maandag 8 december 2008

Nog steeds gejaagd door de wind


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Clark Gable en Vivian Leigh. Het is niet duidelijk of ze nu allebei een snor hebben, maar de fantastische kleuren van de kodachrome-opname laten geen ruimte voor twijfel. Dood aan de digitale camera!)

'Frankly, my dear, I don't give a damn'

Clark Gable, alias Rhett Butler, in Gone with the wind (1939)

Ooit had cinema Rubens te Antwerpen het grootste scherm van West-Europa en omstreken. Wie de pech had vooraan te moeten zitten, kwam krankzinnig buiten, verstikt door een beelden- en klankenbrij die alleen met de oersoep te vergelijken was. Spijtig genoeg is de zaal zelf al jaren gone with the wind, gehuurd door katholiek geïnspireerde gekken die hun heil niet in pellicule zoeken, wel bij Jezus. Toen er nog gerechtigheid bestond, draaide wijlen baron Heylen op doodse middagen klassiekers in cinema Rubens. Gone with the wind, met entr'acte en versnapering, want het is een film in twee delen. Sinds de eerste keer dat ik de bizarre klassieker Gone with the wind heb gezien, in cinema Rubens, ben ik eraan verknocht geraakt. Alles wijst erop dat het een opgeblazen kostuumdrama over de Amerikaanse burgeroorlog is en toch verbergt de weldadige kitsch flarden van aan genialiteit grenzende pathos. Zo bevat Gone with the wind de ultieme liefdesscène uit de filmgeschiedenis. Scarlett O'Hara (Vivian Leigh) heeft ten langen leste begrepen dat zij hartstochtelijk van Rhett Butler (Clark Gable) houdt. De laatste heeft zijn bekomst van Scarletts grillen en met de hand aan de deurklink maakt hij een einde aan haar wanhopige liefdesverklaring: "Frankly, my dear, I don't give a damn." Gone with the wind kreeg negen oscars en voor die ene 'damn' ontving producer David O. Selznick een technische boete van 5.000 dollar. De infame Hays-code hield Hollywood in een morele wurggreep. Kussen en vloeken mocht niet. Impliciet racisme en seksisme vormden daarentegen de harde kern van het wereldbeeld dat de Amerikaanse overheidscensuur trachtte veilig te stellen - alleen domme, onderdanige negers waren toegelaten. In Gone with the wind viert het heimwee naar segregatie en zuiverheid hoogtij. Dit epos over de ondergang van een oude wereld, het diepe Zuiden, is een grote lofzang op de verknochtheid aan Blut und Boden. Niets ligt Scarlett O'Hara zo na aan het hart als het bezit van haar Ierse voorvaderen, Tara, een landgoed dat bloeit door blank doorzettingsvermogen, katoenpluk en negerzweet - Johnny Cash noemt het 'elbowgrease'. De schaduw van het verleden geeft er de toekomst vorm. Geen morzel gronds wordt prijsgegeven. Te midden van een ijzingwekkende burgeroorlog en tal van amoureuze stormen blijft er één zekerheid overeind: de majestueuze landerijen van Tara.

De roman Gone with the wind van Margaret Mitchell, een pil van ruim duizend pagina's, verscheen in 1936 en verpulverde de verkooprecords. Vergeleken met de filmbewerking is het boek rauwer. Mitchell getroostte zich veel moeite om de Amerikaanse Secessieoorlog zo nauwkeurig mogelijk weer te geven, gastoptredens van de Ku Klux Klan incluis. Hitler was al met zijn blitz bezig toen de film op 15 december 1939 te Atlanta in première ging. De wreedheden van de oorlog spelen een bijrol in Gone with the wind, wellicht de reden waarom de firma Metro-Goldwyn-Mayer er klauwen vol geld aan verdiende. Want is het een oorlogsfilm of een liefdesfilm? De vraag geldt ook voor een andere klassieker uit die jaren, Everybody comes to Rick's, in januari 1943 uitgebracht als Casablanca. De gelijknamige stad was in de loop van november 1942 ingenomen door de geallieerden, wat voor een wekenlange gratis reclamecampagne zorgde. Door het geile huwelijk tussen marketing en vrouwe geschiedenis moest de firma Warner Brothers extra personeel aannemen om de winst uit te tellen. Een andere gelijkenis tussen beide films zijn de nadrukkelijke clichés. In Casablanca draagt Victor Laszlo (gespeeld door Paul Henreid) het archetypische 'Duitse litteken' op zijn gezicht en meet man aller mannen Humphrey Bogart zich de houding van de laconieke Amerikaan aan. Gone with the wind gaat nog verder en is geheel en al samengesteld uit tics en suikerzoete gemeenplaatsen. Het draagt ertoe bij dat de grote brokken dialoog uit beide films, Casablanca nog iets meer dan Gone with the wind, een plaats hebben gekregen in het collectieve geheugen. Deze twee sentimentele bombardementen in tijden van oorlog hebben hun doel niet gemist. Het grote verschil zit in de esthetiek. Gone with the wind had net zo goed een product van de UFA-studio's kunnen zijn, waar gezonde Arische regisseurs de dienst uitmaakten.

Leni Riefenstahl bijvoorbeeld heeft haar Triumph des Willens altijd verdedigd met strikt esthetische argumenten, waarbij de artistieke benadering losstond van het politieke onderwerp. De documentaire van het grote nazi-congres in 1934 te Neurenberg is meer dan een handboek propaganda. Triumph des Willens bevat nog steeds de bewijzen tot wat een camera in staat is, alles namelijk. Riefenstahl baseerde zich op de traditie van de stomme film, die geen mensen toonde, maar maskers en gezichtsuitdrukkingen vastlegde als waren ze in steen gehouwen. Apollinisch ogende acteurs, letterlijk bewegende beelden, deden met een welgemikte blik het publiek flauwvallen van angst of bedwelming. Triumph des Willens voegt daar de kracht van camerastandpunt en montage aan toe. Het resultaat is een zeldzaam coherente verbeelding van een politiek programma. Riefenstahls documentaire werkelijkheid (staalharde, zuivere nazi's) wijkt niet veel af van de geromantiseerde geschiedenis in Gone with the wind (nationalisme en blanke superioriteit aangelengd met passionele liefde). De sublieme verstandhouding van vorm en inhoud doet ook in Gone with the wind een essentiële fascinatie ontstaan. Hoewel het vijf regisseurs heeft gekost om de film af te maken, is er geen sprake van stijlbreuken. Goede cinema zuigt het merg uit sterfelijke acteurs, tot er alleen schimmen resten die aan ons blijven kleven, en de illusie in de plaats van de werkelijkheid komt. "Het was of ik alle oorlogsfilms die ik ooit had gezien tegelijkertijd beleefde", verklaarde vorige week nog een Britse soldaat na een raid op Basrah. Zoiets. "Frankly, my dear, I don't give a damn." Amerikaanse soldaten schreven het tijdens de Vietnamoorlog op hun vliegtuigbommen.

De acteerprestaties in Gone with the wind zijn afwisselend houterig, smachtend en stom. En dat 222 minuten lang. Clark Gable gaat gebukt onder de nagedachtenis van Rudolf Valentino en de hooghartige oogopslag van Vivian Leigh doet vermoeden dat zij zeer intens Greta Garbo heeft bestudeerd. Maar dat doet het hem nu net, in combinatie met de weidse travelshots, de immense scènes, de vale pasteltinten, de ruisende rokken, de burgerlijke deftigheid, de potsierlijke rechtse moraal en de Hollywood-grandeur, die zelfs de kleinste details besmet. Gone with the wind is het soort film waarin doden netjes doodgaan, niemand naar het toilet gaat of zich van zijn lelijkste kant laat zien. De personages zijn ideeën, eerder dan verschijningen of gebeurtenissen. Ze dwalen rond in een gesloten universum waar iedereen zijn plaats kent en er steeds iemand met een paard klaar staat.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 2 april 2003.)

Geen opmerkingen: