zondag 22 juni 2008

Over het dagboek van Matthieu Galey


(Matthieu Galey, lector bij Grasset, criticus bij L'Express, toeschouwer van het Franse literaire bedrijf en 'fascist van de goede smaak'.)

Voorbij de ijdelheid ligt het troosteloze moeras van de waanzin. De armen van geest komen terecht in gesloten instellingen en sterven naamloos. Echte gekken daarentegen bestellen hun eigen grafsteen en laten er 'homme de livres' in beitelen. Zo verging het Matthieu Galey, een invloedrijk Frans criticus uit de jaren zestig tot tachtig van vorige eeuw. Als jongeman beschrijft Galey met toenemende hysterie leeservaringen en orgieën van allerlei soort. In het grootste deel van zijn dagboek toont hij zich een ongenietbare kletsmeier die kitsch en roddels met mystiek verwart. Geruisloos neemt de literatuur de plaats in van de tastbare werkelijkheid. Zodra de omstandigheden dreigend worden, stelt Galey een schietstoel in werking die hem richting literaire luchtledigheid schiet. "Alle dingen blijven aan hun zelf overgelaten", preekte de grote landschapschrijver Streuvels. Galey zou daaraan toevoegen: en ze zijn het niet waard dat we ze een blik waard achten. Maar als Galey zich verwaardigt om een oordeel te vellen, is het raak. Eind 1973 treedt Marlene Dietrich op te Parijs. De blauwe engel is tweeënzeventig en draagt een met rubber opgevulde vleeskleurige concertjurk om haar kont een halve eeuw te verjongen. Galey noemt haar "irreëel", "een oude pad", tot ze begint te zingen en na het optreden zesendertig keer wordt teruggeroepen. Dietrich verenigt in zich "de onverenigbare eigenschappen van de lieve grootmoeder en de erotiek, de twee uiterste polen van het leven, de eeuwigheid". Ware Galey minder fatterig dan zou hij, een natiepaard met oogkleppen op gelijk, blind over zijn levenspad draven. Maar de wufte Galey lijkt eerder een poedel die achter het fatum aanholt en stuurloos langs de Parijse boulevards paradeert. De hel dat zijn uiteraard de andere mannelijke poedels, die het niet zo nauw nemen met de liefde. Galeys gemoed is permanent bezwaard. Jongens met godenlijven ontpoppen zich als opportunistische gluiperds. In andere gevallen verzuipt Galey de hooggestemde gevoelens in het moeras van de waanzin. De werkelijkheid kan nooit tippen aan de literatuur. Neerslachtig kwispelstaartend bereikt Galey de hoogste graad van levensmoeheid. Hij laat er zich op voorstaan op uitmuntende wijze aan te modderen. Met coltruien, Juliette Gréco of Sartriaanse verantwoordelijkheidszin heeft dit alles weinig te maken. De hypersensitieve letterenknecht Galey is te slim om iets te geloven, tenzij een geslaagde metafoor. Toch zal hij nooit de roman schrijven die iedereen van hem verwacht. Galey schept er een pervers genoegen in zich die daad te ontzeggen. Hij bewaart zijn ontgoocheling voor de boeken en theatervoorstellingen die hij recenseert, onder meer in Les nouvelles littéraires, het opinietijdschrift L'Express en het radioprogramma Masque et plume. Het hoogtepunt van zijn bestaan is wellicht de anonieme beller die hem aan de telefoon uitscheldt voor "fascist van de goede smaak".

De feestelijke sixties zijn nog slechts een herinnering wanneer de glans uit Galeys notities verdwijnt, midden jaren zeventig. Op dat moment schrijft Serge Gainsbourg aan L'homme à tête de chou (1977), de beste concept-lp uit de popgeschiedenis. In L'homme à tête de chou vertelt Gainsbourg het verhaal van Marilou, "beauté païenne", die liefde, lust, dood en ondergang belichaamt. L'homme à tête de chou is behekst door Marilou, tracht zijn obsessie te begrijpen en pelt de lagen van zijn kolenhoofd af tot er een mismaakt hoopje mens overblijft. De norse Galey haalt zijn neus op voor ordinaire popmuziek en verwijst niet naar Gainsbourg, maar voert een zelfontleding uit die, bewust of onbewust, tot hetzelfde resultaat leidt. Het feest is uit. De liefde is een perpetuum mobile dat lichamen verslindt en zowel dood als lust voortbrengt. Begin jaren tachtig krijgt dat mechanisme een bijnaam: aids. Tijdens de eerste grote paniekgolf wordt bij Galey een dodelijke spierziekte vastgesteld. Ook in de stijl van het dagboek is dit het grote keerpunt.

De laatste twee jaar van Galeys leven, 1985 en 1986, ontstaan dagboeknotities van een ijzingwekkende kracht. Galey onderneemt een afscheidstournee langs Zuid-Amerika, China, Zuid-Afrika. Met de adem van de dood in de nek analyseert Galey onderweg elke prikkel, elke gedachte, elke ontmoeting die hij de moeite waard acht. Het montere cynisme dat hij daarbij uitdraagt, is onweerstaanbaar op een buitengewoon onaangename manier. Er zit geen greintje theater meer in. De confrontatie is totaal. "Wanhoop", zo schrijft Galey, "is een gebrek aan fantasie." Zelfs zijn dagboek moet eraan geloven omdat het een te eenzijdig, te gekunsteld beeld geeft van zijn leven. "De rest zal doodgewoon verdwenen zijn. De seks en het werk, die de belangrijkste plaats in het leven innemen, worden vanzelf uitgewist. Ze vormen het nuttige steigerwerk om het op te bouwen, maar zijn gênant om bij stil te staan."

Het Frankrijk van die jaren beleeft de nadagen van de Koude Oorlog, een feest van conceptuele kunst. Mitterrand verbouwt Parijs. De Franse geheime dienst brengt de Greenpeace-boot Rainbow Warrior tot zinken. Christo verpakt de Pont Neuf. De invalide Galey onthoudt vooral de bomaanslagen die de Franse hoofdstad teisteren. De spanning in het Midden-Oosten jaagt hem als kwart jood meer angst aan dan zijn aangekondigde dood. Wanneer Galey de xenofobe uitbarstingen van zijn oude vader navertelt, weet hij zich geen houding te geven. Achter die onwennigheid gaat de tragiek van de jaren tachtig schuil, een periode die zich onderscheidde door een ideologisch bankroet en krampachtig in stand gehouden machtsverhoudingen. Het is of samen met Galey een oude wereld naar de verdoemenis gaat. Hij had het zelf voorspeld in 1980, bij de massale opkomst voor de begrafenis van Sartre: "Je zou bijna kunnen zeggen dat ze zichzelf ter aarde bestellen."

Galey is een kind van de naoorlogse naïviteit, toen objectiviteit of esthetiek nog dromen waren die men vrijelijk kon verkondigen. De heiligen stonden op hun sokkels te wachten om verbrijzeld te worden. Galey deed nauwelijks mee. Hij verkoos een dienende rol te spelen. Als lector van uitgeverij Grasset. Als eeuwige criticus. Als spreekbuis van grote literaire namen. Met open ogen, het interviewboek dat Galey met Marguerite Yourcenar maakte, is het wapenfeit waarmee hij zijn plaats in de officiële geschiedenis veroverde. In plaats van zijn leven te geven aan eigen werk, besloot hij zich te slachtofferen op het altaar van de kunst. 13 februari 1986: "Laatste beeld: het sneeuwt. Onbevlekte Hemelvaart."

Geen opmerkingen: