat schitterend. Malaparte en Manteau leerden elkaar ook zeer goed kennen. In 2001 veilde het Leidse antiquariaat AioloZ hun correspondentie. “Hij was een onmogelijke Italiaan,” vertelde Manteau in 1998 aan Johan Anthierens, “in suggestieve pakjes gekleed, die mij voor een lesbienne versleet omdat ik niet op zijn avances inging. Hij had een dusdanige dunk van zijn viriele onweerstaanbaarheid dat hij alleen mijn 'pot'-zijn als verklaring voor dat blauwtje kon inroepen. Hij is nu internationaal vergeten, suddert in Frankrijk door in de Livre de poche. In Amerika belandde hij bij een verkeerde uitgever (Dutton Books, vandaag een imprint van Penguin, nvdr.), wat zijn literaire doodvonnis betekende.” In 2005 verscheen er een nieuwe vertaling bij De Arbeiderspers. Maar wie echt wil weten hoe complex Malaparte was, moet zijn postuum uitgegeven Journal d’un étranger à Paris (1967) lezen waarin hij getuigt van zijn grote liefde voor zijn tweede vaderland. Malaparte nam als zestienjarige – een kindsoldaat – dienst in het Franse leger en vocht aan het front in de Argonne, een gebied dat de uit Dinant afkomstige Manteau ongetwijfeld goed kende.
Journal d’un étranger à Paris schreef Malaparte in 1947 en 1948. Achter de weelderige portretten van de Parijse salons schuilt een akelige wanhoop. Op onnavolgbare wijze noteert Malaparte zijn gesprekken met Fransen die zonder uitzondering het noorden kwijt zijn. De oorlog is voorbij. Wat nu? Ze zouden dolblij moeten zijn dat de gruwel achter de rug is. Maar ze klagen en zeuren. Het lijkt of ze heimwee hebben naar Himmler. Wij zijn niet in staat lessen te trekken uit het verleden. Het is die aangeboren amoraliteit, die redeloze onverschilligheid waarvan Malaparte in Kaputt het ziektebeeld heeft geschetst.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in van 2 mei 2007.)